XVII.

Iederen dag duidelijker moest Heleen het wreede onderscheid ervaren

tusschen het leven dat ze zich eens had gedroomd en het leven zooals

het zich onder haar oogen verwerkelijkte. Haar volwassen ervaringen

stonden op tegen haar oude jeugddroomen en bestreden die fel en heftig,

en konden ze nochtans niet ten onder brengen. Ze waren te sterk

geweest, ze hadden te lang en te zeer ongestoord op haar ingewerkt.

Alle dingen in haar jeugd hadden als samengespannen om haar verbeelding

en niets dan die te voeden. Gedaanten, klanken, kleuren had zijzelf tot

een wereld samengevoegd en van die wereld was zijzelf het middenpunt

geweest; die wereld was in haar, die wereld was zij-zelf. Nu was ze

tusschen de menschen gekomen en zag plotseling aan geen enkele dier

gedroomde en waar-gewaande dingen vastheid en zekerheid meer.

Ze had zich gaarne met haar droomen vergenoegd, doch kon aan wat

voortdurend haar oogen zagen niet ontsnappen. Ze moest het overdenken,

wikken en proeven.... ze wilde niet laf zijn. En al die jaren tusschen

toen en nu had zij alleen voortgetobd, tastend naar wat ze niet zag,

verlangend naar wat ze niet kende, strevend naar wat bestaanszekerheid

miste en nochtans geloovend dat er een redelijk leven moest zijn, dat

het leven een redelijken grondslag moest hebben. Eenmaal had ze het

zich eenvoudig genoeg gedacht: liefde als geestdrift, als toewijding,

de verborgen kern van ieder ding, dapperheid, edelmoedigheid en trouw

de schoone sieraden des levens. Dit was de eerste zekerheid geweest,

die ze zich ongegrond uit wanen en illusies had gebouwd, een zekerheid

als een muur om met den rug tegenaan te gaan staan en het leven met

open oogen aan te zien, bereid het te dragen, zooals het zich geven en

toonen zou. Wat had ze gezien? Een vuist, die opdook uit het donker,

naderde, haar tegen de borst stiet en duwende drukte. De muur week en

wankelde en viel en zijzelf was ruggelings neergestort in een afgrond,

die bodem nòch wanden had en van licht nòch van duisternis, van koude

nòch van warmte wist. Ze had zich weer opgericht en bouwde zich uit

andere wanen en andere illusies een anderen muur. Recht en rede heette

de nieuwe muur. En weer kwam de vuist; de muur, die vast en zeker had

beloofd te zijn, wankelde en viel en weer stortte ze ruggelings naar

beneden.

Een benauwende vrees greep haar beet.... was die heerlijke droom van de

eenheid aller dingen zoo goed als het andere een begoocheling, haar

krachtigst voorgevoel bedrog? Verdiende geen enkele stem gehoor?

Bestond er niets dan verwarring, misverstand en kwaadaardigheid?

