Iederen dag duidelijker moest Heleen het wreede onderscheid ervaren
tusschen het leven dat ze zich eens had gedroomd en het leven zooals
het zich onder haar oogen verwerkelijkte. Haar volwassen ervaringen
stonden op tegen haar oude jeugddroomen en bestreden die fel en heftig,
en konden ze nochtans niet ten onder brengen. Ze waren te sterk
geweest, ze hadden te lang en te zeer ongestoord op haar ingewerkt.
Alle dingen in haar jeugd hadden als samengespannen om haar verbeelding
en niets dan die te voeden. Gedaanten, klanken, kleuren had zijzelf tot
een wereld samengevoegd en van die wereld was zijzelf het middenpunt
geweest; die wereld was in haar, die wereld was zij-zelf. Nu was ze
tusschen de menschen gekomen en zag plotseling aan geen enkele dier
gedroomde en waar-gewaande dingen vastheid en zekerheid meer.
Ze had zich gaarne met haar droomen vergenoegd, doch kon aan wat
voortdurend haar oogen zagen niet ontsnappen. Ze moest het overdenken,
wikken en proeven.... ze wilde niet laf zijn. En al die jaren tusschen
toen en nu had zij alleen voortgetobd, tastend naar wat ze niet zag,
verlangend naar wat ze niet kende, strevend naar wat bestaanszekerheid
miste en nochtans geloovend dat er een redelijk leven moest zijn, dat
het leven een redelijken grondslag moest hebben. Eenmaal had ze het
zich eenvoudig genoeg gedacht: liefde als geestdrift, als toewijding,
de verborgen kern van ieder ding, dapperheid, edelmoedigheid en trouw
de schoone sieraden des levens. Dit was de eerste zekerheid geweest,
die ze zich ongegrond uit wanen en illusies had gebouwd, een zekerheid
als een muur om met den rug tegenaan te gaan staan en het leven met
open oogen aan te zien, bereid het te dragen, zooals het zich geven en
toonen zou. Wat had ze gezien? Een vuist, die opdook uit het donker,
naderde, haar tegen de borst stiet en duwende drukte. De muur week en
wankelde en viel en zijzelf was ruggelings neergestort in een afgrond,
die bodem nòch wanden had en van licht nòch van duisternis, van koude
nòch van warmte wist. Ze had zich weer opgericht en bouwde zich uit
andere wanen en andere illusies een anderen muur. Recht en rede heette
de nieuwe muur. En weer kwam de vuist; de muur, die vast en zeker had
beloofd te zijn, wankelde en viel en weer stortte ze ruggelings naar
beneden.
Een benauwende vrees greep haar beet.... was die heerlijke droom van de
eenheid aller dingen zoo goed als het andere een begoocheling, haar
krachtigst voorgevoel bedrog? Verdiende geen enkele stem gehoor?
Bestond er niets dan verwarring, misverstand en kwaadaardigheid?
