Des Zondags mocht Heleen graag naar het stadje dwalen en onopgelet
zwerven tusschen de menschen, die te kerk gingen, in een weelderigen
geur van stervend loof, terwijl het zonlicht, uit de spleten der wolken
gebroken, langs het loof van de bruine beukenboomen stoof en
daartusschen zwervend roodgouden lichtjes ontstak. Ze was graag bij de
Luthersche kerk, een sterk en blank gebouw met een slanke spits en een
gouden zwaan boven in den hoogen gevel. Binnen het hek was een ruim
plein met een heldergeel plaveisel, daar stonden kastanjeboomen in
plekken schaduw en strooiden rozerood neer in de vroege lente. Heleen
bleef voor het hek tot de kerk was begonnen, drentelde dan het plein
op, liep er neuriënd heen en weer met de handen op den rug en wachtte
op het orgelspel. Zoodra dat aanving, zocht ze haar plekje achter een
nis, drukte zich met den rug ertegenaan en sloot de oogen. Dan vloeide
een zoete droefgeestigheid uit de kern van haar hart vandaan en trilde
in kringen door haar leden heen, zooals water, wegtrillend in het
midden van een meer, zich wijder en wijder breidt en ten leste ook het
oevergroen vangt en meevoert in zijn golving; haar dwalend gepeins
stond stil, ze leek in eigen roerloosheid kwijnend op te gaan en te
verdwijnen. Ze dacht nog aan het meisje met den mooien naam, dat den
verloofde van haar gebrekkige zuster zoozeer liefhad, dat ze zonder hem
niet verder wilde leven, doch evenmin wilde ze haar zusters weelde
stelen tot haar eigen geluk. Dus ging ze, in ’t wit gekleed, tegen den
avond met haar rank roeibootje tot midden in het blauwe, koele meer,
waar haar schoon, blank woonhuis stond, liet zich over den rand naar
buiten glijden en verzonk. Het laatste dat ze zag, was een kerk met
slanke spits boven het verduisterd groen van popels en cypressen en hoe
de laatste kleuren van de dalende zon vervloeiden over het blauwe,
blankwazige meer. Op den dag, dat Heleen dat zeldzaam ontroerende
verhaal, ’t welk in Italië voorviel, ten einde toe gelezen had, was ze
zwaar van peinzen langs de kerk gekomen en had het orgelspel gehoord.
En van nu af aan was die witte kerk met slanke spits en gouden zwaan en
het gele plein met de goudloof strooiende kastanjes een plek van een
vreemd land, van het land van Italië. Des Zondags was het, alsof ze
daar naar toe afgereisd was, ze schreide om het meisje en om veel
andere dingen, die ze gevoelen, maar niet benoemen kon, doch sprak er
met niemand over.
Toen het in school tijd werd, een kaart van Italië te teekenen, kleurde
Heleen, terwijl van teedere deernis haar vingers beefden, de plekken
der meren zacht en wazig blauw—, ze boog het hoofd vlak op het papier
en waagde het, het orgelspel uit de Luthersche kerk stil en zacht na te
neuriën, toen zwol haar hart van zalig-smartelijk medeleed, haar stem
brak, en in haar oogen rezen tranen, zoo verblindend en heet, dat ze
zich niet verroeren dorst. Want ze was bang haar kaart te bevlekken.
Mooie namen bekoorden haar zeer en wekten gedachten aan ruimte en
schittering in haar op. Eens was ze op een winternamiddag, dat het
vroor, naar den strengen meester van een hoogere klas gezonden, waar ze
met het gelaat tegen den muur in een hoek bij de kachel moest staan. De
kinderen van die klas leerden in donker aardrijkskunde en plotseling
hoorde Heleen den naam Rio de la Plata noemen. Daar ving voor haar
oogen een dobberen van blankgezeilde scheepjes aan op een ruime, diep
blauwe, koele zee. Groene kusten breidden naar alle zijden open, schuim
vlijde zich in roomige zoomen erlangs, zijdezachte schapen graasden en
blaatten. Het duurde maar even, toen verzonk het weer. Heleen staarde
opnieuw tegen den grauwen muur, doch nu niet meer rampzalig, maar
stil-verrukt, alsof het zomer was. Ze trok krasjes in de verf met den
nagel van haar pink en had gedurig nog een kleine rilling van geheime
behagelijkheid.