Heleen wist nog zoo goed hoe ze als kind had geleden onder die boeken,

waarin van onrecht en ongerechtigheid werd verhaald—, zoodat ze bijkans

niet verder had kunnen lezen,—ze had op dit krachtige gevoel vertrouwd

en er zich door laten leiden.... en nu.... het bleek haar meer en meer,

hoe het leven zelf die ongerechtigheid kweekte, hoe bijkans elk

handelen op onrecht berustte. Op elke bladzij van de geschiedenisboeken

die ze las, stond het geschreven. Oorlog berustte op onrecht, rijkdom

berustte op onrecht, elke ontwikkeling voltrok zich ten koste van

anderen, eischte schuldeloozen ten offer. Het scheen niet mogelijk

iemand te bestrijden zonder hem onrecht te doen door zijn bedoelingen

te miskennen—, Heleen zag het om zich heen, menschen, groepen—elkaar

bestrijden was elkaar belasteren en overladen met verdachtmaking, het

een scheen van het ander onafscheidelijk. Zuiver doordacht—, kon elke

daad herleid worden tot een ongerechtigheid—, en een wereld zonder

daden leek wel onbestaanbaar, dus was ongerechtigheid een

bestaansvoorwaarde? Maar indien dit zoo was, waarom haakten en dorstten

dan toch zoovelen en vooral juist kinderen en onbedorvenen van nature,

naar recht, niet enkel naar recht voor zich zelf, maar naar recht voor

elkeen, naar het recht als grondslag, als eenheid, als richtsnoer, naar

het recht, zooals het zich in wiskunde voordeed. Wiskunde was

ondenkbaar zonder dat „recht,” het altijd en overal geldende—, waarom

kon dan de menschheid bloeien en zich ontwikkelen in onrecht, zoo kras,

dat het soms leek, alsof dat onrecht evenzeer en meer dan het recht

voor dien bloei en die ontwikkeling noodig was? Rechtvaardigen streden

niet, want ze zagen het gelijk en het recht van hun tegenstander naast

het hunne gelijkelijk en wierpen de wapens weg.... en toch noemde men

den strijd altijd het levenwekkende en opvoerende in de geschiedenis

van menschheid en mensch. Hier verscheen weer de eeuwige

tegenstrijdigheid, in een der talloos vele gedaanten, waarin haar

denken, dat klaarheid in eenheid zocht, zich eeuwig vastknelde en

verwarde en die zich altijd op dezelfde wijze noemen liet: „elk wezen

is gedoemd te streven naar wat het tot zijn eigen heil niet bereiken

mag,”—het moet streven naar wat eenmaal bereikt, onherroepelijk voeren

zou tot prijsgeving van het eigen zijn—tot ontbinding van wat

„persoonlijk” maakt, en Dood—naar de Liefde volledig en het Recht

absoluut, terwijl zijn afzonderlijk leven hem is opgelegd om tot het

eind te begeeren en te dragen. In smarten leerde Heleen het voelen—, en

ze wist van geen bitterder en dieper waarheid dan van deze—, schoon het

in woorden bijna onnoozel van eenvoud gelijkt....

