XII.

Heleen trok nu in bij haar oom en tante, een ordelijk gezin in een net

huis. Er waren twee nichtjes, de een even oud, de ander iets ouder dan

zijzelf. Ze ging dagelijks naar de armenschool, waar ze onbeteekenende

werkjes kreeg buiten de klas, soms als hulp van de een naar de ander

werd gezonden, zieken verving voor enkele dagen en weer afgedankt werd,

als ze aan de kinderen en het werk begon te wennen. Heleen verlangde

niet naar een betere plaats om het geld dat ze dan met haar werken zou

verdienen, maar wel om een rustig leven in een eigen klas te hebben en

door de anderen als gelijke te worden erkend. Ze kende nog steeds niet

de begeerte naar pronk of opschik of persoonlijk bezit, ook niet nu ze

in een gezin was, waar elk zeer sterk op het zijne stond en ze

dagelijks op haar weg naar school door de winkelstraten ging.

Ze gevoelde zich in het huis van haar oom niet gelukkig, daar ze

dagelijks pijnlijker ervoer in hoevele dingen ze tekortschoot en over

hoe weinig ze meepraten kon. Bij de huiselijke bezigheden of bij het

maal aan tafel ontmoette ze voorwerpen, waarvan ze het gebruik niet

kende en die ze dus niet naar behooren wist te hanteeren en ze bemerkte

aan den bijtenden spot, hoe erg dit werd gevonden; ook ontging het haar

niet, dat het in haar afwezigheid met anderen werd besproken.

De tante, die haar leeren en onderrichten zou, werd zelden driftig of

boos, doch ze toonde haar een koude minachting, die Heleen griefde en

pijn deed, soms de witte drift in haar aanjoeg, maar meestentijds haar

tot tranen bewoog, en na korten tijd verrichtte ze met dochters en

dienstboden het werk weer zelf en werd Heleen niets meer opgedragen.

Dan wilde Heleen soms smeeken, dat men haar toch weer eens iets zou

toevertrouwen, maar ze durfde niet en berustte in het besef, dat ieder

in dat huis haar meerdere was.

