X.

Heleen geraakte nu in dien leeftijd en in dien staat, dat ze de scherts

ging verachten als het deel der minderwaardigen en zich verbeeldde, dat

ze een afkeer van vroolijk kermisvieren en van elke blijgeestigheid

had, schoon ze als kind met al haar zwaarmoedigheid altijd goedlachsch

om grappige dingen was geweest en zich al jong had vermaakt met de

dwaze teekeningen en onbeholpen spelfouten op winkeltjes en

kermistenten. Haar afkeer echter kwam hieruit voort, dat ze uit haar

omgeving alleen grove scherts, geestelooze grappigheid en ruw

feestvieren kende, en niet vermoedde, dat ook hierin het edele en

verhevene zich openbaren kan. Het had zich voor haar tot nu toe

uitsluitend in den zwaarwichtigen, bijkans somberen romanvorm

voorgedaan, en ze had het onwetend daarmee vereenzelvigd. Haar besluit,

dat ze niemand meer hinderen en verdrieten zou, bracht mee, dat ze het

schrijven van spotgedichten naliet—, ze verviel in de klas tot rust.

Evenwel beschouwden de meisjes haar nu als een der hunnen, de gunst van

een jongen had Heleen in hun oogen verheven en Dieuwertje alleen bleef

achterafgezet. Heleen bemerkte het met eenige bevreemding en moest het

wel begrijpen, maar het verheugde haar niet meer, ze ontweek toch hun

gezelschap om de plagerijen, ze was overgevoelig, schreide gauw en

wilde niet uitgelachen wezen.

Alle dingen behielden nu dagelijks het heerlijk-bevangende, dat wat

niet te noemen, maar te gevoelen is; het hing over akkers en riet en

water als onzichtbare damp, het trok met de wolken mee over de toppen

der boomen en verzoette des avondwinds klacht tot een zacht geschrei

van blijde pijn.

Alle neerslachtigheid vlood voor dien weemoed, er was geluk in iederen

dag, geluk in iedere daad, in werken en denken, in ademen en in gaan.

Een volheid was in haar gekomen.... als was een onbekende en

onuitgesproken wensch geheel vervuld, als had ze plotseling het

antwoord op al haar smartelijke en onvaste vragen verkregen. Als ze

alleen was, zat ze stil en peinsde met verwonderde oogen, hoe ze toch

zoo lange jaren het leven zonder dit geluk had kunnen dragen en zuchtte

van verrukking omdat ze het nu ten leste toch en zoo onverwacht en naar

ze meende wel voor goed had binnengeoogst. Ze liep glimlachend onder de

duistere binten en bespiedde den groei der bleeke zwammen, die ze als

kind niet had durven gadeslaan. Ze was voor het eerst van haar leven op

den spokenzolder niet meer bang. Op een dag overdacht ze dit en

herinnerde zich, dat eens haar deftige oom haar om dien angst had

berispt en van een kwaad geweten had gesproken, als het eenige dat

angst aanjagen kon, zonder dat ze hem toen begrepen had. Zou een goed

geweten dan hetzelfde beduiden als gelukkig zijn? In sneeuwjacht en

gierenden storm doolde ze door het bosch en langs de verlaten plassen,

staarde in het water, dat troebel was van schuim en in de woeste vormen

der wolken, laag aan den horizon, waar een bleeke lichtglans uit

vandaan en over de golven heen verschoot. Iedere gedachte stond dan

stil, ieder gepeins was geëindigd, ze staarde en stond, liep weer

verder, neuriede, stond weer, en staarde, ze was niets dan een

trillende damp van geluk, warend waarheen ze gedreven werd, zonder

richting of eigen wil.

Doch langzaam aan, onbemerkt en vaag in den aanvang, dan duidelijk en

beangstigend, drong een benauwdheid haar vreugde binnen. Het was om een

ding in haar zelf, dat ze leed, maar niet begreep, een vreemde

prikkelbaarheid, een dwaze veeleischendheid. Zij, die met elkeen zonder

morren tevreden was geweest, zooals ze zich voordeden, wat wilde ze

toch van hem? Mocht hij niet lachen en schertsen en lichtvaardig

babbelen, moest hij anders zijn dan de anderen, hij alleen? Waarom

zweepte het geringste haar op tot schreien en verwijt, tot een sombere

prikkelbaarheid, sloeg haar blijde stemmingen neer, zonder dat ze het

weerhouden kon, zoodat zij pruilde en mokte, tot hij norsch er tegen in

ging en ze boos van elkander wegliepen? Ze begreep zichzelf niet, het

maakte haar bang en schuw en wond haar op tot wanhoop. Kwam ze na zulk

een bedorven samenzijn terug in huis, dan wierp ze zich als een ziek

dier in een hoek, kreunde van snijdende smart, antwoordde niet,

verweerde zich niet, weigerde naar school te gaan en wenschte, de

lange, nachtelijke uren door, dat ze den morgen niet halen zou, om het

ontwaken te ontgaan, dat zulk een herinnering achter zich aan sleepte.