Eindelijk had Heleen dat alles zoo lang overdacht, tot ze het

overdenken niet meer nalaten kon. Koortsachtig zagen haar oogen het

leven aan, ze sloop er om heen, beploos het, rukte het uit elkaar met

bevende vingers. De drang, zichzelf en anderen te onderzoeken, ten

einde de echte gesteldheid der dingen te kennen, de verschillen te

overwinnen en de eenheid te veroveren, in rustiger tijden een

levenbrengende, bevruchtende kracht, die tot denken en ernst stuurde,

bezat haar thans als een razernij. Weken lang woedde het in haar

hersens als een koorts, bij dag en bij nacht redetwistte ze met

zichzelf, ook in de meest onbeteekenende en alledaagsche dingen,

weerlegde alles wat ze dacht en zeide onmiddellijk met het tegendeel en

voelde zich wanhopig en als verlamd, wanneer ze bevond, dat al het op

deze wijze omvergeworpene evenveel recht van bestaan behield en

eveneens verdedigbaar was. De heesche fluisterstem in haar hart, die

iedere daad en ieder gebaar en iedere meening als onnoodig, onwaar en

ongegrond ontzenuwde, die iedere bewijsvoering, hoe listig en fijn ook

opgezet, met een plompe ontkenning omverwierp, zweeg geen oogenblik,

zoodat er altijd een dubbelstroom van gedachten in haar gaande was, een

vóór- en een tegenstander voortdurend tegelijk aan het woord en tegen

elkander inpleitend, zoodat het rumoer haar verbijsterde. Ze luisterde

in den beginne gretig naar menschen met systemen en meeningen, want hun

deftige rust en zelfgenoegzame zekerheid vermocht altijd weer opnieuw

haar te imponeeren en vertrouwen te geven, dat die voor zichzelf een

waarheid veroverd hadden, en ze las alles wat men haar te lezen gaf, en

ze vond het meeste van wat men zeide en wat ze las evenzeer

aannemelijk, en op dezelfde wijze aannemelijk als de regels van het

kaartspel, dat haar was geleerd in het huis van haar oom, het een niet

aannemelijker dan het ander, maar er was geen krachtig gevoel in haar,

dat haar dreef, uit al dat subtiele maakwerk der hersenen het een boven

het ander voor zichzelf te kiezen en tot richtsnoer te behouden. Het

scheen haar altijd dat ze dan precies even goed met de oude vrouw te

zamen Roomsch had kunnen worden. Toen Heleen nu zag, dat anderen wel

het een boven het ander konden kiezen en behouden, leerde ze daaruit,

dat menschen wanen te kiezen met hun oordeel, maar het in werkelijkheid

doen met hun gevoel, zoodat elk hunner zoogezegde meeningen de formule

wordt van wat ze hopen, droomen of wenschelijk achten—, volstrekt niets

meer. De menschen, ondervraagd, ontkenden dat allen en allen even

sterk, terwijl ze tegelijkertijd den stand van zaken blootlegden in hun

eigen spreekwijze die iemand zijn oordeel deed geven „met redenen

omkleed.” De redenen, de kleederen en de kern, het lichaam-zelf, hun

ingeschapen gevoel. Toen Heleen nu goed en wel wist, dat ieders

waarheid slechts waar is voor hemzelf, ging er van andermans meeningen

niet langer bewijskracht voor haar uit en begreep ze dat zij ook haar

eigen waarheid alleen zou moeten veroveren. Ze zag ook, hoe velen met

systemen en levensbeschouwingen die alleen aanwendden in een bepaald

gebied van hun leven en in de overige niet. Bijvoorbeeld op Zondag in

de kerk, of in hun politiek leven, of zooals de wiskundige neef van

haar oom, die alleen voor de klas en in zijn werkkamer logisch door te

denken verstond en noodig achtte, en de dokter die microben niet, maar

leugens en onjuistheden wel „kleinigheden” noemde, en de oude rechter,

die zijn leven lang plichtmatig dagvaardingen had doen vernietigen om

kleine onzuiverheden en geenszins begreep, dat kleine onzuiverheden

niet slechts dagvaardingen, maar het geheele leven waardeloos maken.