Het oude tekort, dat aan gave voorstellingen en begrippen uit de

tastbare werkelijkheid, aan den eenen kant voortkomend uit onvoldoende

en ondoelmatig onderricht, bij gebrek aan natuurlijke belangstelling,

aan den anderen kant uit te weinig vertrouwelijke aanraking met

ouderen, werd hier scherper dan ooit opgemerkt, wreeder dan ooit

gehoond. Heleen voelde zich als iemand, die buiten zijn wil in een

felle feestzaal is gebracht tusschen frissche en fraai getooide

menschen, zijn kleeren vaal en vol sleten weet en zweet van angst om

het te verbergen. Eens trok ze snel haar hoofd uit het venster terug,

toen ze er water uit de goot op voelde druppen en vertelde op een vraag

van haar tante met bangen ernst, dat waterdruppen op het hoofd een

mensch wel gek kon maken. Schaterend van lachen had haar tante gevraagd

wie haar dat had wijs gemaakt. Heleen had het in een boek gelezen, haar

moeder het bevestigd. Dit zei Heleen. Terwijl haar tante zich afkeerde,

had ze, niet langer lachend, maar barsch en boos, iets over Heleens

moeder gemompeld, maar Heleen had het niet verstaan en vroeg er niet

naar. Want een nieuwe overdenking greep haar beet,—dat verhaal van de

waterdroppels was dus dwaasheid. Ze zonderde zich af om dit te

overdenken, en om haar benauwdheid, haar pijn te overdenken. Zoo stond

het dus, dat de dingen, die ze had gelezen, en die haar waren verteld

en waarin ze zonder overleg onomstootelijk had geloofd, onwaarheid of

dwaasheid konden wezen. Dit had ze nooit overdacht en dit was haar nu

rauwelijks gezegd. Waar of onwaar.... het was zaak, geen enkel ding te

zeggen, voordat ze het terdege had overdacht, wilde ze niet voortdurend

uitgelachen worden. Dat iets in een boek stond, was geen bewijs. Maar

hoe dan? Ze moest het voor elk ding afzonderlijk in zichzelf

onderzoeken, voor zichzelf uitmaken. Ze wilde dit ernstig,—doch toen ze

tot haar schrik bemerkte dat al de dingen, die ze wist, en al de

meeningen die ze bezat, juist even goed waar als onwaar konden wezen,

en hun „waarheid” voor haar op niets berustte dan op haar eigen tot nu

toe onaangetast en onomstootelijk geloof, ondervond ze voortdurend een

gevoel, als was alles in haar losgeschroefd, zoodat ze banger werd dan

ooit om zich te uiten en angstvallig over niets sprak dan over die

alledaagsche zaken, waarin meeningverschil en dus de kans zich

belachelijk te maken, uitgesloten was. Haar zelfvertrouwen, de laatste

jaren op de school eenigszins herleefd, slonk weer weg in deze nieuwe,

voorname en zelfbewuste omgeving, waar elkeen zoo twijfelloos zeker was

van eigen waarde en eigen gelijk, dat Heleen, van nature alreeds weinig

tot hoovaardij geneigd, in een volmaakten kleinheidswaan verviel.

Dikwijls kwam er bezoek, dan werd er wijn gedronken en kaart gespeeld,

de beide nichtjes dienden de thee, schonken den wijn en deden zonder

haperen mede in spel en in gesprek. Heleen sloeg het gade en bewonderde

ze om het gemak, waarmee ze zich bewogen, om de wijze, waarop ze zich

kleedden en het haar droegen, ze luisterde oplettend en trachtte

naarstig zich den toon van hun gesprekken en hun omgangsvormen eigen te

maken. Want ze wilde dat de menschen haar aardig zouden vinden en van

haar houden, en ze benijdde heftig diegenen, wien dat geluk te beurt

gevallen was, zonder dat ze het hadden nagejaagd. Vaak vroeg ze zich

af, welke voorwaarden deze menschen toch wel aan het wegschenken van

hun genegenheid verbinden mochten; dan zuchtte ze, beklemd en zwaar—,

ze wist het eigenlijk niet, ze wist alleen, dat het haar wel heel

moeilijk viel, die genegenheid te verwerven en ze dacht met schrijnende

teleurstelling aan haar oude droomen van dapperheid, oprechtheid en

trouw. Hier was het weer hetzelfde als op den avond van haar eerste

feest, dat ze de oogen opsloeg naar volwassen gezichten en niets

ontmoette dan koele blikken en stroeve lippen. En vaak greep een gevoel

van schaamte haar beet, en nam ze zich voor die koelheid met koelheid

te vergelden, maar ze kon het niet, en leed in eenzaamheid haar

eenzaamheid en haar onmacht om altijd fier te wezen.

Ze had den nichtjes gevraagd om haar een kaartspel te leeren en niet

gerust voor ze de ingewikkelde regels verstond en de bladen kon

hanteeren, nu zat ze tusschen het bezoek in de verlichte en weelderige

kamers, speelde mee en verbeeldde zich, dat ze gelukkig was en dat ze

zich vermaakte, schoon een gestadig knagend gevoel van onlust en vage

ongedurigheid binnen-in, haar zei dat ze niet gelukkig was en zich niet

vermaakte. Werden de anderen vroolijk, dan trachtte ze daarin te

deelen, doch ze gevoelde zelf wel het averechtsche van haar pogingen.

Ze was zoo bang, verkeerde dingen te zeggen en te doen, dat ze het

telkens deed—, ze lachte te luid, eens stiet ze iets om en haar tante

wenkte boos haar weg. Toen sloop ze stil naar de kamer van haar

nichtjes boven, ontstak er de lamp en bekeek hun kleine eigendommen, de

poppetjes en kleedjes en prentjes, ze nam de foto’s van vriendinnetjes

in de hand en vond elk dier meisjes mooier dan zichzelf. Aandachtig

tuurde ze naar japonnen en kapsel, zóó dienden dus de kleeren, zóó het

haar.... Ze hield zich voor dat het gewichtig en moeilijk was, zich te

kleeden en mooi te maken en voelde spijt, dat het haar niet was

geleerd, zuchtend zette ze de portretten op hun plaats tusschen de vele

kleine snuisterijen op de pronktafeltjes, behoedzaam zorg dragend niets

te breken, draaide de lamp weer uit en ging met de oogen toe in een

laag stoeltje zitten, het hoofd tegen den muur, zacht heen en weer het

bewegend in de oude, onvaste smartelijkheid van den avond op het

speelplein, van den dag, dat ze uit huis was gegaan.

Beneden werd intusschen muziek gemaakt, stemmen zongen schril en

vroolijk boven de piano uit, handen klapten, voeten stampten de maat.

