In het gewone leven was Heleen zoo weinig slap en besluiteloos als een
meisje van haar jaren maar wezen kan,—haar innerlijke zorgen namen haar
geheel en al in beslag, daardoor kon ze ook gemakkelijk gewillig en
inschikkelijk wezen—zoodat het haar hinderde, zich daarvoor te hooren
prijzen—omdat de dingen, waarover de meisjes in haar huis, en de
collega’s op de school onderling krakeelden, haar maar weinig gewichtig
schenen. Ze koos haar partij en besloot snel en zonder naberouw, want
wat er met het een te winnen of met het ander te verliezen viel, trok
haar niet aan en schrok haar niet af. Ze was gewillig en flink, zooals
een soldaat, wien het niet schelen kan te sterven, dapper en
onverschrokken is.
Met de jaren leerde Heleen vele en velerlei menschen kennen en ze sloeg
ze allen aandachtig en naar beste kunnen onbevangen gade, niet om ze te
beoordeelen, maar om ze te kennen en te doorgronden. Zelfbewustheid in
houding en daden imponeerde haar licht, omdat zij zelve die miste—, en
daardoor werd ze aanvankelijk sterk aangetrokken tot een bepaalde groep
van vrij-levende jongelieden, jongens en meisjes, die wereld en
menschheid, wetenschap en deugd minachtten, beschimpten en meelijdend
bespotten. Heleen benijdde hunne levenswijze, zoo verschillend van de
hare, geloofde dat ze voor zichzelf een eigen grondslag en stelligheid
hadden en begeerde gretig daarin te deelen. Doch dit bracht enkel
teleurstelling, ze voelde gauw en goed genoeg, hoe weinig bewustheid en
echte ernst er in hun levenswijze zat, dat ze niet veel anders deden
dan te zamen in een hoekje een nieuw kaartspelletje ontwerpen en spelen
en schimpen op de menschen, die zich liever bij hun oude hielden—zonder
dat het hunne iets meer was,—dat ze de wetenschap verachtten omdat ze
niet rekenen konden, de gemeenschap omdat hun vadsigheid en zelfzucht
elke beperking van lust en vrijheid afwees—dat ze bij voorkeur teerden
op anderen en meenden zich van hun plicht te hebben gekweten door zich
afzonderlijk en opzichtig te kleeden en te gedragen. Toen Heleen zag,
dat ze zelfs in deze kinderachtige onderscheidingen elkander naäapten
en in geen enkel ding een persoonlijk streven hadden uit te drukken,
wendde ze zich van hen af, spijtig en ontdaan, dat ze zich ook ditmaal
weer had laten vangen en misleiden. Toch leerde Heleen nimmer zich aan
de suggestie der zelfbewustheid te onttrekken. Met het peinzen over
deze dingen bracht ze vele uren zoek, maar uit haar eenzaamheid trok
toch telkens haar hart weer naar menschen, ofschoon ze even vaak ervoer
hoe weinig ze met hen aarden kon. Er was geen conflict en er was geen
scherpte of twist, maar altijd een onuitgesproken onwil: de volheid
ontbrak, de warmte van het broederlijk samenzijn, die ze éénmaal voor
zich en voor anderen had gedroomd. Steeds had ze vast en met benijding
gemeend, waar ze anderen te zamen zag, vrienden en vriendinnen,
verloofden, getrouwden, dat die warmte, die volheid dan tusschen hen
aanwezig was—, doch ook die zekerheid verbleekte in ’t van dichtbij
gadeslaan: het leek wel alles vlakke gewoonte.... het andere bestond
misschien niet eens.... althans, die ze kende wisten erzonder te
leven....
Heleens vermogen, het werkelijke van het bijkomstige in de dingen te
scheiden, door aanhoudend denken en ontleden gescherpt, had haar een
groote vaardigheid gegeven in het snel en scherp doorzien, ze drukte
zich goed en gemakkelijk uit en had, door gewoonte daarin geoefend,
altijd haar redenen en motieven gereed ter hand. Ze begaf zich
somwijlen in twistgesprekken en maakte zich warm, doch meestal tegen de
meeningen der anderen—zelden voor eigen meeningen, zoodat het soms
scheen, dat ze den eenen dag voorstander, den anderen tegenstander in
dezelfde zaak was—omdat het ondoordacht en oppervlakkig verwerpen van
den een haar evenzeer tot verzet prikkelde als het soortgelijk aannemen
van den ander. En plotseling, al sprekende, bemerkte ze dit, en hoe
weinig de zaak-zelf haar nog ter harte ging, en met hoe weinig en hoe
zwakke banden zij aan de anderen en aan hun belangen, niet sterker ook
aan zichzelf en aan haar eigen belangen gebonden was—hoe los en buiten
alles ze stond—dan beving haar weer dat gevoel van leegte en
verflauwing, dat ze van haar eenzame avonden kende en van het
vertwijfeld tusschen menschen gaan op straat; het naar alle kanten van
haar wegvloeien van haar persoonlijkheid, een door al te nauwe
nabijheid verloren gaan van vorm en omtrek—lijfelijk en als zoodanig
smartelijk en benauwd.
