Heleen zat nu in het naderend voorjaar dagelijks gebukt voor haar open
boeken, prevelde namen, noteerde feiten en leerde tot donker avond. Dan
leunde ze achteruit in haar stoel en tuurde strak naar de balken van de
zoldering. Haar leven had ze in nevelen gesluierd, er was één enkele
open plek, datgene, waarmee ze leeren moest voor haar examen. Ze pompte
zich gewillig vol, ging prevelend door het huis en sloop in donker naar
bed als ze klaar was. Ze zwierf niet langer rond, vermeed het
bruggetje, de koffiebranderij en het bibliotheekje, las geen boeken en
verstopte zich als een draaiorgel naderde. Want het zoete van vroeger
gaf nu zoo ondraaglijke smarten af, dat ze het moest vermijden voor het
behoud van haar kracht en rust; doch toen de lente kwam, kon ze zon en
wind niet mijden, niet het blinken der herleefde slooten en den geur
van het jonge gras. Vaak rilde ze zonder zichtbare reden en schokte
haar hart van pijn. Dan keek ze hulpeloos op en rond, maar was alleen
in de kamer, waar ze om te leeren met rust gelaten werd, en bukte zich
weer naar haar boeken. Dieuwertje kwam soms aan om met haar te leeren,
in de klas was niet langer vertier, de keten der broederschap lag
uiteengebroken, elkeen voor zich voelde het naderen der volwassenheid
op een eigen manier, elkeen voor zich dacht aan examen en toekomst. Er
hing een jachtigheid, ieder haastte zich huiswaarts na de les, de lange
jaren, die geen eind schenen te hebben, de jaren van zwerven en
plantenzoeken in lente en zomer en najaar, van snoepen in winkeltjes en
studentikoos rumoer, waren plotseling voorbij, eerst nog het examen,
dan daarna zouden ze voor altijd uiteengaan. Ze hadden het lang
geweten, doch gingen het nu pas beseffen. Het naderend einde, dat tot
de herinnering bereidde, verzoende Heleen alreeds met het geledene,
leed had zich omgezet in rust en verzoende haar met de menschen. Elkeen
was oprecht en goed, het kon niet anders, zijzelf ook was oprecht en
goed en wenschte voor haar deel niet meer dan daarmee sterk het leven
in te gaan. Elk moest voor den ander verdraaglijk zijn.
Op haar beurt deed Heleen examen en kwam in den avond thuis, bleek en
moe, bang en blijde. Ze sliep dien nacht gerust en zocht den volgenden
avond naar gewoonte de meesters op om te vertellen hoe het haar was
gegaan en wat haar was gevraagd. Ze had mooie punten behaald en de
school niet tot schande gestrekt. Ze stond in de klas naast den
lessenaar van den meester en praatte met hem onder het snuivend
lamplicht. De nieuwe klas kwam in, Heleen keek angstig toe en zag hoe
een ander meisje zich zette in haar bank, haar boeken uitlei en zich
omkeerde naar haar buur. Zij had daar nu geen plaats meer, stond voor
de banken en praatte met den meester in een zachte verblijding om de
vriendschappelijkheid van zijn glimlach en zijn woorden. Deze man was
hard voor haar geweest, had haar nimmer gespaard en dikwijls gestraft,
doch dit was voorbij en vergeten. Als een tinteling vloog door haar
heen de drang om hem iets vriendelijks te zeggen, zij ook had immers
haar deel van schuld gehad aan de gebetenheid tusschen hen beiden, maar
de tinteling vervloeide in bedroefdheid, het was nu toch alles voorbij.
Ze was groot en behoefde niet langer in de klas te zitten en ze mocht
pratend voor de banken staan, terwijl anderen leerden. Dit was de
vrijheid, naar welke ze had gedorst, komen mogen en gaan, wanneer ze
verkoos. En was ze dan nu toch weer niet blijde? Ze was van school af,
er zat een ander meisje in haar bank en de meester reikte haar de hand
als een gelijke en liet haar beloven dat ze nog eens van zich zou doen
hooren als ze een plaats gekregen had. Hoe gaarne was Heleen dien avond
nog gebleven, maar ze kon het niet vragen, het leek te dwaas, ze
treuzelde nog wat rond, maar de meester begon zijn les en Heleen ging
in donker naar huis.
De geslaagde meisjes hielden onderling een feestje; Heleen nam daaraan
deel, maar ze vermaakte zich niet. Ze had nog niet geleerd, zich met
anderen te vermaken.
Korten tijd daarna kwam er een brief van Heleen’s oom, haar verdere
toekomst betreffende. Hij stelde voor, dat Heleen voorloopig onbetaald
zou werken aan een stadsarmenschool in zijn woonplaats, waardoor het
haar gemakkelijker zou vallen een bezoldigde plaats te krijgen. Hij en
tante hadden goedgevonden, dat Heleen dien tijd bij hen aan huis zou
komen en als wederdienst voor die gastvrijheid tusschen en na haar
schooltijden helpen in de bezigheden voor het gezin. Zoo verliet Heleen
dan nu alles, waartusschen ze lange jaren had geleefd, het oude huis
aan de rivier, het holle bosch, de rietlanden en plassen, den hoogen
molen, de dorpen der Watergeuzen, geurig van hooi en stroo en mest, de
slooten met hun zoomen van riet en moerasbloemen, het bruggetje aan de
gracht, waar „de Slaaf” nog immer stond en draaide, en het oude
bibliotheekje, waar het naar wortelen en koffie rook.
