Heleen trok nu in bij haar oom en tante, een ordelijk gezin in een net
huis. Er waren twee nichtjes, de een even oud, de ander iets ouder dan
zijzelf. Ze ging dagelijks naar de armenschool, waar ze onbeteekenende
werkjes kreeg buiten de klas, soms als hulp van de een naar de ander
werd gezonden, zieken verving voor enkele dagen en weer afgedankt werd,
als ze aan de kinderen en het werk begon te wennen. Heleen verlangde
niet naar een betere plaats om het geld dat ze dan met haar werken zou
verdienen, maar wel om een rustig leven in een eigen klas te hebben en
door de anderen als gelijke te worden erkend. Ze kende nog steeds niet
de begeerte naar pronk of opschik of persoonlijk bezit, ook niet nu ze
in een gezin was, waar elk zeer sterk op het zijne stond en ze
dagelijks op haar weg naar school door de winkelstraten ging.
Ze gevoelde zich in het huis van haar oom niet gelukkig, daar ze
dagelijks pijnlijker ervoer in hoevele dingen ze tekortschoot en over
hoe weinig ze meepraten kon. Bij de huiselijke bezigheden of bij het
maal aan tafel ontmoette ze voorwerpen, waarvan ze het gebruik niet
kende en die ze dus niet naar behooren wist te hanteeren en ze bemerkte
aan den bijtenden spot, hoe erg dit werd gevonden; ook ontging het haar
niet, dat het in haar afwezigheid met anderen werd besproken.
De tante, die haar leeren en onderrichten zou, werd zelden driftig of
boos, doch ze toonde haar een koude minachting, die Heleen griefde en
pijn deed, soms de witte drift in haar aanjoeg, maar meestentijds haar
tot tranen bewoog, en na korten tijd verrichtte ze met dochters en
dienstboden het werk weer zelf en werd Heleen niets meer opgedragen.
Dan wilde Heleen soms smeeken, dat men haar toch weer eens iets zou
toevertrouwen, maar ze durfde niet en berustte in het besef, dat ieder
in dat huis haar meerdere was.
Het oude tekort, dat aan gave voorstellingen en begrippen uit de
tastbare werkelijkheid, aan den eenen kant voortkomend uit onvoldoende
en ondoelmatig onderricht, bij gebrek aan natuurlijke belangstelling,
aan den anderen kant uit te weinig vertrouwelijke aanraking met
ouderen, werd hier scherper dan ooit opgemerkt, wreeder dan ooit
gehoond. Heleen voelde zich als iemand, die buiten zijn wil in een
felle feestzaal is gebracht tusschen frissche en fraai getooide
menschen, zijn kleeren vaal en vol sleten weet en zweet van angst om
het te verbergen. Eens trok ze snel haar hoofd uit het venster terug,
toen ze er water uit de goot op voelde druppen en vertelde op een vraag
van haar tante met bangen ernst, dat waterdruppen op het hoofd een
mensch wel gek kon maken. Schaterend van lachen had haar tante gevraagd
wie haar dat had wijs gemaakt. Heleen had het in een boek gelezen, haar
moeder het bevestigd. Dit zei Heleen. Terwijl haar tante zich afkeerde,
had ze, niet langer lachend, maar barsch en boos, iets over Heleens
moeder gemompeld, maar Heleen had het niet verstaan en vroeg er niet
naar. Want een nieuwe overdenking greep haar beet,—dat verhaal van de
waterdroppels was dus dwaasheid. Ze zonderde zich af om dit te
overdenken, en om haar benauwdheid, haar pijn te overdenken. Zoo stond
het dus, dat de dingen, die ze had gelezen, en die haar waren verteld
en waarin ze zonder overleg onomstootelijk had geloofd, onwaarheid of
dwaasheid konden wezen. Dit had ze nooit overdacht en dit was haar nu
rauwelijks gezegd. Waar of onwaar.... het was zaak, geen enkel ding te
zeggen, voordat ze het terdege had overdacht, wilde ze niet voortdurend
uitgelachen worden. Dat iets in een boek stond, was geen bewijs. Maar
hoe dan? Ze moest het voor elk ding afzonderlijk in zichzelf
onderzoeken, voor zichzelf uitmaken. Ze wilde dit ernstig,—doch toen ze
tot haar schrik bemerkte dat al de dingen, die ze wist, en al de
meeningen die ze bezat, juist even goed waar als onwaar konden wezen,
en hun „waarheid” voor haar op niets berustte dan op haar eigen tot nu
toe onaangetast en onomstootelijk geloof, ondervond ze voortdurend een
gevoel, als was alles in haar losgeschroefd, zoodat ze banger werd dan
ooit om zich te uiten en angstvallig over niets sprak dan over die
alledaagsche zaken, waarin meeningverschil en dus de kans zich
belachelijk te maken, uitgesloten was. Haar zelfvertrouwen, de laatste
jaren op de school eenigszins herleefd, slonk weer weg in deze nieuwe,
voorname en zelfbewuste omgeving, waar elkeen zoo twijfelloos zeker was
van eigen waarde en eigen gelijk, dat Heleen, van nature alreeds weinig
tot hoovaardij geneigd, in een volmaakten kleinheidswaan verviel.
