Jaren lang worstelde Heleen als een verdwaasde ridder om een ideaal,
waarmee ze zichzelf niet helpen en anderen niet dienen kon. En al die
jaren was ze in waarheid eenzaam tusschen de menschen en leed in
eenzaamheid de smarten en ontgoochelingen van het zelfonderzoek. Het
had haar beet en liet haar niet meer los.
Ze kon in het leven der menschen niet deelen, want het voerde af van
den rechten weg der waarheid, dien zij zocht. Wilde ze ooit iets van
zichzelf, van anderen, van het leven en zijn raadselen leeren
begrijpen, dan moest zij anders zijn. Lang en gezet nadenken over het
verblijf in het huis van haar oom had haar de overtuiging gegeven, dat
dien menschen daar alles ontging, omdat ze te veel van hun eigenliefde
vervuld, voortdurend door zichzelf belemmerd waren. Dat was de
oplossing. Ze woonden daar als in een huis, dat nergens een ruim
uitzicht biedt, want overal rondom staat een hooge muur: eigenbaat en
eigenwilligheid. Waar zij keken, ze zagen zichzelf. Hun beeld van de
wereld was als een foto, waar één enkele figuur buitenmatig op den
voorgrond is geschoven; tienvoudig vergroot, breekt het de zuiverheid
der verhoudingen, vernietigt het elke harmonie,—dat waren zij zelf.
Heleen begreep dat ze moest zien om te kunnen leeren, dat ze vrij en
onbelemmerd moest zijn om te kunnen zien, dat ze van zichzelf afstand
moest doen, zichzelf moest verliezen, dat ze zichzelf maar in zooverre
mocht behouden, als noodig was om zichzelf te zijn en zichzelf te zien.
Ze wilde dit,—ze nam zich dit voor, waarachtig en dapper. En hoe meer
menschen ze leerde kennen, hoe meer ze begreep wat ze op die menschen
voorhad, haar sobere, eenzame jeugd, vrij gebleven van dat kunstmatig
inprenten van nooden en deugden en inzichten, dat men opvoeding heet.
Ze gevoelde daarover een klare, gave verheuging: ze was gewis vrijer
dan de anderen en onbevangener tegenover wat ze zag, enkel en alleen
omdat ze er niet zelf in betrokken was. En zoodra ze dat bemerkte, nam
ze zich voor, er nu ook zoo weinig mogelijk in betrokken te geraken.
Vóór alles wilde ze haar denkkracht ongerept behouden—en daar een der
eerste en duidelijkste waarheden die ze voor zichzelve vond, deze was,
dat menschen de dingen, waaraan hun belang of hun ijdelheid verbonden
is, niet langer richtig en zuiver overdenken kunnen, nam zij zich voor,
haar eigen belang en haar eigen ijdelheid aan zoo weinig mogelijk
dingen te verbinden, ten einde veilig te zijn. Want waarom zou ze van
nature beter dan anderen wezen? Ze wist alreeds te goed dat ze het niet
was. Ze wist dat ze vrijer was, omdat ze haar juk in haar jeugd had
gedragen, omdat haar toen alreeds was geleerd, nederig te zijn en te
ontberen. Ze had haar geheele jeugd met haar meerderen verkeerd; met
helden en heldinnen in boeken, ze bewonderd om hun dapperheid en hun
zuivere deugd, hun edelmoedigheid bovenal, en zichzelve daarbij klein
geacht; ze had haar heele jeugd alles ontbeerd, waar andere kinderen
gretig naar zijn, omdat de ouderen hen gretig maken—, ze kende niet het
genot van bezit, niet van onderscheiding, niet van aanzien in kleinen
kring en begeerde het daarom niet. Ze begeerde slechts één ding te
winnen: liefde—, en als ze dacht aan wat ze had gedaan jegens den ouden
zangmeester en in den juweelenwinkel, dan wist ze dat daar dan ook haar
zwakheid lag en dat van dáár gevaren dreigden—, en velerlei verderf. En
ze achtte zich niet beter dan anderen, niet onomkoopbaar, omdat háár
prijs een andere was dan die der meesten.
Van overal kwam dezelfde waarschuwing af op Heleen, als zag ze het
overal in woorden geschreven: dat ze niet begeeren zou. Ze begreep
plotseling ten volle als in een openbaring den zin van ontbering en
zelfvergetelheid, zooals heiligen en vromen die gepredikt hebben. Tot
nu toe was dit alles willekeur en woord voor haar geweest. Begeerten
alleen waren het groote kwaad, het groote gevaar, ze maakten den mensch
afhankelijk van zichzelf en van anderen, voor elke waarheid blind,
klonken hem vast in de aarde, roofden hem zijn vrijheid en zijn
innerlijke kracht. Daarom wilde ze sober leven.
