XVIII.

In het gewone leven was Heleen zoo weinig slap en besluiteloos als een

meisje van haar jaren maar wezen kan,—haar innerlijke zorgen namen haar

geheel en al in beslag, daardoor kon ze ook gemakkelijk gewillig en

inschikkelijk wezen—zoodat het haar hinderde, zich daarvoor te hooren

prijzen—omdat de dingen, waarover de meisjes in haar huis, en de

collega’s op de school onderling krakeelden, haar maar weinig gewichtig

schenen. Ze koos haar partij en besloot snel en zonder naberouw, want

wat er met het een te winnen of met het ander te verliezen viel, trok

haar niet aan en schrok haar niet af. Ze was gewillig en flink, zooals

een soldaat, wien het niet schelen kan te sterven, dapper en

onverschrokken is.

Met de jaren leerde Heleen vele en velerlei menschen kennen en ze sloeg

ze allen aandachtig en naar beste kunnen onbevangen gade, niet om ze te

beoordeelen, maar om ze te kennen en te doorgronden. Zelfbewustheid in

houding en daden imponeerde haar licht, omdat zij zelve die miste—, en

daardoor werd ze aanvankelijk sterk aangetrokken tot een bepaalde groep

van vrij-levende jongelieden, jongens en meisjes, die wereld en

menschheid, wetenschap en deugd minachtten, beschimpten en meelijdend

bespotten. Heleen benijdde hunne levenswijze, zoo verschillend van de

hare, geloofde dat ze voor zichzelf een eigen grondslag en stelligheid

hadden en begeerde gretig daarin te deelen. Doch dit bracht enkel

teleurstelling, ze voelde gauw en goed genoeg, hoe weinig bewustheid en

echte ernst er in hun levenswijze zat, dat ze niet veel anders deden

dan te zamen in een hoekje een nieuw kaartspelletje ontwerpen en spelen

en schimpen op de menschen, die zich liever bij hun oude hielden—zonder

dat het hunne iets meer was,—dat ze de wetenschap verachtten omdat ze

niet rekenen konden, de gemeenschap omdat hun vadsigheid en zelfzucht

elke beperking van lust en vrijheid afwees—dat ze bij voorkeur teerden

op anderen en meenden zich van hun plicht te hebben gekweten door zich

afzonderlijk en opzichtig te kleeden en te gedragen. Toen Heleen zag,

dat ze zelfs in deze kinderachtige onderscheidingen elkander naäapten

en in geen enkel ding een persoonlijk streven hadden uit te drukken,

wendde ze zich van hen af, spijtig en ontdaan, dat ze zich ook ditmaal

weer had laten vangen en misleiden. Toch leerde Heleen nimmer zich aan

de suggestie der zelfbewustheid te onttrekken. Met het peinzen over

deze dingen bracht ze vele uren zoek, maar uit haar eenzaamheid trok

toch telkens haar hart weer naar menschen, ofschoon ze even vaak ervoer

hoe weinig ze met hen aarden kon. Er was geen conflict en er was geen

scherpte of twist, maar altijd een onuitgesproken onwil: de volheid

ontbrak, de warmte van het broederlijk samenzijn, die ze éénmaal voor

zich en voor anderen had gedroomd. Steeds had ze vast en met benijding

gemeend, waar ze anderen te zamen zag, vrienden en vriendinnen,

verloofden, getrouwden, dat die warmte, die volheid dan tusschen hen

aanwezig was—, doch ook die zekerheid verbleekte in ’t van dichtbij

gadeslaan: het leek wel alles vlakke gewoonte.... het andere bestond

misschien niet eens.... althans, die ze kende wisten erzonder te

leven....

Heleens vermogen, het werkelijke van het bijkomstige in de dingen te

scheiden, door aanhoudend denken en ontleden gescherpt, had haar een

groote vaardigheid gegeven in het snel en scherp doorzien, ze drukte

zich goed en gemakkelijk uit en had, door gewoonte daarin geoefend,

altijd haar redenen en motieven gereed ter hand. Ze begaf zich

somwijlen in twistgesprekken en maakte zich warm, doch meestal tegen de

meeningen der anderen—zelden voor eigen meeningen, zoodat het soms

scheen, dat ze den eenen dag voorstander, den anderen tegenstander in

dezelfde zaak was—omdat het ondoordacht en oppervlakkig verwerpen van

den een haar evenzeer tot verzet prikkelde als het soortgelijk aannemen

van den ander. En plotseling, al sprekende, bemerkte ze dit, en hoe

weinig de zaak-zelf haar nog ter harte ging, en met hoe weinig en hoe

zwakke banden zij aan de anderen en aan hun belangen, niet sterker ook

aan zichzelf en aan haar eigen belangen gebonden was—hoe los en buiten

alles ze stond—dan beving haar weer dat gevoel van leegte en

verflauwing, dat ze van haar eenzame avonden kende en van het

vertwijfeld tusschen menschen gaan op straat; het naar alle kanten van

haar wegvloeien van haar persoonlijkheid, een door al te nauwe

nabijheid verloren gaan van vorm en omtrek—lijfelijk en als zoodanig

smartelijk en benauwd.