Heleen drukte de handen tegen de borst en zuchtte—, maar het was niet

van verlangen om in de vroolijkheid daarbeneden te deelen, het was

heimwee naar het geheim dat ze in zich omdroeg en niet kennen mocht,

heimwee als een stekende pijn....

Het was het van lange jaren bekende gevoel: verlangen en niet weten

waarnaar.... het zelfde, dat haar plotseling was aangewaaid uit de

donkerte rondom de verlaten gasfabriek, uit het gesnater der bonte

eenden ver in de wei, uit orgelmuziek, door den wind verdeeld en

gebroken.... maar zwaarder en smartelijker nu dan ooit.

Heleen kon noch zichzelf, noch anderen in die omgeving vermaken, noch

konden anderen het haar; haar schuwheid nam toe, de rest van haar

zelfvertrouwen slonk weg. Ingekneld aan alle zijden als tusschen muren

van hoogmoed en zelfverzekerdheid, voelde ze zich elke eigen zekerheid

ontgaan. Alle anderen hadden hun meeningen, hun houding, hun smaken,

zij alleen had niets, was niets, kon niets. Ze geloofde en zweeg, toen

haar werd voorgehouden dat ze ook al niet eens „muzikaal” was, omdat

een pas-aangekochte, blinkende en schril-schreeuwende grammofoon haar

niet tot bewondering vervoeren kon, ze verloochende en verstak haar

liefde voor de smachtende wijsjes der draaiorgels op straat, sinds ze

zich daarom „ordinair” had hooren noemen. Ze werd nog eens meegenomen

naar een avondfeest en zag daar haar beide nichten in kleurige

uitheemsche jurken, schitterend van loovers en met schoenen helderrood

bestrikt, heel zwierig en losjes, een samenspraak uitvoeren, waarvan ze

dagen lang werk hadden gemaakt, zoodat hun kamer al dien tijd voor

Heleen gesloten was geweest. Ook nu sloop Heleen tusschen de groepjes,

haar gevoelens van tegenzin en verveling smorend in het besef, dat ze

tevreden en blij behoorde te zijn, waar elkeen blij en tevreden was; ze

voegde zich hier en daar bij jongens en meisjes, die praatten en

lachten en wilde daaraan meedoen, maar ze voelde den lach star op haar

gezicht, de onbeholpenheid zwaar door haar leden, ze wist al gauw niet

wat ze zeggen moest en zweeg. De anderen vermaakten zich heimelijk om

haar. Heleen bemerkte het, ze werd bloedrood van schaamte, sloop weg en

verschool zich tusschen oudere menschen in een hoek.

Dagen lang daarna bleef een gevoel van innerlijke onvastheid haar bij.

Ze benijdde de menschen in haar omgeving, hun altijd precies weten wat

ze moesten zeggen en doen, hun zelfvertrouwen en twijfelloosheid.

Hadden ze beginselen, hadden ze bedoelingen? Vele dingen mochten niet,

en gaven geen pas, anderen mochten volstrekt niet nagelaten worden—,

vaak genoeg hoorde Heleen de menschen, die zich aan het een of aan het

ander vergrepen hadden, in hun afwezigheid scherp beschimpen—, ze wilde

dus weten, wat van dit alles de bedoeling was. Ze vroeg en vorschte,

maar ze kreeg verbaasde en vluchtig ontwijkende antwoorden, ze werd

uitgelachen—niemand scheen de reden te weten van wat hijzelf deed en

van anderen verlangde. En toch was dit samenstel van doen en laten hun

gansche leven! Daar buiten bestond niets. Soms betrapte Heleen zich op

de gedachte, dat dit alles dan toch niet meer zin had dan de

willekeurige regels van het kaartspel, die eveneens met gelijken ernst

en toewijding werden nageleefd en eveneens hun bitterheid en hun

driften gaande maken konden—, angstig weerde ze die gedachte af. Het

kon niet, het was niet mogelijk. Ze dacht aan de menschen, die ze

kende, zoo geleerd en knap, zoo vol van eigendunk, zoo ervaren en

bedreven in dingen, waar zijzelf niet het minste van af wist. Die

menschen zouden op geen andere wijze met hun leven dan met hun

kaartspel te werk gaan? Haar gansche wezen verzette zich bang en

benauwd tegen de onderstelling, dat zoovele en zoo gewichtige menschen

zoo gansch en al redeloos en zinneloos zouden leven. Het meerendeel der

menschen redeloos levend! Het mocht niet, het kon niet. Ze vocht tegen

haar bezwaren en gaf de schuld van elk gevoeld tekort aan haar eigen

tekort, ze noemde zich ontevreden, aanmatigend, ze was geen liefde en

geen waardeering waard. Maar haar bezwaren lieten zich niet vellen, de

klachten keerden; verdreven keerden ze weer en lieten haar niet met

rust.

