Bloemen en dieren had Heleen niet, noch verlangde ze die te bezitten,
knutselen en handwerken verstond ze niet en beproefde ze niet en haar
bijzondere onbeholpenheid was een van de dingen, waarom ze uitgelachen
werd. Het tekort aan ervaring en begrip omtrent werkelijke zaken en
haar volslagen gebrek aan zelfvertrouwen bleken immer pijnlijker en
belemmerden haar omgang met anderen op de nieuwe school, waar ze het
volgend jaar werd heengezonden. Hier was alles ijl en licht en
ordelijk, geen rumoerigheid meer van een volle klas, waarbinnen elk
kind zijn echte leven veilig kon bewaren. Deernisloos werd Heleen uit
dit laatste bolwerk weggerukt en zat nu dagelijks in het zedig
avondlicht van een blinkend en frisch lokaal met nog geen twintig
andere meisjes, die al kleine juffertjes waren. Heleen kende ze geen
van allen, maar velen van de anderen kenden elkaar onderling en waren
te zamen van een andere, een voornamere school of uit de omliggende
dorpen afkomstig. De dagen had Heleen nu vrij voor haar werk en haar
lessen en ze moest tegen vijf uur naar school. Die lag achter een klein
plein met poort en boomen, waar de meisjes in paren of groepjes
drentelden, tot de meester voor het raam wenkte en de les begon. Het
was April, toen ze er heen ging en de lente in aantocht. Ze beproefde
niet, zich bij de andere meisjes aan te sluiten, want ze vreesde
opdringerig te lijken en wachtte tot iemand om haar zou komen, maar
niemand kwam en ze bleef alleen.
Met de handen op den rug tegen den muur geleund, stond ze stil,
neuriede, peinsde, en liet den avondwind langs haar oogen gaan. Ze
hield van den hemel in dat uur tusschen dag en avond; het blauw is nog
blauw en tooit zich verbleekend met het zilver van vroege sterren; ze
hield van het klapperend wieken en piepen, het snel en lustig heen en
weder zwenken der vogels in de ijle boomen, dat ze door louter te
luisteren en zonder opzien zag, en ze dacht aan de nieuwe dingen thuis,
die haar vader voor enkele dagen op een verkooping had aangeschaft, een
dof bruin kastje met grillig koperbeslag, borden met poppetjes er op,
een verweerde kleine spiegel en een gekleurde prent in een zwarte
lijst. „De Ridder en zijn Bruid” stond er onder in de slanke, dunne
letters, die ze kende van de oude boeken. Sedert enkele dagen was die
prent in huis en voortdurend weer liep Heleen er naar toe, stond er
voor, keek er naar op. Nimmer te voren had ze van zoo iets liefelijks
gedroomd als van dit stille, witte kasteel. Nevel als ijle rook hing er
om heen, lag zacht-wollig uit over de boomen, met kronen zwaar van rood
en goud, om kolommen, koel en kloek in de kleurige festoenen, over
vijvers blank en blauw tot ver naar achter, waar een witte brug vlak
lag over water met zwanen. Nu Heleen alleen stond en dacht aan die
prent, moest ze schreien als van deernis.... en waarom toch? De zoete
zwaarmoedigheid scherpte tot wanhoop aan.... en waarom toch? Het was
alles zoo rijk en zoo fijn en zoo blijde, de bruid in wit met goud van
lokken, rozerood blozend en een glimlach op het gezicht; de bruidegom
goud, blauw en kastanjebruin, stralend in zijn fier geluk.
Was haar lijden dan benijding? Neen, ze leed een eigen pijn. Wat was
het? Ze had den vorigen avond alleen in donker gezeten in het gras
langs de rivier, in het water gestaard, zich niet verroerd en
nagedacht. Binnen in haar was een deur gesloten, daarachter lagen de
geheimen, die zijzelf niet verstond, het geheim van haar
zwaarmoedigheid, van haar schreien om blijde dingen, van haar
verlangen, haar vrees en haar bevangenheid,—zij had er den sleutel niet
van.
Ze beproefde een voor een al haar kinderlijke wenschen, de stoutste
mogelijkheden als sleutels,—maar het slot antwoordde niet, zij moest
dien gesloten kerker in haar binnenste mededragen.
Heleen sloeg de oogen op, zuchtte en zag, dat zij alleen was. De
donkerte dreef aan, hoe wonderbaarlijk zoet was nog dit laatste licht.
Ze zag de meisjes in paartjes en bij drieën heen en weder langs zich
gaan, het grint kraakte licht, er beet iets in haar keel, er rezen
tranen, was ze nu echt bedroefd? Ze wreef in een onvaste smartelijkheid
haar achterhoofd tegen den muur, kreunde even, sloot de oogen en ving
haar tranen in haar open mond. Toen tikte de sleutel een kort bevel
tegen de ruit, gordijnen ritsten neer, binnen ploften de lampen op;
avond. En Heleen ging naar binnen.
Er gingen eenige weken voorbij en Heleen ervoer allerlei dingen, die ze
nooit geweten of opgemerkt of gemist had. Onder de andere dit dat ze
geen armbandjes, broche en horlogetje bezat of begeerde, dat ze niet
dansen en niet schaatsenrijden kon, nooit bij avond te kermis en binnen
in een tent of op een partijtje was geweest.
En wat later vond Heleen op haar bank een blaadje papier uit een
zakboekje getrokken met een potloodkrabbel erop, waarin ze met
pijnlijke schaamte zichzelf moest herkennen.
Want er onder stond: „dit is het rare kind met de rare jurk uit het
rare huis” en op den witten rand nog een kort, plomp lijf op
stakebeenen en met onooglijk kopje. Een dartel potlood had daar snel
met dansende letters door heen geschreven „en dit is haar gekke
zuster.”