Toen Heleen na enkele maanden een goede plaats kreeg aan een rustige
school, en van nu af aan voor zichzelf kon zorgen, werd ze door
bemiddeling van haar tante in een groot huis besteed, waar nog een
aantal andere jonge meisjes woonden. Alzoo kwam aan het samenzijn met
haar familie zonder openlijk ongenoegen een eind. Heleen’s gedruktheid
vervlood op slag voor de nieuwe verwachting en den nieuwen kans, want
ze was nog niets van haar veerkracht en vertrouwen kwijt. Het oude
leven had haar weliswaar geen rijkdom geschonken, doch het nieuwe leven
hield dien zonder twijfel voor haar bewaard. Ze voelde ook nu noch wrok
noch angst. Elkeen leefde in een band van broederschap, dit leven moest
ook voor haar bestaan. Ze wilde voortaan onverdroten uitzien naar
menschen om lief te hebben en die haar liefhebben zouden, menschen, die
ze niet zou behoeven te winnen, door zich zorgvuldig te verbergen, doch
voor wie ze daarentegen haar geheele hart openen kon, zonder dat ze
haar krenkten en beschaamden. Ze zou die menschen vinden in haar nieuwe
huis en op haar nieuwe school. Ze zou ze naderen en winnen met goeden
wil en hartelijkheid, ze zou de oogen naar hen opslaan en de armen voor
hen openen, ze wilde hun lasten dragen en hun tranen drogen, doch
daarvoor moesten de anderen dan ook haar lasten dragen en haar tranen
drogen, zoodat elkeen door elk ander rijker en blijder dan tevoren zou
zijn. Doch eenzaamheid, vernedering en onzekerheid hadden haar
zelfvertrouwen geschonden, een vrees voor pijn trilde aanhoudend in
haar wezen en onderving haar pogingen om anderen tegemoet te gaan. Ze
keek nog immer naar de menschen op als dien avond van haar eerste feest
en vroeg hunne genegenheid met verlangende oogen, doch ze wist niet,
dat menschen in hun ijdelheid gevleid en in hun zwakheden gestreeld
willen wezen, ze vergat altijd weer opnieuw, hoe menschen in elk
zakelijk geschil hun eigenliefde betrekken, en oogstte niets. Wanneer
er op school, in de pauzen en de vrije uren ondoordachte of
onrechtvaardige dingen werden beweerd, dan zweeg ze niet altijd, maar
stond voor haar meeningen of gevoelens en verweerde zich raak en sterk.
Vrees en bloohartigheid waren dan verdwenen, doch ze miste de
bedachtzaamheid om voorzichtige woorden te kiezen; ook voelde ze niet
dat dit noodig was, omdat wat ze zeide, nooit tegen de menschen, maar
uitsluitend tegen hun bedoelingen was gericht. Om diezelfde oorzaak
hield ze geen rekening met den leeftijd van menschen, die zich daarop
bij gebrek aan beter overwicht, sterk lieten voorstaan, en met haar
dienstverhouding tot hen, en daar ze aan de school de jongste en sinds
kort verbonden was, werden haar die uitingen als aanmatiging
aangerekend en niet licht vergeven.
Doch het gebeurde ook wel eens, dat de mannen haar lachend aankeken, in
de handen klapten en „bravo” riepen, terwijl de vrouwen zich dan nijdig
en zwijgend afwendden, en Heleen geloofde hierdoor aanvankelijk, dat
mannen redelijker, eerlijker, grooter en beter waren dan vrouwen en dat
ze eene meening wisten te waardeeren, die ze even te voren bestreden
hadden. Hierin werd ze versterkt door de vrouwen zelf, die haar in
schimpscheuten verweten, dat het haar om den bijval van de mannen, doch
niet om de zaak-zelf, waarbij ze immers geen enkel belang had, was te
doen geweest. Heleen verzette zich daartegen, omdat het niet waar was
en schreide bitter en boos, zooals ze als kind gedaan had, wanneer de
menschen haar niet geloofden, en dit vervreemdde haar meer dan al het
andere van de anderen.
Toen Heleen echter bemerkte, wat ze wel bemerken moest, dat ze er
inderdaad lichter in slaagde de vriendelijkheid en de genegenheid der
mannen dan die der vrouwen te winnen, ging haar dankbare
wedergenegenheid als een warme en krachtige stroom naar hen uit. Het
duurde niet lang, en toen wist ze al wel, dat een man met een glimlach
veroverd en met een vriendelijk woord beloond is. Een verschiet van
vreugde bloeide voor haar open, bestond er inderdaad iets blijders in
de wereld om elkaar mee rijk te maken dan een glimlach en een
vriendelijk woord? Ze gaf in overdaad van haar overdaad en ontving
vleierijen als wedergave. Thuis overdacht ze die, proefde peinzend de
woorden, die openlijk of bedekt haar lieflijkheid prezen, en ze
herinnerde zich het eerste gedichtje van haar eerste vriendje,... haar
oogen als zachte, blauwe vlammen, haar glimlach bekoorlijk.... Was dit
alles zoo, was dit werkelijk zoo? Was ze niet leelijk en linksch en
onaanzienlijk, zooals ze het had gewaand bij haar pronkerige nichtjes?