Heleen verlangde voor zichzelf niet minder en wilde zich voor zichzelf

met niet minder vergenoegen dan met een „levensbeschouwing,” die voor

al haar dagen en uren, voor al haar vermogens, voor al haar daden en

gedragingen, bron en richtsnoer tegelijk kon zijn. Eenheid van leer en

leven—, haar leven als in een bepaalden toonaard stemmen en dan geen

wanklanken meer hooren. Hoe was ’t mogelijk dat anderen zich redden en

het daarzonder stelden en gelukkig waren en rustig rondkeken met

prettige oogen, niet alleen in hun jeugd, maar in hun geheele later

leven? Er ging een weldadigheid van die tevredenen uit, die Heleen

telkens weer misleidde en telkens haar ook drong zich uit haar

eenzaamheid bij hen te voegen. Want vaak was die eenzaamheid

ondraaglijk, waarin haar de raadselen bestormden zonder rust, en vaak

ook bevloog haar een andere, een gruwelijke angst—dan besefte ze

scherp, dat die drang naar onderzoek omtrent de waarde en den zin van

elk klein ding haar als een gedwongen handeling, als een noodlottige

bezetenheid in zijn macht had, dat ze wankelde op den rand van dien

schrikkelijken afgrond, waar verwarring en afgrijzen als een grijze

walm uit opstijgt, de waanzin. Ze was veroordeeld zonder verpoozen in

het verdoemde licht te gaan, dat maar bij vlagen verdraaglijk is, het

licht dat door oogen en schedel heen de hersens binnendringt en waarin

ieder ding zijn naakte nietigheid toont. Ze was in een eendenkooi

gelokt en gevangen en van engte tot engte gedreven en kon nu nergens

uit en meer heen. Wie had haar op dien gruwelijken dwaalweg gedreven,

zoodat ze nu aan alle kanten was verstrikt? Wie haar uit de vredige

schemering, waarin menschen leven, vandaan verleid? Ze was naakt in den

nacht een barre heide opgejaagd, uit alle hoeken tegelijk woei de wind

op haar aan. Nergens een vastheid om tegen te steunen—, ze greep met de

handen om stut aan ’t eigen lijf, haar vingers omvatten damp en ijlte,

naderden en ontmoetten elkaar en wrongen zich samen in hun wanhoop. Het

gevoel van haar persoonlijkheid was haar ontvloeid, bijwijlen bestond

ze niet langer voor zichzelf. Als klein meisje was ze eens met haar

broertje te zamen tot een vreemde ontdekking gekomen.... als ze een

willekeurig woord bewust herhaaldelijk en voortdurend langzaam

achtereen zeiden, dan verloor het zijn klank en zijn zin, werd

kleurloos, toonloos, als doorschijnend. „Het is dan precies een

krankzinnig woord” had haar broertje gezegd en Heleen had die woorden

en dat oogenblik onthouden. Elk ding, waarop ze bewust en herhaaldelijk

en voortdurend en van dichtbij had gestaard om het grondig te kennen in

zijn aard, had, zooals een wolk tot mist uiteengezegen, kleur en vorm

verloren,—ook op zichzelf had ze zoo lang en zoo bewust gestaard, tot

ze zichzelf kleurloos en doorschijnend geleek. Buiten iedere mate

verschrikkelijk was dat gevoel, als het haar in zijn volheid beving—,

het kon haar doen snikken van angst en van afgrijzen.... ze stortte

zich op de knieën en bad verward om vergeving en om rust. Ze beloofde

boete voor haar hoovaardij, dat ze elk ding had willen kennen, dat niet

gekend mocht zijn, om uit de koorts van het vragen verlost te wezen.

Maar zijzelf had het spook met zijn kruik uit de diepten der zee omhoog

gehaald, het op zichzelve losgelaten en ze vermocht het niet, het weer

in zijn eigen verblijf terug te drijven en weg te kurken.

Dit gevoel, dat haar persoonlijk-zijn uit haar was weggevloeid, greep

haar menigmaal plotseling beet als ze op straat tusschen anderen ging.

Ze wist dan in zichzelf van geen wil en geen bewustheid meer, inplaats

daarvan slechts schijn en spokerij, van buiten af aangewaaide

toevalligheden zonder samenhang of zin.

Zoo zagen anderen haar en noemden wat ze aan haar opmerkten met namen

en onderscheidingen, gelijk zij, wat ze aan hen opmerkte, noemde en

onderscheidde, maar ieder voor zichzelf wist ongetwijfeld dat in hem

alles spokerij was en bedrog.

Het gevoel van elkaar op die wijze te misleiden en niet anders te

kunnen en in de oprechtste momenten te moeten twijfelen aan eigen

oprechtheid en toch niet buiten eigen omvang te kunnen uitzetten, niet

boven eigen hoogte te kunnen stijgen, eeuwig gebonden te zijn aan zijn

eigen beperktheid en tegelijk die beperktheid te zien en te

voelen,—overal rondom het goddelijke als aanvoelend, niets daarvan in

zichzelf te kunnen vast en blijvend verwerkelijken, uur na uur te

moeten leven, zonder iets van het eigen leven te begrijpen, te moeten

handelen en besluiten zonder kennis en zonder vertrouwen,—benauwde en

knauwde Heleen en in dit benauwde gevoel herkende ze een nijpend

angst-moment uit haar kinderjaren: het gevoel voor de „foto van een

spiegelbeeld.” Toen al had het zich voorgedaan—, al de verwarringen uit

het zijnde en het schijnende dat zich toch altijd weer in een tastbaren

vorm—het prentje—die misleidend een werkelijkheid scheen,—liet vangen,

en nu, ze gevoelde zichzelf niet werkelijker dan een spiegelbeeld, maar

de anderen zagen het prentje, noemden het met haar naam en achtten het

een werkelijkheid.

