VI.

Heleen had in den val haar been gebroken, ze werd opgenomen en in bed

gelegd. De dokter kwam en ondervroeg haar, doch ze liet niets uit van

wat haar was overkomen en verzette zich schreiend tegen het onderzoek,

snikkend van drift om den smaad van zijn lachende kleinachting en zijn

overmacht, die haar deed wijken. Er werd een bed voor haar gespreid in

de warme woonkamer, en ze behoefde niet meer naar boven. Ze sluimerde

veel tusschen lichte kille koortsen, maar de droomen bleven weg. Haar

zuster sloop vaak naar haar bed en vertelde haar vertelsels; eens

echter wilde ze het verband van haar been plukken, toen werd ze door

vader de kamer uitgebracht en boven opgesloten. Haar schreeuwen en

snikken kwelde Heleen zoo ellendig, dat ze meesnikte in haar bed. Tegen

de lente ging de zuster het huis uit, er kwam ’s morgens vroeg een

rijtuig, vader stapte met haar in en ze reden weg. De broertjes kwamen,

verschrokken van ’t gekrijt, met ontstelde gezichten naar beneden; in

de kamer bleven vergeten de gordijnen neer en het lamplicht vocht zwak

en bleek tegen den zwellenden dag. De broertjes gingen naar school en

Heleen bleef met moeder alleen en deze ging aan haar werk in den

jachtigen draf en met den ijlen, afwezigen blik, die Heleen kende van

haar benauwde avonden. Herhaaldelijk draafde ze haar bed, dat voor het

raam stond, wezenloos voorbij. Heleen hoorde het schuifelen van haar

adem, dat naar zacht steunen leek en voelde haar rokken langs zich

wapperen. Ze wilde er niet aan denken, wendde zich af, keek in de

frissche ijlten van blauw en wolken omhoog en verheugde zich, dat de

boomen al knoppen zetten. Even brak de zon nog door, en Heleen

sluimerde in en werd niet wakker, voor de broertjes weerkeerden van de

school.

Een korten tijd daarna ging zijzelf ook weer naar school terug en kwam

er in de hoogste klas. Een paar dagen tevoren was haar oom thuis

geweest en had met den vader over haar gesproken. Heleen zou

onderwijzeres worden, was gezegd, omdat ze dan op haar achttiende jaar

op een fatsoenlijke manier voor zichzelf kon zorgen. Heleen nam alles

aan, wat over haar werd besloten. Het begrip: toekomst, gloorde bleek

in haar aan. Ze zou voortaan niet langer van den eenen dag in den

anderen leven. Dit alleen bleef haar bij.

Het geleek Heleen later, als ze dit alles overdacht, of van toen af het

schoolleven vat op haar ging krijgen en haar met bewuste indrukken

vervulde. In den teederen, bleek-gouden Mei’schen morgen, dat Heleen

voor het eerst weer schoolwaarts ging, speelde een orgel „Les pas des

Patineurs,” de dartele blaadjes keerden en wendden zich aan de boomen.

Heleen kon er haar blik niet van losmaken, haar zoete zwaarmoedigheid

zwol in haar aan en maakte, met klank en wind en kleur te zamen, dit

oogenblik onvergetelijk. En als ze het herdacht, dan scheen het haar

tevens of ze juist op dienzelfden Maandag de school en de kinderen en

de meesters met andere oogen was gaan bezien. Niet langer was

schoolgaan de gedachteloos vervulde taak van elken dag, zonder verder

verband met het overig leven, en de meesters waren meer dan het

natuurlijk toebehooren van klas en school, zij ook waren menschen, die

een eigen leven leidden en wenschen koesteren konden buiten de school.

Het leek haar nu vreemd, dat ze dit niet eerder had geweten.

Haar eigen bestaan was niet langer, wat het eens was geweest, het

verborgen leven van haar verbeelding, veilig binnen de kleine

zorgelijkheden van school en huis—, dit scheen wel plotseling gedaan.

Als uit een schuilhoek trad Heleen te voorschijn en de werkelijkheid

tegemoet. Gestalten wonden zich los uit een omneveling, wonnen in

scherpte en beduidenis; de kinderen, die voor en achter en naast haar

in de banken zaten, waren afzonderlijke personen, die ieder op zichzelf

eigenschappen bezaten en naar die eigenschappen beoordeeld konden

worden, ook zijzelf zou door anderen gadegeslagen en beoordeeld worden.

