XIX.

In de weken, dat Heleen zich zoo ziek en bezeten gevoelde, en die

zijzelf haar bezeten dagen noemde, vermeed ze het zooveel mogelijk,

naar haar oude huis aan de rivier terug te gaan. Ze handelde met

zichzelf als in de weken voor haar examen, toen ze zich ten eersten

maal in haar vriend bedrogen en in een benauwd voorgevoel al geweten

had, dat het leven anders kon zijn dan zij het verwachtte. Toen ook had

ze zich afgewend van al het misleidende, dat haar van de werkelijkheid,

daar ze tóch doorheen moest leven, had vervreemd. Zoo deed ze ook nu.

Ze sprak zichzelf toe als een dokter zijn zieke en trachtte door

overreding zichzelf tot een gewoon leven terug te brengen; ze deed met

zichzelf als menschen met hun paarden doen, ze bond zich kleppen naast

de oogen, opdat ze niets zou zien van wat langs haar ging en haar

schichtig kon maken. Tusschen de kleppen keek ze recht en vast voor

zich uit.

Ze las niet langer, vermeed de menschen waarvan ze wist dat ze haar in

twistgesprek konden wikkelen en zocht bij voorkeur de vroolijken en

tevredenen, om met hen, haar angsten en smarten vergetend, vroolijk en

tevreden te zijn. Ze wilde niets om zich heen zien en gevoelen dan de

nuchtere dingen van het gewone dagelijksche leven, daarin haar

veiligheid vinden, daarop zich toeleggen, daartoe zich bepalen, werken

en loopen, zich inspannen tot ze niet meer kon en zonder droomen leeren

slapen van loutere lichaamsvermoeidheid. Dacht ze maar aan de rivier,

de donkere laan voorlangs het huis, de oude, bruine boeken, dan was het

als sloeg de bliksem bij haar in, rauwe wanhoop sleepte haar mee en

sloeg haar lam van levenszatheid. Ze zou dan hebben willen sterven,

maar ze was bang voor den dood. Ze wist niet, of het uit haar natuur of

uit haar boeken kwam; haar doodsvrees was krachtig boven haar

doodsverlangen. Doch ze misleidde zichzelf niet: haar jong bloed en

haar jonge jaren hielden haar aan de aarde vast, het behagen aan kleine

dingen, waarin het groote leven zich weerspiegelt, hield haar, als

zoovele menschen, staande. Zoolang ze nog, al was het zelden,

gedachteloos lachen en schreien kon, zoolang wilde ze nog wel leven.

Lach en traan lieten geen twijfel toe omtrent hun zijn en aard. Als ze

haar rustige dagen had, genoot ze van zon en water en sloeg

gedachteloos het leven van planten en dieren gade, zong simpele

schoolliedjes en voelde zich een kind. Dit omslaan van haar stemmingen

geschiedde zoo plotseling en schokkend, dat het haar-zelf verbijsterde.

Ze keerde eens van een kort, noodig bezoek aan haar ouders terug en

wachtte heen en weer gaand met de handen op den rug den trein op het

kleine perron, dat sinds haar meisjestijd met grauwe loodsen was

volgebouwd en geen uitzicht meer bood over de landen. Ze ging alleen en

gebukt in de ledige smart van haar zoekensmoede en onvaste leven; het

was winter, de vale avond viel, de seinlichten werden ontstoken,

flonkerden groen en rood, de wind rees omhoog met schuchter en pijnlijk

gezucht.... en Heleen stond plotseling luisterend stil, haar hart zwol

en klopte, haar borst liep onvermoed vol met de zekerheden der

herinnering. Tranen sprongen uit haar oogen en in haar zoet leed om wat

voorbij was, hervond ze plotseling haar eigen vorm, haar eigen omtrek,

de zekerheid van een eigen bestaan.—Zoo weldadig en vreugdevol was die

terugkeer uit de doodskou der vertwijfeling in een levende droefenis,

dat ze zich voornam, dit oogenblik te onthouden en het tot zich te

roepen als het noodig mocht zijn, om die vertwijfeling van het

niet-bestaan te logenstraffen en te bestrijden. Doch het baatte nimmer,

want kwam er—soms na dagen, soms na weken, dat rust haar deed twijfelen

aan onrustigheids bestaan—een nieuwe inzinking, dan geloofde ze toch

weer niet in haar eigen verweer.... het was immer dezelfde wisseling:

haar twijfel loochende haar zekerheid en haar zekerheid loochende haar

twijfel. Er was maar weinig noodig om Heleen uit haar met zooveel

voorzorgen verkregen rust weg te rukken. Zooals in de oude dagen van

haar angsten plotseling spookgedaanten opdoemden uit de omtrekken der

onschuldigste voorwerpen, spookstemmen sisten in de klanken der

gewoonste woorden, zoo vloog haar nu uit de geringste dingen de angst

en de koorts op het lijf. Het kwam den eenen dag uit een onnoozel

dagbladbericht, waaruit eenige meening of waardeering bleek.... den

anderen uit pianoklank in donker-avond.... uit een prentje voor een

boekwinkel dat pruikemannetjes en dametjes lachend achter waaiertjes en

in wijde rokjes te zien gaf.... en het was altijd diezelfde drom van

angstaanjagende en verwarrende vragen.... wat is de diepste bedoeling

van alle meening en van alle waardeering.... wat is het wezen der

ontroering uit pianoklank.... wat was de bestemming van lang gestorven

pruikemannetjes en zelfgenoegzame dametjes.... waar is het verband....

waar is de eenheid van dit alles? Dan ademde ze snel en bang,

benauwdheid rees haar naar de keel, het gevreesde was in aantocht, ze

kon het niet weren, de onrust niet uit haar geest, de onlust niet uit

haar lijf. De aarde leek onder haar voeten te zamen te krimpen tot een

kleinen donkeren bal, duister was de oneindigheid, eindeloos het getal

der ballen, van overal zwierven ze aan in een gierenden nachtwind,

elkander even voorbij en weer voor eeuwig weg. En dit alles was Eén,

dit alles hing als een keten te zamen, Heelal en Aarde, Toen en Nu, en

elk afzonderlijk ding, ook zij zelf was er een schakel van.... en de

keten ving ergens aan, eindigde ergens.... had zijn bestemming, maar

waar, maar welke....?

Dan rukte Heleen zich los en vluchtte naar haar huis, vermeed haar

kamer en bleef met de oude vrouw te zamen in de warme keuken eten.

Want ze wilde niet in eenzaamheid ziek en niet gek worden, anderen tot

last; ze zocht evenmin hulp en verlichting meer bij de menschen,

pogende dezen in haar lijden te betrekken, want niemand kon dat lijden

begrijpen die het niet mede-leed, omdat begrijpen en zijn éénzelfde is,

en velen geloofden haar dus niet of noemden haar leed met oppervlakkige

en dwaze en geringe namen, zoodat Heleen de witte drift in zich voelde,

en een gloeiende onrust, waarin ze haat proefde tegen anderen, haat

dien ze nimmer had gekend en niet kennen wilde, omdat hij haar bestaan

nog verder verwarren en verzwaren zou en dit althans door zwijgen en

afzondering was te ontgaan.