Heleen wist nog zoo goed hoe ze als kind had geleden onder die boeken,
waarin van onrecht en ongerechtigheid werd verhaald—, zoodat ze bijkans
niet verder had kunnen lezen,—ze had op dit krachtige gevoel vertrouwd
en er zich door laten leiden.... en nu.... het bleek haar meer en meer,
hoe het leven zelf die ongerechtigheid kweekte, hoe bijkans elk
handelen op onrecht berustte. Op elke bladzij van de geschiedenisboeken
die ze las, stond het geschreven. Oorlog berustte op onrecht, rijkdom
berustte op onrecht, elke ontwikkeling voltrok zich ten koste van
anderen, eischte schuldeloozen ten offer. Het scheen niet mogelijk
iemand te bestrijden zonder hem onrecht te doen door zijn bedoelingen
te miskennen—, Heleen zag het om zich heen, menschen, groepen—elkaar
bestrijden was elkaar belasteren en overladen met verdachtmaking, het
een scheen van het ander onafscheidelijk. Zuiver doordacht—, kon elke
daad herleid worden tot een ongerechtigheid—, en een wereld zonder
daden leek wel onbestaanbaar, dus was ongerechtigheid een
bestaansvoorwaarde? Maar indien dit zoo was, waarom haakten en dorstten
dan toch zoovelen en vooral juist kinderen en onbedorvenen van nature,
naar recht, niet enkel naar recht voor zich zelf, maar naar recht voor
elkeen, naar het recht als grondslag, als eenheid, als richtsnoer, naar
het recht, zooals het zich in wiskunde voordeed. Wiskunde was
ondenkbaar zonder dat „recht,” het altijd en overal geldende—, waarom
kon dan de menschheid bloeien en zich ontwikkelen in onrecht, zoo kras,
dat het soms leek, alsof dat onrecht evenzeer en meer dan het recht
voor dien bloei en die ontwikkeling noodig was? Rechtvaardigen streden
niet, want ze zagen het gelijk en het recht van hun tegenstander naast
het hunne gelijkelijk en wierpen de wapens weg.... en toch noemde men
den strijd altijd het levenwekkende en opvoerende in de geschiedenis
van menschheid en mensch. Hier verscheen weer de eeuwige
tegenstrijdigheid, in een der talloos vele gedaanten, waarin haar
denken, dat klaarheid in eenheid zocht, zich eeuwig vastknelde en
verwarde en die zich altijd op dezelfde wijze noemen liet: „elk wezen
is gedoemd te streven naar wat het tot zijn eigen heil niet bereiken
mag,”—het moet streven naar wat eenmaal bereikt, onherroepelijk voeren
zou tot prijsgeving van het eigen zijn—tot ontbinding van wat
„persoonlijk” maakt, en Dood—naar de Liefde volledig en het Recht
absoluut, terwijl zijn afzonderlijk leven hem is opgelegd om tot het
eind te begeeren en te dragen. In smarten leerde Heleen het voelen—, en
ze wist van geen bitterder en dieper waarheid dan van deze—, schoon het
in woorden bijna onnoozel van eenvoud gelijkt....
Eindelijk had Heleen dat alles zoo lang overdacht, tot ze het
overdenken niet meer nalaten kon. Koortsachtig zagen haar oogen het
leven aan, ze sloop er om heen, beploos het, rukte het uit elkaar met
bevende vingers. De drang, zichzelf en anderen te onderzoeken, ten
einde de echte gesteldheid der dingen te kennen, de verschillen te
overwinnen en de eenheid te veroveren, in rustiger tijden een
levenbrengende, bevruchtende kracht, die tot denken en ernst stuurde,
bezat haar thans als een razernij. Weken lang woedde het in haar
hersens als een koorts, bij dag en bij nacht redetwistte ze met
zichzelf, ook in de meest onbeteekenende en alledaagsche dingen,
weerlegde alles wat ze dacht en zeide onmiddellijk met het tegendeel en
voelde zich wanhopig en als verlamd, wanneer ze bevond, dat al het op
deze wijze omvergeworpene evenveel recht van bestaan behield en
eveneens verdedigbaar was. De heesche fluisterstem in haar hart, die
iedere daad en ieder gebaar en iedere meening als onnoodig, onwaar en
ongegrond ontzenuwde, die iedere bewijsvoering, hoe listig en fijn ook
opgezet, met een plompe ontkenning omverwierp, zweeg geen oogenblik,
