In de weken, dat Heleen zich zoo ziek en bezeten gevoelde, en die
zijzelf haar bezeten dagen noemde, vermeed ze het zooveel mogelijk,
naar haar oude huis aan de rivier terug te gaan. Ze handelde met
zichzelf als in de weken voor haar examen, toen ze zich ten eersten
maal in haar vriend bedrogen en in een benauwd voorgevoel al geweten
had, dat het leven anders kon zijn dan zij het verwachtte. Toen ook had
ze zich afgewend van al het misleidende, dat haar van de werkelijkheid,
daar ze tóch doorheen moest leven, had vervreemd. Zoo deed ze ook nu.
Ze sprak zichzelf toe als een dokter zijn zieke en trachtte door
overreding zichzelf tot een gewoon leven terug te brengen; ze deed met
zichzelf als menschen met hun paarden doen, ze bond zich kleppen naast
de oogen, opdat ze niets zou zien van wat langs haar ging en haar
schichtig kon maken. Tusschen de kleppen keek ze recht en vast voor
zich uit.
Ze las niet langer, vermeed de menschen waarvan ze wist dat ze haar in
twistgesprek konden wikkelen en zocht bij voorkeur de vroolijken en
tevredenen, om met hen, haar angsten en smarten vergetend, vroolijk en
tevreden te zijn. Ze wilde niets om zich heen zien en gevoelen dan de
nuchtere dingen van het gewone dagelijksche leven, daarin haar
veiligheid vinden, daarop zich toeleggen, daartoe zich bepalen, werken
en loopen, zich inspannen tot ze niet meer kon en zonder droomen leeren
slapen van loutere lichaamsvermoeidheid. Dacht ze maar aan de rivier,
de donkere laan voorlangs het huis, de oude, bruine boeken, dan was het
als sloeg de bliksem bij haar in, rauwe wanhoop sleepte haar mee en
sloeg haar lam van levenszatheid. Ze zou dan hebben willen sterven,
maar ze was bang voor den dood. Ze wist niet, of het uit haar natuur of
uit haar boeken kwam; haar doodsvrees was krachtig boven haar
doodsverlangen. Doch ze misleidde zichzelf niet: haar jong bloed en
haar jonge jaren hielden haar aan de aarde vast, het behagen aan kleine
dingen, waarin het groote leven zich weerspiegelt, hield haar, als
zoovele menschen, staande. Zoolang ze nog, al was het zelden,
gedachteloos lachen en schreien kon, zoolang wilde ze nog wel leven.
Lach en traan lieten geen twijfel toe omtrent hun zijn en aard. Als ze
haar rustige dagen had, genoot ze van zon en water en sloeg
gedachteloos het leven van planten en dieren gade, zong simpele
schoolliedjes en voelde zich een kind. Dit omslaan van haar stemmingen
geschiedde zoo plotseling en schokkend, dat het haar-zelf verbijsterde.
