XVI.

Heleen leefde eenzaam en leed meer leed dan andere meisjes en jongens

van haar jaren, die niet denken, maar genieten, en verder werken om hun

leven te banen, doch ze kende ook in de momenten van innerlijke

verzoeting een bijna woeste verrukking, die den meesten dier anderen

ontgaat, en omdat ze jong was en bij al haar ijver nog maar weinig

wist, liet ze zich door die verrukking misleiden tot de hoop dat ze „de

waarheid” wel eens vinden zou.

Ze bleef vreedzaam leven in het huis, waaruit ze anderen om kleine

grieven en oneenigheid na korter of langer tijd zag vertrekken, ze had

daar een kleine kamer voor zich alleen en was zeer gelukkig met die

eigen plek. In de avonduren zat ze daar vaak alleen. Ze las en leerde

vlijtig om de geringe kennis van haar jonge jaren aan te vullen en

wijsheid en verheldering uit geschriften op te doen, die haar tot

inzicht en daarna tot rust zouden voeren. En als ze zichzelf zoo

ernstig en gedwee zag zitten onder haar lamp, dan kwam het haar voor,

alsof ze nu pas tot werkelijk onderricht was gerijpt en dat haar geest

zich tegen het dorre schoolsche leeren, waar licht noch rust uit

voortkomt had verzet, zooals een beest op het land zich afkeert van

schadelijk en onheilbrengend gewas. Het verdroot haar sterk, dat ze zoo

weinig wist, want ze was niet hoovaardig en onderschatte geenszins een

ding omdat ze het niet bezat en ze bleef rusteloos bezig en greep

gretig naar wat onder haar bereik kwam. Gansche avonden bracht ze zoo

door in een aangename rusteloosheid, een zachtkoortsig gevoel, als

iemand die zich reppen moet, maar dat gaarne doet voor een lokkend

doel. Overal lonkten verschieten, overal wachtten haar openbaringen,

ongelijk-schijnende dingen gaven voor wie ze te doorgronden wist,

plotseling verwantschap te zien—, meer en meer begreep Heleen wat den

mensch, die leeren en groeien wilde, vóór alle dingen te doen stond,

onderscheiden en samenbinden, niet zich laten misleiden door een

verlokkenden en troostenden schijn, doch moedig en koel door-tasten

naar het echte wezen van de dingen en hun hoogere eenheid. Ze begeerde

voor zichzelve waarheid, maar geen geluk.

Heleen las in die dagen veel boeken, die van de menschen om haar heen

in hun in- en uitwendig leven met de grootste nauwkeurigheid

verhaalden—, maar ze vervulden haar niet met die zoete weemoedigheid,

die de oude romans uit haar kinderjaren als een zacht-benevelende damp

op haar afgezonden hadden. Ze geleken haar daarbij arm en schraal. Lag

het aan haar of aan die boeken? Ze wist het niet en sloeg er zich door

en beet door haar weerzin heen, omdat ze ook het leven zooals het daar

aanschouwd was, wilde kennen. Maar tegelijk greep ze gretig naar andere

boeken: van lang gestorven schrijvers over lang-gestorven menschen en

van menschen in bijzondere levenswijzen, in tijden van kentering en

opstand—, om overeenkomst en eenheid te voelen, en te weten wat elkeen

van nature was en wat hem werd bijgebracht en of menschen van nature

„goed” of „slecht” waren en hoe „helden” ontstonden en hoe

„misdadigers.” Ze las en schoof het boek weg en peinsde met de oogen

voor zich uit.... kleuren verloren hun scherpte, schrille klanken

verzachtten.... het was of bergen werden geslecht en valleien zich

vulden.... en het al tezamenvloeide tot een eindelooze, grauwe vlakte.

Waarheen was al het geduchte, het ontstellende, het geweldige gevaren?

Kon geen enkel ding het licht lijden en van nabij worden bekeken,

zonder zichzelf, vorm en omtrek te verliezen, zooals een wolk zichzelf

verliest, naar de aarde zinkend en verwordend in mist? Alles viel

evenzoo triest uiteen—, wat waren toch menschen? Als water, geurloos en

kleurloos en niet warm en niet koud, willig zich vormend naar hun

omgeving, licht te kleuren met vreemde stoffen, troebel van slik,

gezweept van storm, verhard van koude—, maar in innerlijk wezen

zichzelf altijd gelijk en altijd wezen-loos—, waar bleef hun schuld,

hun misdaad, hun deugd en hun verhevenheid?