Zoo verkreeg ze met haar zorg slechts wat naar rust geleek en de echte

rust niet. Ze had als kind eenmaal gelezen van een bloedvlek op een

grauwen muur, die niet verdwijnen wilde. De muur werd betimmerd,

beslagen en bekleed, doch de bloedvlek drong zich altijd weer van

onderen op naar voren en blonk er rood en afgrijselijk als den eersten

dag. Er klonk geklop uit de verte, rumoer mocht er overheen gaan, slaap

het tijdelijk ondervangen, het zweeg nimmermeer. Het was als het tikken

van den eenzamen waterdroppel, dat den rampzaligen gevangene

krankzinnig had gemaakt. Het was de schijnrust van de avonden in het

oude huis, als moeders oogen, na onmetelijke en onbekende reizen tot

haar teruggekeerd waren, de rust, waarin een doodsangst op den loer

lag, die haar elk oogenblik grijpen kon. Vader! Hij had het huis veilig

gemaakt, hij had de spoken verjaagd met zijn aanwezigheid en haar later

zelf het afgrijselijke in den muil gedreven. Hij had haar nimmer aan

zijn borst genomen, dat ze vragen en uitklagen kon, dat ze niet later

ziek van twijfel, ongerust en alleen tusschen de menschen zou behoeven

te dolen en iedereen door een schijn haar sterkere en haar meerdere zou

achten, ook die in werkelijkheid laffer en slechter waren, en immer en

altijd en alles in zichzelf bevechten en ieder nieuw ding in nieuwe

pijnen leeren en ervaren moeten, tot ze niet langer kon en erbij

neerviel. Doch de gedachtenis aan haar ouders werd evenwel door geen

wrok geschonden.

De menschen in haar huis zagen Heleen volstrekt niet aan als iemand die

ziek of gek of overspannen is en dat stelde haar gerust. Zonder dat ze

het opzettelijk vermeed, vermoedde niemand iets van het verborgene

achter het zichtbare leven, van haar zelfkwellingen en haar deernisloos

rukken en knagen aan de eigen illusies,—niemand zag de wonden, die ze

om waarheidswille meende te moeten slaan in haar eigen hart. Heleen was

blijde toen ze hoorde dat een der „moderne” meisjes in huis haar een

„banaaltje” had genoemd,—zij voor zich wilde de eenheid met allen, niet

het onderscheid, en het besef toch wel anders dan anderen te wezen,

streelde haar niet, maar deed haar zeer—, want het beteekende

eenzaamheid, waartegen ze niet opgewassen was. Ze praatte gaarne met de

oude vrouw, zocht vaak gezelschap, was dan niet zelden vroolijk en

zelfs vrij gauw uitbundig—, doch de echte levenslust kende ze niet. Het

was altijd een opvlammende verblijding om de vreugden van het

samenzijn, die haar zoo lang onthouden waren en waaraan ze zich niet

verzadigen kon, zoodat ze zich nog steeds voor elk blijk van

genegenheid overmatig en onstuimig dankbaar gevoelde en toonde.... tot

haar schade.

De oude vrouw bleef haar getrouw verzorgen en Heleen beantwoordde haar

angstvalligheid door zich opgewekt te toonen en meer te eten dan ze

begeerde. Ze bleef haar helpen in haar bezigheid, boodschappen voor

haar loopen, gevoelig voor haar lof en oplettend bij haar verhalen.

Beneden haar in het groote huis woonde een meisje, dat heel gelukkig

was omdat zij voor zich met anderen te zamen een waarheid bezat. Vaak

had ze Heleen gesproken over den band der algemeene broederliefde en de

zekerheid des eeuwigen levens, die in haar gemeenschap te vinden waren

en getracht Heleen in haar geluk en haar voldaanheid te doen deelen,

maar Heleen was er tot haar smart niet in geslaagd. Het andere, wat

oudere meisje, werkte niet voor haar onderhoud, ze ging met

lieflijk-kwijnenden oogopslag, gekleed in teederkleurige, sleepende

gewaden door het huis, lag in den avond op een divan tusschen

spreukenboeken in wit en goud bij een matte lamp en liet zich door de

oude vrouw bedienen. Heleen had in den beginne tot haar opgezien,

aanvankelijk troost van haar gehoopt en verkreeg die niet, doch ze

meende teederheid te zullen vinden en die met al den hartstocht van

haar hart te mogen beantwoorden.

Heleen was geboren en opgevoed tusschen teruggetrokken ouders en

kleinsteedsche of boersche menschen, die van vriendschap niet wisten,

althans niet gewaagden, geen ander onderscheid maakten dan tusschen

eigen en vreemd, dorpsgenoot en onbekende, en wier stroeve

ingetogenheid uiterlijk genegenheidsvertoon geheel en al buitensloot.