zoodat er altijd een dubbelstroom van gedachten in haar gaande was, een
vóór- en een tegenstander voortdurend tegelijk aan het woord en tegen
elkander inpleitend, zoodat het rumoer haar verbijsterde. Ze luisterde
in den beginne gretig naar menschen met systemen en meeningen, want hun
deftige rust en zelfgenoegzame zekerheid vermocht altijd weer opnieuw
haar te imponeeren en vertrouwen te geven, dat die voor zichzelf een
waarheid veroverd hadden, en ze las alles wat men haar te lezen gaf, en
ze vond het meeste van wat men zeide en wat ze las evenzeer
aannemelijk, en op dezelfde wijze aannemelijk als de regels van het
kaartspel, dat haar was geleerd in het huis van haar oom, het een niet
aannemelijker dan het ander, maar er was geen krachtig gevoel in haar,
dat haar dreef, uit al dat subtiele maakwerk der hersenen het een boven
het ander voor zichzelf te kiezen en tot richtsnoer te behouden. Het
scheen haar altijd dat ze dan precies even goed met de oude vrouw te
zamen Roomsch had kunnen worden. Toen Heleen nu zag, dat anderen wel
het een boven het ander konden kiezen en behouden, leerde ze daaruit,
dat menschen wanen te kiezen met hun oordeel, maar het in werkelijkheid
doen met hun gevoel, zoodat elk hunner zoogezegde meeningen de formule
wordt van wat ze hopen, droomen of wenschelijk achten—, volstrekt niets
meer. De menschen, ondervraagd, ontkenden dat allen en allen even
sterk, terwijl ze tegelijkertijd den stand van zaken blootlegden in hun
eigen spreekwijze die iemand zijn oordeel deed geven „met redenen
omkleed.” De redenen, de kleederen en de kern, het lichaam-zelf, hun
ingeschapen gevoel. Toen Heleen nu goed en wel wist, dat ieders
waarheid slechts waar is voor hemzelf, ging er van andermans meeningen
niet langer bewijskracht voor haar uit en begreep ze dat zij ook haar
eigen waarheid alleen zou moeten veroveren. Ze zag ook, hoe velen met
systemen en levensbeschouwingen die alleen aanwendden in een bepaald
gebied van hun leven en in de overige niet. Bijvoorbeeld op Zondag in
de kerk, of in hun politiek leven, of zooals de wiskundige neef van
haar oom, die alleen voor de klas en in zijn werkkamer logisch door te
denken verstond en noodig achtte, en de dokter die microben niet, maar
leugens en onjuistheden wel „kleinigheden” noemde, en de oude rechter,
die zijn leven lang plichtmatig dagvaardingen had doen vernietigen om
kleine onzuiverheden en geenszins begreep, dat kleine onzuiverheden
niet slechts dagvaardingen, maar het geheele leven waardeloos maken.
Heleen verlangde voor zichzelf niet minder en wilde zich voor zichzelf
met niet minder vergenoegen dan met een „levensbeschouwing,” die voor
al haar dagen en uren, voor al haar vermogens, voor al haar daden en
gedragingen, bron en richtsnoer tegelijk kon zijn. Eenheid van leer en
leven—, haar leven als in een bepaalden toonaard stemmen en dan geen
wanklanken meer hooren. Hoe was ’t mogelijk dat anderen zich redden en
het daarzonder stelden en gelukkig waren en rustig rondkeken met
prettige oogen, niet alleen in hun jeugd, maar in hun geheele later
leven? Er ging een weldadigheid van die tevredenen uit, die Heleen
telkens weer misleidde en telkens haar ook drong zich uit haar
eenzaamheid bij hen te voegen. Want vaak was die eenzaamheid
ondraaglijk, waarin haar de raadselen bestormden zonder rust, en vaak
ook bevloog haar een andere, een gruwelijke angst—dan besefte ze
scherp, dat die drang naar onderzoek omtrent de waarde en den zin van
elk klein ding haar als een gedwongen handeling, als een noodlottige
bezetenheid in zijn macht had, dat ze wankelde op den rand van dien
schrikkelijken afgrond, waar verwarring en afgrijzen als een grijze
walm uit opstijgt, de waanzin. Ze was veroordeeld zonder verpoozen in