Heleen wist niet langer of al dit vervloeien haar bedroeven of

verheugen moest. Ze hief haar hoofd naar de lamp en peinsde en

luisterde naar haar inwendige stem. Tusschen den eenen mensch en den

anderen geen onverwoestbaar onderscheid... zou het aldus moeten zijn?

Een klein boek lag voor haar, een verhaal over Russische

revolutionairen. Bijkans alle menschen waren uit hetzelfde dorp

afkomstig—, als kinderen hadden ze met elkaar gespeeld en nu—, was de

een verdrukker, de ander verdrukte, de een held en de ander verrader.

Bestond er wezenlijk verschil? Soms voelde Heleen het sterk van wèl,

maar soms deed dit alles haar denken aan een spel dat ze eens als kind

tusschen jongens had zien spelen. Het was op een volksfeest, een lange,

smalle, zwiepende plank lag tusschen twee hooge balken; aan den eenen

kant was een diepte vol wit meel, aan den anderen eenzelfde diepte vol

zwart roet. Jongens beklommen een na een den balk, snelden wankelend

vooruit over de plank.... dreigden te vallen, hielden zich nog recht

op.... en stortten ten leste in het witte meel of in het zwarte roet.

’t Scheen al louter toeval—, doch voor de witten braken er

toejuichingen los en voor de zwarten gejouw. Dan slopen die weg,

doodelijk beschaamd. Zóó leek Heleen het leven in dat boek—, zoo leek

haar het leven van veel menschen in veel boeken en in veel

werkelijkheid, een wankelend rennen over een zwiepende plank en ten

leste neerkomen in wit of in zwart. Dan werden ze uitgejouwd of

toegejuicht—, en elk bleef waar hij was en leerde daar gewennen en

kende of begeerde niets anders meer.... hun verschil leek zich bij den

dag te verscherpen, en toch bestond het in wezenlijkheid niet.

Vreemd was Heleen’s besef bij het ondergaan van al deze verflauwingen.

Zij deelde lijfelijk en geestelijk in die verflauwing mee en een gevoel

van onzekerheid besloop haar, als was zij zelf water, geurloos en

kleurloos, niet warm en niet koud, vlottend, vliedend en ongrijpbaar.

Haar adem verwarde, dauw besloeg haar voorhoofd, klam en kil.... Om

daaraan zoo gauw mogelijk te ontkomen, sloot ze haar boek en greep naar

andere, waaruit ze feiten leeren kon.

Ze had sinds kort, meende ze, een middel voor zichzelf ontdekt om de

menschen te leeren kennen. Daar ze zich verborgen en vrijwillig zich

niet in oprechtheid gaven, nauwelijks aan zichzelf, moesten ze bespied

en beslopen worden. Wie ze wilde kennen, moest zwakke plekken opsporen

in hunne bolwerken en ze daar doorheen beloeren. Eens, dat Heleen

gedachteloos in een boek had zitten bladeren, had ze daarin de woorden

„slecht” en „gemeen” zien staan en plotseling was het haar opgevallen,

hoe die woorden hun oorspronkelijken zin van „armoe” en „eenvoud”

verloren hadden en nu iets verachtelijks beduidden. Zoo stonden ze daar

in hun verwrongen zin als het vonnis dat de wereld over armoe en

eenvoud had geveld. Daarmee dus hadden ze elkaar tot roof en moord om

buit en luister verlokt, dat ze in elkanders oog niet „slecht” en

„gemeen” zouden wezen. Een scherp besef greep haar beet—, maar ook een

verheuging—, was het misschien in hun taal dat menschen zich argeloos

en gedachteloos blootgaven en verrieden, wat ze wel graag hadden willen

ontkennen en verbergen?

Heleen had reeds als schoolmeisje behagen gehad in het uitspinnen van

oude woorden en hun beteekenissen, in het opsporen van spreekwijzen en

hun verklaringen; zonder te weten, dat ook deze onbewuste voorliefde

haar eens zou dienen als een bewust middel tot wat zij zocht. Nu wilde

ze naarstig leeren haar taal te kennen en te begrijpen als voermiddel

en bewaarster van menschelijke gedachten en waardeeringen. Ze wilde ook

vreemde talen kennen, om te beter tot onderlinge vergelijkingen te

geraken. En schoon de ontzaglijkheid en de bezwaarlijkheid van wat ze

te doorworstelen aanschouwde, haar wel bang en gedrukt kon maken—,

zette ze zich vol moed aan den arbeid, zich verblijdend in wat ze vond,

zooals een goudzoeker zich verheugt in elke glinsterende korrel, die

zijn dagtaak verzoet, en méér is dan de schadeloosstelling van zijn

arbeid.