Heleen kon dat gevoel bijkans niet dragen, het was te rauw en raakte

haar te diep en te scherp met zijn vertwijfeling, daarom zocht ze

middelen om het te ontgaan. Ze verzamelde van alle kanten werk om haar

tijd te dooden en haar gedachten te verdooven—en verder ontzegde ze

zich alles wat ze aangenaam vond, niet omdat ze het zich niet langer

gunde, maar om haar wil als een vastheid, een positief ding te gevoelen

te midden van en tegenover al die onvastheid en vlottende leegten. Ze

was een speelbal, een damp, door machten buiten haar om gedurig

bestormd en bewogen, zonder richting of eigen wil—ze wist het, maar ze

kon het vergeten. Ze kon het nalaten te eten, als ze verkoos: dan was

ze met haar wil de macht van den honger meester—, ze kon een uur

achtereen onbeweeglijk zitten, ze kon zes uur loopen als ze het zich

voornam, ze kon koude lijden, ze leerde zonder kreten pijn doorstaan,

hoewel ze van nature bijzonder kleinzeerig was—, en zonder dat iemand

in haar geheele omgeving iets van dat verborgen doen bemerkte, gaf

Heleen zich daaraan meer en meer over. Zij zelf wende gauw aan haar

ontberingen en slaagde er in zich elk ding te beletten, anderen zagen

haar als meer en meer eenvoudig, bescheiden en zelfbeheerscht, doch

Heleen misleidde met dat al zichzelf niet, minder nog dan ooit vond ze

in zichzelf verdienste, of deelde ze de illusie van den Vrijen Wil. Het

was in haar een verontrustend raadsel van dagen lang en van jaren her:

„kunnen wij willen of kunnen wij het niet? De inbeeldingen en zelf

misleidingen der menschen, voor wie „wil” de volvoering van lust, en

„meening” de formule van hoop, belang en begeerte is, die een leer

aanhangen omdat ze van hoop, belang, begeerte de verwerkelijking

belooft, en nochtans wanen met vrijstaand inzicht te hebben gewild en

gekozen, konden haar niet misleiden—, en toch kon zij noch in zichzelf,

noch in anderen, zoo ze anders verkozen, de gebonden slaaf van elke

luim des oogenbliks erkennen.... hoe was het toch? Het leek „ja” en

„neen” in eenen adem.... een zijde van bevestiging met een keerzij van

ontkenning.... een voortdurende wankeling en wisseling....

Eens zag Heleen een geit in een wei aan een touw gebonden en hoe het

beest wrong en trok naar een bloem buiten zijn bereik—, tot het zich

onderwierp en gewonnen gaf. Het rustte even, trillend van zijn verzet,

en ving toen aan te grazen en te buitelen, te droomen en rond te zien,

neer te liggen en op te staan naar vrije verkiezing binnen den kring,

die de grens zijner vrijheid was. En toen Heleen dit met volle aandacht

gadegeslagen had, werd ze in zichzelf een verheldering gewaar en wilde

voortaan het raadsel van vrijheid en onvrijheid zóó begrijpen, dat elke

mensch, als een gebonden geit, vastligt aan een touw, dat aard of

aanleg, tijdsgewricht of omstandigheid heet—maar nochtans binnen die

kleine ruimte kiezen en handelen mag.

Hoe schrikkelijk leek het haar toen te onderstaan, wat rechters

onderstaan; over anderen en voor anderen te beslissen, of ze al dan

niet anders hadden gekund, dan zij deden.

Ze had zoo diep in zichzelf getast en daar ze eenmaal zichzelf

oprechtheid had opgelegd, niets van wat zij vond aan het licht

onttrokken, al deed somwijlen de aanblik haar huiveren en verbleeken.

