XV.

Jaren lang worstelde Heleen als een verdwaasde ridder om een ideaal,

waarmee ze zichzelf niet helpen en anderen niet dienen kon. En al die

jaren was ze in waarheid eenzaam tusschen de menschen en leed in

eenzaamheid de smarten en ontgoochelingen van het zelfonderzoek. Het

had haar beet en liet haar niet meer los.

Ze kon in het leven der menschen niet deelen, want het voerde af van

den rechten weg der waarheid, dien zij zocht. Wilde ze ooit iets van

zichzelf, van anderen, van het leven en zijn raadselen leeren

begrijpen, dan moest zij anders zijn. Lang en gezet nadenken over het

verblijf in het huis van haar oom had haar de overtuiging gegeven, dat

dien menschen daar alles ontging, omdat ze te veel van hun eigenliefde

vervuld, voortdurend door zichzelf belemmerd waren. Dat was de

oplossing. Ze woonden daar als in een huis, dat nergens een ruim

uitzicht biedt, want overal rondom staat een hooge muur: eigenbaat en

eigenwilligheid. Waar zij keken, ze zagen zichzelf. Hun beeld van de

wereld was als een foto, waar één enkele figuur buitenmatig op den

voorgrond is geschoven; tienvoudig vergroot, breekt het de zuiverheid

der verhoudingen, vernietigt het elke harmonie,—dat waren zij zelf.

Heleen begreep dat ze moest zien om te kunnen leeren, dat ze vrij en

onbelemmerd moest zijn om te kunnen zien, dat ze van zichzelf afstand

moest doen, zichzelf moest verliezen, dat ze zichzelf maar in zooverre

mocht behouden, als noodig was om zichzelf te zijn en zichzelf te zien.

Ze wilde dit,—ze nam zich dit voor, waarachtig en dapper. En hoe meer

menschen ze leerde kennen, hoe meer ze begreep wat ze op die menschen

voorhad, haar sobere, eenzame jeugd, vrij gebleven van dat kunstmatig

inprenten van nooden en deugden en inzichten, dat men opvoeding heet.

Ze gevoelde daarover een klare, gave verheuging: ze was gewis vrijer

dan de anderen en onbevangener tegenover wat ze zag, enkel en alleen

omdat ze er niet zelf in betrokken was. En zoodra ze dat bemerkte, nam

ze zich voor, er nu ook zoo weinig mogelijk in betrokken te geraken.

Vóór alles wilde ze haar denkkracht ongerept behouden—en daar een der

eerste en duidelijkste waarheden die ze voor zichzelve vond, deze was,

dat menschen de dingen, waaraan hun belang of hun ijdelheid verbonden

is, niet langer richtig en zuiver overdenken kunnen, nam zij zich voor,

haar eigen belang en haar eigen ijdelheid aan zoo weinig mogelijk

dingen te verbinden, ten einde veilig te zijn. Want waarom zou ze van

nature beter dan anderen wezen? Ze wist alreeds te goed dat ze het niet

was. Ze wist dat ze vrijer was, omdat ze haar juk in haar jeugd had

gedragen, omdat haar toen alreeds was geleerd, nederig te zijn en te

ontberen. Ze had haar geheele jeugd met haar meerderen verkeerd; met

helden en heldinnen in boeken, ze bewonderd om hun dapperheid en hun

zuivere deugd, hun edelmoedigheid bovenal, en zichzelve daarbij klein

geacht; ze had haar heele jeugd alles ontbeerd, waar andere kinderen

gretig naar zijn, omdat de ouderen hen gretig maken—, ze kende niet het

genot van bezit, niet van onderscheiding, niet van aanzien in kleinen

kring en begeerde het daarom niet. Ze begeerde slechts één ding te

winnen: liefde—, en als ze dacht aan wat ze had gedaan jegens den ouden

zangmeester en in den juweelenwinkel, dan wist ze dat daar dan ook haar

zwakheid lag en dat van dáár gevaren dreigden—, en velerlei verderf. En

ze achtte zich niet beter dan anderen, niet onomkoopbaar, omdat háár

prijs een andere was dan die der meesten.

Van overal kwam dezelfde waarschuwing af op Heleen, als zag ze het

overal in woorden geschreven: dat ze niet begeeren zou. Ze begreep

plotseling ten volle als in een openbaring den zin van ontbering en

zelfvergetelheid, zooals heiligen en vromen die gepredikt hebben. Tot

nu toe was dit alles willekeur en woord voor haar geweest. Begeerten

alleen waren het groote kwaad, het groote gevaar, ze maakten den mensch

afhankelijk van zichzelf en van anderen, voor elke waarheid blind,

klonken hem vast in de aarde, roofden hem zijn vrijheid en zijn

innerlijke kracht. Daarom wilde ze sober leven.