Heleen had zich nooit tusschen die meer beschaafde en verfijnde, ietwat

verweekelijkte menschen in betere kringen bewogen, waar de meisjes

elkaar vleien en fleemen en liefkoozen en met lieve naampjes noemen,

zonder dat een werkelijk warm en teeder gevoel daaraan ten grondslag

ligt; met haar was niemand ooit op deze wijze omgegaan, noch zij met

anderen; nu het haar plotseling overkwam, gaf ze er zich geheel en al

aan over en meende ze in haar vreugde niet anders of haar nieuwe

vriendin droeg haar de teederste en trouwste vriendschap toe. Bovendien

had ze Heleen van die genegenheid met woorden verzekerd, en dat ze haar

helpen wilde, als Heleen haar noodig hebben mocht.

Doch eens op een avond was Heleen, door angst en eenzaamheid van haar

kamer gedreven, bij haar gekomen en vond haar tot uitgaan gereed en in

de verste verte niet tot blijven om harentwil bereid. Ze had het gezien

in de zachtzinnige oogen, gehoord in de teedere stem en haar woorden

gespaard. Wel echter vroeg ze, of ze den anderen dag, na haar school,

mocht komen, en het zachtzinnig antwoord was wederom een weigering:

dien anderen dag was tot den avond toe alreeds bezet en bestemd.

Pijnlijk en beschaamd om deze dubbele afwijzing sloop Heleen terug en

doolde alleen den avond door,—doch toen ze den volgenden dag in den

middag uit school kwam, ontmoette ze de vriendin drentelend en

winkelend in de straten met een ander, evenzeer fraai gedost meisje. Ze

vermeed haar snel, rende als een gewond dier naar haar huis terug en

leed heftig-schreiende om wat elkeen weet, maar wat zij nog niet had

geweten, dat van de vrouwen de meesten haar geringste beuzelarijen en

eigenbelangetjes hooger stellen dan de laffe lievigheid, die ze in

zichzelf het vermogen om vrienden te bezitten en lief te hebben wanen.

Ofschoon Heleen dus zeer zeker haar overtuiging behield, dat mannen in

het algemeen eerlijker en redelijker zijn dan vrouwen en zelfs veelal

gevoeliger en bovendien zuiverder het grappige en aandoenlijke in

kleine dingen verstaan, besefte ze het wel, en bekende het zich ook:

het was niet daarom in de eerste plaats dat ze liever met hen dan met

vrouwen verkeerde.