Dikwijls kwam er bezoek, dan werd er wijn gedronken en kaart gespeeld,
de beide nichtjes dienden de thee, schonken den wijn en deden zonder
haperen mede in spel en in gesprek. Heleen sloeg het gade en bewonderde
ze om het gemak, waarmee ze zich bewogen, om de wijze, waarop ze zich
kleedden en het haar droegen, ze luisterde oplettend en trachtte
naarstig zich den toon van hun gesprekken en hun omgangsvormen eigen te
maken. Want ze wilde dat de menschen haar aardig zouden vinden en van
haar houden, en ze benijdde heftig diegenen, wien dat geluk te beurt
gevallen was, zonder dat ze het hadden nagejaagd. Vaak vroeg ze zich
af, welke voorwaarden deze menschen toch wel aan het wegschenken van
hun genegenheid verbinden mochten; dan zuchtte ze, beklemd en zwaar—,
ze wist het eigenlijk niet, ze wist alleen, dat het haar wel heel
moeilijk viel, die genegenheid te verwerven en ze dacht met schrijnende
teleurstelling aan haar oude droomen van dapperheid, oprechtheid en
trouw. Hier was het weer hetzelfde als op den avond van haar eerste
feest, dat ze de oogen opsloeg naar volwassen gezichten en niets
ontmoette dan koele blikken en stroeve lippen. En vaak greep een gevoel
van schaamte haar beet, en nam ze zich voor die koelheid met koelheid
te vergelden, maar ze kon het niet, en leed in eenzaamheid haar
eenzaamheid en haar onmacht om altijd fier te wezen.
Ze had den nichtjes gevraagd om haar een kaartspel te leeren en niet
gerust voor ze de ingewikkelde regels verstond en de bladen kon
hanteeren, nu zat ze tusschen het bezoek in de verlichte en weelderige
kamers, speelde mee en verbeeldde zich, dat ze gelukkig was en dat ze
zich vermaakte, schoon een gestadig knagend gevoel van onlust en vage
ongedurigheid binnen-in, haar zei dat ze niet gelukkig was en zich niet
vermaakte. Werden de anderen vroolijk, dan trachtte ze daarin te
deelen, doch ze gevoelde zelf wel het averechtsche van haar pogingen.
Ze was zoo bang, verkeerde dingen te zeggen en te doen, dat ze het
telkens deed—, ze lachte te luid, eens stiet ze iets om en haar tante
wenkte boos haar weg. Toen sloop ze stil naar de kamer van haar
nichtjes boven, ontstak er de lamp en bekeek hun kleine eigendommen, de
poppetjes en kleedjes en prentjes, ze nam de foto’s van vriendinnetjes
in de hand en vond elk dier meisjes mooier dan zichzelf. Aandachtig
tuurde ze naar japonnen en kapsel, zóó dienden dus de kleeren, zóó het
haar.... Ze hield zich voor dat het gewichtig en moeilijk was, zich te
kleeden en mooi te maken en voelde spijt, dat het haar niet was
geleerd, zuchtend zette ze de portretten op hun plaats tusschen de vele
kleine snuisterijen op de pronktafeltjes, behoedzaam zorg dragend niets
te breken, draaide de lamp weer uit en ging met de oogen toe in een
laag stoeltje zitten, het hoofd tegen den muur, zacht heen en weer het
bewegend in de oude, onvaste smartelijkheid van den avond op het
speelplein, van den dag, dat ze uit huis was gegaan.
Beneden werd intusschen muziek gemaakt, stemmen zongen schril en
vroolijk boven de piano uit, handen klapten, voeten stampten de maat.
