VIII.

Heleen kreeg haar onderricht van meesters, die onder het bijbrengen van

kennis het bijbrengen van reeksen aparte feiten verstonden, omdat ze

voor zichzelf daarvan geen ander begrip en geen andere behoefte hadden.

Weinig van wat zij op die school dus leerde, hechtte zich blijvend in

haar vast, want het sloot niet aan bij wat haar innerlijk vervulde, die

duistere en verwarde wereld van vragen en zuchten en vermoeden bleef

van iedere verbinding met de uitwendige wereld verstoken.

Ze leerde en begreep echter vlug en dit herstelde haar zelfvertrouwen,

doch daar haar geest weigerde te vertoeven bij wat hij eenmaal begrepen

had of bij wat geen dieper belang scheen te hebben, steeg haar afkeer

tegen het eentonig huiswerk tot een onoverkomelijken weerzin,

soortgelijk aan dien van haar lichaam tegen sommige spijzen. Vaak

genoeg nam ze zich voor haar taak naar behooren te vervullen, om den

meester tevreden te stellen, straf en onrust te ontgaan, maar kon niet,

want plotseling stortte haar hart als barstend al zijn walging in haar

uit, haar handen werden machteloos, haar bloed drong prikkelend naar

haar huid en maakte haar heet en benauwd, ze balde de vuisten en wilde

wegloopen, om dit ellendig leven te ontgaan, dat anderen haar opdrongen

en waartegen zij machteloos was. Geen enkele les echter haalde in

afgrijselijkheid bij de Woensdagsche les in breien en naaien. Die

haatte ze zoodanig, dat ze er den vorigen avond alreeds in onrust en

ongedurigheid onder leed. Rook ze op andere dagen de lucht van lijm en

linnen en zag ze de doozen en mandjes in de open kast, dan keerde ze

zich af met een rilling van weerzin, en op den dag-zelf, op het

oogenblik, dat ze die doodsche, slecht-verwarmde kamer met de

glazig-glimmende tafels waarlangs lange, groene kussens, binnentrad,

vereenigden zich haar geest en haar leden in een onverwinbaren onwil.

Het gebeurde wel, dat haar vingers en lippen plotseling kil en wit

werden, haar oogen dof, zoodat het werk haar uit de handen viel. Haar

lijf sloeg in een stuip van rauwe wanhoop achteruit tegen de bank, ze

keek radeloos naar de zoldering op. Al haar bloed raasde tegen dat

peuteren op lapjes, ze klampte de handen, zette star de tanden opeen en

weende kwaadaardig met heete keel, omdat iedereen baas was over haar en

besliste wat zij doen en laten moest. Riep haar de juffrouw, die

schimpte en schold, terwijl ze de fouten verbeterde en spottend haar

werk de anderen liet zien, die in eigen ijdelheid en vermaak om anders

vernedering gestreeld, grif medelachten, tot de harde stem ook hen

bedwong, dan stond Heleen achter den stoel, de oogen half-toe, in de

kortstondige verlossing als in luwte verademend, liet de woorden over

zich heen gaan en dacht aan wat anders. Eens was ze zoozeer afwezig,

dat ze neuriën bleef, terwijl de juffrouw tot haar sprak; ze werd

weggezonden en mocht zich drie dagen lang niet in school vertoonen.

Breien en naaien leerde Heleen dus van die juffrouw niet, doch wel

kreeg ze van haar eenig inzicht in de voorwaarden, welke menschen en

kinderen aan hunne waardeering en genegenheid verbinden. Het was op een

dag, dat ze weer achter haar stoel stond en half luisterend door het

open raam tuurde, maar plotseling opschrok en het gelaat naar de

juffrouw keerde, om wat die zei van haar slordigheid en

onverschilligheid en nalatigheid en hoe het haar om al die dingen

niemendal verbaasde, dat geen der andere meisjes met Heleen wou zijn.

Heleen keek de klas rond, alsof ze eenig weerwoord en verweer

verwachtte, doch dat bleef uit. En eerlijkheid dan, en edelmoedigheid

dan? Ze nam zich voor na de les te vragen of de juffrouw werkelijk

gelijk had, doch toen dacht ze aan het prentje, zag dat alles

plotseling in een nieuw licht, vond geen woorden en geen moed en ging

alleen naar huis.

Korten tijd nadat Heleen zestien jaar was geworden, kwam er een nieuw

meisje in de klas, een boerenkind uit een andere streek van het land.