Ze keerde eens van een kort, noodig bezoek aan haar ouders terug en
wachtte heen en weer gaand met de handen op den rug den trein op het
kleine perron, dat sinds haar meisjestijd met grauwe loodsen was
volgebouwd en geen uitzicht meer bood over de landen. Ze ging alleen en
gebukt in de ledige smart van haar zoekensmoede en onvaste leven; het
was winter, de vale avond viel, de seinlichten werden ontstoken,
flonkerden groen en rood, de wind rees omhoog met schuchter en pijnlijk
gezucht.... en Heleen stond plotseling luisterend stil, haar hart zwol
en klopte, haar borst liep onvermoed vol met de zekerheden der
herinnering. Tranen sprongen uit haar oogen en in haar zoet leed om wat
voorbij was, hervond ze plotseling haar eigen vorm, haar eigen omtrek,
de zekerheid van een eigen bestaan.—Zoo weldadig en vreugdevol was die
terugkeer uit de doodskou der vertwijfeling in een levende droefenis,
dat ze zich voornam, dit oogenblik te onthouden en het tot zich te
roepen als het noodig mocht zijn, om die vertwijfeling van het
niet-bestaan te logenstraffen en te bestrijden. Doch het baatte nimmer,
want kwam er—soms na dagen, soms na weken, dat rust haar deed twijfelen
aan onrustigheids bestaan—een nieuwe inzinking, dan geloofde ze toch
weer niet in haar eigen verweer.... het was immer dezelfde wisseling:
haar twijfel loochende haar zekerheid en haar zekerheid loochende haar
twijfel. Er was maar weinig noodig om Heleen uit haar met zooveel
voorzorgen verkregen rust weg te rukken. Zooals in de oude dagen van
haar angsten plotseling spookgedaanten opdoemden uit de omtrekken der
onschuldigste voorwerpen, spookstemmen sisten in de klanken der
gewoonste woorden, zoo vloog haar nu uit de geringste dingen de angst
en de koorts op het lijf. Het kwam den eenen dag uit een onnoozel
dagbladbericht, waaruit eenige meening of waardeering bleek.... den
anderen uit pianoklank in donker-avond.... uit een prentje voor een
boekwinkel dat pruikemannetjes en dametjes lachend achter waaiertjes en
in wijde rokjes te zien gaf.... en het was altijd diezelfde drom van
angstaanjagende en verwarrende vragen.... wat is de diepste bedoeling
van alle meening en van alle waardeering.... wat is het wezen der
ontroering uit pianoklank.... wat was de bestemming van lang gestorven
pruikemannetjes en zelfgenoegzame dametjes.... waar is het verband....
waar is de eenheid van dit alles? Dan ademde ze snel en bang,
benauwdheid rees haar naar de keel, het gevreesde was in aantocht, ze
kon het niet weren, de onrust niet uit haar geest, de onlust niet uit
haar lijf. De aarde leek onder haar voeten te zamen te krimpen tot een
kleinen donkeren bal, duister was de oneindigheid, eindeloos het getal
der ballen, van overal zwierven ze aan in een gierenden nachtwind,
elkander even voorbij en weer voor eeuwig weg. En dit alles was Eén,
dit alles hing als een keten te zamen, Heelal en Aarde, Toen en Nu, en
elk afzonderlijk ding, ook zij zelf was er een schakel van.... en de
keten ving ergens aan, eindigde ergens.... had zijn bestemming, maar
waar, maar welke....?
Dan rukte Heleen zich los en vluchtte naar haar huis, vermeed haar
kamer en bleef met de oude vrouw te zamen in de warme keuken eten.
Want ze wilde niet in eenzaamheid ziek en niet gek worden, anderen tot
last; ze zocht evenmin hulp en verlichting meer bij de menschen,
pogende dezen in haar lijden te betrekken, want niemand kon dat lijden
begrijpen die het niet mede-leed, omdat begrijpen en zijn éénzelfde is,
en velen geloofden haar dus niet of noemden haar leed met oppervlakkige
en dwaze en geringe namen, zoodat Heleen de witte drift in zich voelde,
en een gloeiende onrust, waarin ze haat proefde tegen anderen, haat
dien ze nimmer had gekend en niet kennen wilde, omdat hij haar bestaan
nog verder verwarren en verzwaren zou en dit althans door zwijgen en
afzondering was te ontgaan.
