Heleen werd twaalf jaar oud en kende van het woord vertrouwelijkheid
het wezen niet, slechts den klank; er was nog nimmer vertrouwelijkheid
naar haar toe gekomen of van haar uitgegaan.
Op school had ze nog altijd geen vaste vriendinnetjes, ze hechtte aan
bezit van moois of lekkers weinig waarde, en kon er vooral dan licht
van scheiden als maar haar deernis was opgewekt. Ze bezat noch den wil,
noch het vermogen iets te weigeren, dat haar werd afgevleid en gevoelde
zich edelmoedig gelijk de helden in haar romans, wanneer ze alles
verdeeld, en niets voor zichzelf behouden had, doch de kinderen in de
klas hielden haar voor suf, beroofden haar meedoogenloos, lachten haar
daarna uit en lieten haar staan.
De begeerte naar kennis uit de tastbare werkelijkheid bleef Heleen ook
in die jaren ontbreken; ze wist van geen enkel voorwerp, hoe het in
elkaar zat, had nog nooit iets uiteengenomen om er de werking van na te
speuren en liep de ambachtsprenten tegen den muur achteloos voorbij,
terwijl de tafereelen uit het menschelijk leven of uit de natuur, hoe
innig ook bekend, haar altijd weer opnieuw boeien konden en haar altijd
opnieuw wat nieuws vertelden. Daardoor bleef het aantal zakelijke
voorstellingen ver beneden het aantal dat men bij kinderen uit het volk
aantreft op hun twaalfde jaar, terwijl tegelijkertijd haar ervaringen
uit boeken en vooral die uit eigen gevoel en eigen verbeelding zoodanig
uitgroeiden en zich verdiepten, dat ze daaraan meer bezat dan veel
kinderen en dan de meeste menschen.
Heleen’s vader en moeder hadden geen vrienden en kwamen nooit bij
vreemden aan huis, noch kwamen die bij hen. Een enkele maal zag ze haar
oom en tante, stijve, koele menschen, mooi gekleed en in goeden doen.
Heleen wist van hen alleen, dat ze hen hielpen om te leven en ze
bemerkte, dat haar moeder schuw en gedrukt als een kind zonder
zelfvertrouwen in hun bijzijn was.
Het groote leed van deze jaren kwam voor Heleen uit haar jammerlijke
angsten en haar ellendige droomen. Er waren wel dagen, donkere dagen
vol storm en regen in den herfst, als het heele huis kraakte en er
overal getik van lekkende droppen viel te hooren, dat Heleen in geen
enkele kamer en zelfs in den tuin bijkans niet alleen dorst zijn,
huiverend voor valluiken en geheime deuren. Bevend en bang, zich overal
tusschen scherpgeklauwde spookselen verstooten wanend, zwierf ze af en
aan, vermeed de gelige vochtplek op den muur achter de deur, vermeed
het bovenal naar boven te gaan. Daar was een gemetselde schoorsteen van
kantig ingebrokkelde roode steenen, met een klein, grijs, toegegrendeld
deurtje erin, waarachter de gevangen wind soms gruwelijk te keer ging
en het nooit geheel en al stil en richtig was. Als het kwam, datgene,
waarvoor ze bevreesd was, moest het daaruit komen, en haar vrees was
volmaakte zekerheid: éénmaal zou het komen. Eenmaal zou het onverwacht
voor haar oogen staan, voordat ze die toeknijpen of afwenden kon.
Wanneer Heleen in boekjes las van „spoken, kind’ren, zijn er niet,” dan
geloofde ze dat geen seconde. Zonder overwegen stelde ze een zekerheid
tegenover de bewering. Spoken waren er, eenmaal zou zij ze zien, hooren
en voelen; het stond zoo vast, als dat ze dood zou gaan, en het kon
elken dag op een plotseling uur gebeuren. Ze vreesde vooral ineens te
worden aangeraakt en wel in de holte tusschen haar schouders. Daar
zetelde haar angst als kilte en huiver voelbaar.