Zij voelde de nieuwe begeerte een goed oordeel waardig te zijn en niets

scheen haar natuurlijker dan dat de menschen haar zouden vragen, wat

menschen in boeken elkander vroegen: eerlijk en trouw en edelmoedig te

zijn.

In de klas kon nu haar gebrek aan zakelijke voorstellingen niet langer

verborgen blijven en schoon ze wel eens geprezen werd om de wijze,

waarop ze verhaalde van dingen die ze in boeken had gelezen en om al de

vreemde namen en ongewone woorden, die ze tot haar beschikking had,

vaker bulderde er gejuich uit de banken als ze domme antwoorden gaf of

onbeholpen was. De handige en slimme volkskinderen waren haar met hun

beperkte schranderheid in veel dingen vooruit en hoonden haar zonder

deernis, en daar Heleen de dingen, die anderen wisten en konden, altijd

moeilijker en bezwaarlijker vond, dan wat zijzelve wist en kon, achtte

ze zichzelf onbruikbaar en dom en begon er over te tobben, hoe het op

die manier met haar toekomst moest gaan. Pijnlijk gevoelde ze al wel,

dat haar een ander leven dan dat in de boeken beschoren zou zijn.

In dit laatste leerjaar op de kinderschool kwam Heleens ontwakend

bewustzijn met velerlei nieuwe dingen in aanraking en begon ze vagelijk

van zichzelf rekenschap te verlangen van wat ze daaruit innerlijk

ervoer—, tot nu toe was ze met de ervaringen-enkel meestal tevreden

geweest.

Heleen had allang tot haar teleurstelling begrepen, hoe weinig

edelmoedigen er waren onder de kinderen, die ze kende. En toen er nu op

een middag een vreemde heer in de klas kwam en hem ter eer de rekenles

werd gestaakt en uit een boekje gelezen, waarin een lesje stond van een

braaf meisje, dat Jansje heette en zoo maar haar nieuwe

verjaringsgulden aan een armen man weggaf, en toen nu die heer met een

oolijken glimlach en een knipoog naar den meester den kinderen vroeg,

wie er wel met zijn gulden evenals Jansje zou hebben gedaan en toen

daarop al de kinderen den vinger opstaken en riepen en het bovenlijf

uit de banken hieven om toch vooral maar opgemerkt te worden, toen kon

Heleen het niet verdragen. De walging kroop in haar op met een

vluchtige drift om den blik en den glimlach, die toch haar persoonlijk

niet gold—eenzelfde drift als toen de dokter haar onderzoeken wilde en

glimlachte om haar verzet—daar ze al die kinderen kende in hun benepen

hebzucht, ze stortte bot en woest het hoofd in de armen op de bank en

schreide toomeloos. Rondom haar werd gelachen, de meester maakte zich

boos, de vreemde heer overreedde en ondervroeg met een stem waarin

belangstelling bleekte tot verveling, maar Heleen antwoordde niet en

hield met alle macht hoofd en armen op de bank gedrukt. Ten leste werd

de meester ongeduldig en zond haar op de gang, daar stond ze vernederd

met oogen en keel heet en gezwollen en rilde van rampzaligheid.

Maar in die rampzaligheid sloop langzaam-aan een bevreemding voor

zichzelf. Wat had ze toch gedaan, wat had ze toch gewild? Waarom was

haar walging geweest? Om het liegen dat zijzelf vaak genoeg zonder

blozen deed, als ze van straf of dwang vrij wilde komen? Neen, ze

voelde het onderscheid zonder eenigen twijfel fel, maar tastte vergeefs

naar woorden om het zichzelf duidelijk te maken. Doch dit oogenblik vol

innerlijke zekerheid en onzekerheid tezamen zonk naar den bodem van

haar gevoel en bleef er bewaard.

