IX.

Heleens meer dan vroeger deelnemen aan het leven in de klas had tot

gevolg, dat ze in hetzelfde jaar, waarin ze achttien werd, door een van

de meisjes tot een feestje met een danspartij werd meegenoodigd. Het

meisje zei er echter bij, dat ze alleen wilde gaan met Heleen, als

Heleen nu eens een echte, nieuwe jurk kreeg. Heleen was nog nimmer naar

een feest geweest en bezat dus geen feestkleedij; tot nu toe had ze

zonder verzet de kleeren van haar tante in goeden doen gedragen. Ze

kreeg een kleur bij het beding en wendde zich pijnlijk en vernederd af,

met weer dat gevoel, of ze te goed was voor ’t geen ze zich liet

welgevallen; maar haar kans hing er aan, ze voelde plotseling begeerte,

ook eens naar een feest te gaan, dus bracht ze thuis die boodschap over

en vroeg haar vader om geld. Hij en moeder overlegden en Heleen zou

haar zin krijgen. Dien avond tobde ze in zichzelf over het aankoopen,

het kiezen van stof en maaksel voor de jurk, en daar noch haar moeder,

noch zijzelf, ervaring of bedrevenheid in die dingen had, ging Heleen

ten leste met het geld in de hand naar school, bekende oprecht haar

onverstand en vroeg het vriendinnetje haar hulp. Die was daarmee

gevleid en vergezelde Heleen den volgenden dag naar een winkel, waar ze

snibbig koos en keurde, zoodat Heleen zich vol schaamte afwendde en

niet begreep, hoe iemand andere menschen zoo kon laten draven en

uithalen en weer bergen zonder een enkel vriendelijk of

verontschuldigend woord—en zich daarna verweet, dat ze ondankbaar was,

haar kameraadje onrecht deed. Uit den winkel gingen de meisjes te zamen

naar een naaister, die liet Heleen haar jurk uitdoen om haar lengten en

breedten te meten. Heleen zag dat ze elkaar aankeken en toen allebei

snuivend lachten; ze begreep ineens dat het om haar bruine baaien

onderrok was, en werd donkerrood van schaamte.

Op den dag van het feest kwam wit en stijf, rozerood bestrikt aan

middel en schouders, Heleen in de klas, bang en blij, en ook wel wat

pijnlijk en vernederd, want ze wist dat haar kameraadje in de heele

klas had rondverteld, dat ze haar eigen jurk niet had kunnen koopen,

weinig geld ervoor had gekregen en een baaien onderrok droeg.

Na de les gingen ze met haar tweeën, gejaagd stappend, naar de

feestzaal toe, waar gezongen, comedie-gespeeld en gedanst zou worden.

Het was al laat en het was al vol, achter gesloten rijen van Zondagsche

jongens en meisjes en van oudere menschen in deftig zwart of kleurige

feestkleedij vonden ze nog plaats op matten stoelen. Het meisje naast

Heleen knikte links en rechts, hoofden wendden en keerden zich in de

rijen voor hen, toen ging plotseling het zaallicht uit, het scherm

schoof snel naar weerskanten opzij en in den fellen glans op het

tooneel zag Heleen tot haar lichten schrik, want ze had het nog nooit

meegemaakt en alles ging zoo gauw, een gewemel van menschen met

hooggekleurde gezichten en bonte kleeren. Ze hoorde een roezemoes van

praten en lachen, dat haar door zijn wezenloosheid deed denken aan het

voorspel van de muziekdoos in de stationswachtkamer, als ze het deuntje

nog niet herkend had, tot ze eindelijk wat begon te verstaan en

bemerkte, dat het verkleede kinderen waren. Ze speelden een stukje vol

zotte toestanden en verwarringen, die Heleen niet aardig kon vinden,

doch daar iedereen lachte, meende ze dat de schuld wel bij haar zou

liggen—, maar ze vermaakte zich buitengemeen met een oude tante, die

vreemde woorden verkeerd gebruikte, overal inliep en elk ding uit de

handen liet vallen.

Daarna werden er liedjes gezongen en de bedroefde wijsjes van het

driestemmig koortje ontroerden Heleen zeer, rillingen slopen haar langs

achterhoofd en rug, bij het lied van den herder in de bergweiden had ze

moeite niet te schreien. Ze tuurde recht voor zich uit, het was of ze

een lucht van verf en vernis rook. Een prentje van de blokkendoos,

waarmee ze jaren geleden met haar broertjes had gespeeld, was

plotseling van versleten herinnering tot een levend visioen geworden.