Heleen verborg in haar diepste wezen dit klein, gruwelijk geheim, dat
ze bijwijlen bang was voor haar eigen moeder. Ze wilde in de avonden,
dat er storm en wolken waaiden om het huis, niet met haar alleen
gelaten wezen, maar ze had niet de macht en den moed om dat alleenzijn
te weerhouden. Als ze dan tegen den avondschemer haar vader zag
uitgaan, voelde ze al reeds haar onrust in aantocht als een koude damp,
die van alle kanten op haar aftrok—er behoefde maar het geringste te
geschieden en het zou zich verdichten en overal op haar vastzetten. Ze
zette zich stijf van angst in haar stoel, nam een boek en wilde lezen,
doch spiedde stil en schichtig boven de bladen uit met drogen mond naar
moeder, die zacht-ademend staarde in de lamp. Hoe bleek leek ze, hoe
fel en vast haar mond, de oogen leeg en ver; ze was heengegaan en had
Heleen alleen gelaten, ze voelde het vast en bang, moeder was heen, zij
was nu alleen, soms voelde ze het ook, alsof moeder dood was en ze haar
hadden gelaten met haar lijk. Plotseling verkromp ze—, alles in de
kamer begon stil en sidderend te leven, de vale grootouders aan den
wand bewogen de oogen en staarden haar aan, er waaiden schaduwen achter
den haard, en onder de tafel het dwalend iets, dat zweeg en greep en
beet, zij zelf ging op tot een damp van kouden angst, waarin haar
razend hart bleef bonzen, elk oogenblik een knauw of killen beet aan
haar lichaam verwachtend en machteloos tot vlucht of verweer, zooals in
droomen. Haar voorhoofd was ijzig bezweet, in haar borst scheen haar
hart te sterven en stervend te smeeken, dat het zoo niet blijven moest.
Dan scheurde zich haar stem los uit haar keel en vroeg en drong, dat
haar moeder hooren en weerkeeren zou en met haar bijzijn den
rampzaligen angst verdrijven. En als moeder antwoordde, eerst schor en
hokkend, dan opkeek en bekwam met herlevende oogen, dan zonk Heleen
trillend in haar stoel terug. Al haar spieren ontspanden zich, haar
hart bedaarde, wat onder tafel waarde week en verdween, damp trok op,
aan den wand doofden oogen en gelaten, angst ging in ijlte heen, maar
bleef, veraf loerend, om haar opnieuw te bezetten. Niet voordat vader
inkwam en Heleen hem vleiend tegemoet vloog, was het huis opnieuw van
hen alleen en veilig.
Doch gruwbaarder dan haar angsten waren nog de droomen, waartegen ze
weerloos en van hulp verstoken alleen stond. Er waren dagen, dat ze
uren vooraf tegen dat van slapen gaan opzag, en bij voorbaat beefde
voor de benauwde martelingen, die haar van den komenden nacht te
wachten konden staan. Menigmaal nam ze zich voor, zoo lang mogelijk
wakker te blijven, lei zich bevend in bed en zoog gretig haar aandacht
vast op het kleinste gerucht in huis. Zoolang ze haar vader nog hoorde
en al haar gedachten samendrong op wat hij beneden deed, klok-opwinden,
deurgrendelen, waterhalen, behield ze een betrekkelijke rust,
waarachter toch al reeds de angst voelbaar gereed lei, om haar te
bespringen. Doch werd het dan stil, en verslapte de spanning van
luisteren en wachten, dan viel ze bevend in haar kussen terug en woelde
bleek en zwak zuchtend, schreiend met een bitter verwrongen mond en
niet wetend wat ze beproeven moest, slapen gaan of wakker blijven. Want
sloeg ze de oogen open en keek ze op in het duister onder de binten,
dan benauwden haar dolende vormen, deed zij ze toe, dan spookten uit de
diepte rosse en fel witte schijnselen op haar af, vormloos, maar die
vormen aannemen konden en ze wentelde zich om en om en stortte
eindelijk heftig schreiend haar angst uit mond en oogen in haar
hoofdkussen neer, tot ze uitgeput insliep en droomde.