het verdoemde licht te gaan, dat maar bij vlagen verdraaglijk is, het
licht dat door oogen en schedel heen de hersens binnendringt en waarin
ieder ding zijn naakte nietigheid toont. Ze was in een eendenkooi
gelokt en gevangen en van engte tot engte gedreven en kon nu nergens
uit en meer heen. Wie had haar op dien gruwelijken dwaalweg gedreven,
zoodat ze nu aan alle kanten was verstrikt? Wie haar uit de vredige
schemering, waarin menschen leven, vandaan verleid? Ze was naakt in den
nacht een barre heide opgejaagd, uit alle hoeken tegelijk woei de wind
op haar aan. Nergens een vastheid om tegen te steunen—, ze greep met de
handen om stut aan ’t eigen lijf, haar vingers omvatten damp en ijlte,
naderden en ontmoetten elkaar en wrongen zich samen in hun wanhoop. Het
gevoel van haar persoonlijkheid was haar ontvloeid, bijwijlen bestond
ze niet langer voor zichzelf. Als klein meisje was ze eens met haar
broertje te zamen tot een vreemde ontdekking gekomen.... als ze een
willekeurig woord bewust herhaaldelijk en voortdurend langzaam
achtereen zeiden, dan verloor het zijn klank en zijn zin, werd
kleurloos, toonloos, als doorschijnend. „Het is dan precies een
krankzinnig woord” had haar broertje gezegd en Heleen had die woorden
en dat oogenblik onthouden. Elk ding, waarop ze bewust en herhaaldelijk
en voortdurend en van dichtbij had gestaard om het grondig te kennen in
zijn aard, had, zooals een wolk tot mist uiteengezegen, kleur en vorm
verloren,—ook op zichzelf had ze zoo lang en zoo bewust gestaard, tot
ze zichzelf kleurloos en doorschijnend geleek. Buiten iedere mate
verschrikkelijk was dat gevoel, als het haar in zijn volheid beving—,
het kon haar doen snikken van angst en van afgrijzen.... ze stortte
zich op de knieën en bad verward om vergeving en om rust. Ze beloofde
boete voor haar hoovaardij, dat ze elk ding had willen kennen, dat niet
gekend mocht zijn, om uit de koorts van het vragen verlost te wezen.
Maar zijzelf had het spook met zijn kruik uit de diepten der zee omhoog
gehaald, het op zichzelve losgelaten en ze vermocht het niet, het weer
in zijn eigen verblijf terug te drijven en weg te kurken.
Dit gevoel, dat haar persoonlijk-zijn uit haar was weggevloeid, greep
haar menigmaal plotseling beet als ze op straat tusschen anderen ging.
Ze wist dan in zichzelf van geen wil en geen bewustheid meer, inplaats
daarvan slechts schijn en spokerij, van buiten af aangewaaide
toevalligheden zonder samenhang of zin.
Zoo zagen anderen haar en noemden wat ze aan haar opmerkten met namen
en onderscheidingen, gelijk zij, wat ze aan hen opmerkte, noemde en
onderscheidde, maar ieder voor zichzelf wist ongetwijfeld dat in hem
alles spokerij was en bedrog.
Het gevoel van elkaar op die wijze te misleiden en niet anders te
kunnen en in de oprechtste momenten te moeten twijfelen aan eigen
oprechtheid en toch niet buiten eigen omvang te kunnen uitzetten, niet
boven eigen hoogte te kunnen stijgen, eeuwig gebonden te zijn aan zijn
eigen beperktheid en tegelijk die beperktheid te zien en te
voelen,—overal rondom het goddelijke als aanvoelend, niets daarvan in
zichzelf te kunnen vast en blijvend verwerkelijken, uur na uur te
moeten leven, zonder iets van het eigen leven te begrijpen, te moeten
handelen en besluiten zonder kennis en zonder vertrouwen,—benauwde en
knauwde Heleen en in dit benauwde gevoel herkende ze een nijpend
angst-moment uit haar kinderjaren: het gevoel voor de „foto van een
spiegelbeeld.” Toen al had het zich voorgedaan—, al de verwarringen uit
het zijnde en het schijnende dat zich toch altijd weer in een tastbaren
vorm—het prentje—die misleidend een werkelijkheid scheen,—liet vangen,
en nu, ze gevoelde zichzelf niet werkelijker dan een spiegelbeeld, maar
de anderen zagen het prentje, noemden het met haar naam en achtten het
een werkelijkheid.