Toch bleef ze op alle wijzen moeite doen die menschen en hun liefde

voor zich te winnen en hun bedoelingen te doorgronden, want ze hoopte

nog altijd iets te vinden, dat tot nu toe haar aandacht was ontgaan,

een eenheid in hun daden en gedragingen, bewustheid of wil of

bedoeling; ze wist wel niet hoe ze het noemen moest, maar ze gevoelde

scherp en nauwkeurig genoeg, wat ze in hen miste—, en omdat ze voor

huiselijk werk niet bleek te deugen, bood ze zich aan voor verre en

onaangename boodschappen, om haar goeden wil te toonen en trachtte zich

dan door vlugheid te onderscheiden, om met lof beloond te zijn. Soms

draafde ze zoo bar, dat ze op de stoep moest staan om uit te hijgen,

dat ze het niet weten zouden, maar meestentijds werd het niet eens

opgemerkt. Dit bracht dubbel leed, want dan keerden zich al haar

bitterheid en haar schaamte tegen haarzelf, om haar zelf-vernedering.

En in de andere dingen, hoe naarstig en met hoe goeden wil Heleen ook

speurde, ze kon die eenheid in daad en in gedraging bij de menschen om

haar heen niet ontdekken—, den eenen dag was hun oordeel anders dan den

anderen, tegenover den eenen mensch anders dan tegenover den anderen,

ze betrokken hun eigenliefde in elk zakelijk geschil en deden de

dingen, die ze anderen verweten, zoo kras en open zelf, dat het

verbijsterend was. Zagen ze het niet? En was zij-zelf wellicht evenzoo?

Hoe vreemd was dit alles... De geleerde neef, die zoo lang wiskunde had

gestudeerd en in het gewone leven niet meer dan de anderen aan

grondslag en bewijs behoefte scheen te hebben. Ze had zich menschen,

die knap in rekenen waren, als vanzelf open en redelijk en logisch

gedacht. Wat beteekende het anders? Vroeg de oom, die in het recht

gestudeerd had, zich af, of zijn hard en barsch oordeel over anderen

gerechtigd was? En Heleen, onkundig en schuw, nog vol van eerbied voor

hun knapheid, voelde zich daarbij zooals ééns voor lange jaren op

school, toen ze een som, die moeilijk leek, eenvoudig had opgelost en

klaar was, terwijl de anderen nog wurmden op hun volgeknoeid papier met

zenuwachtige vingers en hoofden van inspanning rood. Ze was geschrokken

van de ingewikkelde becijferingen, die ze glurend om zich heen gewaar

werd, en dorst met haar eenvoudige oplossing niet voor den dag te

komen—, tot de meester, het wachten moede, zelf die oplossing aan de

hand had gedaan. Toen had ze haastig meegedeeld dat die oplossing ook

de hare was—, maar ze was gehoond en bijna gestraft voor haar

hardnekkigheid, tot de meester haar ten leste wel gelooven moest. Maar

daar mocht ze niet op vertrouwen, altijd kon het zoo niet gaan—, dit

ernstig en ingewikkeld leven moest geheimen bevatten, die haar-alleen

ontgingen; ze had wel eens goed geraden, maar ook vaak misgetast.... ze

moest denken, altijd denken.

En ze dacht en tobde, uren lang. In den nacht lag ze wakker en

overwoog.... Oprechtheid, moed en bereidwilligheid.... zulk een

eenvoudige oplossing leek niet mogelijk, en wat aanhoudend belachen

werd, moest wel belachelijk zijn, gewichtig, wat gewichtig werd

geheeten.

Heleen werd bleek en stil, at weinig en haar tante bekeek haar

somwijlen met deernis. Ze was toch ook willig en deed niemand overlast.