En zouden de menschen en hun liefde dan dáármee te winnen zijn? Had ze
misgetast hopend en misgetast wanhopend? Zou ze nog langer naar de
menschen opzien met oogen, die edelmoedigheid en trouw beloofden, nu ze
wist, wat met bekoorlijkheid te winnen is? Zoo groeide in Heleen het
voornemen, zooveel mogelijk te bekoren, ten einde zooveel mogelijk
genegenheid te winnen.
Het weinige geld, dat Heleen overhield, besteedde ze in vele kleine
gaven aan ouden, armen en gebrekkigen, die ze kende van haar weg naar
de school. Maar ze gaf nimmer iets weg, zonder er den glimlach van haar
oogen bij weg te schenken. Het ontvangen van het geld was hun aandeel,
maar het wegschenken van den glimlach het hare in de gemeenschappelijke
vreugde. De schamele grijsaard, die in de schaduw van een kerk stond
bij de school en die altijd het hoofd gebukt hield om het licht te
weren van zijn tranende, verzwakte oogen, kende alreeds haar hand en
hief verblijd en snel het hoofd omhoog, dat hij Heleen’s glimlach zien
en met knik en trillenden vreugdelach loonen zou. En Heleen voelde dat
in dat oogenblik een band van teedere menschenliefde haar aan dien
bedelaar bond en dat hij haar natuurde, omdat haar oogen een lichtspoor
van vreugde hadden gelaten in zijn oud en vertreden hart. Zoo mengde
zich haar oude deernis met haar ontwakende behaagzucht tot een vol en
blij gevoel.
Onder de menschen gaan, zich lieflijk tusschen hen bewegen, hen
bekoren—, hierin zag Heleen plotseling een uitzicht op onuitputtelijke
levensvreugd, en wel zoo zeer, dat ze niet twijfelde, of anderen
moesten die begeerte met haar deelen en ook vóór alles bekoren willen,
zoodat de beklagenswaardigste wezens de onbekoorlijken waren. Ze zocht
dus anderen die fijne vreugde evenzoo te bereiden. Soms glimlachte ze
vriendelijk tegen een leelijken, vreemden man, die tegenover haar in
een tramwagen zat en dan verward en verblijd zijn oogen neersloeg en
verder ging in de meening, dat ook hij eenmaal een meisje had bekoord
en misschien toch niet geheel en al leelijk en onaanzienlijk was. Ze
gevoelde ook wel den onweerhoudbaren lust, menschen die ze kende,
verfijnde vleierijen te zeggen over hun uiterlijk, hun daden en hun
werk, zonder die in hun beteekenis geheel en al te willen overzien,
louter om de vreugde, voor haar om ze te mogen zeggen, voor hen om ze
te mogen hooren. Ze had uit haar kinderjaren de liefde voor
schoonklinkende woorden behouden en koos bij voorkeur de mooiste
woorden voor de liefste dingen, als schroom haar niet weerhield. Ze
ademde gaarne in den glanzend-warmen damp, opstijgend uit vleierijen,
gezegd en aangehoord—, doch het grof misverstaan van de menschen, en
hun domme ijdelheid, die meende dat ze, anderen vleiend, zichzelf
verkleinde en haar kleinachtend zochten te behandelen, of die haar
verdachten van vleien om te verkrijgen, joeg somwijlen een schuimenden
drift in Heleen op en dwong haar die neiging in zichzelf te keeren.
Soms was ze moedwillig heftig en hard jegens wie zich haar meerderen
achtten, opdat niemand aan haar moed zou twijfelen, en altijd
vriendelijk jegens zoogenaamde minderen, van wie ze derhalve niets te
verwachten had dan de dankbaarheid van hun hart, die ze haar zonder
achtergedachten konden geven. Doch bij lange na niet steeds handhaafde
Heleen kieskeurigheid en zelfbedwang. Daar zijzelf zooveel had geleden
onder misverstaan en verstooting, vreesde ze zéér dit anderen aan te
doen, ze wees dus nimmer eenig mensch terug, die om vriendschap of hulp
bij haar kwam. De liefde van de menschen en hun waardeering, reeds het
enkele feit, dat ze haar opmerkten en zochten, dit alles zóó lang
ontbeerd, leek haar bovendien zoodanig kostbaar, dat het gretig moest
aanvaard en nimmer teruggewezen mocht worden. Te bemerken, dat iemand
haar aantrekkelijk vond, bewoog haar dankbaarheid tot tranen toe en de
persoonlijke waarde van hen, die aldus vleiend tot haar kwamen, leek
haar van gering belang. Daardoor verwierf ze te plotseling, te veel en
te losse vriendschap en bijtijden drong het alreeds pijnlijk tot haar
door, dat de hare maar weinig werd gewaardeerd, omdat ze zoo licht was
te winnen en dat zij-zelf soms werd bejegend met een gemeenzaamheid,
die dan meer geringschatting was dan vrije kameraadschap.