Zoo verkreeg ze met haar zorg slechts wat naar rust geleek en de echte
rust niet. Ze had als kind eenmaal gelezen van een bloedvlek op een
grauwen muur, die niet verdwijnen wilde. De muur werd betimmerd,
beslagen en bekleed, doch de bloedvlek drong zich altijd weer van
onderen op naar voren en blonk er rood en afgrijselijk als den eersten
dag. Er klonk geklop uit de verte, rumoer mocht er overheen gaan, slaap
het tijdelijk ondervangen, het zweeg nimmermeer. Het was als het tikken
van den eenzamen waterdroppel, dat den rampzaligen gevangene
krankzinnig had gemaakt. Het was de schijnrust van de avonden in het
oude huis, als moeders oogen, na onmetelijke en onbekende reizen tot
haar teruggekeerd waren, de rust, waarin een doodsangst op den loer
lag, die haar elk oogenblik grijpen kon. Vader! Hij had het huis veilig
gemaakt, hij had de spoken verjaagd met zijn aanwezigheid en haar later
zelf het afgrijselijke in den muil gedreven. Hij had haar nimmer aan
zijn borst genomen, dat ze vragen en uitklagen kon, dat ze niet later
ziek van twijfel, ongerust en alleen tusschen de menschen zou behoeven
te dolen en iedereen door een schijn haar sterkere en haar meerdere zou
achten, ook die in werkelijkheid laffer en slechter waren, en immer en
altijd en alles in zichzelf bevechten en ieder nieuw ding in nieuwe
pijnen leeren en ervaren moeten, tot ze niet langer kon en erbij
neerviel. Doch de gedachtenis aan haar ouders werd evenwel door geen
wrok geschonden.
De menschen in haar huis zagen Heleen volstrekt niet aan als iemand die
ziek of gek of overspannen is en dat stelde haar gerust. Zonder dat ze
het opzettelijk vermeed, vermoedde niemand iets van het verborgene
achter het zichtbare leven, van haar zelfkwellingen en haar deernisloos
rukken en knagen aan de eigen illusies,—niemand zag de wonden, die ze
om waarheidswille meende te moeten slaan in haar eigen hart. Heleen was
blijde toen ze hoorde dat een der „moderne” meisjes in huis haar een
„banaaltje” had genoemd,—zij voor zich wilde de eenheid met allen, niet
het onderscheid, en het besef toch wel anders dan anderen te wezen,
streelde haar niet, maar deed haar zeer—, want het beteekende
eenzaamheid, waartegen ze niet opgewassen was. Ze praatte gaarne met de
oude vrouw, zocht vaak gezelschap, was dan niet zelden vroolijk en
zelfs vrij gauw uitbundig—, doch de echte levenslust kende ze niet. Het
was altijd een opvlammende verblijding om de vreugden van het
samenzijn, die haar zoo lang onthouden waren en waaraan ze zich niet
verzadigen kon, zoodat ze zich nog steeds voor elk blijk van
genegenheid overmatig en onstuimig dankbaar gevoelde en toonde.... tot
haar schade.
De oude vrouw bleef haar getrouw verzorgen en Heleen beantwoordde haar
angstvalligheid door zich opgewekt te toonen en meer te eten dan ze
begeerde. Ze bleef haar helpen in haar bezigheid, boodschappen voor
haar loopen, gevoelig voor haar lof en oplettend bij haar verhalen.
Beneden haar in het groote huis woonde een meisje, dat heel gelukkig
was omdat zij voor zich met anderen te zamen een waarheid bezat. Vaak
had ze Heleen gesproken over den band der algemeene broederliefde en de
zekerheid des eeuwigen levens, die in haar gemeenschap te vinden waren
en getracht Heleen in haar geluk en haar voldaanheid te doen deelen,
maar Heleen was er tot haar smart niet in geslaagd. Het andere, wat
oudere meisje, werkte niet voor haar onderhoud, ze ging met
lieflijk-kwijnenden oogopslag, gekleed in teederkleurige, sleepende
gewaden door het huis, lag in den avond op een divan tusschen
spreukenboeken in wit en goud bij een matte lamp en liet zich door de
oude vrouw bedienen. Heleen had in den beginne tot haar opgezien,
aanvankelijk troost van haar gehoopt en verkreeg die niet, doch ze
meende teederheid te zullen vinden en die met al den hartstocht van
haar hart te mogen beantwoorden.
Heleen was geboren en opgevoed tusschen teruggetrokken ouders en
kleinsteedsche of boersche menschen, die van vriendschap niet wisten,
althans niet gewaagden, geen ander onderscheid maakten dan tusschen
eigen en vreemd, dorpsgenoot en onbekende, en wier stroeve
ingetogenheid uiterlijk genegenheidsvertoon geheel en al buitensloot.