Naarmate Heleen nu met de jaren de woeste wanordelijkheid gewaar werd,
die in het binnenste der afzonderlijke menschen heerschte, leerde ze
beseffen, hoezeer het noodzakelijk was dat ze zichzelf en elkaar,
althans wat het uiterlijk leven betrof, met ontzegging en bevel tot
regelmaat hadden gedwongen. Ze had het kaartspel van levensregelen, dat
haar in haar ooms huis met gestrengheid was bijgebracht, willen
verachten als nutteloos, omdat haar eenvoud zooveel innerlijke
verwildering niet had kunnen voorzien. Regelmaat van zijn bleek echter
wel noodig—, doch als ze overal in de wereld, in degene die ze zag en
te midden waarvan ze leefde en in de werelden, waar een nieuw soort
boeken haar binnenvoerden, de meerderheid zich woedend zag werpen op
elken afzonderlijken mensch, die zich een eigen leven naar eigen vormen
en met eigen regelmaat trachtte te scheppen en daarin onbedekt te werk
ging, dan voelde ze scherp hoe dom en noodeloos wreed en buiten elke
redelijke verhouding al die woede en al dat neervellen was.
Menschen hadden macht over anderen om hen te besnoeien en te beperken,
ze waren daarmee de handhavers van een ordening, die door den willekeur
en de onbewustheid van elk afzonderlijk wel noodig scheen.... wat zij
vervulden, scheen derhalve goed, maar ze wisten zelf niet wat ze
vervulden en handelden daarom in den wilde en verkeerd. Beperking was
heilzaam, maar ze kenden geen onderscheid, ze lieten den een
noodlottige vrijheden en legden den ander doodende beperkingen op,
daarin gevoelde Heleen al gauw het heillooze. Ze waren als onbekwame
tuinlieden, vaag wetend dat een plant besnoeid moet worden, maar niet
beseffend hoe en waar, er in hun onkunde de hartstreng aan ontsnijdend;
ze waren als kinderen met messen, hun wreedheden niet precies
bedoelend, maar toch niet betreurend ook. De voortdurende botsingen
tusschen de menschen gezamenlijk en den mensch afzonderlijk konden
Heleen niet ontgaan en evenmin ontkwam ze aan het pijnlijke gevoel dat
gemeenlijk de besten op die manier geofferd werden. Dit deed haar
lijden. Elk ding had immers zijn reden en zijn doel, dááraan hield ze
vast met alle macht. Moest dit dan ook zoo wezen.... kon het noodwendig
zijn.... moesten de eenen overgeleverd zijn aan het misbruik der velen?
Was het voor die eenen dan beter zich te onderwerpen om de ordening
niet te verstoren, of was het beter zich te verzetten, om zich te
handhaven en vrij te zijn?
Dagen lang en in vele nachtelijke uren overpeinsde Heleen die pijnlijke
raadselen, de klare vragen welke de een achter den ander als uit een
kolk van verwarring en verblinding opschoten en een rustelooze angst
beving haar dan—, ze werd bleek en prevelde half-luid in zichzelve,—„ik
kom er niet uit.... ik kom er niet uit.... ik vind er nooit een weg
in....”
En in andere uren betrapte ze zich op gevoelens van verachting en onwil
en bitterheid jegens de menschen, die elkaar zoo laf en willekeurig het
leven bemoeilijkten. Dan vreesde ze den hoogmoed, die haar denkkracht
aantasten zou en keerde zich tegen zichzelf en verzon kinderachtige
middelen om zich te redden en staande te houden. Ze schreef vermaningen
tot zichzelf op strookjes papier... „pas toch op voor den hoogmoed,”
„acht jezelf toch niet beter dan anderen, want er is geen enkele reden
waarom je beter zou zijn”—, en droeg die bij zich en plakte ze op de
binnenzijde van haar boeken.