Ze ging naar de Luthersche kerk op een Maandag, dat er geen dienst was,
drentelde over de boterbloemkleurige keitjes, liet den zoeten wind over
haar gesloten oogen gaan en dacht aan het meisje met den mooien naam,
het blauwe meer en het witte huis, en aan de voorbije jaren. Ze was nu
toch wel blij met haar volle vrijheid, liep stil in de voorjaarszon
naar het bibliotheekje en herdacht den heer en de dame uit „De
Fonkelende Sterren,” Valentin Jernam, Rémy en Vitalis. Er lag een
donker prentje van een kerkhof met treurwilgen en populieren. Heleen
keek er naar en voelde de oude zoete zwaarmoedigheid vol en warm in
zich aanzwellen. Het grachtje was stil, de scholen al aan, de jonge
blaadjes trilden zoetjes in den voorjaarswind. Tegen den avond van
dienzelfden dag zwierf ze de rivier langs en tusschen de ijlgroene
akkers door naar de oude kinderschool, klom over het hek en liep heen
en weer over het verlaten speelplein, waar blank regenwater lag
samengevloeid in de kuiltjes rondom de lindeboomen. Ze klauterde met
knieën en handen bij den ruwen muur omhoog en hing met de borst op de
vensterbank gedrukt om in de ledige klas te kijken. Dof en doodsch
stonden bord en banken verzonken in den schemer, het was als rook ze
krijt en stof. Meesters stoel was onder zijn tafeltje geschoven, het
scheen er al bijkans nacht binnen de halfneergelaten gordijnen, maar nu
ze scherp toekeek, onderscheidde ze toch nog de kleuren der prenten.
Daar hing „Het Gezin,” dat ze zoo innig kende van zoovele jaren; in een
trilling van leed en liefde, als waren het levende menschen, zag ze ze
allen weer, den grootvader voor het raam, met zijn tevreden lach, in
zijn ouderdom getroost, en het meisje op zijn knie, dat met gestrekten
vinger en juichende oogen naar het heerlijke, ruime landschap buiten
wees: koolzaad en blond zomerkoren; om de gedekte tafel heen de vader
en de moeder, twee jongetjes en een grooter meisje, het dampend maal
was opgezet, maar ieder wachtte en keek met teedere en eerbiedige
toegeeflijkheid glimlachend, tot Grootvader zou komen aanzitten. Waar
een zonnestraal viel op den rooden tegelvloer, lag een kleine, dikke
kerel in de wieg. Aan den anderen kant hing „Appels plukken.” Jongens
met roode wangen drongen dansend rondom den boom, waar hun lachende
vader omhoog tusschen de takken school en plukte en afwierp—, op den
achtergrond stonden kleine huizen in een kring om het kerkje heen. Aan
den overmuur waren vorm en kleuren al verder in donker verzonken, er
blonk toch nog wat purper en wat groen. „Edelen bieden het Smeekschrift
aan.” Stond de kachel nog? Er zou toch wel niet meer worden gestookt.
Daar had ze in den hoek gestaan, dien grijzen Vrijdagmiddag dat het zoo
vroor. Rio de la Plata.... een kust bloeide open, scheepjes dobberden,
blank op blauw, schapen graasden en blaatten. Hier ook had ze gezongen
„Naar het woud.... naar het woud,” en nimmermeer het heerlijk visioen
verloren van den eik in zijn kracht en den beuk in zijn pracht, die
„elkaar met zwaaiende twijgen ruischend begroeten.” Ze proefde en rook
dien voorbijen koelen herfstdag, het late uur en het gezang, en
trachtte dat lied te neuriën, maar haar stem brak, een rilling sloop
haar over hoofd en rug, haar wang lag even op het koud arduin, ze liet
zich naar beneden glijden, zonk aan den voet van den hoogen muur ineen
en schreide tot ze geen tranen meer had.
Ze ging naar den verlaten zolder, en liep er onder de binten heen en
weer, stond voor het stoffig raam en tuurde over de landen, ze snoof de
lucht van rag en vochtig stof, trok de klemmende kasten open en staarde
naar de ledige planken in een plotseling aanzwellende zoete
zwaarmoedigheid. Doch toen ze langs het gegrendelde deurtje kwam,
waarachter het weer zoo stil en richtig scheen, beving haar plotseling
in een ijzige huivering de oude angst. Ze keerde zich snel om, voelde
kilte tusschen haar schouderbladen en moest zich sterk bedwingen om
kalm de trap af te gaan en niet nog eens naar beneden te storten.
Moeder en broertjes bleven achter, vader bracht haar naar de stad. Er
werden geen wichtige woorden van afscheid gesproken, ze kreeg les noch
vermaning mede, dan dat ze oom en tante moest gerieven en haar best
doen voor een plaats. Heleen voelde niets van wat in de boekjes als
„Voor het eerst van huis” wordt beschreven. In de wachtkamer van het
station zat ze met haar vader op de houten bank tegen den muur; het was
vroege morgen, de landerijen blonken buiten de open deur over het
glanzende water, bolle musschen pikten tusschen de zonnige keitjes. Een
werkman wierp tot tijdverdrijf een cent in de speeldoos, het hoog en
wezenloos tonenspel ving aan en Heleen zag plotseling kleur van pruiken
en verf in fel licht en hoorde het radde ratelen der verbijsterde
kinderen in hun grootemenschenkleeren. Ze dacht aan Fred, lei haar
hoofd tegen den muur en wendde en keerde het in onvaste smartelijkheid.
Fred ging nu met het meisje van het feest. De trein kwam voor, opende
zich, liet menschen uit, sloot zich en vertrok. In een laatsten blik
vol heete tranen groette Heleen molen en slooten en de dorpen der
Watergeuzen.