Heleen had zich nooit tusschen die meer beschaafde en verfijnde, ietwat
verweekelijkte menschen in betere kringen bewogen, waar de meisjes
elkaar vleien en fleemen en liefkoozen en met lieve naampjes noemen,
zonder dat een werkelijk warm en teeder gevoel daaraan ten grondslag
ligt; met haar was niemand ooit op deze wijze omgegaan, noch zij met
anderen; nu het haar plotseling overkwam, gaf ze er zich geheel en al
aan over en meende ze in haar vreugde niet anders of haar nieuwe
vriendin droeg haar de teederste en trouwste vriendschap toe. Bovendien
had ze Heleen van die genegenheid met woorden verzekerd, en dat ze haar
helpen wilde, als Heleen haar noodig hebben mocht.
Doch eens op een avond was Heleen, door angst en eenzaamheid van haar
kamer gedreven, bij haar gekomen en vond haar tot uitgaan gereed en in
de verste verte niet tot blijven om harentwil bereid. Ze had het gezien
in de zachtzinnige oogen, gehoord in de teedere stem en haar woorden
gespaard. Wel echter vroeg ze, of ze den anderen dag, na haar school,
mocht komen, en het zachtzinnig antwoord was wederom een weigering:
dien anderen dag was tot den avond toe alreeds bezet en bestemd.
Pijnlijk en beschaamd om deze dubbele afwijzing sloop Heleen terug en
doolde alleen den avond door,—doch toen ze den volgenden dag in den
middag uit school kwam, ontmoette ze de vriendin drentelend en
winkelend in de straten met een ander, evenzeer fraai gedost meisje. Ze
vermeed haar snel, rende als een gewond dier naar haar huis terug en
leed heftig-schreiende om wat elkeen weet, maar wat zij nog niet had
geweten, dat van de vrouwen de meesten haar geringste beuzelarijen en
eigenbelangetjes hooger stellen dan de laffe lievigheid, die ze in
zichzelf het vermogen om vrienden te bezitten en lief te hebben wanen.
Ofschoon Heleen dus zeer zeker haar overtuiging behield, dat mannen in
het algemeen eerlijker en redelijker zijn dan vrouwen en zelfs veelal
gevoeliger en bovendien zuiverder het grappige en aandoenlijke in
kleine dingen verstaan, besefte ze het wel, en bekende het zich ook:
het was niet daarom in de eerste plaats dat ze liever met hen dan met
vrouwen verkeerde.
Het was om de weelde van hen met oogen en glimlach zoo licht te kunnen
bekoren. Ze was ook bij haar jongens-vrienden nooit verlegen, gevoelde
geenerlei onbeholpenheid, maar bewoog zich zachtstralende in haar eigen
lieftalligheid tusschen hen en liet in ruil voor haar teederheid hun
vleierijen naar zich opgaan als een zoete damp. Of ze deed mee met hun
scherts en verblijdde zich in de innigheid der kameraadschap. Ze had
soms vele vrienden tegelijk, maar een van hen was de uitverkorene, niet
doordat hij sterker of schooner dan de anderen, zich sterk en schoon
van hen onderscheidde, doch omdat ze wilde, dat er één uitverkorene
wezen zou, één, voor wien ze de anderen gewillig zou hebben opgeofferd,
één die ze alles gaf wat jongens vleien en verblijden kan, en ook hem
dus vleien en verblijden moest: liefkoozing en lieve woorden, die
zijzelf even zoo gaarne ontving. Ze maakte van dien uitverkorene een
held—ten einde daarna zichzelf in vlekkeloosheid te volmaken en hem
waardig te zijn—op dezelfde wijze als een schilder een profeet maakt
van een ouden, armoedigen Jood; wat den echten jongen van den held
onderscheidde, bloeide op in haar eigen ziel en werd hem van daaruit
rijkelijk toebedeeld. Dusdanig is de kunstenaar-zelf de profeet, dien