Het was om de weelde van hen met oogen en glimlach zoo licht te kunnen

bekoren. Ze was ook bij haar jongens-vrienden nooit verlegen, gevoelde

geenerlei onbeholpenheid, maar bewoog zich zachtstralende in haar eigen

lieftalligheid tusschen hen en liet in ruil voor haar teederheid hun

vleierijen naar zich opgaan als een zoete damp. Of ze deed mee met hun

scherts en verblijdde zich in de innigheid der kameraadschap. Ze had

soms vele vrienden tegelijk, maar een van hen was de uitverkorene, niet

doordat hij sterker of schooner dan de anderen, zich sterk en schoon

van hen onderscheidde, doch omdat ze wilde, dat er één uitverkorene

wezen zou, één, voor wien ze de anderen gewillig zou hebben opgeofferd,

één die ze alles gaf wat jongens vleien en verblijden kan, en ook hem

dus vleien en verblijden moest: liefkoozing en lieve woorden, die

zijzelf even zoo gaarne ontving. Ze maakte van dien uitverkorene een

held—ten einde daarna zichzelf in vlekkeloosheid te volmaken en hem

waardig te zijn—op dezelfde wijze als een schilder een profeet maakt

van een ouden, armoedigen Jood; wat den echten jongen van den held

onderscheidde, bloeide op in haar eigen ziel en werd hem van daaruit

rijkelijk toebedeeld. Dusdanig is de kunstenaar-zelf de profeet, dien

hij in zijn model verbeeldt, maar toch kan hij het model voor zijn

verbeelding niet missen. Ze wist, dat mannen naast vrouwen zich gaarne

de meerdere voelen en speelde met een blijden glimlach het spelletje

van den sterken, wijzen man en het kleine, onderworpen meisje, om hem

te behagen. Haar scherpzinnigheid doorzag dit gansch bedrijf; ze kende

meestal haar vriend beter dan hij zichzelf kende, ze doorzag hem

volkomen in al die dingen, waarin hij zichzelf zoo gaarne vleide en

misleidde, zijn zelfingenomenheid, zijn menschenvrees, zijn

overschatting van eigen kunde, eigen kracht en eigen deugd. Ze zag zijn

zwakheden, die hijzelf met mooie namen bekleedde en beginselen heette,

zooals ze haar eigen zwakheden zag en liet zich nochtans door hem

beheerschen, omdat mannen in heerschen behagen scheppen. Ze liet hem

ter wille dingen na, en deed er andere, die hij haar oplei of ontzegde,

schoon zijzelf het een en het ander even onbelangrijk vond, ten einde

haar vriend en zichzelf te vleien met het besef, dat haar leven werd

geleid door zijn wil. Alles offerde ze aan die illusie op, ze gaf haar

belangstelling en haar tijd aan zijn plannen, stelde zich van alles wat

daartoe dienen kon op de hoogte, en gaf hem oordeel en raad in

beslissingen, die haar volkomen onverschillig zouden zijn geweest, als

ze haarzelf betroffen hadden. Ze werd levenslustig, geestdriftig,

ijverig en eenzijdig om zijnentwil, vond om zijnentwil een sterk

behagen in haar bekoorlijkheid, zoodat ze haar oogen toelachte en haar

mond kuste op het spiegelglas, uit dankbaarheid voor hun vermogen hem

tot vreugde te zijn—, ze verheugde zich om de uitkomsten van haar

vlijtig zelfonderricht en onverpoosd peinzen—die ze reeds voor zichzelf

als ijdel en nietig verworpen had—en ze toonde hem dit alles zoo veel

mogelijk, opdat hij met haar liefde als met een waardevolle

onderscheiding hoogelijk en altijd weer, gevleid en verheugd zou zijn.

Van dien aard was haar behaagzucht.

Alzoo muurde ze zich een leven binnen haar leven af, want alles wat

liefde betrof, lag buiten het geweld, buiten het slagveld van martelend

worstelen tegen het onbekende, buiten het pijnigend zelfonderzoek,

buiten twijfel en wanhoop—daar stond ieder ding roerloos en rustig in

gouden damp, in de reuk van zoete bloemen, daar was het louter weelde

en lieflijkheid, zooals in de oude boeken, zooals op de prent van „De

Ridder en zijn Bruid.” Daar scheen een ander licht, dat het kleurlooze

kleur gaf en het waardelooze waarde. Geen neiging, geen gevoel, geen

aanvechting had ze ooit in zichzelve ontdekt of ze had het beet

gegrepen, er het mes in gezet, het ontleed, tot er geen vezel ongedeerd

van bleef en ze zich afwenden moest. Liefde spaarde ze. Ze had aan het

bestaan van elk ding getwijfeld, tot aan haar eigen oprechtheid, tot

aan haar eigen bestaan. Liefde betwijfelde ze niet. Liefde bestond. De

scherpe stem binnen in haar zeide haar, dat dit onredelijk was, dat ze

ook liefde behoorde te ontrafelen en daarna te ontkennen; ze luisterde

en knikte als een kind tegen den meester—ja, hij heeft wel

gelijk!—keerde zich af en huppelde neuriënd verder.

Alles wat liefde betrof, moest edel en verheven wezen, als in de oude

boeken, daar moest de luide lach verstommen, het grof gebaar breken en

verfijnen en ieder woord van een uitgelezen welluidendheid zijn. Hij

was de Ridder en zij was de Bruid, de fijne, zoete, bescheidene, de

vlekkelooze en in iedere deugd volmaakte.