Ze had een scherp, driekantig gezicht en droeg een bril met groote

ronde glazen. Ze kreeg haar plaats naast Heleen in de bank, maar Heleen

voelde zich niet tot Dieuwertje aangetrokken. Haar leergeld trok ze als

belooning voor vlijt en uitmuntend gedrag uit een fondsje in haar oude

woonplaats, op het omslag van haar boeken stond een blauw stempel

gedrukt. Dieuwertje was schuchter en schuw, want ze was ook op haar

vorige school om het blauwe stempel veracht, maar ze was tegelijk wel

geniepig, keek niet af, liet niet afkijken, hielp niemand en leende

niets van het hare uit. Om al die dingen kon ze al even weinig als

Heleen in de klasse aarden, maar er was dit verschil, dat de meesters

Dieuwertje overmatig prezen om haar ijver en de goede orde van haar

dingen met de bedoeling, dat de kinderen haar tot de hunnen zouden

rekenen. Doch de anderen bemerkten dat, wilden niet gedwongen wezen, en

de gunst van de meesters deed Dieuwertje meer kwaad dan goed, zoodat

ook zij afzonderlijk naar haar huis liep.

Enkele weken was ze op school, toen schoof ze Heleen op een keer een

briefje toe over de bank: „Ik ben Zaterdag jarig, kom je Zondagavond?”

Heleen nam het briefje, aarzelde, schreef eronder „wie nog meer?”

Dieuwertje greep op haar beurt toe en krabbelde een enkel woord:

„niemand.” Heleen verzonk in overleg met zichzelf en keek peinzend voor

zich uit, totdat Dieuwertje haar aanstiet, zij keek opzij, hun oogen

ontmoetten elkaar in een blik zonder genegenheid. Dieuwertje’s oogen

vroegen haar, dat ze niet weigeren zou, en Heleen, schoon vernederd in

het scherp besef, dat zij enkel gevraagd werd, omdat zij ook een

verschoppeling was en dat Dieuwertje eerder en liever anderen had

gevraagd, had ze maar gedurfd, overwon haren weerzin, want ze wilde

edelmoedig wezen en knikte dat ze komen zou.

Dien nacht in haar bed overlegde ze met zichzelf, waarover ze met

Dieuwertje een geheelen avond zou kunnen spreken en vond geen enkel

ding; dus zag ze benauwd tegen den komenden Zondag op.

Dieuwertje woonde bij een zuster, die man en kinderen had, in een klein

huisje tegenover de gasfabriek. Daar werkte de man en daar was een rij

van gelijke, baksteenen woninkjes gebouwd voor hem en zijn kameraads.

Dieuwertje verteerde in die schamele familie haar geldje en was er

geëerd, ook om haar kunde en deftigen staat. Haar kamertje, waar ze

werkte en sliep, pronkte met de beste meubels en al de snuisterijen.

Toen Heleen zich op dien killen Zondagavond met een bezwaard hart door

het klamme gangetje gewrongen had, waar de kinderen dringerig tegen

haar opstormden en de bleeke, beenige zuster in de volte, tegen de open

kamerdeur leunde en Heleen vorschend van top tot teenen bekeek—er was

nog nergens licht ontstoken, het huis stonk naar vocht en donkerte—en

bij de enge trap omhoog geklommen was, werd ze door Dieuwertje stijf en

plechtstatig ontvangen, want ze was thans bezoek, en ze had plotseling

het benauwende gevoel, dat er nu allerlei, en ze wist niet wat, van

haar werd verwacht, zonder dat ze er op gerekend of zich voorbereid

had. Het was als in een droom: dat ze plotseling in een examenkamer

gebracht werd en niets had geleerd. Ze had althans een geschenkje

meegebracht, gaf dit Dieuwertje met haar gelukwensch, waarbij ze elkaar

niet aankeken, liep traag naar het raam en keek naar buiten. Ze zag

boven den grauwen muur tegenover het huis, den hoogen romp van een

gashouder, strak en stoer tusschen lage daken en rijzige pijpen. Dit

alles leek in de schemering alreeds volslagen zwart, maar uit hemel en

lucht was nog niet alle licht geweken.

De fabriekspoort stond open, een zwart pad van modder en sintels voerde

binnen in. Heleen staarde ernaar en plotseling voelde ze weer dat

losgeraken uit de werkelijkheid, dat bevangende als van vreemde en

verre dingen, dat willoos meegetrokken worden in ruimten van vaag

gepeins.... o, wat was het toch?