Ze zag boven de Alpentoppen bont wolkenspel en vergat dit gezicht en

dat oogenblik nimmermeer. Terwijl de jongens en meisjes op het tooneel

radde en toonlooze samenspraken hielden, die ze maar half verstond en

die haar niet boeiden, bleef haar gepeins bij den herder en de bergen

vertoeven, de zoete bevangenheid van het verre en vreemde overkwam

haar; ze was alleen, maar toch ook tusschen menschen en in hun

samenzijn opgenomen, en in de tweeledige vreugde om eenzaamheid en

samenzijn te zamen, vervloeiden haar gedachten in een zoete mijmerij.

Met alle anderen rees ze even later op, licht verschrokken in het

tumult van handenklappen en stampen, dat plotseling losgebroken was.

Het scherm vloog open en toe, er werd over en weer gewuifd en gewenkt,

Heleen werd ruw achteruitgeduwd, stoelen werden weggegrist, vlug tegen

de wanden opgestapeld, de gladde vloer kwam bloot, de zaal werd tot den

dans bereid. Heleen voelde zich vreemd en stijf van onbeholpenheid,

kilte woei om haar heen, de menschen weken, tocht trok door de open

deuren de zwoele walmen weg; angst en onrust golfden Heleen door het

lijf. Haar kameraadje was weg en praatte met de kinderen, die

meegespeeld hadden en nu door een kleine zijdeur, waar geen ander

doorheen mocht, trotsch-lachend en gewichtig een voor een binnenkwamen.

Heleen stond alleen. Ze keek naar de volwassenen op en hoopte dat een

van hen haar iets vriendelijks zeggen of toelachen zou, maar in de

glimmende, opgezette gezichten keken de oogen stuursch en verwaten, de

toegenepen monden ontplooiden zich niet, de blikken wendden zich af na

een seconde van koel neerzien. Heleen voelde zich verdrietig, wrevelig

tegen elkeen en tegen zichzelf en ze had weer dat besef of ze jegens

zichzelf zich misdroeg. Doch de muziek ving nu aan, luidruchtige

stemmen riepen bazig om ruimte. Heleen werd nog verder weggeduwd,

tusschen een man en een vrouw tegen een stapel stoelen aan gedrongen;