Naarmate Heleen nu met de jaren de woeste wanordelijkheid gewaar werd,

die in het binnenste der afzonderlijke menschen heerschte, leerde ze

beseffen, hoezeer het noodzakelijk was dat ze zichzelf en elkaar,

althans wat het uiterlijk leven betrof, met ontzegging en bevel tot

regelmaat hadden gedwongen. Ze had het kaartspel van levensregelen, dat

haar in haar ooms huis met gestrengheid was bijgebracht, willen

verachten als nutteloos, omdat haar eenvoud zooveel innerlijke

verwildering niet had kunnen voorzien. Regelmaat van zijn bleek echter

wel noodig—, doch als ze overal in de wereld, in degene die ze zag en

te midden waarvan ze leefde en in de werelden, waar een nieuw soort

boeken haar binnenvoerden, de meerderheid zich woedend zag werpen op

elken afzonderlijken mensch, die zich een eigen leven naar eigen vormen

en met eigen regelmaat trachtte te scheppen en daarin onbedekt te werk

ging, dan voelde ze scherp hoe dom en noodeloos wreed en buiten elke

redelijke verhouding al die woede en al dat neervellen was.

Menschen hadden macht over anderen om hen te besnoeien en te beperken,

ze waren daarmee de handhavers van een ordening, die door den willekeur

en de onbewustheid van elk afzonderlijk wel noodig scheen.... wat zij

vervulden, scheen derhalve goed, maar ze wisten zelf niet wat ze

vervulden en handelden daarom in den wilde en verkeerd. Beperking was

heilzaam, maar ze kenden geen onderscheid, ze lieten den een

noodlottige vrijheden en legden den ander doodende beperkingen op,

daarin gevoelde Heleen al gauw het heillooze. Ze waren als onbekwame

tuinlieden, vaag wetend dat een plant besnoeid moet worden, maar niet

beseffend hoe en waar, er in hun onkunde de hartstreng aan ontsnijdend;

ze waren als kinderen met messen, hun wreedheden niet precies

bedoelend, maar toch niet betreurend ook. De voortdurende botsingen

tusschen de menschen gezamenlijk en den mensch afzonderlijk konden

Heleen niet ontgaan en evenmin ontkwam ze aan het pijnlijke gevoel dat

gemeenlijk de besten op die manier geofferd werden. Dit deed haar

lijden. Elk ding had immers zijn reden en zijn doel, dááraan hield ze

vast met alle macht. Moest dit dan ook zoo wezen.... kon het noodwendig

zijn.... moesten de eenen overgeleverd zijn aan het misbruik der velen?

Was het voor die eenen dan beter zich te onderwerpen om de ordening

niet te verstoren, of was het beter zich te verzetten, om zich te

handhaven en vrij te zijn?

Dagen lang en in vele nachtelijke uren overpeinsde Heleen die pijnlijke

raadselen, de klare vragen welke de een achter den ander als uit een

kolk van verwarring en verblinding opschoten en een rustelooze angst

beving haar dan—, ze werd bleek en prevelde half-luid in zichzelve,—„ik

kom er niet uit.... ik kom er niet uit.... ik vind er nooit een weg

in....”

En in andere uren betrapte ze zich op gevoelens van verachting en onwil

en bitterheid jegens de menschen, die elkaar zoo laf en willekeurig het

leven bemoeilijkten. Dan vreesde ze den hoogmoed, die haar denkkracht

aantasten zou en keerde zich tegen zichzelf en verzon kinderachtige

middelen om zich te redden en staande te houden. Ze schreef vermaningen

tot zichzelf op strookjes papier... „pas toch op voor den hoogmoed,”

„acht jezelf toch niet beter dan anderen, want er is geen enkele reden

waarom je beter zou zijn”—, en droeg die bij zich en plakte ze op de

binnenzijde van haar boeken.