Heleen drukte de handen tegen de borst en zuchtte—, maar het was niet
van verlangen om in de vroolijkheid daarbeneden te deelen, het was
heimwee naar het geheim dat ze in zich omdroeg en niet kennen mocht,
heimwee als een stekende pijn....
Het was het van lange jaren bekende gevoel: verlangen en niet weten
waarnaar.... het zelfde, dat haar plotseling was aangewaaid uit de
donkerte rondom de verlaten gasfabriek, uit het gesnater der bonte
eenden ver in de wei, uit orgelmuziek, door den wind verdeeld en
gebroken.... maar zwaarder en smartelijker nu dan ooit.
Heleen kon noch zichzelf, noch anderen in die omgeving vermaken, noch
konden anderen het haar; haar schuwheid nam toe, de rest van haar
zelfvertrouwen slonk weg. Ingekneld aan alle zijden als tusschen muren
van hoogmoed en zelfverzekerdheid, voelde ze zich elke eigen zekerheid
ontgaan. Alle anderen hadden hun meeningen, hun houding, hun smaken,
zij alleen had niets, was niets, kon niets. Ze geloofde en zweeg, toen
haar werd voorgehouden dat ze ook al niet eens „muzikaal” was, omdat
een pas-aangekochte, blinkende en schril-schreeuwende grammofoon haar
niet tot bewondering vervoeren kon, ze verloochende en verstak haar
liefde voor de smachtende wijsjes der draaiorgels op straat, sinds ze
zich daarom „ordinair” had hooren noemen. Ze werd nog eens meegenomen
naar een avondfeest en zag daar haar beide nichten in kleurige
uitheemsche jurken, schitterend van loovers en met schoenen helderrood
bestrikt, heel zwierig en losjes, een samenspraak uitvoeren, waarvan ze
dagen lang werk hadden gemaakt, zoodat hun kamer al dien tijd voor
Heleen gesloten was geweest. Ook nu sloop Heleen tusschen de groepjes,
haar gevoelens van tegenzin en verveling smorend in het besef, dat ze
tevreden en blij behoorde te zijn, waar elkeen blij en tevreden was; ze
voegde zich hier en daar bij jongens en meisjes, die praatten en
lachten en wilde daaraan meedoen, maar ze voelde den lach star op haar
gezicht, de onbeholpenheid zwaar door haar leden, ze wist al gauw niet
wat ze zeggen moest en zweeg. De anderen vermaakten zich heimelijk om
haar. Heleen bemerkte het, ze werd bloedrood van schaamte, sloop weg en
verschool zich tusschen oudere menschen in een hoek.
Dagen lang daarna bleef een gevoel van innerlijke onvastheid haar bij.
Ze benijdde de menschen in haar omgeving, hun altijd precies weten wat
ze moesten zeggen en doen, hun zelfvertrouwen en twijfelloosheid.
Hadden ze beginselen, hadden ze bedoelingen? Vele dingen mochten niet,
en gaven geen pas, anderen mochten volstrekt niet nagelaten worden—,
vaak genoeg hoorde Heleen de menschen, die zich aan het een of aan het
ander vergrepen hadden, in hun afwezigheid scherp beschimpen—, ze wilde
dus weten, wat van dit alles de bedoeling was. Ze vroeg en vorschte,
maar ze kreeg verbaasde en vluchtig ontwijkende antwoorden, ze werd
uitgelachen—niemand scheen de reden te weten van wat hijzelf deed en
van anderen verlangde. En toch was dit samenstel van doen en laten hun
gansche leven! Daar buiten bestond niets. Soms betrapte Heleen zich op
de gedachte, dat dit alles dan toch niet meer zin had dan de
willekeurige regels van het kaartspel, die eveneens met gelijken ernst
en toewijding werden nageleefd en eveneens hun bitterheid en hun
driften gaande maken konden—, angstig weerde ze die gedachte af. Het
kon niet, het was niet mogelijk. Ze dacht aan de menschen, die ze
kende, zoo geleerd en knap, zoo vol van eigendunk, zoo ervaren en
bedreven in dingen, waar zijzelf niet het minste van af wist. Die
menschen zouden op geen andere wijze met hun leven dan met hun
kaartspel te werk gaan? Haar gansche wezen verzette zich bang en
benauwd tegen de onderstelling, dat zoovele en zoo gewichtige menschen
zoo gansch en al redeloos en zinneloos zouden leven. Het meerendeel der
menschen redeloos levend! Het mocht niet, het kon niet. Ze vocht tegen
haar bezwaren en gaf de schuld van elk gevoeld tekort aan haar eigen
tekort, ze noemde zich ontevreden, aanmatigend, ze was geen liefde en
geen waardeering waard. Maar haar bezwaren lieten zich niet vellen, de
klachten keerden; verdreven keerden ze weer en lieten haar niet met
rust.