Wanneer in dien tijd van haar leven Heleen las of luisterde, kwam vaak

dat vermoeden, alsof de dingen, die ze vernam, een dieperen, misschien

bangeren zin hadden, dan hun schijn deed vermoeden. Ze onderging dat

als beklemming, een benauwing, die even in haar opliep en in vage, nare

mijmering vervloeide. Toen eens op een keer de meester van Indië

vertelde, en hoe de bewoners er leven, zich tooien en eten, dat de

Maleiers hun huizen beleggen met het loof van den nipah en de

Boegineezen zich kleeden met schors, en toen hij plotseling opmerkte,

dat dit alles niets te beduiden had en dat het volmaakt hetzelfde was

een jas van wol of een jas van schors te dragen, naakt of gekleed te

gaan, riet of nipah op daken te leggen, en dat alleen overdreven

menschen van die dingen ophef maakten—, toen voelde Heleen plotseling

die beklemming, alsof wat de meester daar zoo hupsch en nuchter

vertelde, een dieperen en bangeren zin had. Ze werd bleek en onrustig.

Had de meester gelijk en leek dat allemaal alleen maar zoo vreemd en

ontroerend? En als de meester gelijk had, waarom moest dat dan zoo

vreeselijk wezen, waarom voelde ze zich daarom plotseling zoo verlaten

en ongetroost? Heleen wist het niet, draaide ongedurig in haar bank en

zuchtte.

In dienzelfden tijd las Heleen buiten de school in een boek een versje,

dat ongeveer aldus eindigde:

Wie die vogel kweekt en voedt,

Wie die bloem verzorgt en hoedt,

Wie zoo vroolijk zingen kan

Dat en is geen slechte man.

Dit ving haar en liet haar niet los en bracht haar aan het mijmeren

over het verband tusschen de vroolijkheid en de goedheid. Ze begon te

verlangen, dit verband te zien en te begrijpen, niet omdat ze er aan

twijfelde, of het wel bestond—want het tegendeel was waar en ze had

deze en andere samenvoegingen, als drift en zachtmoedigheid,

gestrengheid en rechtvaardigheid, geleerdheid en onhandigheid,

bescheidenheid en „ware verdienste” al reeds meer hooren noemen en ook

wel zelf opgemerkt, doch nu begeerde ze het waarom te vinden in een

gezamenlijke oorzaak voor de beide dingen en tastte daar gestadig naar.

Ze wilde ook weten, wat het grappige is in grappige dingen en het mooi

in mooie, ze was niet meer tevreden met de zakelijke mededeelingen in

de boekjes omtrent den gemoedsaard der verschillende volkeren en

stammen en zou graag hebben willen weten, waarom juist een Gasconjer

meer dan andere menschen liegt, zooals in het aardrijkskunde-boekje

stond. Ook dingen van andere natuur verontrustten haar vluchtig met de

verborgen raadselachtigheid van hun binnenste achter schijnbaren

eenvoud. Ze zag het zaailand in de lente klaar voor nieuw gewas—het was

haar geleerd, dat de boer niets vermocht zonder God en het geleek haar

dat evenmin God iets vermocht zonder den zaaienden boer....; ze zag het

overrijpe loof aan de boomen in de late herfst, bereid om af te waaien

in den eersten storm,—het loof wachtte den storm, maar de storm kwam

altijd als het tijd was. Ze mijmerde over die vragen, welke soms in

drommen op haar losstormden,—de wereld was van deze raadselen vervuld,

elk moment ving zij ze op uit gesprekken.... overdacht ze op haar

zwerftochten, maar vond hun verlossend antwoord niet.

Tegelijkertijd begon ze een behagen, dat haar zelf bevreemdde, in

rekenen en meetkunde te vinden. Cijferen had altijd haar tegengestaan

en evenzoo het omslachtig beredeneeren van willekeurig-gestelde

gevallen,—maar het leeren kennen van vaste en altijd-geldende wetten,

die dan ook uit elke vermomming vast en geldend te voorschijn traden,

vervulden haar bijwijlen met iets van datzelfde gevoel van innerlijke

verzoeting, dat haar een stille, zomersche avond schonk. Sommige

kinderen lachten of morden, als klaar-blijkende eigenschappen van

vlakken en getallen nog bewezen moesten worden,—Heleen kon hun bezwaren

niet deelen, hun houding niet begrijpen: dit vaststellen en bewijzen

schonk haar genot, dat ze weliswaar niet doorgronden kon, maar waaraan

ze zich met vreugde overgaf.

Heleen · 第 7 / 29 题