huppelend in marschmaat trokken jongens en meisjes gepaard langs haar

voorbij. Ze bemerkte wel dat zij het eenige meisje tusschen de

volwassenen was, doch gaf er zich geen rekenschap van, tot haar

kameraadje haar beschermend toeknikte aan den arm van een pronkerigen

jongen; toen had ze moeite om niet in tranen uit te barsten. Na een

korte poos zweeg de muziek, het kluwen ontwond zich, de paartjes, in de

plotselinge stilte met lijf en ledematen verlegen, dreven lachend en

links-buigend uiteen. Een jongen die niet had gedanst, doch met de

handen op den rug rondgeloopen en hooghartig glimlachend toegekeken,

kwam voorbij Heleen, keek haar aan, keerde terug, keek haar weer aan en

vroeg haar ten dans. Heleen bekende aarzelend en beschaamd, dat ze niet

danste; het beteekende niets, vond hij, ze zouden dan te zamen wat

praten. Hij schikte in een hoek twee stoelen bij een tafeltje en stelde

zich voor. Heleen noemde daarop alleen haar voornaam, alsof ze nog een

kind was, omdat ze niet anders durfde, voelde terstond het verkeerde

daarvan, doch miste den moed en het middel om dat te verbeteren. Ze

zaten nog niet lang te zamen, toen had de jongen haar al verteld, dat

hij pas student was geworden, dat hij zich den heelen avond geweldig

had verveeld en alleen was gekomen om zijn zusje te begeleiden en dat

eigenlijk gezegd de heele wereld en het gansche menschdom hem

verveelden, omdat hij dichter was, de studie verachtte en zijn

kunstenaarsschap het hoogste vond! Heleen was door dit alles wel wat

overstelpt, maar ze vond het toch vooral heel ernstig en ontroerend en

gewichtig en rekende zich niet weinig vereerd, dat haar dit alles zoo

maar werd medegedeeld, temeer daar Fred haar verzekerde, dat hij die

dingen waarlijk niet aan elkeen toevertrouwde. Maar hij had het gevoel,

alsof ze elkaar al jaren lang kenden. Heleen toch ook, nietwaar? Heleen

nam dat gevoel in zichzelf niet waar en zei hem dit, schoon met

tegenzin en vreezend hem te grieven, waarop de jongen lachte, zich tot

haar overboog, haar in de oogen keek, zoodat het haar verwarde en zei

dat ze van alle meisjes hier de mooiste en stellig ook de liefste was.

Hij zou een liedje op haar oogen dichten, haar oogen, die als zachte,

blauwe vlammen waren en op haar bekoorlijken glimlach. Heleen’s hart

beefde in haar borst, terwijl ze naar die vleiende woorden luisterde;

ze ademde zacht en snel, ving de schittering van haar oogen in haar

eigen blik, maar kon bijkans niet spreken.

Laat in den avond bracht de jongen haar naar huis en ze liepen langzaam

onder de boomen van de laan langs de rivier.

Heleen was nog nooit in dit uur van den nacht buitenshuis geweest en de

nachtwind leek haar een vreemdeling, wiens gefluisterde taal ze niet

verstond. Een machtige bekoring hield haar omvangen,—het ruischen en

schuifelen door riet en takken, over de donkere akkers en langs het

moede oevergroen drong haar borst binnen als een zaligheid, scherp en

bijna smartelijk, want al te zwaar en niet begrepen. Haar knieën

knikten en bijwijlen trilden haar voeten alsof ze niet voortgaan

wilden. Zacht ademend keek ze om zich heen, haar oogen tuurden

wijdgeopend,—alle dingen hadden in dit nachtelijk uur het

zoet-zwaarmoedige, dat wat gevoeld en waar zacht en bang naar getast,

maar wat niet gevat en niet genoemd kan wezen, het was in reuk en in

gerucht; tot in het doffe bassen der waaksche honden toe. De jongen

naast haar gaande sprak en lachte soms en drukte haar hand, doch Heleen

zweeg, maar op eenmaal trilde haar adem uit haar borst, ze bleef

plotseling staan en keek op naar haar nieuwen vriend.... „Ik wil je

iets vragen, zei ze—je weet zoo veel.... zou het werkelijk mogelijk

zijn te leven, zooals het in de boeken staat....?” En zooals achter den

klokkeslag nagalm zacht en zwak, wiegde in haar achter de vraag een

andere, onvast en niet gesproken.... waarom ze juist dit, en waarom ze

dit juist nu wel vroeg....

De jongen naast haar was onthutst en keek even wezenloos op haar neer,

maar al gauw brak zijn lach weer door en hij zei Heleen, dat het

antwoord op die vraag afhing van de boeken die ze bedoelde en dat ze

hem maar eens zeggen moest, welke boeken ze had gelezen.

Heleen nam dit als vollen ernst en vertelde hem en sprak plotseling

snel en veel en vertrouwelijk, tot bij haar huis. Grauw en vervallen

stond het in den nacht, en Heleen leed de vernedering van zijn blik,

doch verbeet het en zweeg. Hij had het toch gemerkt en schertste en zei

lieve dingen om het haar te doen vergeten. Toen sprak hij nog weer van

het versje dat hij zenden zou en toen ze hem haar hand reikte, trok hij

haar naar zich toe, bukte zich, nam haar hoofd tusschen zijn handen; ze

liet hem half-verlangend begaan en ving de warmte van zijn lippen op

haar open mond.