Toch bleef ze op alle wijzen moeite doen die menschen en hun liefde
voor zich te winnen en hun bedoelingen te doorgronden, want ze hoopte
nog altijd iets te vinden, dat tot nu toe haar aandacht was ontgaan,
een eenheid in hun daden en gedragingen, bewustheid of wil of
bedoeling; ze wist wel niet hoe ze het noemen moest, maar ze gevoelde
scherp en nauwkeurig genoeg, wat ze in hen miste—, en omdat ze voor
huiselijk werk niet bleek te deugen, bood ze zich aan voor verre en
onaangename boodschappen, om haar goeden wil te toonen en trachtte zich
dan door vlugheid te onderscheiden, om met lof beloond te zijn. Soms
draafde ze zoo bar, dat ze op de stoep moest staan om uit te hijgen,
dat ze het niet weten zouden, maar meestentijds werd het niet eens
opgemerkt. Dit bracht dubbel leed, want dan keerden zich al haar
bitterheid en haar schaamte tegen haarzelf, om haar zelf-vernedering.
En in de andere dingen, hoe naarstig en met hoe goeden wil Heleen ook
speurde, ze kon die eenheid in daad en in gedraging bij de menschen om
haar heen niet ontdekken—, den eenen dag was hun oordeel anders dan den
anderen, tegenover den eenen mensch anders dan tegenover den anderen,
ze betrokken hun eigenliefde in elk zakelijk geschil en deden de
dingen, die ze anderen verweten, zoo kras en open zelf, dat het
verbijsterend was. Zagen ze het niet? En was zij-zelf wellicht evenzoo?
Hoe vreemd was dit alles... De geleerde neef, die zoo lang wiskunde had
gestudeerd en in het gewone leven niet meer dan de anderen aan
grondslag en bewijs behoefte scheen te hebben. Ze had zich menschen,
die knap in rekenen waren, als vanzelf open en redelijk en logisch
gedacht. Wat beteekende het anders? Vroeg de oom, die in het recht
gestudeerd had, zich af, of zijn hard en barsch oordeel over anderen
gerechtigd was? En Heleen, onkundig en schuw, nog vol van eerbied voor
hun knapheid, voelde zich daarbij zooals ééns voor lange jaren op
school, toen ze een som, die moeilijk leek, eenvoudig had opgelost en
klaar was, terwijl de anderen nog wurmden op hun volgeknoeid papier met
zenuwachtige vingers en hoofden van inspanning rood. Ze was geschrokken
van de ingewikkelde becijferingen, die ze glurend om zich heen gewaar
werd, en dorst met haar eenvoudige oplossing niet voor den dag te
komen—, tot de meester, het wachten moede, zelf die oplossing aan de
hand had gedaan. Toen had ze haastig meegedeeld dat die oplossing ook
de hare was—, maar ze was gehoond en bijna gestraft voor haar
hardnekkigheid, tot de meester haar ten leste wel gelooven moest. Maar
daar mocht ze niet op vertrouwen, altijd kon het zoo niet gaan—, dit
ernstig en ingewikkeld leven moest geheimen bevatten, die haar-alleen
ontgingen; ze had wel eens goed geraden, maar ook vaak misgetast.... ze
moest denken, altijd denken.
En ze dacht en tobde, uren lang. In den nacht lag ze wakker en
overwoog.... Oprechtheid, moed en bereidwilligheid.... zulk een
eenvoudige oplossing leek niet mogelijk, en wat aanhoudend belachen
werd, moest wel belachelijk zijn, gewichtig, wat gewichtig werd
geheeten.
Heleen werd bleek en stil, at weinig en haar tante bekeek haar
somwijlen met deernis. Ze was toch ook willig en deed niemand overlast.