Vele waren de avonden dat ze slapen ging met een klaar en kalm licht

binnen in zich, een gevoel van gedragenheid en zachte kracht, dat zoo

teeder was en haar zelf ontroerde, en ook altijd weer bevreemdde, omdat

ze er een ander, oud gevoel in terugvond—, dat van den morgen dat ze

was ontwaakt na den eersten avond met Fred. Somtijds dacht ze nog wel

aan dien tijd en aan die ontgoocheling, doch zonder smart en zonder

wrok; het was herinnering, en herinnering kon niet anders dan weemoedig

en zoet in een blinkend waas van tranen gezien en herdacht zijn.... zóó

was alle herinnering in haar, aan wat blij was geweest, aan wat droef

was geweest.... gelijkelijk nu, niet meer blij, en niet meer droef,

maar meer en dieper dan die beide te zamen.... herinnering.

Wanneer Heleen haar geheelen avond door gewerkt en gepeinsd had, kon ze

niet dadelijk slapen, maar bleef klaar wakker en stil met haar oogen

open in donker. Dan tikte de klok en ze wist wel dat ze geheel eenzaam

was en ze voelde ook al wel haar geluk uit zich wegvloeien voor een

zachten weemoed, die verlangen geleek. Ze ondervroeg zichzelf.... Wat

wilde ze? Ze wist het niet.... het leek wel.... als drong er iets in

haar, haar te zeggen, dat ze zichzelf wegschenken moest, tot haar eigen

geluk, maar ze wist niet, wie of wat haar opvorderen zou. De bedoeling

van haar nachtelijk gevoel ontging haar, ze nam slechts waar dat het er

was en dat vreemde tranen haar oogen ontliepen, zonder dat ze leed had.

De ontroering van haar geest deelde zich als altijd mede aan haar

lichaam—, een trillende pijn trok door haar leden heen, die ze den

volgenden dag bij ’t ontwaken daar nog bevond en die soms door loopen

of werken aanzwol tot een echte lijfelijke smart.

Smartelijker waren de nachten als de avond geen rust had geschonken,

maar haar opgejaagd met vragen en raadsels, haar getergd en verontrust

met het vertoon van het eindeloos vele onoplosbare in de wereld rondom

en in haar eigen hart. Het in vorige avonden verkregene beduidde niets,

had geen zweem van eenheid, droeg nog niet de flauwe belofte van een

oplossing....

Dan gloeide de oude angst, het oude heimwee naar haar eigen geheim, dat

tegelijk het geheim van alle dingen te zamen moest zijn—tot een

stekende pijn, een felle wanhoop, haar hart bonsde zwaar en bang, haar

keel leek omsnoerd, heftig golfde het bloed naar haar polsen en het

smartelijk verlangensgevoel dat uit diepten in haar aanzwol leek haar

nu te zijn een begeerte, dat de kerker binnen-in haar, die ze niet

langer meer meedragen kon, van waar uit ze te vaak en te zwaar werd

verontrust en benauwd—, nu maar openbarsten zou en openbarstend haar

gansche wezen uiteenslaan en vernielen. Uitgestegen boven de gelukkige

duisternis van het onbewuste zijn, zichzelf niet kennend, maar

vermoedend als een heelal vol raadselen en pijn, zwaar te doorgronden,

zwaarder te dragen, haakte ze in den nacht naar zelf-vernietiging tot

zelf-verlossing. Lokkend ruischte in duister een Bron, het was de

Oorsprong, daaruit was ze Afzonderlijk geworden, daarheen smachtte ze

terug, daarin wilde ze die al te zware, die al te duistere

afzonderlijkheid prijsgeven en verliezen. Vreemd, zooals heel haar

lichaam meedeelde in dien heftigen vervloeiingsdrang, als wilde een

middelpunt-vliedende kracht haar het bloed uit hart en aderen naar alle

zijden wegstuwen de ruimte in—, alles aan haar, in haar reikte trillend

naar de verlossing. Het schuimde op tot doodsverlangen, maar schoon

haar ziel den Dood voorvoelde als vervloeiing, vernieling niet, het was

haar niet geleerd zóó in hem te gelooven: doods-vrees, even sterk als

doodsverlangen, zette zich op, verweerde zich—, tot afmatting en slaap

een eind maakte aan dien strijd. Dan rustte ze zwaar en werd met

hoofdpijn wakker.

Andere avonden, vredig ingezet met boeken op tafel onder de zachte

lamp, verging het haar weer geheel en al anders. Want plotseling schrok

ze op en luisterde.... de wind klopte aan haar raam, hijgde langs de

muren, sloop en stommelde in den schoorsteen.... de regen ruischte en

zijn kreunen en klagen had een weemoedig-zoeten, bekenden klank....