hij in zijn model verbeeldt, maar toch kan hij het model voor zijn
verbeelding niet missen. Ze wist, dat mannen naast vrouwen zich gaarne
de meerdere voelen en speelde met een blijden glimlach het spelletje
van den sterken, wijzen man en het kleine, onderworpen meisje, om hem
te behagen. Haar scherpzinnigheid doorzag dit gansch bedrijf; ze kende
meestal haar vriend beter dan hij zichzelf kende, ze doorzag hem
volkomen in al die dingen, waarin hij zichzelf zoo gaarne vleide en
misleidde, zijn zelfingenomenheid, zijn menschenvrees, zijn
overschatting van eigen kunde, eigen kracht en eigen deugd. Ze zag zijn
zwakheden, die hijzelf met mooie namen bekleedde en beginselen heette,
zooals ze haar eigen zwakheden zag en liet zich nochtans door hem
beheerschen, omdat mannen in heerschen behagen scheppen. Ze liet hem
ter wille dingen na, en deed er andere, die hij haar oplei of ontzegde,
schoon zijzelf het een en het ander even onbelangrijk vond, ten einde
haar vriend en zichzelf te vleien met het besef, dat haar leven werd
geleid door zijn wil. Alles offerde ze aan die illusie op, ze gaf haar
belangstelling en haar tijd aan zijn plannen, stelde zich van alles wat
daartoe dienen kon op de hoogte, en gaf hem oordeel en raad in
beslissingen, die haar volkomen onverschillig zouden zijn geweest, als
ze haarzelf betroffen hadden. Ze werd levenslustig, geestdriftig,
ijverig en eenzijdig om zijnentwil, vond om zijnentwil een sterk
behagen in haar bekoorlijkheid, zoodat ze haar oogen toelachte en haar
mond kuste op het spiegelglas, uit dankbaarheid voor hun vermogen hem
tot vreugde te zijn—, ze verheugde zich om de uitkomsten van haar
vlijtig zelfonderricht en onverpoosd peinzen—die ze reeds voor zichzelf
als ijdel en nietig verworpen had—en ze toonde hem dit alles zoo veel
mogelijk, opdat hij met haar liefde als met een waardevolle
onderscheiding hoogelijk en altijd weer, gevleid en verheugd zou zijn.
Van dien aard was haar behaagzucht.
Alzoo muurde ze zich een leven binnen haar leven af, want alles wat
liefde betrof, lag buiten het geweld, buiten het slagveld van martelend
worstelen tegen het onbekende, buiten het pijnigend zelfonderzoek,
buiten twijfel en wanhoop—daar stond ieder ding roerloos en rustig in
gouden damp, in de reuk van zoete bloemen, daar was het louter weelde
en lieflijkheid, zooals in de oude boeken, zooals op de prent van „De
Ridder en zijn Bruid.” Daar scheen een ander licht, dat het kleurlooze
kleur gaf en het waardelooze waarde. Geen neiging, geen gevoel, geen
aanvechting had ze ooit in zichzelve ontdekt of ze had het beet
gegrepen, er het mes in gezet, het ontleed, tot er geen vezel ongedeerd
van bleef en ze zich afwenden moest. Liefde spaarde ze. Ze had aan het
bestaan van elk ding getwijfeld, tot aan haar eigen oprechtheid, tot
aan haar eigen bestaan. Liefde betwijfelde ze niet. Liefde bestond. De
scherpe stem binnen in haar zeide haar, dat dit onredelijk was, dat ze
ook liefde behoorde te ontrafelen en daarna te ontkennen; ze luisterde
en knikte als een kind tegen den meester—ja, hij heeft wel
gelijk!—keerde zich af en huppelde neuriënd verder.
Alles wat liefde betrof, moest edel en verheven wezen, als in de oude
boeken, daar moest de luide lach verstommen, het grof gebaar breken en
verfijnen en ieder woord van een uitgelezen welluidendheid zijn. Hij
was de Ridder en zij was de Bruid, de fijne, zoete, bescheidene, de
vlekkelooze en in iedere deugd volmaakte.