Het eenige echt bestaande was hun verschil.... En als Heleen bedacht

hoe ze jaren geleden er op was uitgegaan om in het verwarrende der

verschillen een eenheid te zoeken door de verschillen te vernietigen,

dan ontstond daaruit weer een nieuwe verbijstering: nu overkwam het

haar vaak dat haar verschil met anderen, met dezen en met genen

vreemde, dien ze ontmoette en gadesloeg op straat, haar het eenige

bewijs leek voor haar zelfstandig bestaan. Was ze in een cirkel gegaan,

aanhoudend, aanhoudend, en van het duizelend rondrennen dol geworden?

De eene ontzetting volgde de andere op, sinds lang was elk innerlijk

evenwicht uit haar verdwenen.

Ze verloor het vermogen, ieder ding op zichzelf te beschouwen en

afzonderlijk te lijden of te genieten. Wenschen, feiten,

verschijnselen, aandoeningen, ook de geringste, de schijnbaar-kleinste,

zag ze als de stukken van een eindelooze dooreengeworpen legkaart, háár

was opgedragen die legkaart in elkaar te zetten. En ze wist zelfs niet

zeker of er werkelijk een bestond. Het ontging haar geheel en al, dat

elk stuk afzonderlijk in zichzelf volledig en op zichzelf schoon en

aangenaam en belangrijk kon zijn—, ze gunde zich geen tijd tot kijken,

ze trachtte slechts te weten waar ze het passen en voegen moest. Ze

jakkerde in een tredmolen, rust was uitgesloten, een drijver zat haar

met de zweep achterna, joeg haar op van morgen tot avond, van avond tot

morgen. Ze was een kind op school en had een vraagstuk op te lossen

gekregen: „wat is echt waar en wat is niet echt waar?” Voordat het

klaar was, mocht ze niet gaan slapen, en een fout kon overal schuilen,

kon binnensluipen en alles bederven, ze moest voortdurend wakker en op

haar hoede zijn.

Ze voelde zich als iemand die met te veel pakken te zwaar en te

ongemakkelijk beladen is en zichzelf uitput en zijn zenuwen breekt in

zijn zorg om er geen enkele te laten vallen of te verliezen. Bukt hij

zich om een verlorene op te rapen, dan ontvallen hem van een anderen

kant twee andere, zoodat zijn hoofd gloeit, zijn handen zweeten en

beven en hij bijkans neerstort waar hij staat.

Heleen trachtte vaak anderen in haar innerlijke bekommeringen te doen

deelen in hoop op hulp en verlichting, want ze kon bijwijlen dit alles

alleen niet dragen, maar ze vond die niet. De oude vrouw had geen

andere troost dan het gouden kruisje en elk der overigen leek volop

tevreden met zijn eigen kaartspel en zei het haar voor, om er eveneens

tevreden mee te zijn en liet daarbij niet na haar te waarschuwen voor

andere menschen met andere kaartspelletjes, die ze bij voorbaat

ondeugdelijk heetten of waarom ze schamper lachten, maar Heleen kwam er

niet verder mee. Ook waren er die haar aanrieden rust en vrije lucht te

zoeken—, denkbeelden als de hare, waren onnatuurlijk, gevaarlijk,

overspannen en slechts door rust te verdrijven. Heleen moest gelooven

dat ze ziek was en genezen kon. Maar Heleen wist beter. Soms echter

ontmoette ze menschen, die met een wijzen, zacht-hooghartigen glimlach

naar haar luisterden. Zij ook wisten precies hoe het met haar gesteld

was, zij immers hadden dat zelfde op eendere wijze doorgemaakt en zich

ten slotte leeren troosten en vrede vinden in geschriften en in het

aardsche leven-zelf, hoe ontoereikend dat dan ook wezen mocht.

