XIII.

Toen Heleen na enkele maanden een goede plaats kreeg aan een rustige

school, en van nu af aan voor zichzelf kon zorgen, werd ze door

bemiddeling van haar tante in een groot huis besteed, waar nog een

aantal andere jonge meisjes woonden. Alzoo kwam aan het samenzijn met

haar familie zonder openlijk ongenoegen een eind. Heleen’s gedruktheid

vervlood op slag voor de nieuwe verwachting en den nieuwen kans, want

ze was nog niets van haar veerkracht en vertrouwen kwijt. Het oude

leven had haar weliswaar geen rijkdom geschonken, doch het nieuwe leven

hield dien zonder twijfel voor haar bewaard. Ze voelde ook nu noch wrok

noch angst. Elkeen leefde in een band van broederschap, dit leven moest

ook voor haar bestaan. Ze wilde voortaan onverdroten uitzien naar

menschen om lief te hebben en die haar liefhebben zouden, menschen, die

ze niet zou behoeven te winnen, door zich zorgvuldig te verbergen, doch

voor wie ze daarentegen haar geheele hart openen kon, zonder dat ze

haar krenkten en beschaamden. Ze zou die menschen vinden in haar nieuwe

huis en op haar nieuwe school. Ze zou ze naderen en winnen met goeden

wil en hartelijkheid, ze zou de oogen naar hen opslaan en de armen voor

hen openen, ze wilde hun lasten dragen en hun tranen drogen, doch

daarvoor moesten de anderen dan ook haar lasten dragen en haar tranen

drogen, zoodat elkeen door elk ander rijker en blijder dan tevoren zou

zijn. Doch eenzaamheid, vernedering en onzekerheid hadden haar

zelfvertrouwen geschonden, een vrees voor pijn trilde aanhoudend in

haar wezen en onderving haar pogingen om anderen tegemoet te gaan. Ze

keek nog immer naar de menschen op als dien avond van haar eerste feest

en vroeg hunne genegenheid met verlangende oogen, doch ze wist niet,

dat menschen in hun ijdelheid gevleid en in hun zwakheden gestreeld

willen wezen, ze vergat altijd weer opnieuw, hoe menschen in elk

zakelijk geschil hun eigenliefde betrekken, en oogstte niets. Wanneer

er op school, in de pauzen en de vrije uren ondoordachte of

onrechtvaardige dingen werden beweerd, dan zweeg ze niet altijd, maar

stond voor haar meeningen of gevoelens en verweerde zich raak en sterk.

Vrees en bloohartigheid waren dan verdwenen, doch ze miste de

bedachtzaamheid om voorzichtige woorden te kiezen; ook voelde ze niet

dat dit noodig was, omdat wat ze zeide, nooit tegen de menschen, maar

uitsluitend tegen hun bedoelingen was gericht. Om diezelfde oorzaak

hield ze geen rekening met den leeftijd van menschen, die zich daarop

bij gebrek aan beter overwicht, sterk lieten voorstaan, en met haar

dienstverhouding tot hen, en daar ze aan de school de jongste en sinds

kort verbonden was, werden haar die uitingen als aanmatiging

aangerekend en niet licht vergeven.

Doch het gebeurde ook wel eens, dat de mannen haar lachend aankeken, in

de handen klapten en „bravo” riepen, terwijl de vrouwen zich dan nijdig

en zwijgend afwendden, en Heleen geloofde hierdoor aanvankelijk, dat

mannen redelijker, eerlijker, grooter en beter waren dan vrouwen en dat

ze eene meening wisten te waardeeren, die ze even te voren bestreden

hadden. Hierin werd ze versterkt door de vrouwen zelf, die haar in

schimpscheuten verweten, dat het haar om den bijval van de mannen, doch

niet om de zaak-zelf, waarbij ze immers geen enkel belang had, was te

doen geweest. Heleen verzette zich daartegen, omdat het niet waar was

en schreide bitter en boos, zooals ze als kind gedaan had, wanneer de

menschen haar niet geloofden, en dit vervreemdde haar meer dan al het

andere van de anderen.

Toen Heleen echter bemerkte, wat ze wel bemerken moest, dat ze er

inderdaad lichter in slaagde de vriendelijkheid en de genegenheid der

mannen dan die der vrouwen te winnen, ging haar dankbare

wedergenegenheid als een warme en krachtige stroom naar hen uit. Het

duurde niet lang, en toen wist ze al wel, dat een man met een glimlach

veroverd en met een vriendelijk woord beloond is. Een verschiet van

vreugde bloeide voor haar open, bestond er inderdaad iets blijders in

de wereld om elkaar mee rijk te maken dan een glimlach en een

vriendelijk woord? Ze gaf in overdaad van haar overdaad en ontving

vleierijen als wedergave. Thuis overdacht ze die, proefde peinzend de

woorden, die openlijk of bedekt haar lieflijkheid prezen, en ze

herinnerde zich het eerste gedichtje van haar eerste vriendje,... haar

oogen als zachte, blauwe vlammen, haar glimlach bekoorlijk.... Was dit

alles zoo, was dit werkelijk zoo? Was ze niet leelijk en linksch en

onaanzienlijk, zooals ze het had gewaand bij haar pronkerige nichtjes?