Het schoone dat Heleen in wereld en menschen aanwezig had gedroomd, het
Onzelfzuchtige, alles dat vrijwillig van het eigen-ik af en naar
anderen of naar iets anders toegewend is, om zich daarmee ten diepste
te vereenzelvigen, en waarvan het eender is welken naam het
draagt—liefde, geestdrift, toewijding of vereering—en aan welken vorm
of stoffe het zich hecht—aan man of vrouw, menschheid of God—omdat het
in zijn wezen-van-overgave zichzelf eeuwig gelijk blijft—, dit
goddelijke, dat in menschen verminkt en verknoeid en door ijdelheid en
begeerte verdrongen is, leek haar in ongeschonden volheid te
verwerkelijken binnen die kleine wereld van twee menschen die elkaar
liefhebben. Het overige was vergankelijk, was vluchtig, was aardsch—,
liefde eeuwig, vast, blijvend, goddelijk—, het overige op handhaving en
verrijking van de eigen persoonlijkheid, liefde slechts op overgave en
opoffering bedacht. Liefde was goddelijk, want scheppend een nieuwe
wereld waarin leven vreugde en ademen zoetheid was, een wonderlijke
wereld, waar andere wetten heerschten en het geven niet verarmde, maar
verrijkte.
Dit vermogen tot onzelfzuchtig prijsgeven van het eigen ik, anderen ten
baat, krachtig in zichzelf aanwezig te gevoelen, was Heleen te midden
van verflauwing en vervloeiing een klare en sterke vreugde, een
krachtig en weldadig tegenwicht dat haar heele persoon in balans hield,
en om dit vaster te gevoelen wendde zich haar genegenheid bij voorkeur
naar de zwakken, de eenzamen, de bedroefden, naar al diegenen, welke
haar het meest konden noodig hebben. Ze zou gaarne zelfs de dommen en
bekrompenen hebben gekozen, doch die juist hebben geen anderen van
noode en hun botte aanmatiging kan door geen illusie worden vermomd. Ze
zocht haar vrienden om een plaats in hun leven te verkrijgen en daarin
onmisbaar te zijn, als een bevestiging, tevens rechtvaardiging van haar
eigen bestaan. Was ze niet eenmaal onverwacht en onhoorbaar met een
armvol bloemen in de kamer van een vriend gekomen en had hem met
sombere oogen en betrokken voorhoofd starend voor zijn haard gevonden?
Ze had zacht lachend op een afstand zijn naam gezegd. Daar was zijn
blik omhoog en naar haar opgegaan. Hij bleef even zitten en keek naar
haar op, zij bleef even staan en keek op hem neer en uit dit korte
wisselspel van trillenden lach en blij-bedauwden blik was als een flits
een nieuw besef in haar ontsprongen: zij was de zon, zij was een licht,
zij kon haar vrienden met gelukzaligheid bestralen. Was ze op aarde, in
het heelal, volstrekt nietig en volstrekt misbaar, dit was een ander
leven, dit was een ander oogenblik en dit leven reikte gretig naar haar
leven, dit oogenblik beleed voluit haar onmisbaarheid....
Liefde moest alles goedmaken, de klacht van het verleden, de pijn van
het nu, beider kille ongewisheid. Overal klonk de klop, maar het
vertrek der liefde had zachtbehangen wanden, daarbinnen lag ieder
gerucht verstomd, was de booze betoovering verbroken. Liefde moest
bloemen doen bloeien uit de oude hartewond, liefde moest haar met het
zijn verzoenen en behoeden voor wanhoop, waanzin en melancholie. Zooals
een brandglas dat de stralen der zon samentrekt op een middenpunt, dat
daardoor zelve zon wordt, terwijl het overige koel blijft, zoo stond
Heleen’s leven naar het schenken en ontvangen van liefde gericht. Al
hare energieën, de tezamenvoeging van alles wat anderen in jacht, haat
en vrees, in eerzucht en zorg doen opgaan, had ze in dat eene vermogen
geofferd. En uit die vast-gespannen ernst en aandacht van ziel en geest
werd ieder van haar liefdedaden, gebaar en kus en woord, wat zijn
arbeid is voor den kunstenaar, alzoo: het diepste, het krachtigste, het
edelste dat hij heeft te geven.