Heleen geraakte nu in dien leeftijd en in dien staat, dat ze de scherts
ging verachten als het deel der minderwaardigen en zich verbeeldde, dat
ze een afkeer van vroolijk kermisvieren en van elke blijgeestigheid
had, schoon ze als kind met al haar zwaarmoedigheid altijd goedlachsch
om grappige dingen was geweest en zich al jong had vermaakt met de
dwaze teekeningen en onbeholpen spelfouten op winkeltjes en
kermistenten. Haar afkeer echter kwam hieruit voort, dat ze uit haar
omgeving alleen grove scherts, geestelooze grappigheid en ruw
feestvieren kende, en niet vermoedde, dat ook hierin het edele en
verhevene zich openbaren kan. Het had zich voor haar tot nu toe
uitsluitend in den zwaarwichtigen, bijkans somberen romanvorm
voorgedaan, en ze had het onwetend daarmee vereenzelvigd. Haar besluit,
dat ze niemand meer hinderen en verdrieten zou, bracht mee, dat ze het
schrijven van spotgedichten naliet—, ze verviel in de klas tot rust.
Evenwel beschouwden de meisjes haar nu als een der hunnen, de gunst van
een jongen had Heleen in hun oogen verheven en Dieuwertje alleen bleef
achterafgezet. Heleen bemerkte het met eenige bevreemding en moest het
wel begrijpen, maar het verheugde haar niet meer, ze ontweek toch hun
gezelschap om de plagerijen, ze was overgevoelig, schreide gauw en
wilde niet uitgelachen wezen.
Alle dingen behielden nu dagelijks het heerlijk-bevangende, dat wat
niet te noemen, maar te gevoelen is; het hing over akkers en riet en
water als onzichtbare damp, het trok met de wolken mee over de toppen
der boomen en verzoette des avondwinds klacht tot een zacht geschrei
van blijde pijn.
Alle neerslachtigheid vlood voor dien weemoed, er was geluk in iederen
dag, geluk in iedere daad, in werken en denken, in ademen en in gaan.
Een volheid was in haar gekomen.... als was een onbekende en
onuitgesproken wensch geheel vervuld, als had ze plotseling het
antwoord op al haar smartelijke en onvaste vragen verkregen. Als ze
alleen was, zat ze stil en peinsde met verwonderde oogen, hoe ze toch
zoo lange jaren het leven zonder dit geluk had kunnen dragen en zuchtte
van verrukking omdat ze het nu ten leste toch en zoo onverwacht en naar
ze meende wel voor goed had binnengeoogst. Ze liep glimlachend onder de
duistere binten en bespiedde den groei der bleeke zwammen, die ze als
kind niet had durven gadeslaan. Ze was voor het eerst van haar leven op
den spokenzolder niet meer bang. Op een dag overdacht ze dit en
herinnerde zich, dat eens haar deftige oom haar om dien angst had
berispt en van een kwaad geweten had gesproken, als het eenige dat
angst aanjagen kon, zonder dat ze hem toen begrepen had. Zou een goed
geweten dan hetzelfde beduiden als gelukkig zijn? In sneeuwjacht en
gierenden storm doolde ze door het bosch en langs de verlaten plassen,
staarde in het water, dat troebel was van schuim en in de woeste vormen
der wolken, laag aan den horizon, waar een bleeke lichtglans uit
vandaan en over de golven heen verschoot. Iedere gedachte stond dan
stil, ieder gepeins was geëindigd, ze staarde en stond, liep weer
verder, neuriede, stond weer, en staarde, ze was niets dan een
trillende damp van geluk, warend waarheen ze gedreven werd, zonder
richting of eigen wil.
Doch langzaam aan, onbemerkt en vaag in den aanvang, dan duidelijk en
beangstigend, drong een benauwdheid haar vreugde binnen. Het was om een
ding in haar zelf, dat ze leed, maar niet begreep, een vreemde
prikkelbaarheid, een dwaze veeleischendheid. Zij, die met elkeen zonder
morren tevreden was geweest, zooals ze zich voordeden, wat wilde ze
toch van hem? Mocht hij niet lachen en schertsen en lichtvaardig
babbelen, moest hij anders zijn dan de anderen, hij alleen? Waarom
zweepte het geringste haar op tot schreien en verwijt, tot een sombere
prikkelbaarheid, sloeg haar blijde stemmingen neer, zonder dat ze het
weerhouden kon, zoodat zij pruilde en mokte, tot hij norsch er tegen in
ging en ze boos van elkander wegliepen? Ze begreep zichzelf niet, het
maakte haar bang en schuw en wond haar op tot wanhoop. Kwam ze na zulk
een bedorven samenzijn terug in huis, dan wierp ze zich als een ziek
dier in een hoek, kreunde van snijdende smart, antwoordde niet,
verweerde zich niet, weigerde naar school te gaan en wenschte, de
lange, nachtelijke uren door, dat ze den morgen niet halen zou, om het
ontwaken te ontgaan, dat zulk een herinnering achter zich aan sleepte.