En zouden de menschen en hun liefde dan dáármee te winnen zijn? Had ze

misgetast hopend en misgetast wanhopend? Zou ze nog langer naar de

menschen opzien met oogen, die edelmoedigheid en trouw beloofden, nu ze

wist, wat met bekoorlijkheid te winnen is? Zoo groeide in Heleen het

voornemen, zooveel mogelijk te bekoren, ten einde zooveel mogelijk

genegenheid te winnen.

Het weinige geld, dat Heleen overhield, besteedde ze in vele kleine

gaven aan ouden, armen en gebrekkigen, die ze kende van haar weg naar

de school. Maar ze gaf nimmer iets weg, zonder er den glimlach van haar

oogen bij weg te schenken. Het ontvangen van het geld was hun aandeel,

maar het wegschenken van den glimlach het hare in de gemeenschappelijke

vreugde. De schamele grijsaard, die in de schaduw van een kerk stond

bij de school en die altijd het hoofd gebukt hield om het licht te

weren van zijn tranende, verzwakte oogen, kende alreeds haar hand en

hief verblijd en snel het hoofd omhoog, dat hij Heleen’s glimlach zien

en met knik en trillenden vreugdelach loonen zou. En Heleen voelde dat

in dat oogenblik een band van teedere menschenliefde haar aan dien

bedelaar bond en dat hij haar natuurde, omdat haar oogen een lichtspoor

van vreugde hadden gelaten in zijn oud en vertreden hart. Zoo mengde

zich haar oude deernis met haar ontwakende behaagzucht tot een vol en

blij gevoel.

Onder de menschen gaan, zich lieflijk tusschen hen bewegen, hen

bekoren—, hierin zag Heleen plotseling een uitzicht op onuitputtelijke

levensvreugd, en wel zoo zeer, dat ze niet twijfelde, of anderen

moesten die begeerte met haar deelen en ook vóór alles bekoren willen,

zoodat de beklagenswaardigste wezens de onbekoorlijken waren. Ze zocht

dus anderen die fijne vreugde evenzoo te bereiden. Soms glimlachte ze

vriendelijk tegen een leelijken, vreemden man, die tegenover haar in

een tramwagen zat en dan verward en verblijd zijn oogen neersloeg en

verder ging in de meening, dat ook hij eenmaal een meisje had bekoord

en misschien toch niet geheel en al leelijk en onaanzienlijk was. Ze

gevoelde ook wel den onweerhoudbaren lust, menschen die ze kende,

verfijnde vleierijen te zeggen over hun uiterlijk, hun daden en hun

werk, zonder die in hun beteekenis geheel en al te willen overzien,

louter om de vreugde, voor haar om ze te mogen zeggen, voor hen om ze

te mogen hooren. Ze had uit haar kinderjaren de liefde voor

schoonklinkende woorden behouden en koos bij voorkeur de mooiste

woorden voor de liefste dingen, als schroom haar niet weerhield. Ze

ademde gaarne in den glanzend-warmen damp, opstijgend uit vleierijen,

gezegd en aangehoord—, doch het grof misverstaan van de menschen, en

hun domme ijdelheid, die meende dat ze, anderen vleiend, zichzelf

verkleinde en haar kleinachtend zochten te behandelen, of die haar

verdachten van vleien om te verkrijgen, joeg somwijlen een schuimenden

drift in Heleen op en dwong haar die neiging in zichzelf te keeren.

Soms was ze moedwillig heftig en hard jegens wie zich haar meerderen

achtten, opdat niemand aan haar moed zou twijfelen, en altijd

vriendelijk jegens zoogenaamde minderen, van wie ze derhalve niets te

verwachten had dan de dankbaarheid van hun hart, die ze haar zonder

achtergedachten konden geven. Doch bij lange na niet steeds handhaafde

Heleen kieskeurigheid en zelfbedwang. Daar zijzelf zooveel had geleden

onder misverstaan en verstooting, vreesde ze zéér dit anderen aan te

doen, ze wees dus nimmer eenig mensch terug, die om vriendschap of hulp

bij haar kwam. De liefde van de menschen en hun waardeering, reeds het

enkele feit, dat ze haar opmerkten en zochten, dit alles zóó lang

ontbeerd, leek haar bovendien zoodanig kostbaar, dat het gretig moest

aanvaard en nimmer teruggewezen mocht worden. Te bemerken, dat iemand

haar aantrekkelijk vond, bewoog haar dankbaarheid tot tranen toe en de

persoonlijke waarde van hen, die aldus vleiend tot haar kwamen, leek

haar van gering belang. Daardoor verwierf ze te plotseling, te veel en

te losse vriendschap en bijtijden drong het alreeds pijnlijk tot haar

door, dat de hare maar weinig werd gewaardeerd, omdat ze zoo licht was

te winnen en dat zij-zelf soms werd bejegend met een gemeenzaamheid,

die dan meer geringschatting was dan vrije kameraadschap.

Heleen · 第 14 / 29 题