Schoon de morgen traag ontlook uit den nacht als een grauwe paddestoel

uit den donkeren boschgrond, en troosteloozer dan zoo menig andere dag,

want dit werd een dag van windstilte en vooze sneeuw, een dag als een

moeras, en schoon het ontwaken in zulk een dag een last van zwarigheid

placht te leggen op Heleen’s borst, die daarvan niet week voor den

avond—, leek het haar dezen morgen, alsof ze rondom in een lentezon

lag, toen ze haar oogen opsloeg uit haar korten slaap. Ze glimlachte

met mond en oogen de komende uren tegemoet en haalde vreugdevol den dag

in als een aan droomen en blij herdenken gewijde. Niets kon haar deren,

geen flauw besef van kilte of onbehagen drong tot haar door, toen ze

opstond; een vergetelheid hield haar in luwe windselen omvangen, het

ontging haar, dat haar bloote voeten den klammen kouden vloer betraden,

ze liep heen en weer, neuriede, stond dan weer stil, peinsde, neuriede,

vergat zich te kleeden en voelde toch geen kou. Ook beneden in de

warmte, waar de lamp nog ontstoken was, bleef ze zich bewegen met die

vreemde, teedere behoedzaamheid, alsof er overal stilte hing, die niet

verstoord, en geur, die niet verjaagd mocht wezen en alsof er overal

rondom haar kostbaarheden stonden, die breken konden, maar niet breken

mochten. Zoo bleef ze den heelen dag en zoo ging ze tegen den avond

naar school en elk ding, dat ze in den schemer voorbijliep, scheen een

ongekende ontroering op haar af te zenden, het geringste gerucht

schrikte haar hart op en deed het stormend kloppen, haar borst stond

vol met den reuk van zoete bloemen.

De les was nog niet begonnen, doch het was te koud om buiten te

wachten; de deur stond open, de meisjes hadden zich in de gang onder de

lamp, die rood scheen door den witten damp, verzameld en riepen haar

met ongewone toeschietelijkheid in hun kring. Doch Heleen ontweek hen,

en liep rechtstreeks het leege, lichte lokaal binnen, lei haar boeken

op haar plaats en ging achter de banken bij de kachel staan. Peinzend

hield ze de handen voor zich uit in den trillenden gloed, peinzend

luisterde ze naar het zoetzangerig suizen der gasvlammen boven haar

hoofd, zachtjes aan verdoofde ze.... Een zware stap schrok haar op, de

vijandige meester kwam in en groette haar met een korten grom. Er trok

een wolk van drift en onbehagen langs haar hart, toen glimlachte ze in

zichzelf en voelde haar wonderlijke zachtzinnigheid als een bloem

openbreken ook naar hem, in een plotseling, ordeloos en verward

voornemen hem dezen dag niet, en nimmermeer zoolang ze op school was,

te hinderen. Hem niet, niemand.... De anderen traden binnen, ze ging

van haar voornemen vol bij de kachel weg en zette zich stil in haar

bank, nam gedwee haar leesboek en bladerde tot waar ze gebleven waren.

Het was een fragment, „Het Album” getiteld, uit het boek „Waarheid en

Droomen.” Ze streek de bladzij glad, keek op en wachtte, in een

zeldzaam gevoel van gedweeë rust en zachtzinnige tevredenheid. Een

meisje las, Heleen keek neer en las oplettend mee met de oogen, nog een

ander las en daarna werd zij zelf genoemd. Ze voelde geen

belangstelling voor het verhaal en begon duidelijk en koel:

„Hoe het zij, mijn grootmoeder bezat voor mij een groote

aantrekkelijkheid en zoo, dat ik niet weet of ik haar meer vereerde of

liefhad. Ik vroeg haar dus mijn gedenkboek der liefde en der

vriendschap in te wijden. Zij deed dit op hare wijze, zij nam haar

ouden Statenbijbel, sloeg dien open, en schreef daaruit met bevende

hand op het eerste witte blad: Mattheus X: 37. „Die vader ofte moeder

liefheeft boven Mij, en is Mijns niet weerdigh, en die sone ofte

dochter liefheeft boven Mij, en is Mijns niet weerdigh....” Toen schrok

ze stil en zweeg bevende. Ze keek op en zag alle oogen, ook die van den

meester, naar zich toegekeerd, onder het suizen der lampen lag de klas

doodstil. Ze hoorde den naklank van haar eigen stem, luid en bevend, in

haar ooren. Een roode gloed rees op uit haar hart, een zuil van

schaamte: ze had zich, bij vreemden, vergeten. Het wankelde in haar

hoofd, of de wereld een draaikolk was en zij daarin pijlsnel verzonk en

verging. Plotseling werd haar het licht ondraaglijk, ze sprong haar

bank uit, rende naar de deur, sleurde haar mantel mee uit de gang en

liep snikkende weg in den witten winteravond.

Heleen · 第 10 / 29 题