De nichtjes moesten haar wat bezighouden, haar na de middagschool eens

medenemen op haar wandeling. Dit deden ze somwijlen en Heleen schrok

verblijd en voelde zich van hartelijke dankbaarheid warm en vol, als ze

hen om vier uur voor de school zag staan. Daar gingen ze dan de straten

door en bleven langen tijd pratend voor de verlichte winkels, vooral

voor dien eenen, waar juweelen lagen te flonkeren op donker fluweel.

Heleen keek en luisterde oplettend naar hun gesprekken, en plaatste nu

en dan een zorgvuldig overwogen opmerking, waarbij ze bezorgd van de

een naar de ander keek, vreezend dat ze toch nog iets mocht hebben

miszegd, maar de nichtjes trokken met den mond, gingen er niet op in en

spraken te zamen verder. Eens gelastten ze Heleen den winkel in te gaan

en te vragen naar den prijs van voorwerpen, die ze niet koopen wilden

en niet koopen konden; dit stond Heleen sterk tegen, maar ze deed het,

zooals ze indertijd den ouden zangmeester had gekweld om valsche

genegenheid te winnen, daar ze de stemming van hun vredig en naar den

schijn innig samenwezen niet verstoren dorst.

De herfst was aangebroken en een hevig heimwee naar haar oude huis en

naar de weien en plassen pijnde Heleen, zonder dat ze het uitsprak. In

de namiddagen woei het, de wolken en de nevelen dreven hoog en snel

boven de straten en de menschen, te midden waarvan Heleen met de beide

anderen liep. Ze ging met het gelaat omhoog en haar borst stond vol als

van een damp, die leed en lust was te zamen, een zalige

smartelijkheid—, tot haar nicht haar aanstiet en het haar bleek dat ze

een herhaalde vraag niet had verstaan. Nu wilden beiden weten waarover

ze had loopen droomen. Ze vroegen het maar spottend, en wachtten geen

antwoord, maar Heleen, die altijd meende op elke vraag een ernstig

bescheid schuldig te zijn, tastte naar woorden en zei, meer zichzelf

dan de anderen ten antwoord.... „het was.... dat ik zoo graag zou

willen weten, waarom alles is.... zooals het is....” En daarachter dan

weer als de nadreun van een klokkeslag.... de bevreemding om de eigen

woorden, die pas nu haar verlangen aan haarzelf schenen te openbaren.

Een slapte gleed door haar leden, maakte plotseling haar beenen zwaar,

ze had tegen iets dat zacht en week was willen leunen en dan schreien,

maar ze wist niet waarom. En waarom lachten die beide anderen nu? Was

dan alles, dat ze zeggen kon, misplaatst en dwaas? Wee en zoetheid

waren heen, drift en angst en wanhoop voerden in haar hart een fellen

kamp, krasten als raven.... gejaagd en zwijgend, bitterheid en wrok als

een brok in de keel, keerde ze huiswaarts.... een vijandigheid, ook van

háár uit, broeide nog dagen tusschen hen en ze gingen niet meer

gedrieën uit. Nog sterker nam Heleen zich voor, niets meer van zichzelf

los te laten, ten einde niet bespot te zijn.

Doch het hielp haar niet, dat ze zorgvuldig zich verborg en bedwong,

schuw en zwijgend kwam en ging en zich zoo klein mogelijk maakte, ze

vervreemdde onweerhoudbaar van het gezin waarin ze leefde en ook haar

eigen verlangen die menschen en hun genegenheid te winnen, verslapte

gaandeweg—, wrevel en weerzin traden in de plaats en daaruit vormden

zich bepaalde en vaste grieven.

Daar was de bitse gierigheid der beide nichtjes en haar kille

liefdeloosheid. Kibbelen en twisten deden ze weinig, doch van wat ze

bezaten, gunden ze elkaar het geringste niet om niet, alles moest

precies geschat, geteld, verkocht en verkwanseld wezen. Ze liepen op

straat de armen en ouden voorbij, onbewogen van hun hartbrekende

blikken en heesch gesmeek. Toen Heleen het eens had gewaagd, daar ze

het niet laten kon, een oude schooister in hun bijzijn en tegen hun

bevel in, wat te geven, hadden ze den geheelen verderen dag niet tegen

haar gesproken, aan tafel over haar heen gezien, haar vragen en blikken

onbeantwoord gelaten, tot haar bitter verdriet. En ofschoon ze ditmaal

niet twijfelde, maar zonder voorbehoud geloofde, dat zij gelijk had en

de nichtjes ongelijk, waagde ze het toch nadien nimmermeer hen te

trotseeren, maar in een benauwd voorgevoel vreesde ze het gevaar der

zwakken, die naar liefde al te gretig zijn, dat ze, om anderen te

believen, haar eigen hart verloochenend, altijd weer tot lafheid mocht

vervallen, zooals ze al menigmaal tot lafheid vervallen was.