Het eenige echt bestaande was hun verschil.... En als Heleen bedacht
hoe ze jaren geleden er op was uitgegaan om in het verwarrende der
verschillen een eenheid te zoeken door de verschillen te vernietigen,
dan ontstond daaruit weer een nieuwe verbijstering: nu overkwam het
haar vaak dat haar verschil met anderen, met dezen en met genen
vreemde, dien ze ontmoette en gadesloeg op straat, haar het eenige
bewijs leek voor haar zelfstandig bestaan. Was ze in een cirkel gegaan,
aanhoudend, aanhoudend, en van het duizelend rondrennen dol geworden?
De eene ontzetting volgde de andere op, sinds lang was elk innerlijk
evenwicht uit haar verdwenen.
Ze verloor het vermogen, ieder ding op zichzelf te beschouwen en
afzonderlijk te lijden of te genieten. Wenschen, feiten,
verschijnselen, aandoeningen, ook de geringste, de schijnbaar-kleinste,
zag ze als de stukken van een eindelooze dooreengeworpen legkaart, háár
was opgedragen die legkaart in elkaar te zetten. En ze wist zelfs niet
zeker of er werkelijk een bestond. Het ontging haar geheel en al, dat
elk stuk afzonderlijk in zichzelf volledig en op zichzelf schoon en
aangenaam en belangrijk kon zijn—, ze gunde zich geen tijd tot kijken,
ze trachtte slechts te weten waar ze het passen en voegen moest. Ze
jakkerde in een tredmolen, rust was uitgesloten, een drijver zat haar
met de zweep achterna, joeg haar op van morgen tot avond, van avond tot
morgen. Ze was een kind op school en had een vraagstuk op te lossen
gekregen: „wat is echt waar en wat is niet echt waar?” Voordat het
klaar was, mocht ze niet gaan slapen, en een fout kon overal schuilen,
kon binnensluipen en alles bederven, ze moest voortdurend wakker en op
haar hoede zijn.
Ze voelde zich als iemand die met te veel pakken te zwaar en te
ongemakkelijk beladen is en zichzelf uitput en zijn zenuwen breekt in
zijn zorg om er geen enkele te laten vallen of te verliezen. Bukt hij
zich om een verlorene op te rapen, dan ontvallen hem van een anderen
kant twee andere, zoodat zijn hoofd gloeit, zijn handen zweeten en
beven en hij bijkans neerstort waar hij staat.
Heleen trachtte vaak anderen in haar innerlijke bekommeringen te doen
deelen in hoop op hulp en verlichting, want ze kon bijwijlen dit alles
alleen niet dragen, maar ze vond die niet. De oude vrouw had geen
andere troost dan het gouden kruisje en elk der overigen leek volop
tevreden met zijn eigen kaartspel en zei het haar voor, om er eveneens
tevreden mee te zijn en liet daarbij niet na haar te waarschuwen voor
andere menschen met andere kaartspelletjes, die ze bij voorbaat
ondeugdelijk heetten of waarom ze schamper lachten, maar Heleen kwam er
niet verder mee. Ook waren er die haar aanrieden rust en vrije lucht te
zoeken—, denkbeelden als de hare, waren onnatuurlijk, gevaarlijk,
overspannen en slechts door rust te verdrijven. Heleen moest gelooven
dat ze ziek was en genezen kon. Maar Heleen wist beter. Soms echter
ontmoette ze menschen, die met een wijzen, zacht-hooghartigen glimlach
naar haar luisterden. Zij ook wisten precies hoe het met haar gesteld
was, zij immers hadden dat zelfde op eendere wijze doorgemaakt en zich
ten slotte leeren troosten en vrede vinden in geschriften en in het
aardsche leven-zelf, hoe ontoereikend dat dan ook wezen mocht.
