VII.

Bloemen en dieren had Heleen niet, noch verlangde ze die te bezitten,

knutselen en handwerken verstond ze niet en beproefde ze niet en haar

bijzondere onbeholpenheid was een van de dingen, waarom ze uitgelachen

werd. Het tekort aan ervaring en begrip omtrent werkelijke zaken en

haar volslagen gebrek aan zelfvertrouwen bleken immer pijnlijker en

belemmerden haar omgang met anderen op de nieuwe school, waar ze het

volgend jaar werd heengezonden. Hier was alles ijl en licht en

ordelijk, geen rumoerigheid meer van een volle klas, waarbinnen elk

kind zijn echte leven veilig kon bewaren. Deernisloos werd Heleen uit

dit laatste bolwerk weggerukt en zat nu dagelijks in het zedig

avondlicht van een blinkend en frisch lokaal met nog geen twintig

andere meisjes, die al kleine juffertjes waren. Heleen kende ze geen

van allen, maar velen van de anderen kenden elkaar onderling en waren

te zamen van een andere, een voornamere school of uit de omliggende

dorpen afkomstig. De dagen had Heleen nu vrij voor haar werk en haar

lessen en ze moest tegen vijf uur naar school. Die lag achter een klein

plein met poort en boomen, waar de meisjes in paren of groepjes

drentelden, tot de meester voor het raam wenkte en de les begon. Het

was April, toen ze er heen ging en de lente in aantocht. Ze beproefde

niet, zich bij de andere meisjes aan te sluiten, want ze vreesde

opdringerig te lijken en wachtte tot iemand om haar zou komen, maar

niemand kwam en ze bleef alleen.

Met de handen op den rug tegen den muur geleund, stond ze stil,

neuriede, peinsde, en liet den avondwind langs haar oogen gaan. Ze

hield van den hemel in dat uur tusschen dag en avond; het blauw is nog

blauw en tooit zich verbleekend met het zilver van vroege sterren; ze

hield van het klapperend wieken en piepen, het snel en lustig heen en

weder zwenken der vogels in de ijle boomen, dat ze door louter te

luisteren en zonder opzien zag, en ze dacht aan de nieuwe dingen thuis,

die haar vader voor enkele dagen op een verkooping had aangeschaft, een

dof bruin kastje met grillig koperbeslag, borden met poppetjes er op,

een verweerde kleine spiegel en een gekleurde prent in een zwarte

lijst. „De Ridder en zijn Bruid” stond er onder in de slanke, dunne

letters, die ze kende van de oude boeken. Sedert enkele dagen was die

prent in huis en voortdurend weer liep Heleen er naar toe, stond er

voor, keek er naar op. Nimmer te voren had ze van zoo iets liefelijks

gedroomd als van dit stille, witte kasteel. Nevel als ijle rook hing er

om heen, lag zacht-wollig uit over de boomen, met kronen zwaar van rood

en goud, om kolommen, koel en kloek in de kleurige festoenen, over

vijvers blank en blauw tot ver naar achter, waar een witte brug vlak

lag over water met zwanen. Nu Heleen alleen stond en dacht aan die

prent, moest ze schreien als van deernis.... en waarom toch? De zoete

zwaarmoedigheid scherpte tot wanhoop aan.... en waarom toch? Het was

alles zoo rijk en zoo fijn en zoo blijde, de bruid in wit met goud van

lokken, rozerood blozend en een glimlach op het gezicht; de bruidegom

goud, blauw en kastanjebruin, stralend in zijn fier geluk.

Was haar lijden dan benijding? Neen, ze leed een eigen pijn. Wat was

het? Ze had den vorigen avond alleen in donker gezeten in het gras

langs de rivier, in het water gestaard, zich niet verroerd en

nagedacht. Binnen in haar was een deur gesloten, daarachter lagen de

geheimen, die zijzelf niet verstond, het geheim van haar

zwaarmoedigheid, van haar schreien om blijde dingen, van haar

verlangen, haar vrees en haar bevangenheid,—zij had er den sleutel niet

van.

Ze beproefde een voor een al haar kinderlijke wenschen, de stoutste

mogelijkheden als sleutels,—maar het slot antwoordde niet, zij moest

dien gesloten kerker in haar binnenste mededragen.

Heleen sloeg de oogen op, zuchtte en zag, dat zij alleen was. De

donkerte dreef aan, hoe wonderbaarlijk zoet was nog dit laatste licht.

Ze zag de meisjes in paartjes en bij drieën heen en weder langs zich

gaan, het grint kraakte licht, er beet iets in haar keel, er rezen

tranen, was ze nu echt bedroefd? Ze wreef in een onvaste smartelijkheid

haar achterhoofd tegen den muur, kreunde even, sloot de oogen en ving

haar tranen in haar open mond. Toen tikte de sleutel een kort bevel

tegen de ruit, gordijnen ritsten neer, binnen ploften de lampen op;

avond. En Heleen ging naar binnen.

Er gingen eenige weken voorbij en Heleen ervoer allerlei dingen, die ze

nooit geweten of opgemerkt of gemist had. Onder de andere dit dat ze

geen armbandjes, broche en horlogetje bezat of begeerde, dat ze niet

dansen en niet schaatsenrijden kon, nooit bij avond te kermis en binnen

in een tent of op een partijtje was geweest.

En wat later vond Heleen op haar bank een blaadje papier uit een

zakboekje getrokken met een potloodkrabbel erop, waarin ze met

pijnlijke schaamte zichzelf moest herkennen.

Want er onder stond: „dit is het rare kind met de rare jurk uit het

rare huis” en op den witten rand nog een kort, plomp lijf op

stakebeenen en met onooglijk kopje. Een dartel potlood had daar snel

met dansende letters door heen geschreven „en dit is haar gekke

zuster.”

Heleen · 第 8 / 29 题