Den volgenden dag was ze bleek, kon niet eten, liet haar werk liggen,

opende geen enkel boek—, dan kwam in den middag een briefje van haar

vriend met vluchtige woorden van teedere vleierij, en het leed lag

geveld. Verbaasd uit haar tranen keek Heleen erop neer. Was het wel zóó

erg geweest? Maar een volgende maal leed ze weer even sterk en even

fel, nadat dezelfde dingen voorafgegaan waren.

Ook deerde haar zeer het gepraat en geplaag op school, de verholen

schimp van juffrouw en meesters, het bitse stoken van de meisjes. Het

kameraadje van het feest meldde Heleen bijna dagelijks nieuw,

lichtvaardig kwaad, dat ze van Fred vernomen had, hij was een echte

meisjesgek, wandelde niet alleen met Heleen, maar ook wel met anderen

in donker-avond en dichtte gedichtjes voor al zijn kennisjes. Heleen

moest maar gaan kijken achter de kerk, als ze het niet geloofde! Heleen

moest maar navragen bij deze en bij gene! Als ze dus gehoopt had op

verloven en trouwen, en als het haar daarom te doen was, dan zou het

haar tegenvallen, want Fred dacht daar niet over. Doch Heleen dacht

nooit aan verloven en trouwen, ze had geen andere begeerte dan dat Fred

haar echte vriend zou zijn en blijven en dat ze te zamen het leven uit

de boeken, dat haar nog immer licht te verwezenlijken scheen, het

oprechte, eenvoudige, vrije, heldhaftige, dat was als ruim, blauw water

met opspattend schuim in de zon, zouden leven. En ze sloeg aan het

kwaad geen geloof. Doch toen het kameraadje eenige dagen later

inderdaad een blaadje papier meebracht met een versje op haar roode

wangen, waarin Heleen woorden en regels herkende van het versje, dat

hij haar enkele weken geleden had toegezonden en haar tegelijk

vertelde, dat Fred alles wist—maar niet door haar—van Heleen’s nieuwe

jurk en haar baaien rok, en dat ze er samen om gelachen hadden, werd

Heleen zoo teugelloos bedroefd, dat ze het niet verbergen kon. Ze

leunde tegen den muur en schreide van pijn. Thuis schreef ze met

afgewend hoofd en stroomende oogen een briefje en trilde in haar

zelfbeklag. Was Fred haar vriend of van alle meisjes te zamen en had

hij inderdaad voor alle meisjes de liefkoozingen, die zij bevende van

hem ontving en als schatten bewaarde?

Fred schreef hierop een half-grappig briefje en beklaagde zich over

Heleen’s prikkelbaarheid en beloofde haar, dat hij haar van haar

zwaarwichtigheid genezen en weer vroolijk maken zou.

In dienzelfden avond wachtte hij Heleen voor de schooldeur en ze liepen

snel te zamen in donker heen. Onderweg vertelde hij Heleen, terwijl hij

haar arm in den zijnen hield gekneld, van een plan, dat hij had

verzonnen; ze zouden te kermis gaan in het dorp over de plassen, het

dorp van de Watergeuzen, hij en Heleen en het vriendinnetje van het

feest, maar Heleen zou zijn echte meisje zijn. Ze moesten beiden

wegblijven uit de les en zich van thuis zien vrij te maken. Ze zouden

in alle tenten binnen gaan en de dikke dame en den man met de

wassenbeelden zien. Wilde Heleen dat? Heleen zweeg en beefde, ze had

hem willen beduiden, dat ze dit met hem niet wilde en dit met hem niet

kon, maar ze vond geen woorden en ze vond geen moed. Het leek haar

plotseling te zwaar, er lag al te veel tusschen hen in, een verschil,

dat aanhoudend misverstand kweekte en waar geen baat voor was. Wat

moesten woorden nog doen, als dit de eenige troost was die hij geven

kon, na haar briefje? Daarom bedwong ze zich sterk tot kalmte, gaf haar

hand, liet zich kussen en beloofde dat ze er over spreken en schrijven

zou. Thuis schreef ze hem onmiddellijk, dat ze hem niet en nooit meer

wilde zien, verzond dien brief, schreide niet, doch was roerloos, liep

roerloos, praatte roerloos, lei zich roerloos in haar bed en waakte

zonder klacht of tranen met gesloten lippen de donkere uren door. Iets

als een voorgevoel, dat jegens anderen het zwijgen alleen haar overig

zou blijven, kwam op haar af. Ze bleef drie dagen achtereen zwervend

weg van de school, werd betrapt, voor enkele weken verjaagd, liet zich

die weken niet zien en kwam daarna slap en stil en tam in de klas

terug.

Heleen · 第 11 / 29 题