Dicht bij de school stond de bouwval van een oud, kerksch weeshuis, een
ingezakt grauw brok muur met hoopen puin en stof achter de gapende
ramen. Twee fijne berkjes met bast als zilveren tijgerhuid aan
weerszijden van de toegespijkerde deur. Dagelijks ging Heleen langs
dien muur zonder er acht op te slaan of er iets bij te gevoelen. Ze zou
de kleur van de steenen en het aantal ramen niet hebben kunnen zeggen.
Maar eens in een avond van April, de lucht was porceleinig bleek en
blauw met koele, strak gepenseelde vegen, de verre sterren blonken nog
maar flauw, ze was met haar moeder uit geweest en keerde zwijgend aan
haar hand naar huis terug, zag Heleen het woeste kartelen van dien
muur, en in de witte wijdte van de lucht de zilverbleeke teederheid der
trillende berkjes. Het bang en zoet bevangende, dat ze kende, maar niet
verstond, woei haar plotseling hevig en vol uit dit alles aan. Ze had
jaren geleden in een reisverhaal over den grooten Muur van China
gelezen, doch er nimmer een voorstelling van gezien. Dit was de groote
muur van China en uit de porceleinen wazigheid der lucht en het
parelmoer van de kimmen vormden zich beelden en gestalten, vluchtig
doch tegelijkertijd sterk, zooals geur vluchtig en sterk is, en
bevolkten de ruimte achter den muur, die zich wijkend verbreedde en
eindeloos werd. Sedert dien bleef dat zoo, doch niet anders dan wanneer
de lucht porceleinig bleek en blauw was en de berkjes trilden in het
zilverig licht van de vroege schemering.
Vaak in die jaren had Heleen het gevoel, als vloog haar op het
onverwachtst een vogel voorbij, dien ze grijpen wou, maar niet grijpen
kon en die in het voorbijwieken een spoor van benauwdheid en
bedroefdheid achterliet, hetwelk geest en leden gelijkelijk met
machteloosheid sloeg, een gevoel, als vernam ze, temidden van spel en
werk, een klank van ver, dien ze kende of herkende, doch wilde ze
luisteren dan was het weer stil.
Het was eenmaal geweest op den landweg onder de boomen, in de
schemering van een vroeg-winterschen dag, toen het grommen van den wind
naar donder klonk. Heleen speelde met haar broertjes en wat vreemde
kinderen, hier en daar uit een boerderij voor den dag gekomen,
versteken tusschen de boomen en op haar beurt moest ze de oogen sluiten
en wachten op hun roep. Ze stond onder een boom, drukte de vingers in
de oogen, ademde zacht lachend in de palmen van haar handen, geest en
leden op vangen en grijpen gespitst en vaardig, maar niemand riep en
niemand kwam. Toen ze de handen liet vallen en verwezen om zich keek,
zag ze den weg verlaten en vernam geen gerucht dan den wind in de
boomen boven haar hoofd. Daarheen was in willooze bevangenheid haar
blik gerezen, ze had de wolken zien trekken op de lokfluit van den
wind, het was geweest, als werden haar voeten zacht aan de plek waar ze
stond, in de aarde vastgeklonken, zooals wanneer ze voor het
boekenhuisje stond, ze ademde stil en snel, haar gedachten verstoven in
ijl en zoet-vreemd gepeins, de vogel wiekte aan, en ze wilde hem
grijpen en meende dat ze het ditmaal kon; daar sprongen de kinderen
achter de stammen vandaan, haar geduldigheid moede, en stieten haar
speelsch weg van de plek, waar ze zich meende vastgeklonken. En een
woeste drift was als wervelwind in haar opgestoken, ze wilde beuken, ze
wilde bijten, ze zette wit en snikkend de lachende kinders na, totdat
plotseling haar woede brak en ze ook lachen moest en trillend
stilstaand, zich de ijle tranen van de wangen wischte. Wel had ze
daarna weer meegedaan in het spel, maar dien ganschen avond bleef het
gevoel, als was haar iets van bijzondere waarde juist voor ze ’t
grijpen wou, ontrukt. Bij poozen huiverde ze van onbehagen en
onverklaarbaren tegenzin, haar kaken verkrompen, alsof ze onpasselijk
worden zou.