Doch scherper dan dit deerde Heleen op den duur de geringschatting voor

haarzelf en voor haar gezin. Zoolang ze argeloos meende, dat die

uitsluitend op haar onhandigheid en tekortkomingen was gericht, had ze

niet gemord, doch ze leerde langzaam aan beter: die minachting betrof

haar huis, den stand van haar vader, vooral zijn huwelijk met haar

moeder. Vader was tante’s eigen broer, doch zij was haar moeders kind.

Ze herinnerde zich haar moeders schuwheid uit vroeger jaren, bij de

bezoeken van den oom en de tante, haar schichtigen blik, haar

pijnlijken mond; ze overpeinsde, voegde samen, lette op wat ze opving

uit gesprekken, die langs haar heen slierden of bij haar binnenkomst

werden afgebroken en die haar achteloosheid waren ontgaan: een

schimpwoord vol minachting gold haar moeder. Toen ze dat voor de eerste

maal in zijn volle hatelijkheid doorzag, rende ze de kamer uit, stortte

zich op haar bed en weende toomeloos. Al de hartstochtelijke teederheid

van haar hart offerde ze aan dat gesmade moederbeeld. Ze wilde terug

naar die bleeke, die lieve, terug naar haar om haar te troosten, ze

trilde van ingehouden blijdschap als het haar dag was en oom haar het

reisgeld gaf om naar huis te gaan. Rechtstreeks uit de middagschool

vertrok ze dan, liep luchtig op het donkere perron heen en weer, snoof

met genot de walmen van poetsolie en verbruikten stoom; het knarsen en

knerpen der rangeerende treinen was een zoet geluid, de staalblauwe

rails snelden verglimmend de schemering in, roode en bleekgroene

seinlichten gloorden hier en daar op in den vochtigen avondval. Ze ging

weg, ze ging weg, ze zette zich neuriënd in den trein, ze zag de landen

en de bosschen trillend door den dauw die haar oogen besloeg, de

donkere, kloeke molen in het laatste licht, en kwam in den avond thuis.

Hadden ze te zamen gegeten, dan ging Heleen eenzaam op pad en genoot de

oude geneuchten in gerucht en geur. Ze zwierf in ’t flakkerend

lantaarnenlicht de stille straatjes door, stiet het snoepwinkeltje

open, om het doffe belletje te hooren en toefde even zacht-ademend in

de mufte van turf, brandhout en suikergoed onder de vale blikken lamp,

vóór ze de oude vrouw uit het achterhuis tot zich riep. Ze tuurde door

de deur, die ze openliet, haar woonkamer binnen, zag de zilveren ballen

op de hooge kast, poes en sloffen en stoof over den grond en rook de

verstane koffie, terwijl de vrouw het snoepgoed uitlei, dat ze kocht,

zonder het te begeeren.

Ze sloop het schoolplein op en leunde luisterend tegen den muur met een

heimwee, alsof ze daarbinnen geen leed had gekend, ze rekte haar lijf

over het bruggetje bij het duistere grachtje, staarde naar de gesloten

pakhuispoort en snikte in haar handen, ze stond voor het

schrielverlichte toonkastje van het leesbibliotheekje, las de titels en

dacht aan den heer en de dame uit „De Fonkelende Sterren” en aan

Valentin Jernam, oud 31 jaar; de wind voer door de kale takken met

zuchten en zacht gekraak, op het grachtje ging geen sterveling meer,

trillende in bange smarten leed Heleen de pijn om wat onbegrepen voor

eeuwig is voorbijgegaan. In den laten avond wachtten ze haar nog thuis;

was het niet al te donker, woei het niet al te bar, dan klom Heleen

naar boven en zette zich op den hoop roodgrauwe aardappelen, daar eens

haar bed had gestaan. Ze rook de oude luchten, ze hoorde de oude

geruchten en voelde zich zwaar van tranen en van verzuchting. Dan trok

ze weer heen, met een hart vol trouwen wil het leven in de stad en in

het huis van haar oom tegemoet.

Heleen · 第 13 / 29 题