Wat was er toch aan de dingen, te gevoelen, maar niet te noemen, aan

alle dingen niet, doch wel aan de open poort en aan het sintelpad, nu,

in dit uur? Wat kon het zijn, dat in haar aanzwol als een zwaarte, als

ze naar den eenzamen vlierboom keek, op de aschvaalt over de rivier, of

naar muziek luisterde, die van ver kwam en door wind was gebroken, en

naar het snateren der bonte eenden in den laten herfst, wanneer de

hemel bleek is, de slooten breed en blank en al de landen dampen van

nevel en mest? Aan al die dingen was hetzelfde, dat haar ving, maar

zichzelf niet vangen liet.... doch wat was het? Ze wist het niet, doch

immer dringender klopte de vraag bij haar aan.

Ze zuchtte en hoorde Dieuwertjes stem, die haar tot zitten bij de tafel

noodde. De lamp was aan en schudde nog zachtjes, het gebronsde ijzer

glom van olie, de wollen bal was er vet van doortrokken. Dieuwertje

ging achter haar om en liet de gordijnen neer en Heleen wilde spreken,

maar ze vond geen woorden. Ook Dieuwertje sprak niet veel, en droeg

haar geschenkjes aan en gaf Heleen een portrettenalbum in haar handen.

Heleen sloeg gedwee de bladen om en keek neer op de stuursche, bleeke

gezichten van boerenmannen en vrouwen, die ze niet kende, doch ze vroeg

niets. Middelerwijl bereidde Dieuwertje de thee, schonk voor elk een

kopje, ging zitten, en terwijl Heleen nog weer naar woorden zocht,

begon de ander plotseling over de meisjes uit de klas te spreken en

luchtte daarbij al de venijnige kwaadspraak, die ze in weken van wrok

en zwijgend mokken had gekweekt. Ze vertelde van deze en gene, dat ze

met jongens liepen en leelijke dingen deden, en Heleen luisterde,

trillend van inwendigen weerzin, niet uit edelmoedigheid of uit

genegenheid jegens die anderen, maar uit afkeer tegen de dingen, die

Dieuwertje ruw en uitvoerig besprak en bovenal uit een plotseling

krachtig in haar opzettenden onwil, met Dieuwertje gemeenzaam te wezen.

Ze had, tot haar schrik, in eene maal heftig het gevoel, dat ze te hoog

was om Dieuwertje’s gast en de vertrouwde van haar lagen praat te zijn,

doch ze liet dit niet blijken, schaamde zich zelfs een weinig, dronk

zwijgend het koudgeworden, wrange kopje leeg, en ging kort daarna henen

met de zekerheid, dat ze daar in huis niet terugkeeren zou.

Van dien tijd af verdichtte zich Heleen’s begeerte om van die school en

den dwang van het huiswerk los te komen, gestadig aan tot een dikken

walm van grimmig verlangen, dat nimmer uit haar week. Daar ze toch met

de anderen niet kon aarden en de meesters haar verstieten en de nieuwen

bij voorbaat door waarschuwing tegen haar innamen, voelde ze zich

dagelijks in onwil en verzet verslechteren. Alle tevredenheid was heen,

de eenzaamheid, in vroeger jaren licht te dragen en zelfs begeerd,

gewerd haar thans vaak tot een last, bij wijlen onverduwbaar. Soms

dacht ze aan de oude jaren op de kinderschool, als was toen alles

louter heerlijkheid geweest, ze sloot de oogen en zag haar plaats naast

het raam, in zonnigheid of halfdonker, naar het uur van den dag en het

wisselend getij, en proefde de dagen van zomer en winter in hun

verschillenden smaak, herdacht schreiend haar verloren vrijheid en

kermde tegen den dwang. Hoe zoet en lief’lijk scheen al dat voorbije—,

had ze toen werkelijk geen verlet gehad?

En de droomen, de nare angsten? Het was nu herinnering; wat voorbij

was, steeg op in een glans van teederheid en kon niet anders dan met

dankbaarheid herdacht zijn. Een nieuw huis was neergezet op de plek van

den Chineeschen muur, doch in de avonden van April, wanneer het

bleekend blauw in zijn verval zich siert met den gloor van

vroegbloeiende sterren, dan herleefde de dag, die nimmer sterven kon,

met kleur en gerucht in het ruischen van den wind door de teedere

berkenblaadjes en beving Heleen met een zoete zwaarmoedigheid.