Een wonderlijke weekheid greep haar aan.... haar stemming sloeg om zoo

plotseling, zoo geheel en al, als het weer op een Maartschen dag, ze

zat niet langer stil als een gedweeë leerling, doch sprong op en liep

heen en weer met de handen op den rug, zooals ze het als kind had

gedaan en peinsde vaag en onvast en neuriede en rilde vluchtig en

luisterde onrustig en kon niet meer tot stilte geraken. Ze dacht aan

het oude leven in het oude huis, aan de zwerftochten door rietland en

bosch, aan de schemerstonden onder de boomen in de verlaten laan, aan

haar sterke, benauwde droomen, door de jaren heen onverflauwd gebleven,

aan de gedaanten, die ze in boeken had gekend en die in huis om haar

hadden heengewaard. Indien dan nu waarlijk dit alles niet bestond, al

datgene, waaraan ze een krachtiger geloof dan aan geschreven waarheden

had geslagen, indien er nu niets anders was dan een wereld vol

kwaadwillige menschen, die elkaar benijdden, beroofden en deernisloos

knauwden, wat beduidden dan al de ontroeringen, alles wat niet te

noemen, maar te gevoelen is, dat haar aanwoei uit wind en regen, uit de

vormen der wolken, uit het gelaat van de maan, uit het kreunen der

boomen en uit het suizen van het riet in het stervensuur van elken dag,

maar ook uit een sombere aschvaalt, een sintelpad en een grauwe

fabriek? Bestond het of bestond het niet, had het echte beduidenis of

was het alles bedrog?

Heleen wist, dat ze met dit haar verlangen en deze haar smart niet

alleen stond. Meer van het leven verwachten, meer van het leven

begeeren dan het gaf, dan het verwezenlijkte—dit leek het deel van veel

jonge menschen, levenden en langgestorvenen, ze had in velerlei

gedaanten uit hun werken, een gelijke bewogenheid als een smartelijke

verbroedering ervaren en verstaan.... moeten verwachten en moeten

verlangen, om dan in verwachting en in verlangen teleurgesteld te

worden.... het leek zoo wreed en vreemd en het leek toch wel een wet,

voor velen de voorgeschreven levensloop. Als alles een doel had, een

zin, een beduidenis, verborgen en versluierd, maar daarom niettemin

aanwezig, wat was dan het doel, de noodwendigheid van dat eeuwige

verlangen, eeuwig gebroken en eeuwig teleurgesteld, maar eeuwig

herlevend, onsterfelijk als het leven zelf.... wat was er van dat

verlangen, dat verwachten, naar wonderen die niet bestonden, naar een

heerlijkheid die nimmer verscheen? Dat wat jonge levens vervulde en

opzwol tot ze trillend en warm opstegen de wijdte in...., niets dan een

overgeleverd misverstand...., een holte, een leegte, een ongrijpbaar

niets....? O, het benauwde van alles te zijn en niets te begrijpen.

Heleen kende al wel het verband tusschen begrijpen en zijn, wist al wel

dat elk in zichzelf alles was, wat hij begreep—, maar hoe smartelijk

ervoer ze dat het háár althans niet was gegeven: te begrijpen alles wat

ze was. Zoo te leven, leek ondraaglijk.... wat aan te vangen met

zichzelf? Elk moest voort, omdat hij niet kon blijven staan.... maar

waar naar toe en met wiens wil? Moest ze maar mee in dien

bijeengestuwden optocht, waarvan begin en eind zich in nevels verloor,

dat zinnelooze gedrang, dat opneemt en meevoert te midden van krijten

en krijschen, niemand weet waarvoor en niemand weet waarheen? Was er

geen weg, voor wie een weg zocht, om kalm en alleen te gaan? Zij zelf,

hier in haar kamer, hier in dit huis, hier op aarde, wat deed het er

toe, dat ze er was of dat ze heden of morgen voorgoed verdween? Was er

niemand meer en was er niets meer, wat deed het er toe? Mochten tijd en

ruimte zelf neerstorten in den afgrond, die alles verslindt—en waarom

niet?