Heleen keek die menschen aan, zooals ze het vroeger op school de

kinderen had gedaan, wanneer die lachend en zorgeloos van hun droomen

verhaalden, terwijl zij nog rilde van haar laatsten nacht en de

schaduwen voelde loom en doodsch om zich heen, warmte werend, zonlicht

verduisterend—, het was inderdaad weer dezelfde gelijkenis: evenals

toen, spraken ze te zamen en schijnbaar over dezelfde maar in waarheid

over verschillende dingen. Er was geen spoor van leed, angst, wanhoop

op de gezichten dier wereldwijzen en zelfgenoegzamen, die alles zoo

natuurlijk vonden, geen verbazing kenden, hun „eenvoudige waarheden”

uit boekjes hadden en meelijdend op haar neerkeken, en daarom geloofde

Heleen hen niet. Ze ervoer telkenmaal, ook anderszins, dat ze van juist

niemand zóó ver afstond, als van die het met haar eens en haar gelijken

heetten te zijn.

Wanneer Heleen zich uit haar eenzaamheid vergeten en zich bij menschen

gevoegd en in een diepe openhartigheid van haar onrust en onvastheid

had gewaagd, keerde ze onveranderd altijd met een bezwaarlijk gevoel

naar huis terug. Dat gevoel was leegte door wat ze, het uitklagend,

prijsgegeven en verloren had, en wroegende smart om wat zoodra

geschied, als lafheid en zelfvernedering smaakte. Daaronder vlamde ook

de oude, witte drift uit haar kinderjaren, wanneer, wat vaak voorkwam,

iemand haar niet volop geloofde of twijfelde aan den ernst van wat ze

had gezegd. Maar het sterkst bleef zelfverwijt. Zij, die alle dagen,

alle uren met innige verwondering opnieuw en sterker ervoer hoe alle

begrip zich van binnenuit en van daar alleen voltrekt, zoodat ook de

eenvoudigste dingen—spreekwijzen, verschijnselen, wetten, waarmee ze

als elkeen van kind af aan in de gedachtelooze gewendheid, die

begrijpen heet, was omgegaan—dan pas haar eigen eigendom waren, wanneer

ze zich uit de nevelen der onbewustheid hadden losgemaakt en zich in

die klaarte begeven, waar haar verrukt bewustzijn hun eenheid met al ’t

andere aanschouwen mocht—, zij verlangde van vreemden, dat ze iets

zouden gevoelen bij haar zwak gestamel, haar ontoereikende woorden.

Leeren was niets dan rijpen, in ’t stadig uitgroeien van aandoening tot

begrip, een bewust-worden van wat sluimerend altijd aanwezig was

geweest—, dit had Heleen zuiverlijk uit haar eigen ervaring—, hoe kon

zij dan anderen iets leeren, iets doen begrijpen, dat niet

verontrustend, benauwend, tot wanhoop drijvend, in hen zelf aanwezig

was? Dit medebegrip, dat dan ook troost en steun inhouden zou, mocht ze

alleen verwachten van wie in een gelijksoortig lijden had geleden, van

wie denzelfden last op de schouders droeg—, niet van wie het uit de

verte en slechts bij name, dat is: geheel niet, kende. En naast haar

drang tot innerlijke kennis te geraken, groeide, in den beginne

nauwelijks bewust, in Heleen’s verlaten hart een andere drang, dat ze

dezulken eenmaal zien en tot haar troost bereiken zou.

Heleen · 第 18 / 29 题