V.

Heleen werd twaalf jaar oud en kende van het woord vertrouwelijkheid

het wezen niet, slechts den klank; er was nog nimmer vertrouwelijkheid

naar haar toe gekomen of van haar uitgegaan.

Op school had ze nog altijd geen vaste vriendinnetjes, ze hechtte aan

bezit van moois of lekkers weinig waarde, en kon er vooral dan licht

van scheiden als maar haar deernis was opgewekt. Ze bezat noch den wil,

noch het vermogen iets te weigeren, dat haar werd afgevleid en gevoelde

zich edelmoedig gelijk de helden in haar romans, wanneer ze alles

verdeeld, en niets voor zichzelf behouden had, doch de kinderen in de

klas hielden haar voor suf, beroofden haar meedoogenloos, lachten haar

daarna uit en lieten haar staan.

De begeerte naar kennis uit de tastbare werkelijkheid bleef Heleen ook

in die jaren ontbreken; ze wist van geen enkel voorwerp, hoe het in

elkaar zat, had nog nooit iets uiteengenomen om er de werking van na te

speuren en liep de ambachtsprenten tegen den muur achteloos voorbij,

terwijl de tafereelen uit het menschelijk leven of uit de natuur, hoe

innig ook bekend, haar altijd weer opnieuw boeien konden en haar altijd

opnieuw wat nieuws vertelden. Daardoor bleef het aantal zakelijke

voorstellingen ver beneden het aantal dat men bij kinderen uit het volk

aantreft op hun twaalfde jaar, terwijl tegelijkertijd haar ervaringen

uit boeken en vooral die uit eigen gevoel en eigen verbeelding zoodanig

uitgroeiden en zich verdiepten, dat ze daaraan meer bezat dan veel

kinderen en dan de meeste menschen.

Heleen’s vader en moeder hadden geen vrienden en kwamen nooit bij

vreemden aan huis, noch kwamen die bij hen. Een enkele maal zag ze haar

oom en tante, stijve, koele menschen, mooi gekleed en in goeden doen.

Heleen wist van hen alleen, dat ze hen hielpen om te leven en ze

bemerkte, dat haar moeder schuw en gedrukt als een kind zonder

zelfvertrouwen in hun bijzijn was.

Het groote leed van deze jaren kwam voor Heleen uit haar jammerlijke

angsten en haar ellendige droomen. Er waren wel dagen, donkere dagen

vol storm en regen in den herfst, als het heele huis kraakte en er

overal getik van lekkende droppen viel te hooren, dat Heleen in geen

enkele kamer en zelfs in den tuin bijkans niet alleen dorst zijn,

huiverend voor valluiken en geheime deuren. Bevend en bang, zich overal

tusschen scherpgeklauwde spookselen verstooten wanend, zwierf ze af en

aan, vermeed de gelige vochtplek op den muur achter de deur, vermeed

het bovenal naar boven te gaan. Daar was een gemetselde schoorsteen van

kantig ingebrokkelde roode steenen, met een klein, grijs, toegegrendeld

deurtje erin, waarachter de gevangen wind soms gruwelijk te keer ging

en het nooit geheel en al stil en richtig was. Als het kwam, datgene,

waarvoor ze bevreesd was, moest het daaruit komen, en haar vrees was

volmaakte zekerheid: éénmaal zou het komen. Eenmaal zou het onverwacht

voor haar oogen staan, voordat ze die toeknijpen of afwenden kon.

Wanneer Heleen in boekjes las van „spoken, kind’ren, zijn er niet,” dan

geloofde ze dat geen seconde. Zonder overwegen stelde ze een zekerheid

tegenover de bewering. Spoken waren er, eenmaal zou zij ze zien, hooren

en voelen; het stond zoo vast, als dat ze dood zou gaan, en het kon

elken dag op een plotseling uur gebeuren. Ze vreesde vooral ineens te

worden aangeraakt en wel in de holte tusschen haar schouders. Daar

zetelde haar angst als kilte en huiver voelbaar.