Er waren dagen, en uren in den avond, dat dit wat ze toch altijd wist,

haar plotseling als een rukwind uit donker bevloog, dat ze opgejaagd

door de kamer liep en ten slotte neerzeeg in een hoek en de trillende

handen samenwrong, dewijl ze nergens uitweg of uitkomst zag. Dan liet

ze zich door den wind verlokken en die voerde haar mee tot ver naar

buiten. Ze doolde in donker verloren, klein onder de zwarte lucht, stil

en bleek in den barschen wind, ze ging willoos en doelloos, zwaar en

koud sloeg de regen op haar neer, doch het worstelen van haar lichaam

kon de klacht van haar hart niet bedaren, doch verscherpte de pijn van

haar heimwee tot een brandende wanhoop. Vaak stond ze stil onder hooge

boomen en hief gretig haar gelaat naar hen op en luisterde om uit hun

zware kreunen, hun heesche fluisteren en hijgen eindelijk de geheimen

te verstaan, die haar voor jaren, op den donkeren grindweg voor het

oude huis, waren beloofd en toegezegd, doch ze verstond niets en kwam

niets te weten en keerde uitgeput en ontredderd in een volslagen

rampzaligheid naar haar huis terug.

Een enkele maal vond ze daar de oude vrouw die het huishouden

bestierde. Ze voorzag de kachel en vroeg haar of ze iets noodig had en

bleef ook wel eens even praten, terwijl ze haar bezorgd in de oogen

keek. Heleen merkte dit op en liet terstond haar warme dankbaarheid om

die zorg naar de oude vrouw uitgaan. Ze zocht haar wel eens op in haar

keuken en dan vertelde de oude, wat ze dien dag had verricht en hoe

volhandig ze het had, maar dat nu alle dames ook tevreden waren, alle

kamers bewoond, zoodat zijzelf er redelijk komen kon. Heleen zag haar

nimmer anders dan behulpzaam en vroolijk, ofschoon ze met al haar werk

en in het volle huis een eenzaam leven had. Op een dag vroeg Heleen

haar plotseling, waarom ze altijd zoo vredig en gelijkmoedig kon wezen,

niet zoozeer omdat ze uit het antwoord baat voor zichzelf verhoopte,

maar om te weten, hoe die oude vrouw zichzelf en haar aard verstond. Ze

keek Heleen aan, alsof ze die vraag had verwacht, glimlachte en wees

naar het gouden kruisje op de borst van haar zwarte japon.

Heleen keek toen ook even naar dat kruisje, een rilling trok haar over

hoofd en rug, maar ze vroeg niet verder en ook de ander ging er niet op

in. Doch van dien dag af groeide er een vriendschap tusschen haar en

Heleen. Als Heleen uit school kwam en voordat ze daar heen ging, en

tusschen de werkuren in, hielp ze de oude vrouw en liep boodschappen

voor haar. Ze wilde niet langer dat ze haar bedienen zou en verrichtte

alles voor zichzelf.

Soms bracht de oude van haar overhaaste boodschaptochten een handvol

bloemen mee voor Heleen en een andermaal deed Heleen dat voor haar. Als

het Zondag was, stond ze vroeg op om vlug gereed te zijn en de oude

vrouw te helpen na haar kerkgang, opdat ze een echten rustdag hebben

zou. Ze leerde Heleen allerlei bezigheid en beknorde haar als ze

onhandig was, doch zonder geringschatting of hatelijkheid. Dan deed ze,

als wilde ze haar het werk ontnemen en Heleen worstelde stoeiend om het

te behouden. Nooit had ze zoo uitbundig gelachen als deze

Zondagmorgenuren in de propere keuken bij de feestelijk gekleede vrouw,

en wanneer ze tusschen de witte gordijntjes door, beneden in den tuin

en boven in de lucht keek, dan zag ze de zwarte wanhoop van haar dagen

en avonden als een ver en bleek spooksel vervreemd van zich af zweven.

Was het ooit wel zoo erg geweest, als ze het somtijds waande? Doch de

zon behoefde maar te verdwijnen onder de sluipende wolken, die de

namiddag opdreef uit de kim, zoodat het koper dof hing tegen den muur

en het gouden kruisje niet langer blonk en sprong in een fonkeling en

een waas van teere kleurtjes—, of in een rilling trok Heleen’s

blijgeestigheid uit haar weg, haar hart verbleekte en scheen als een

ziek kind in een kil bed zich om en om te wentelen in haar borst.

Moedeloos zat ze neer en had al haar kracht noodig om belangstelling te

toonen in wat de oude vrouw haar vertelde uit haar jeugd op het land,

toen de menschen nog eerlijk waren en alle etenswaar goedkoop.

Weliswaar had Heleen eens beproefd, haar zwarigheden uit te zeggen en

zich geheel te geven, doch de ander had geen troost dan het gouden

kruisje. Heleen bestreed haar hierin niet, en luisterde met een

hopeloozen glimlach toe—, maar er waren dagen, dat ze haar zoogenaamde

redelijkheid naar de diepste hel verwenschte.

Heleen · 第 17 / 29 题