Heleen kon dat gevoel bijkans niet dragen, het was te rauw en raakte
haar te diep en te scherp met zijn vertwijfeling, daarom zocht ze
middelen om het te ontgaan. Ze verzamelde van alle kanten werk om haar
tijd te dooden en haar gedachten te verdooven—en verder ontzegde ze
zich alles wat ze aangenaam vond, niet omdat ze het zich niet langer
gunde, maar om haar wil als een vastheid, een positief ding te gevoelen
te midden van en tegenover al die onvastheid en vlottende leegten. Ze
was een speelbal, een damp, door machten buiten haar om gedurig
bestormd en bewogen, zonder richting of eigen wil—ze wist het, maar ze
kon het vergeten. Ze kon het nalaten te eten, als ze verkoos: dan was
ze met haar wil de macht van den honger meester—, ze kon een uur
achtereen onbeweeglijk zitten, ze kon zes uur loopen als ze het zich
voornam, ze kon koude lijden, ze leerde zonder kreten pijn doorstaan,
hoewel ze van nature bijzonder kleinzeerig was—, en zonder dat iemand
in haar geheele omgeving iets van dat verborgen doen bemerkte, gaf
Heleen zich daaraan meer en meer over. Zij zelf wende gauw aan haar
ontberingen en slaagde er in zich elk ding te beletten, anderen zagen
haar als meer en meer eenvoudig, bescheiden en zelfbeheerscht, doch
Heleen misleidde met dat al zichzelf niet, minder nog dan ooit vond ze
in zichzelf verdienste, of deelde ze de illusie van den Vrijen Wil. Het
was in haar een verontrustend raadsel van dagen lang en van jaren her:
„kunnen wij willen of kunnen wij het niet? De inbeeldingen en zelf
misleidingen der menschen, voor wie „wil” de volvoering van lust, en
„meening” de formule van hoop, belang en begeerte is, die een leer
aanhangen omdat ze van hoop, belang, begeerte de verwerkelijking
belooft, en nochtans wanen met vrijstaand inzicht te hebben gewild en
gekozen, konden haar niet misleiden—, en toch kon zij noch in zichzelf,
noch in anderen, zoo ze anders verkozen, de gebonden slaaf van elke
luim des oogenbliks erkennen.... hoe was het toch? Het leek „ja” en
„neen” in eenen adem.... een zijde van bevestiging met een keerzij van
ontkenning.... een voortdurende wankeling en wisseling....
Eens zag Heleen een geit in een wei aan een touw gebonden en hoe het
beest wrong en trok naar een bloem buiten zijn bereik—, tot het zich
onderwierp en gewonnen gaf. Het rustte even, trillend van zijn verzet,
en ving toen aan te grazen en te buitelen, te droomen en rond te zien,
neer te liggen en op te staan naar vrije verkiezing binnen den kring,
die de grens zijner vrijheid was. En toen Heleen dit met volle aandacht
gadegeslagen had, werd ze in zichzelf een verheldering gewaar en wilde
voortaan het raadsel van vrijheid en onvrijheid zóó begrijpen, dat elke
mensch, als een gebonden geit, vastligt aan een touw, dat aard of
aanleg, tijdsgewricht of omstandigheid heet—maar nochtans binnen die
kleine ruimte kiezen en handelen mag.
Hoe schrikkelijk leek het haar toen te onderstaan, wat rechters
onderstaan; over anderen en voor anderen te beslissen, of ze al dan
niet anders hadden gekund, dan zij deden.
Ze had zoo diep in zichzelf getast en daar ze eenmaal zichzelf
oprechtheid had opgelegd, niets van wat zij vond aan het licht
onttrokken, al deed somwijlen de aanblik haar huiveren en verbleeken.
Alles wat ze van misdaad en verderf had gelezen, had slechts deze ééne
gedachte in haar gewekt, die altijd weer de gedaante van een ontzetting
droeg: „dit is dus de mensch, dit is het, waartoe de mensch verworden
kan—, ik zoo goed als elk ander.” Ze kon niet langer lezend of
luisterend vernemen van wat haar gevoel bleef heeten verderf en zwart
kwaad, zonder opgejaagd in zichzelf te speuren naar de schijnselen van
datzelfde verderf en datzelfde kwaad en dit vermeerderde nog haar
gevoel van angst, onzekerheid, onvastheid, onveiligheid. Van nature en
door den aard van haar jeugdleven krachtig geloovend in een
fundamenteel onderscheid van edel en onedel, van verheven en laag, van
boos en schoon—, moest ze nu die laatste vastheid prijsgeven, want ze
zag nimmer het onwrikbaar innerlijk verschil tusschen zichzelf en den
misdadigsten mensch—; het vloeide als uit haar handen weg, zoodra ze
het wilde grijpen. Ze besefte nog niet dat juist die bewustheid haar
beste bolwerk was en vreesde aanhoudend. Wat anderen had besmet, kon
ook haar besmetten—beestachtige zelfzucht in tijden van nood, lafheid
die tot verraad drijft, de rauwe drang naar lijfsbehoud, die—ze wist
dat ze er niet tegen opgewassen zou zijn—, niets-ontziend om zich heen
trapt en vermorzelt om zichzelf te sparen—, waarom anderen aldus en zij
niet? O, als er brand kwam, als er beleg kwam, als er hongersnood
woedde, zou zij ook trappen, vermorzelen, grijpen en vangen en als een
beest op enkel lijfsbehoud bedacht zijn. Ze verweerde zich tegen die
gedachte, door zich te oefenen in verloochening, maar het misleidde
haar niet. Dat was dus de mensch.... dat was de mensch.... dat edele,
sterke wezen uit haar oude boeken.... als water in zijn natuurlijken
staat geurloos en kleurloos, lauw en doorschijnend en gedreven door wat
uit verten kwam, die hij niet kende, zonder eigen gedaante gedwongen in
den vorm die hem omvatte....