Ze trachtte in de verbijsterende veelheid der verschijnselen groepen te

vormen en een aantal verschillende uitingen te verklaren uit een

gemeenschappelijken grond en nam tot dit onderzoek vaak zichzelf te

baat, zoodat ze leerde gevoelen, hoezeer menschenkennis en zelfkennis

in wezen zijn verwant, meer dan eens ontdekte ze in wat ze onbewust

deed iets als een smaak van gemeenschappelijkheid met andere

handelingen en neigingen. Ze zag iemand, zichzelf of een ander spontaan

een houding aannemen, een daad verrichten en wilde die begrijpen. Gauw

ontwaarde ze, dat die handeling of die houding nimmer iets enkelvoudigs

was, maar samengesteld bleek uit een geheel complex van onbewust en

snel vermengde beweegredenen. Aldus moest ze die eerst uit elkaar

scheiden. Met een volgende handeling of een volgende daad ging ze op

dezelfde wijze te werk—, en wat ze dan in beide daden aan

gemeenschappelijks ontdekte, hield ze vast. Want daarin lag dan de

altijd werkende, de diepere en geen toevallige of bijkomstige

beweegreden. Zoo en altijd op eenzelfde wijze te werk gaand vergeleek

ze de daden van éénen mensch onderling en die der menschen met

elkaar—en was dit iets anders dan wat haar als kind bij het rekenen

alreeds had geboeid, het zoeken van den „gemeenen deeler”—, het

blij-verrassende, als groote, woeste, schijnbaar geheel verschillende

getallen altijd uit dezelfde gekende, vertrouwde deelen samengesteld

bleken en bij hun uiterlijk onderscheid een zoo innige overeenkomst

toonden? Het was altijd datzelfde gevoel van vrede en innerlijke

verzoeting, dat ze toen al ervoer en toen niet begreep—, had ze dan als

kind reeds heimelijk en duister beseft, dat voor háár de vrede en het

geluk uit het eenheidsgevoel zou moeten komen en dat ze nimmer zou

kunnen rusten bij den aanblik van doellooze verwarring, vijandschap,

verwildering? Had ze ook niet vaak in haar vrije kwartiertjes met

getallen van acht of van tien cijfers op blaadjes papier gewerkt om te

zien hoeveel verschillende getallen met die weinige cijfers te vormen

waren? Eindeloos voor haar kinderlijk begrip bleek de reeks, maar het

verband, de samenhang en de kracht bleef behouden. En uit het beetje

wiskunde en het ziertje meetkunde dat haar slechtweg en slordig,

vluchtig en onverschillig was geleerd en dat zij onwillig en stug had

opgenomen—, waren ze er toch óók geweest, schaarsche uren van vreugde

en plotselinge verheldering, het doorschietend licht, de innerlijke

verzoeting, die ze niet begrepen, maar om de vreemde aandoening wel

onthouden had. Iets gevoelen.... iets begrijpen.... een eeuwige wet in

de eindeloosheid der openbaringswijzen. Wat was het toch geweest? Iets

gevoelen.... of iets begrijpen? Heleen zag vreemd op.... want

plotseling welde er dit nieuwe weten in haar op, dat iets gevoelen en

iets begrijpen eigenlijk geen innerlijk onderscheid inhield. Gevoel en

begrip.... was er wel onderscheid? Gevoel bracht voor haar geen begrip

met zich mee,—maar een echt begrip gaf wel altijd een gevoel,—tot in

haar lichaam toe. Had ze iets nieuws begrepen, dan leek het haar, als

zonk het ergens neer in een verborgen diepte van haar innerlijkheid en

verteerde daar, zooals eten verteert, al het verschillende eten tot een

enkel ding: bloed, en voedde haar van daar uit en drong zich in haar

gansche doen en laten, zooals het sap uit den wortel dringt tot in de

tippen der bloemeblaadjes van een plant,—en verandert de bodem, zoo

verandert elk deel van de plant—en deed haar alle dingen weer op een

nieuwe wijze zien,—zoo leek het dat haar oog anders gericht stond dan

den vorigen dag, en ze ondervond, dat het schijnbaar-kleinste dit kon

bewerken en dat dus geen enkel ding gering is. Elk begrip bracht voor

haar die aandoening, bracht de aandoening, want ze kende er maar één

enkele, het was altijd weer, wat voor zichzelf zij heette: de

innerlijke verzoeting, het doorschietend licht, de aandoening, die voor

lange jaren her haar nu pas ontwakend begrip als een stille gids was

voorgegaan—dat geven van die zelfde aandoening was het

gemeenschappelijke in de wijdst-verscheiden dingen, zoodra ze recht

begrepen waren, maar toch.... nog altijd niet was er bij elke

aandoening een begrip. Doch ze leerde dit zichzelf beseffen: het moest

er dan in verborgen zijn. En dien gelukkigen dag, dat geen wereldsch

ding haar deren kon, voelde ze zich als had ze een wonder gevonden, een

juweel van klaarte uit zichzelve opgedolven.... over de wereld leek een

licht opgegaan nu ze wist: de ontroering was de wegbereider van het

begrip.... en beiden hadden éénzelfden Oorsprong. Elke aandoening was

een vleug, een voorlooper, een waarschuwing uit het Onbekende, dat er

ergens iets leefde en bestond achter den zichtbaren schijn en dat naar

dat „iets” haar begrip moest streven. Zoo deed ze;—van toewijding en

geestdrift gansch en al vervuld, versmaadde en vergat ze geen enkele

dier heimelijke boden, en bewaarde die hare aandoeningen, die ze niet

onmiddellijk begreep voor later, nu bewust wetend waartoe, zooals ze

eenmaal het als kind wijsjes neuriënd met bedauwde oogen, uit

onbewustheid had gedaan.

Heleen · 第 16 / 29 题