Heleen wilde niets liever dan zoo maar altijd in nevel en bevangenheid

vertoeven, waarin geen werkelijkheid haar deren kon, doch het leven

rukte haar in het open licht en het open licht toonde haar de rauwe

wonden van haar hart. Eenzaamheid, eenzaamheid—, het was een schoon

bezit voor vrijen dag en avonduur, maar menschen leefden nu eenmaal te

zamen op aarde, er moest toch ook voor haar een tezamenleven zijn. De

anderen hadden het onderling gevonden, doch zij zag het middel niet.

Een keten van sterke schakels, de einden hecht ineengesmeed, omspande

hun gemeenschap, zij kon daar niet doorheen. Ze had alreeds geleerd,

dat met eerlijkheid en edelmoedigheid niet veel te winnen is, doch

waarmee wel, dat wist ze niet.

Doch in het begin van haar laatsten winter op school vielen er in de

klas rumoerige tooneelen voor. Er was een nieuwe teekenmeester gekomen,

die een buitensporigen hoed en lange haren droeg, en de oude

zangmeester, reeds jaren aan de school, werd doover en stunteliger met

het toenemen van zijn jaren. Een enkele door toeval gewekte

baldadigheid ontaardde tot gewoonte en mode; die twee zouden het

voortaan ontgelden. De jonge teekenmeester, die ziek-prikkelbaar was,

geen rumoer in de les verdroeg, leed felle zenuwschokken door het

opzettelijk neerklappen der houten bankjes op den plankenvloer. Dit

sarrend bedrijf en het hardnekkig voortgezet neerstrooien van knikkers

en erwten, tot hij ze overal, waar hij liep, struikelend onder de

voeten ontmoette, vervoerde hem ieder maal opnieuw tot hulpelooze

woede, waarin hij sidderend rondliep en raasde en vloekte en de deur

uitsmeet, die hij grijpen kon, onder een vervaarlijk lachen en joelen.

Soms bloedde hij daarna uit zijn neus en hield zich wit en trillende

vast aan zijn lessenaar. Bij den ouden meester ging het kalmer en

tergender toe, hij was een beschaafd en zachtaardig grijsaard en koos

zorgvuldig de zangstukjes voor zijn onderricht, maar de meisjes rijmden

spotliederen op zijn doofheid, zijn pruik en zijn tanden en zongen die

luidkeels inplaats van de rechte woorden, terwijl de oude man voor de

klas met een zwierig genoegen zijn stokje zwaaide en links en rechts

het bovenlijf boog en goedkeurend knikte om zijn tevredenheid te toonen

en tegelijk hoe wèl hij alles verstond, een triesten doovemanslach om

zijn zachten, geschoren mond. Somwijlen speurde hij het onraad in het

verstolen lachen en het blinken der oogen, ving een klank op en de lach

bestierf op zijn gelaat, wantrouwig luisterde hij, met boos-loerende

oogen. Dan zongen de meisjes de richtige woorden, zetten effen

gezichten en de lach herstelde zich, het stokje zwaaide en de pret

begon van nieuws af aan.

Toen er nu eens een nieuw zangstukje was ingestudeerd, waarvan de val

zich niet makkelijk tot rijmelen leende, kwamen er op een middag twee

van de meisjes naar Heleen toe en vleiden haar en zeiden dat zij, die

zulke mooie opstellen schreef en altijd precies de goede woorden vond

bij de les in stijloefening, ook zeker wel een nieuw vers zou kunnen

dichten op doofheid, pruik en valsche tanden. De heele klas drong

vragend om haar heen, Heleen proefde plotseling in overmaat het zoete

der vleierij. Ze aarzelde zelfs niet, ze lachte en knikte en beloofde

met blinkende oogen en dacht in de les aan niets anders en ging daarna

naar huis en dichtte zonder haperen in koortsige opgewektheid een wreed

en fel spotgedicht. Het vond den bijval, dien zij verwachtte en zijzelf

de belooning, die ze zocht, een plaats in den kring, een schakel in de

keten der broederschap. Van nu af had ze haar glorie als spotpoëet en

hekelde alle meesters met een scherpe vaardigheid, die haar zelf

verbaasde. Ook deed ze mee aan het sarren en tieren op teekenles en

zangles.

In de zoetheid der toejuichingen van wie haar zoo lang hadden

verstooten ging het bittere zelfverwijt, dat haar vooral om des ouden

mans leed in avonden en nachten bevloog, geheel en al verloren.

Heleen · 第 9 / 29 题