Heleen verloor alzoo al hare oude illusies, ’s wereld kleur en luister
slonk en schrompelde tot onvaste vaalheid—, ze had alles, ook zichzelf
gewillig geofferd aan den wreeden afgod, dien ze waarheidsliefde en
oprechtheid had genoemd—, ze leefde schuldeloos als een kind en ging
gebukt onder den last der wroeging van een gansche wereld vol
ontaarding en bederf—, haar geweten deerde haar om eens anders kwaad,
haar medegevoel maakte haar daaraan als medeplichtig, ze zag dit als
dwaasheid in en kon het toch niet van zich afzetten, het had haar als
van achteren beklommen, ze wist zich niet te bevrijden—, doch ze won,
naar ze meende, uit storm en koorts toch dit eene ding, dat ze zich in
haar erkende nietigheid redelijk en nederig voelde geworden. En toen ze
dit als richtsnoer en formule goed en wel voor zichzelf had
vastgesteld: elk-een behoorde jegens elk-ander in zijn erkende
nietigheid redelijk en nederig te wezen—, toen leek het haar alsof ze
dit nu toch met haar wil en zelfstandig gevonden, zelfstandig gebouwd
en zelfstandig vastgesteld had. Eindelijk haar levensbeschouwing, haar
richtsnoer. Een enkele seconde stond toen die eeuwig wankelende balans
in rust en Heleen genoot den zaligen voorsmaak van wat vrede is: luwte
tusschen twee stormen, soulaas tusschen twee gevechten. Toen rees er
een golf in haar op en stortte alles omver, een stem hoonde haar
noodlottige woorden toe, die ze lang kende, gemeend had te vatten en nu
pas begreep.... „du bist am Ende was du bist”.... en ze beleed het
zichzelf, ze had niets zelf gedaan, niets zelf gebouwd, niet redelijk
en nederig zou ze zijn omdat ze het verkoos, maar omdat ze daartoe was
geboren en aangewezen, zonder te weten waarom en waartoe, door wie of
door wat. Was ze dan ooit anders geweest? Was er iets nieuws uit haar
geboren? Neen, nog weer had ze in een kring geloopen.... Nog weer
eindigde ze waar ze begonnen was, dook de vuist voor haar op, en
stortte haar ruggelings in den afgrond. Ook ditmaal rukte het leven
haar weer terug en tot zich. Wat ze toen zag, was de cirkel, waarbinnen
ze voortaan dolen zou. Die cirkel was de nul achter haar rekensom.
Eenzamer dan ooit bleef Heleen leven als in een uitgestorven bosch en
vaak nog herdacht zij in haar eenzaamheid de schoone dingen, die zich
haar jeugd van mensch en wereld had gedroomd.... en altijd weer opnieuw
ondervroeg ze zichzelf met dezelfde vraag.... wat toch had al dat
droomen bedoeld, waarop was het gericht geweest en van waar had ze al
haar verwachtingen ontvangen?
Nimmer had ze de vervulling, nergens de verwerkelijking gevonden, en
menigmaal hield ze zich voor, wat haar in velerlei vorm op school was
geleerd en wat menschen elkaar gestadig inprenten: hoe het gevoel met
zijne influisteringen misleidend en ongeloofwaardig is. Dan ging ze
tegen het weekste en het lieflijkste in zichzelf te keer en lei haar
gevoelens een bewijslast op en hoonde hun onmacht, en kerfde zich
opzettelijk met tergende felle woorden, die gebrandmerkt in haar
stonden, sinds zij ze eens, tot haar schrik, gelezen had. „Het Kruis is
geen argument”.... maar daarna waren er ook ruime uren van zeldzame
verhevenheid en rust vervuld als avondgang na storm, dat ze twijfelloos
geloofde in haar eigen hart en zonder hoogmoed meende al die gedroomde
schoonheid en heerlijkheid, die ze buiten zich nergens gevonden had, in
zichzelve te kunnen en dies ook te moeten verwezenlijken.... zoo
troostte Heleen zich dan met schoonere woorden en leerde zichzelf deze
betere waarheid.... Binnen in U is Gods Koninkrijk....