Wanneer kinderen op school met vroolijken ophef vertelden van wat ze in
den nacht hadden gedroomd, grappige of ijselijke verhalen, keek Heleen
ze zwijgend en weifelend in de oogen, en geloofde ze niet in wat ze
zeiden, want wie kon lachend over zijn droomen spreken? Haar droomen
waren meestal onzegbaar gruwelijk en tot in de gewoonste dingen
ontstellend vreemd. Zij kende gedroomde landschappen, die jaren lang
bij poozen weerkeerden voor haar gezicht en haar verontrustten, zonder
dat er in dien droom iets ergs of bijzonders was voorgevallen. Ook
droomde ze wel van varen in de boot, van loopen door het land—, en
zelfs dan schenen land en boot dat ontstellende als uit te zweeten, ze
wilde dikwijls weten wat het was en ontwierp daarom bij het ontwaken
naast het wijkend droombeeld snel het werkelijk beeld van die bekende
dingen, doch bevond hun onderscheid wel sterk en beslist te gevoelen,
doch niet te benoemen. Het ergste, dat haar overkomen kon, was
eenzelfden droom twee keer achtereen te droomen, dan was ze den
volgenden dag wild van onrust en vrees dat het wederom komen zou. Dat
was geschied met den droom van de drie mannen, de droom, waarin de
kamer beneden wijd werd tusschen de wijkende wanden, het licht in de
lamp bleeker en geler en tienvoudig verspreid en elk ding in de kamer
stond te trillen van een benauwd voorgevoel. Vader en moeder, de
broertjes, de zuster en zijzelf, keken allen in éénzelfde seconde op en
elkaar aan, sloegen één seconde later allen de oogen neer met
sidderende lippen. De drie mannen zaten weer in hun midden, spraken
niet, bewogen niet en keken toe. Ze zaten er avond aan avond, niemand
wist van waar en hoe ze binnen kwamen. Doch erger dan hun bijzijn was
het gruwelijk oogenspel, dat nu aanving. Heleen’s oogen trachtten die
van haar vader te naderen, om hem te smeeken, dat hij op zou staan en
van buitenshuis hulp gaan halen, ze zag haar blik als een trillende
zilverdraad naar haar vader uitgaan, doch halfweg werd die blik
ondervangen en weggevoerd door de sterkere blikken der mannen. Niemand
van hen kon de anderen met de oogen naderen en beduiden, over de tafel
trilden de blikken als zilveren draden, werden gevangen en
weggevoerd.... de spanning steeg ondraaglijk, een suizen werd hoorbaar
en alles stond op barsten—, tot Heleen wakker sloeg en zich heet
zweetend alleen bevond in den nacht, met een roode hel van angst in
haar hoofd. Dan dorst ze geen lid van haar lijf verroeren, in de stilte
niet opstaan en niet krijten en leed haar marteling tot de dag door
raam en reten drong, sprong het bed uit, stortte zich op den grond en
strekte haar armen naar het licht.
Ten leste zwol de benauwdheid van hare angsten zoodanig in Heleen’s
wezen aan, dat ze elk ander gevoel uit haar verdrongen. Er waren dagen,
dat ze niet dorst opzien naar het gelaat van de maan en de vormen der
wolken, dat ze, in den schemer, van den weg af kwam aangedraafd,
verward in haar adem en zich met sidderend lijf tegen de buitendeur
stortte om die te grendelen en zich met voorwendsels en jokkens aan het
gevaar, naar boven te moeten, zooveel mogelijk onttrok.
Toen Heleen’s vader van die angsten begon te vermoeden, besloot hij er
zijn wil rauwelijks tegen in te zetten tot Heleen’s eigen baat; zijn
minachtende woorden knauwden haar wel, maar ze gaf niet altijd toe.
Doch eens in het schemeruur, ze zouden juist hun maal beginnen en
Heleen zat reeds aan tafel, beval hij haar naar boven te gaan en een
mandje te bergen in een kast. Heleen werd grauwbleek, maar ze zweeg en
rees op en ging de kamer uit en klom bevend bij de duistere trap omhoog
naar boven. Ze kwam de verlaten kamer in, binnen de stoffige ruiten
hing het doodsche donker, koud klonk haar stap op den plankenvloer, de
kast kierde en sloeg kelderlucht uit. Ze vermeed het naar het
grendeldeurtje in den schoorsteen te kijken en beproefde het veilig
beeld van de kamer beneden, met lamp en witgedekte tafel, voor haar
oogen vast te houden. Ze sloot de kast, rilde in de kilte, en ging naar
de trap terug. Doch toen ze voorbij het deurtje kwam, voelde ze zich
plotseling beloerd, alsof gretige oogen zich verdrongen achter de reet
om haar en het licht te zien. Lam van angst kwam ze bij de trap, zette
wankelend haar voet op de bovenste trede, toen hoorde ze duidelijk
achter zich den grendel knappen en dat het deurtje opensloeg. Een tocht
streek haar langs het gezicht, iemand stiet haar tusschen de
schouderbladen aan en in het duistere trapgat neer naar beneden. Ze
viel neer op haar gezicht, voelde een krimpen door haar lichaam en dat
het bewustzijn haar ontvloeide.