De nichtjes moesten haar wat bezighouden, haar na de middagschool eens
medenemen op haar wandeling. Dit deden ze somwijlen en Heleen schrok
verblijd en voelde zich van hartelijke dankbaarheid warm en vol, als ze
hen om vier uur voor de school zag staan. Daar gingen ze dan de straten
door en bleven langen tijd pratend voor de verlichte winkels, vooral
voor dien eenen, waar juweelen lagen te flonkeren op donker fluweel.
Heleen keek en luisterde oplettend naar hun gesprekken, en plaatste nu
en dan een zorgvuldig overwogen opmerking, waarbij ze bezorgd van de
een naar de ander keek, vreezend dat ze toch nog iets mocht hebben
miszegd, maar de nichtjes trokken met den mond, gingen er niet op in en
spraken te zamen verder. Eens gelastten ze Heleen den winkel in te gaan
en te vragen naar den prijs van voorwerpen, die ze niet koopen wilden
en niet koopen konden; dit stond Heleen sterk tegen, maar ze deed het,
zooals ze indertijd den ouden zangmeester had gekweld om valsche
genegenheid te winnen, daar ze de stemming van hun vredig en naar den
schijn innig samenwezen niet verstoren dorst.
De herfst was aangebroken en een hevig heimwee naar haar oude huis en
naar de weien en plassen pijnde Heleen, zonder dat ze het uitsprak. In
de namiddagen woei het, de wolken en de nevelen dreven hoog en snel
boven de straten en de menschen, te midden waarvan Heleen met de beide
anderen liep. Ze ging met het gelaat omhoog en haar borst stond vol als
van een damp, die leed en lust was te zamen, een zalige
smartelijkheid—, tot haar nicht haar aanstiet en het haar bleek dat ze
een herhaalde vraag niet had verstaan. Nu wilden beiden weten waarover
ze had loopen droomen. Ze vroegen het maar spottend, en wachtten geen
antwoord, maar Heleen, die altijd meende op elke vraag een ernstig
bescheid schuldig te zijn, tastte naar woorden en zei, meer zichzelf
dan de anderen ten antwoord.... „het was.... dat ik zoo graag zou
willen weten, waarom alles is.... zooals het is....” En daarachter dan
weer als de nadreun van een klokkeslag.... de bevreemding om de eigen
woorden, die pas nu haar verlangen aan haarzelf schenen te openbaren.
Een slapte gleed door haar leden, maakte plotseling haar beenen zwaar,
ze had tegen iets dat zacht en week was willen leunen en dan schreien,
maar ze wist niet waarom. En waarom lachten die beide anderen nu? Was
dan alles, dat ze zeggen kon, misplaatst en dwaas? Wee en zoetheid
waren heen, drift en angst en wanhoop voerden in haar hart een fellen
kamp, krasten als raven.... gejaagd en zwijgend, bitterheid en wrok als
een brok in de keel, keerde ze huiswaarts.... een vijandigheid, ook van
háár uit, broeide nog dagen tusschen hen en ze gingen niet meer
gedrieën uit. Nog sterker nam Heleen zich voor, niets meer van zichzelf
los te laten, ten einde niet bespot te zijn.
Doch het hielp haar niet, dat ze zorgvuldig zich verborg en bedwong,
schuw en zwijgend kwam en ging en zich zoo klein mogelijk maakte, ze
vervreemdde onweerhoudbaar van het gezin waarin ze leefde en ook haar
eigen verlangen die menschen en hun genegenheid te winnen, verslapte
gaandeweg—, wrevel en weerzin traden in de plaats en daaruit vormden
zich bepaalde en vaste grieven.
Daar was de bitse gierigheid der beide nichtjes en haar kille
liefdeloosheid. Kibbelen en twisten deden ze weinig, doch van wat ze
bezaten, gunden ze elkaar het geringste niet om niet, alles moest
precies geschat, geteld, verkocht en verkwanseld wezen. Ze liepen op
straat de armen en ouden voorbij, onbewogen van hun hartbrekende
blikken en heesch gesmeek. Toen Heleen het eens had gewaagd, daar ze
het niet laten kon, een oude schooister in hun bijzijn en tegen hun
bevel in, wat te geven, hadden ze den geheelen verderen dag niet tegen
haar gesproken, aan tafel over haar heen gezien, haar vragen en blikken
onbeantwoord gelaten, tot haar bitter verdriet. En ofschoon ze ditmaal
niet twijfelde, maar zonder voorbehoud geloofde, dat zij gelijk had en
de nichtjes ongelijk, waagde ze het toch nadien nimmermeer hen te
trotseeren, maar in een benauwd voorgevoel vreesde ze het gevaar der
zwakken, die naar liefde al te gretig zijn, dat ze, om anderen te
believen, haar eigen hart verloochenend, altijd weer tot lafheid mocht
vervallen, zooals ze al menigmaal tot lafheid vervallen was.