Het schoone dat Heleen in wereld en menschen aanwezig had gedroomd, het

Onzelfzuchtige, alles dat vrijwillig van het eigen-ik af en naar

anderen of naar iets anders toegewend is, om zich daarmee ten diepste

te vereenzelvigen, en waarvan het eender is welken naam het

draagt—liefde, geestdrift, toewijding of vereering—en aan welken vorm

of stoffe het zich hecht—aan man of vrouw, menschheid of God—omdat het

in zijn wezen-van-overgave zichzelf eeuwig gelijk blijft—, dit

goddelijke, dat in menschen verminkt en verknoeid en door ijdelheid en

begeerte verdrongen is, leek haar in ongeschonden volheid te

verwerkelijken binnen die kleine wereld van twee menschen die elkaar

liefhebben. Het overige was vergankelijk, was vluchtig, was aardsch—,

liefde eeuwig, vast, blijvend, goddelijk—, het overige op handhaving en

verrijking van de eigen persoonlijkheid, liefde slechts op overgave en

opoffering bedacht. Liefde was goddelijk, want scheppend een nieuwe

wereld waarin leven vreugde en ademen zoetheid was, een wonderlijke

wereld, waar andere wetten heerschten en het geven niet verarmde, maar

verrijkte.

Dit vermogen tot onzelfzuchtig prijsgeven van het eigen ik, anderen ten

baat, krachtig in zichzelf aanwezig te gevoelen, was Heleen te midden

van verflauwing en vervloeiing een klare en sterke vreugde, een

krachtig en weldadig tegenwicht dat haar heele persoon in balans hield,

en om dit vaster te gevoelen wendde zich haar genegenheid bij voorkeur

naar de zwakken, de eenzamen, de bedroefden, naar al diegenen, welke

haar het meest konden noodig hebben. Ze zou gaarne zelfs de dommen en

bekrompenen hebben gekozen, doch die juist hebben geen anderen van

noode en hun botte aanmatiging kan door geen illusie worden vermomd. Ze

zocht haar vrienden om een plaats in hun leven te verkrijgen en daarin

onmisbaar te zijn, als een bevestiging, tevens rechtvaardiging van haar

eigen bestaan. Was ze niet eenmaal onverwacht en onhoorbaar met een

armvol bloemen in de kamer van een vriend gekomen en had hem met

sombere oogen en betrokken voorhoofd starend voor zijn haard gevonden?

Ze had zacht lachend op een afstand zijn naam gezegd. Daar was zijn

blik omhoog en naar haar opgegaan. Hij bleef even zitten en keek naar

haar op, zij bleef even staan en keek op hem neer en uit dit korte

wisselspel van trillenden lach en blij-bedauwden blik was als een flits

een nieuw besef in haar ontsprongen: zij was de zon, zij was een licht,

zij kon haar vrienden met gelukzaligheid bestralen. Was ze op aarde, in

het heelal, volstrekt nietig en volstrekt misbaar, dit was een ander

leven, dit was een ander oogenblik en dit leven reikte gretig naar haar

leven, dit oogenblik beleed voluit haar onmisbaarheid....

Liefde moest alles goedmaken, de klacht van het verleden, de pijn van

het nu, beider kille ongewisheid. Overal klonk de klop, maar het

vertrek der liefde had zachtbehangen wanden, daarbinnen lag ieder

gerucht verstomd, was de booze betoovering verbroken. Liefde moest

bloemen doen bloeien uit de oude hartewond, liefde moest haar met het

zijn verzoenen en behoeden voor wanhoop, waanzin en melancholie. Zooals

een brandglas dat de stralen der zon samentrekt op een middenpunt, dat

daardoor zelve zon wordt, terwijl het overige koel blijft, zoo stond

Heleen’s leven naar het schenken en ontvangen van liefde gericht. Al

hare energieën, de tezamenvoeging van alles wat anderen in jacht, haat

en vrees, in eerzucht en zorg doen opgaan, had ze in dat eene vermogen

geofferd. En uit die vast-gespannen ernst en aandacht van ziel en geest

werd ieder van haar liefdedaden, gebaar en kus en woord, wat zijn

arbeid is voor den kunstenaar, alzoo: het diepste, het krachtigste, het

edelste dat hij heeft te geven.

Heleen · 第 20 / 29 题