Alles wat ze van misdaad en verderf had gelezen, had slechts deze ééne

gedachte in haar gewekt, die altijd weer de gedaante van een ontzetting

droeg: „dit is dus de mensch, dit is het, waartoe de mensch verworden

kan—, ik zoo goed als elk ander.” Ze kon niet langer lezend of

luisterend vernemen van wat haar gevoel bleef heeten verderf en zwart

kwaad, zonder opgejaagd in zichzelf te speuren naar de schijnselen van

datzelfde verderf en datzelfde kwaad en dit vermeerderde nog haar

gevoel van angst, onzekerheid, onvastheid, onveiligheid. Van nature en

door den aard van haar jeugdleven krachtig geloovend in een

fundamenteel onderscheid van edel en onedel, van verheven en laag, van

boos en schoon—, moest ze nu die laatste vastheid prijsgeven, want ze

zag nimmer het onwrikbaar innerlijk verschil tusschen zichzelf en den

misdadigsten mensch—; het vloeide als uit haar handen weg, zoodra ze

het wilde grijpen. Ze besefte nog niet dat juist die bewustheid haar

beste bolwerk was en vreesde aanhoudend. Wat anderen had besmet, kon

ook haar besmetten—beestachtige zelfzucht in tijden van nood, lafheid

die tot verraad drijft, de rauwe drang naar lijfsbehoud, die—ze wist

dat ze er niet tegen opgewassen zou zijn—, niets-ontziend om zich heen

trapt en vermorzelt om zichzelf te sparen—, waarom anderen aldus en zij

niet? O, als er brand kwam, als er beleg kwam, als er hongersnood

woedde, zou zij ook trappen, vermorzelen, grijpen en vangen en als een

beest op enkel lijfsbehoud bedacht zijn. Ze verweerde zich tegen die

gedachte, door zich te oefenen in verloochening, maar het misleidde

haar niet. Dat was dus de mensch.... dat was de mensch.... dat edele,

sterke wezen uit haar oude boeken.... als water in zijn natuurlijken

staat geurloos en kleurloos, lauw en doorschijnend en gedreven door wat

uit verten kwam, die hij niet kende, zonder eigen gedaante gedwongen in

den vorm die hem omvatte....

Heleen verloor alzoo al hare oude illusies, ’s wereld kleur en luister

slonk en schrompelde tot onvaste vaalheid—, ze had alles, ook zichzelf

gewillig geofferd aan den wreeden afgod, dien ze waarheidsliefde en

oprechtheid had genoemd—, ze leefde schuldeloos als een kind en ging

gebukt onder den last der wroeging van een gansche wereld vol

ontaarding en bederf—, haar geweten deerde haar om eens anders kwaad,

haar medegevoel maakte haar daaraan als medeplichtig, ze zag dit als

dwaasheid in en kon het toch niet van zich afzetten, het had haar als

van achteren beklommen, ze wist zich niet te bevrijden—, doch ze won,

naar ze meende, uit storm en koorts toch dit eene ding, dat ze zich in

haar erkende nietigheid redelijk en nederig voelde geworden. En toen ze

dit als richtsnoer en formule goed en wel voor zichzelf had

vastgesteld: elk-een behoorde jegens elk-ander in zijn erkende

nietigheid redelijk en nederig te wezen—, toen leek het haar alsof ze

dit nu toch met haar wil en zelfstandig gevonden, zelfstandig gebouwd

en zelfstandig vastgesteld had. Eindelijk haar levensbeschouwing, haar

richtsnoer. Een enkele seconde stond toen die eeuwig wankelende balans

in rust en Heleen genoot den zaligen voorsmaak van wat vrede is: luwte

tusschen twee stormen, soulaas tusschen twee gevechten. Toen rees er

een golf in haar op en stortte alles omver, een stem hoonde haar

noodlottige woorden toe, die ze lang kende, gemeend had te vatten en nu

pas begreep.... „du bist am Ende was du bist”.... en ze beleed het

zichzelf, ze had niets zelf gedaan, niets zelf gebouwd, niet redelijk

en nederig zou ze zijn omdat ze het verkoos, maar omdat ze daartoe was

geboren en aangewezen, zonder te weten waarom en waartoe, door wie of

door wat. Was ze dan ooit anders geweest? Was er iets nieuws uit haar

geboren? Neen, nog weer had ze in een kring geloopen.... Nog weer

eindigde ze waar ze begonnen was, dook de vuist voor haar op, en

stortte haar ruggelings in den afgrond. Ook ditmaal rukte het leven

haar weer terug en tot zich. Wat ze toen zag, was de cirkel, waarbinnen

ze voortaan dolen zou. Die cirkel was de nul achter haar rekensom.

Eenzamer dan ooit bleef Heleen leven als in een uitgestorven bosch en

vaak nog herdacht zij in haar eenzaamheid de schoone dingen, die zich

haar jeugd van mensch en wereld had gedroomd.... en altijd weer opnieuw

ondervroeg ze zichzelf met dezelfde vraag.... wat toch had al dat

droomen bedoeld, waarop was het gericht geweest en van waar had ze al

haar verwachtingen ontvangen?

Nimmer had ze de vervulling, nergens de verwerkelijking gevonden, en

menigmaal hield ze zich voor, wat haar in velerlei vorm op school was

geleerd en wat menschen elkaar gestadig inprenten: hoe het gevoel met

zijne influisteringen misleidend en ongeloofwaardig is. Dan ging ze

tegen het weekste en het lieflijkste in zichzelf te keer en lei haar

gevoelens een bewijslast op en hoonde hun onmacht, en kerfde zich

opzettelijk met tergende felle woorden, die gebrandmerkt in haar

stonden, sinds zij ze eens, tot haar schrik, gelezen had. „Het Kruis is

geen argument”.... maar daarna waren er ook ruime uren van zeldzame

verhevenheid en rust vervuld als avondgang na storm, dat ze twijfelloos

geloofde in haar eigen hart en zonder hoogmoed meende al die gedroomde

schoonheid en heerlijkheid, die ze buiten zich nergens gevonden had, in

zichzelve te kunnen en dies ook te moeten verwezenlijken.... zoo

troostte Heleen zich dan met schoonere woorden en leerde zichzelf deze

betere waarheid.... Binnen in U is Gods Koninkrijk....

Heleen · 第 19 / 29 题