Heleen keek die menschen aan, zooals ze het vroeger op school de
kinderen had gedaan, wanneer die lachend en zorgeloos van hun droomen
verhaalden, terwijl zij nog rilde van haar laatsten nacht en de
schaduwen voelde loom en doodsch om zich heen, warmte werend, zonlicht
verduisterend—, het was inderdaad weer dezelfde gelijkenis: evenals
toen, spraken ze te zamen en schijnbaar over dezelfde maar in waarheid
over verschillende dingen. Er was geen spoor van leed, angst, wanhoop
op de gezichten dier wereldwijzen en zelfgenoegzamen, die alles zoo
natuurlijk vonden, geen verbazing kenden, hun „eenvoudige waarheden”
uit boekjes hadden en meelijdend op haar neerkeken, en daarom geloofde
Heleen hen niet. Ze ervoer telkenmaal, ook anderszins, dat ze van juist
niemand zóó ver afstond, als van die het met haar eens en haar gelijken
heetten te zijn.
Wanneer Heleen zich uit haar eenzaamheid vergeten en zich bij menschen
gevoegd en in een diepe openhartigheid van haar onrust en onvastheid
had gewaagd, keerde ze onveranderd altijd met een bezwaarlijk gevoel
naar huis terug. Dat gevoel was leegte door wat ze, het uitklagend,
prijsgegeven en verloren had, en wroegende smart om wat zoodra
geschied, als lafheid en zelfvernedering smaakte. Daaronder vlamde ook
de oude, witte drift uit haar kinderjaren, wanneer, wat vaak voorkwam,
iemand haar niet volop geloofde of twijfelde aan den ernst van wat ze
had gezegd. Maar het sterkst bleef zelfverwijt. Zij, die alle dagen,
alle uren met innige verwondering opnieuw en sterker ervoer hoe alle
begrip zich van binnenuit en van daar alleen voltrekt, zoodat ook de
eenvoudigste dingen—spreekwijzen, verschijnselen, wetten, waarmee ze
als elkeen van kind af aan in de gedachtelooze gewendheid, die
begrijpen heet, was omgegaan—dan pas haar eigen eigendom waren, wanneer
ze zich uit de nevelen der onbewustheid hadden losgemaakt en zich in
die klaarte begeven, waar haar verrukt bewustzijn hun eenheid met al ’t
andere aanschouwen mocht—, zij verlangde van vreemden, dat ze iets
zouden gevoelen bij haar zwak gestamel, haar ontoereikende woorden.
Leeren was niets dan rijpen, in ’t stadig uitgroeien van aandoening tot
begrip, een bewust-worden van wat sluimerend altijd aanwezig was
geweest—, dit had Heleen zuiverlijk uit haar eigen ervaring—, hoe kon
zij dan anderen iets leeren, iets doen begrijpen, dat niet
verontrustend, benauwend, tot wanhoop drijvend, in hen zelf aanwezig
was? Dit medebegrip, dat dan ook troost en steun inhouden zou, mocht ze
alleen verwachten van wie in een gelijksoortig lijden had geleden, van
wie denzelfden last op de schouders droeg—, niet van wie het uit de
verte en slechts bij name, dat is: geheel niet, kende. En naast haar
drang tot innerlijke kennis te geraken, groeide, in den beginne
nauwelijks bewust, in Heleen’s verlaten hart een andere drang, dat ze
dezulken eenmaal zien en tot haar troost bereiken zou.