Ze trachtte in de verbijsterende veelheid der verschijnselen groepen te
vormen en een aantal verschillende uitingen te verklaren uit een
gemeenschappelijken grond en nam tot dit onderzoek vaak zichzelf te
baat, zoodat ze leerde gevoelen, hoezeer menschenkennis en zelfkennis
in wezen zijn verwant, meer dan eens ontdekte ze in wat ze onbewust
deed iets als een smaak van gemeenschappelijkheid met andere
handelingen en neigingen. Ze zag iemand, zichzelf of een ander spontaan
een houding aannemen, een daad verrichten en wilde die begrijpen. Gauw
ontwaarde ze, dat die handeling of die houding nimmer iets enkelvoudigs
was, maar samengesteld bleek uit een geheel complex van onbewust en
snel vermengde beweegredenen. Aldus moest ze die eerst uit elkaar
scheiden. Met een volgende handeling of een volgende daad ging ze op
dezelfde wijze te werk—, en wat ze dan in beide daden aan
gemeenschappelijks ontdekte, hield ze vast. Want daarin lag dan de
altijd werkende, de diepere en geen toevallige of bijkomstige
beweegreden. Zoo en altijd op eenzelfde wijze te werk gaand vergeleek
ze de daden van éénen mensch onderling en die der menschen met
elkaar—en was dit iets anders dan wat haar als kind bij het rekenen
alreeds had geboeid, het zoeken van den „gemeenen deeler”—, het
blij-verrassende, als groote, woeste, schijnbaar geheel verschillende
getallen altijd uit dezelfde gekende, vertrouwde deelen samengesteld
bleken en bij hun uiterlijk onderscheid een zoo innige overeenkomst
toonden? Het was altijd datzelfde gevoel van vrede en innerlijke
verzoeting, dat ze toen al ervoer en toen niet begreep—, had ze dan als
kind reeds heimelijk en duister beseft, dat voor háár de vrede en het
geluk uit het eenheidsgevoel zou moeten komen en dat ze nimmer zou
kunnen rusten bij den aanblik van doellooze verwarring, vijandschap,
verwildering? Had ze ook niet vaak in haar vrije kwartiertjes met
getallen van acht of van tien cijfers op blaadjes papier gewerkt om te
zien hoeveel verschillende getallen met die weinige cijfers te vormen
waren? Eindeloos voor haar kinderlijk begrip bleek de reeks, maar het
verband, de samenhang en de kracht bleef behouden. En uit het beetje
wiskunde en het ziertje meetkunde dat haar slechtweg en slordig,
vluchtig en onverschillig was geleerd en dat zij onwillig en stug had
opgenomen—, waren ze er toch óók geweest, schaarsche uren van vreugde
en plotselinge verheldering, het doorschietend licht, de innerlijke
verzoeting, die ze niet begrepen, maar om de vreemde aandoening wel
onthouden had. Iets gevoelen.... iets begrijpen.... een eeuwige wet in
de eindeloosheid der openbaringswijzen. Wat was het toch geweest? Iets
gevoelen.... of iets begrijpen? Heleen zag vreemd op.... want
plotseling welde er dit nieuwe weten in haar op, dat iets gevoelen en
iets begrijpen eigenlijk geen innerlijk onderscheid inhield. Gevoel en
begrip.... was er wel onderscheid? Gevoel bracht voor haar geen begrip
met zich mee,—maar een echt begrip gaf wel altijd een gevoel,—tot in
haar lichaam toe. Had ze iets nieuws begrepen, dan leek het haar, als
zonk het ergens neer in een verborgen diepte van haar innerlijkheid en
verteerde daar, zooals eten verteert, al het verschillende eten tot een
enkel ding: bloed, en voedde haar van daar uit en drong zich in haar
gansche doen en laten, zooals het sap uit den wortel dringt tot in de
tippen der bloemeblaadjes van een plant,—en verandert de bodem, zoo
verandert elk deel van de plant—en deed haar alle dingen weer op een
nieuwe wijze zien,—zoo leek het dat haar oog anders gericht stond dan
den vorigen dag, en ze ondervond, dat het schijnbaar-kleinste dit kon
bewerken en dat dus geen enkel ding gering is. Elk begrip bracht voor
haar die aandoening, bracht de aandoening, want ze kende er maar één
enkele, het was altijd weer, wat voor zichzelf zij heette: de
innerlijke verzoeting, het doorschietend licht, de aandoening, die voor
lange jaren her haar nu pas ontwakend begrip als een stille gids was
voorgegaan—dat geven van die zelfde aandoening was het
gemeenschappelijke in de wijdst-verscheiden dingen, zoodra ze recht
begrepen waren, maar toch.... nog altijd niet was er bij elke
aandoening een begrip. Doch ze leerde dit zichzelf beseffen: het moest
er dan in verborgen zijn. En dien gelukkigen dag, dat geen wereldsch
ding haar deren kon, voelde ze zich als had ze een wonder gevonden, een
juweel van klaarte uit zichzelve opgedolven.... over de wereld leek een
licht opgegaan nu ze wist: de ontroering was de wegbereider van het
begrip.... en beiden hadden éénzelfden Oorsprong. Elke aandoening was
een vleug, een voorlooper, een waarschuwing uit het Onbekende, dat er
ergens iets leefde en bestond achter den zichtbaren schijn en dat naar
dat „iets” haar begrip moest streven. Zoo deed ze;—van toewijding en
geestdrift gansch en al vervuld, versmaadde en vergat ze geen enkele
dier heimelijke boden, en bewaarde die hare aandoeningen, die ze niet
onmiddellijk begreep voor later, nu bewust wetend waartoe, zooals ze
eenmaal het als kind wijsjes neuriënd met bedauwde oogen, uit
onbewustheid had gedaan.