Doch scherper dan dit deerde Heleen op den duur de geringschatting voor
haarzelf en voor haar gezin. Zoolang ze argeloos meende, dat die
uitsluitend op haar onhandigheid en tekortkomingen was gericht, had ze
niet gemord, doch ze leerde langzaam aan beter: die minachting betrof
haar huis, den stand van haar vader, vooral zijn huwelijk met haar
moeder. Vader was tante’s eigen broer, doch zij was haar moeders kind.
Ze herinnerde zich haar moeders schuwheid uit vroeger jaren, bij de
bezoeken van den oom en de tante, haar schichtigen blik, haar
pijnlijken mond; ze overpeinsde, voegde samen, lette op wat ze opving
uit gesprekken, die langs haar heen slierden of bij haar binnenkomst
werden afgebroken en die haar achteloosheid waren ontgaan: een
schimpwoord vol minachting gold haar moeder. Toen ze dat voor de eerste
maal in zijn volle hatelijkheid doorzag, rende ze de kamer uit, stortte
zich op haar bed en weende toomeloos. Al de hartstochtelijke teederheid
van haar hart offerde ze aan dat gesmade moederbeeld. Ze wilde terug
naar die bleeke, die lieve, terug naar haar om haar te troosten, ze
trilde van ingehouden blijdschap als het haar dag was en oom haar het
reisgeld gaf om naar huis te gaan. Rechtstreeks uit de middagschool
vertrok ze dan, liep luchtig op het donkere perron heen en weer, snoof
met genot de walmen van poetsolie en verbruikten stoom; het knarsen en
knerpen der rangeerende treinen was een zoet geluid, de staalblauwe
rails snelden verglimmend de schemering in, roode en bleekgroene
seinlichten gloorden hier en daar op in den vochtigen avondval. Ze ging
weg, ze ging weg, ze zette zich neuriënd in den trein, ze zag de landen
en de bosschen trillend door den dauw die haar oogen besloeg, de
donkere, kloeke molen in het laatste licht, en kwam in den avond thuis.
Hadden ze te zamen gegeten, dan ging Heleen eenzaam op pad en genoot de
oude geneuchten in gerucht en geur. Ze zwierf in ’t flakkerend
lantaarnenlicht de stille straatjes door, stiet het snoepwinkeltje
open, om het doffe belletje te hooren en toefde even zacht-ademend in
de mufte van turf, brandhout en suikergoed onder de vale blikken lamp,
vóór ze de oude vrouw uit het achterhuis tot zich riep. Ze tuurde door
de deur, die ze openliet, haar woonkamer binnen, zag de zilveren ballen
op de hooge kast, poes en sloffen en stoof over den grond en rook de
verstane koffie, terwijl de vrouw het snoepgoed uitlei, dat ze kocht,
zonder het te begeeren.
Ze sloop het schoolplein op en leunde luisterend tegen den muur met een
heimwee, alsof ze daarbinnen geen leed had gekend, ze rekte haar lijf
over het bruggetje bij het duistere grachtje, staarde naar de gesloten
pakhuispoort en snikte in haar handen, ze stond voor het
schrielverlichte toonkastje van het leesbibliotheekje, las de titels en
dacht aan den heer en de dame uit „De Fonkelende Sterren” en aan
Valentin Jernam, oud 31 jaar; de wind voer door de kale takken met
zuchten en zacht gekraak, op het grachtje ging geen sterveling meer,
trillende in bange smarten leed Heleen de pijn om wat onbegrepen voor
eeuwig is voorbijgegaan. In den laten avond wachtten ze haar nog thuis;
was het niet al te donker, woei het niet al te bar, dan klom Heleen
naar boven en zette zich op den hoop roodgrauwe aardappelen, daar eens
haar bed had gestaan. Ze rook de oude luchten, ze hoorde de oude
geruchten en voelde zich zwaar van tranen en van verzuchting. Dan trok
ze weer heen, met een hart vol trouwen wil het leven in de stad en in
het huis van haar oom tegemoet.