Den volgenden dag was ze bleek, kon niet eten, liet haar werk liggen,
opende geen enkel boek—, dan kwam in den middag een briefje van haar
vriend met vluchtige woorden van teedere vleierij, en het leed lag
geveld. Verbaasd uit haar tranen keek Heleen erop neer. Was het wel zóó
erg geweest? Maar een volgende maal leed ze weer even sterk en even
fel, nadat dezelfde dingen voorafgegaan waren.
Ook deerde haar zeer het gepraat en geplaag op school, de verholen
schimp van juffrouw en meesters, het bitse stoken van de meisjes. Het
kameraadje van het feest meldde Heleen bijna dagelijks nieuw,
lichtvaardig kwaad, dat ze van Fred vernomen had, hij was een echte
meisjesgek, wandelde niet alleen met Heleen, maar ook wel met anderen
in donker-avond en dichtte gedichtjes voor al zijn kennisjes. Heleen
moest maar gaan kijken achter de kerk, als ze het niet geloofde! Heleen
moest maar navragen bij deze en bij gene! Als ze dus gehoopt had op
verloven en trouwen, en als het haar daarom te doen was, dan zou het
haar tegenvallen, want Fred dacht daar niet over. Doch Heleen dacht
nooit aan verloven en trouwen, ze had geen andere begeerte dan dat Fred
haar echte vriend zou zijn en blijven en dat ze te zamen het leven uit
de boeken, dat haar nog immer licht te verwezenlijken scheen, het
oprechte, eenvoudige, vrije, heldhaftige, dat was als ruim, blauw water
met opspattend schuim in de zon, zouden leven. En ze sloeg aan het
kwaad geen geloof. Doch toen het kameraadje eenige dagen later
inderdaad een blaadje papier meebracht met een versje op haar roode
wangen, waarin Heleen woorden en regels herkende van het versje, dat
hij haar enkele weken geleden had toegezonden en haar tegelijk
vertelde, dat Fred alles wist—maar niet door haar—van Heleen’s nieuwe
jurk en haar baaien rok, en dat ze er samen om gelachen hadden, werd
Heleen zoo teugelloos bedroefd, dat ze het niet verbergen kon. Ze
leunde tegen den muur en schreide van pijn. Thuis schreef ze met
afgewend hoofd en stroomende oogen een briefje en trilde in haar
zelfbeklag. Was Fred haar vriend of van alle meisjes te zamen en had
hij inderdaad voor alle meisjes de liefkoozingen, die zij bevende van
hem ontving en als schatten bewaarde?
Fred schreef hierop een half-grappig briefje en beklaagde zich over
Heleen’s prikkelbaarheid en beloofde haar, dat hij haar van haar
zwaarwichtigheid genezen en weer vroolijk maken zou.
In dienzelfden avond wachtte hij Heleen voor de schooldeur en ze liepen
snel te zamen in donker heen. Onderweg vertelde hij Heleen, terwijl hij
haar arm in den zijnen hield gekneld, van een plan, dat hij had
verzonnen; ze zouden te kermis gaan in het dorp over de plassen, het
dorp van de Watergeuzen, hij en Heleen en het vriendinnetje van het
feest, maar Heleen zou zijn echte meisje zijn. Ze moesten beiden
wegblijven uit de les en zich van thuis zien vrij te maken. Ze zouden
in alle tenten binnen gaan en de dikke dame en den man met de
wassenbeelden zien. Wilde Heleen dat? Heleen zweeg en beefde, ze had
hem willen beduiden, dat ze dit met hem niet wilde en dit met hem niet
kon, maar ze vond geen woorden en ze vond geen moed. Het leek haar
plotseling te zwaar, er lag al te veel tusschen hen in, een verschil,
dat aanhoudend misverstand kweekte en waar geen baat voor was. Wat
moesten woorden nog doen, als dit de eenige troost was die hij geven
kon, na haar briefje? Daarom bedwong ze zich sterk tot kalmte, gaf haar
hand, liet zich kussen en beloofde dat ze er over spreken en schrijven
zou. Thuis schreef ze hem onmiddellijk, dat ze hem niet en nooit meer
wilde zien, verzond dien brief, schreide niet, doch was roerloos, liep
roerloos, praatte roerloos, lei zich roerloos in haar bed en waakte
zonder klacht of tranen met gesloten lippen de donkere uren door. Iets
als een voorgevoel, dat jegens anderen het zwijgen alleen haar overig
zou blijven, kwam op haar af. Ze bleef drie dagen achtereen zwervend
weg van de school, werd betrapt, voor enkele weken verjaagd, liet zich
die weken niet zien en kwam daarna slap en stil en tam in de klas
terug.