Heleen verborg in haar diepste wezen dit klein, gruwelijk geheim, dat

ze bijwijlen bang was voor haar eigen moeder. Ze wilde in de avonden,

dat er storm en wolken waaiden om het huis, niet met haar alleen

gelaten wezen, maar ze had niet de macht en den moed om dat alleenzijn

te weerhouden. Als ze dan tegen den avondschemer haar vader zag

uitgaan, voelde ze al reeds haar onrust in aantocht als een koude damp,

die van alle kanten op haar aftrok—er behoefde maar het geringste te

geschieden en het zou zich verdichten en overal op haar vastzetten. Ze

zette zich stijf van angst in haar stoel, nam een boek en wilde lezen,

doch spiedde stil en schichtig boven de bladen uit met drogen mond naar

moeder, die zacht-ademend staarde in de lamp. Hoe bleek leek ze, hoe

fel en vast haar mond, de oogen leeg en ver; ze was heengegaan en had

Heleen alleen gelaten, ze voelde het vast en bang, moeder was heen, zij

was nu alleen, soms voelde ze het ook, alsof moeder dood was en ze haar

hadden gelaten met haar lijk. Plotseling verkromp ze—, alles in de

kamer begon stil en sidderend te leven, de vale grootouders aan den

wand bewogen de oogen en staarden haar aan, er waaiden schaduwen achter

den haard, en onder de tafel het dwalend iets, dat zweeg en greep en

beet, zij zelf ging op tot een damp van kouden angst, waarin haar

razend hart bleef bonzen, elk oogenblik een knauw of killen beet aan

haar lichaam verwachtend en machteloos tot vlucht of verweer, zooals in

droomen. Haar voorhoofd was ijzig bezweet, in haar borst scheen haar

hart te sterven en stervend te smeeken, dat het zoo niet blijven moest.

Dan scheurde zich haar stem los uit haar keel en vroeg en drong, dat

haar moeder hooren en weerkeeren zou en met haar bijzijn den

rampzaligen angst verdrijven. En als moeder antwoordde, eerst schor en

hokkend, dan opkeek en bekwam met herlevende oogen, dan zonk Heleen

trillend in haar stoel terug. Al haar spieren ontspanden zich, haar

hart bedaarde, wat onder tafel waarde week en verdween, damp trok op,

aan den wand doofden oogen en gelaten, angst ging in ijlte heen, maar

bleef, veraf loerend, om haar opnieuw te bezetten. Niet voordat vader

inkwam en Heleen hem vleiend tegemoet vloog, was het huis opnieuw van

hen alleen en veilig.

Doch gruwbaarder dan haar angsten waren nog de droomen, waartegen ze

weerloos en van hulp verstoken alleen stond. Er waren dagen, dat ze

uren vooraf tegen dat van slapen gaan opzag, en bij voorbaat beefde

voor de benauwde martelingen, die haar van den komenden nacht te

wachten konden staan. Menigmaal nam ze zich voor, zoo lang mogelijk

wakker te blijven, lei zich bevend in bed en zoog gretig haar aandacht

vast op het kleinste gerucht in huis. Zoolang ze haar vader nog hoorde

en al haar gedachten samendrong op wat hij beneden deed, klok-opwinden,

deurgrendelen, waterhalen, behield ze een betrekkelijke rust,

waarachter toch al reeds de angst voelbaar gereed lei, om haar te

bespringen. Doch werd het dan stil, en verslapte de spanning van

luisteren en wachten, dan viel ze bevend in haar kussen terug en woelde

bleek en zwak zuchtend, schreiend met een bitter verwrongen mond en

niet wetend wat ze beproeven moest, slapen gaan of wakker blijven. Want

sloeg ze de oogen open en keek ze op in het duister onder de binten,

dan benauwden haar dolende vormen, deed zij ze toe, dan spookten uit de

diepte rosse en fel witte schijnselen op haar af, vormloos, maar die

vormen aannemen konden en ze wentelde zich om en om en stortte

eindelijk heftig schreiend haar angst uit mond en oogen in haar

hoofdkussen neer, tot ze uitgeput insliep en droomde.

Wanneer kinderen op school met vroolijken ophef vertelden van wat ze in

den nacht hadden gedroomd, grappige of ijselijke verhalen, keek Heleen

ze zwijgend en weifelend in de oogen, en geloofde ze niet in wat ze

zeiden, want wie kon lachend over zijn droomen spreken? Haar droomen

waren meestal onzegbaar gruwelijk en tot in de gewoonste dingen

ontstellend vreemd. Zij kende gedroomde landschappen, die jaren lang

bij poozen weerkeerden voor haar gezicht en haar verontrustten, zonder

dat er in dien droom iets ergs of bijzonders was voorgevallen. Ook

droomde ze wel van varen in de boot, van loopen door het land—, en

zelfs dan schenen land en boot dat ontstellende als uit te zweeten, ze

wilde dikwijls weten wat het was en ontwierp daarom bij het ontwaken

naast het wijkend droombeeld snel het werkelijk beeld van die bekende

dingen, doch bevond hun onderscheid wel sterk en beslist te gevoelen,

doch niet te benoemen. Het ergste, dat haar overkomen kon, was

eenzelfden droom twee keer achtereen te droomen, dan was ze den

volgenden dag wild van onrust en vrees dat het wederom komen zou. Dat

was geschied met den droom van de drie mannen, de droom, waarin de

kamer beneden wijd werd tusschen de wijkende wanden, het licht in de

lamp bleeker en geler en tienvoudig verspreid en elk ding in de kamer

stond te trillen van een benauwd voorgevoel. Vader en moeder, de

broertjes, de zuster en zijzelf, keken allen in éénzelfde seconde op en

elkaar aan, sloegen één seconde later allen de oogen neer met

sidderende lippen. De drie mannen zaten weer in hun midden, spraken

niet, bewogen niet en keken toe. Ze zaten er avond aan avond, niemand

wist van waar en hoe ze binnen kwamen. Doch erger dan hun bijzijn was

het gruwelijk oogenspel, dat nu aanving. Heleen’s oogen trachtten die

van haar vader te naderen, om hem te smeeken, dat hij op zou staan en

van buitenshuis hulp gaan halen, ze zag haar blik als een trillende

zilverdraad naar haar vader uitgaan, doch halfweg werd die blik

ondervangen en weggevoerd door de sterkere blikken der mannen. Niemand

van hen kon de anderen met de oogen naderen en beduiden, over de tafel

trilden de blikken als zilveren draden, werden gevangen en

weggevoerd.... de spanning steeg ondraaglijk, een suizen werd hoorbaar

en alles stond op barsten—, tot Heleen wakker sloeg en zich heet

zweetend alleen bevond in den nacht, met een roode hel van angst in

haar hoofd. Dan dorst ze geen lid van haar lijf verroeren, in de stilte

niet opstaan en niet krijten en leed haar marteling tot de dag door

raam en reten drong, sprong het bed uit, stortte zich op den grond en

strekte haar armen naar het licht.

Ten leste zwol de benauwdheid van hare angsten zoodanig in Heleen’s

wezen aan, dat ze elk ander gevoel uit haar verdrongen. Er waren dagen,

dat ze niet dorst opzien naar het gelaat van de maan en de vormen der

wolken, dat ze, in den schemer, van den weg af kwam aangedraafd,

verward in haar adem en zich met sidderend lijf tegen de buitendeur

stortte om die te grendelen en zich met voorwendsels en jokkens aan het

gevaar, naar boven te moeten, zooveel mogelijk onttrok.

Toen Heleen’s vader van die angsten begon te vermoeden, besloot hij er

zijn wil rauwelijks tegen in te zetten tot Heleen’s eigen baat; zijn

minachtende woorden knauwden haar wel, maar ze gaf niet altijd toe.

Doch eens in het schemeruur, ze zouden juist hun maal beginnen en

Heleen zat reeds aan tafel, beval hij haar naar boven te gaan en een

mandje te bergen in een kast. Heleen werd grauwbleek, maar ze zweeg en

rees op en ging de kamer uit en klom bevend bij de duistere trap omhoog

naar boven. Ze kwam de verlaten kamer in, binnen de stoffige ruiten

hing het doodsche donker, koud klonk haar stap op den plankenvloer, de

kast kierde en sloeg kelderlucht uit. Ze vermeed het naar het

grendeldeurtje in den schoorsteen te kijken en beproefde het veilig

beeld van de kamer beneden, met lamp en witgedekte tafel, voor haar

oogen vast te houden. Ze sloot de kast, rilde in de kilte, en ging naar

de trap terug. Doch toen ze voorbij het deurtje kwam, voelde ze zich

plotseling beloerd, alsof gretige oogen zich verdrongen achter de reet

om haar en het licht te zien. Lam van angst kwam ze bij de trap, zette

wankelend haar voet op de bovenste trede, toen hoorde ze duidelijk

achter zich den grendel knappen en dat het deurtje opensloeg. Een tocht

streek haar langs het gezicht, iemand stiet haar tusschen de

schouderbladen aan en in het duistere trapgat neer naar beneden. Ze

viel neer op haar gezicht, voelde een krimpen door haar lichaam en dat

het bewustzijn haar ontvloeide.

Heleen · 第 6 / 29 题