Het was een andere dag geweest, dat Heleen in den stillen namiddag in
het bosch was gedrongen en met de kin op de opgetrokken knieën tusschen
de boomen zat en zonder dat ze wist hoe ze aan die gedachte kwam,
starende overdenken ging, wat er nog zou bestaan, als er niets bestond
van alles dat ze tastte en zag. Toen was het geweest, alsof binnen in
haar en buiten om haar muren weken en geruischloos ineenvallend tot
niets, een zwarte ruimte lieten aan allen kant, alsof zijzelf zonder
geluid en zonder pijn, maar vredig en zacht van alles dat was werd
losgetrokken en in roerloosheid opging en verdween; vormen versmolten,
kleuren vervlogen, licht verging, doch er kwam geen duister, de grond
verzonk, een dak trok omhoog en liet eindelooze ruimten onder zich. Eén
seconde duurde het, dat Heleen wist, dat ze nu voor zichzelf niet
bestond, en dat de wereld voor haar niet bestond,—toen knapte een tak
en er ruischte een boom, een verschrokken vogel riep en een blad viel
neer aan haar voeten. Heleen ontwaakte en haar hart klopte vreemd en
vol om wat ze had ervaren. Vaak sloop ze naar dienzelfden boom terug,
duwde haar kin tusschen haar knieën en staarde en spande zich in, de
keel als gesnoerd van spanning en benauwdheid,—nimmermeer kwam die
seconde terug, ze worstelde om los te komen, doch vermocht het niet.
Wilde ze of wilde ze niet, haar aandacht hechtte zich aan de boomen, de
lucht, stemmen van ver of het schuifelen van haar eigen adem.
Het eerste boek, dat Heleen beetgreep met een heet verlangen naar
redden en helpen, zoodat ze haar onmacht leed als een marteling, was
het boek „Alleen op de wereld.” Weken achteren leefde ze bevende mede
met den zachtaardigen, ouden man en den bleeken, teederen knaap. Ze zag
ze met hun wezenloos en trouwhartig dierengebroedje over de barre
bergen trekken en barrevoets langs de wegen gaan, waar de avond viel en
de barsche hofhonden knarsend blaften uit ongure behuizingen, waar het
regende en woei. Daar sjokten ze, zwijgend en gelaten, smeekend maar
niet verhoord, waar ze licht zagen vragend, maar in donker verstooten
en ten leste snikkend in elkaars armen met de zacht-klagende hondjes,
de stille, trillende aapjes om hen heen op den natten weg en naar hen
opziend. Doch ziedaar, aan den duisteren kruisweg, die zich eindeloos
in het land verloor, achter dien koolzwarten woesten olm, daar stond
nog een huis en in dat huis woonde zij, Heleen! Daar klopten ze nu zwak
en weifelend, bij voorbaat al in weigering en hardvochtigheid gelaten
en zijzelf deed blijde de deur wijd open en liet ze allen in en sloot
de deur, dat kilte en donkerte niet meekomen konden. De storm mocht nu
vrijelijk woeden in den nacht, die kwam, licht en vuur bleven
ontstoken, de dieren werden gekoesterd in zachte mandjes rondom den
haard, de oude man en het jonge kind kregen soep en brood en bed.
Heleen zorgde voor allen en gunde zich geen rust, doch ze leed het
sterkst haar deernis om den ouden man.
Het was winter, overal lag sneeuw, de lucht hing er zwaar van en de
wegen waren verlaten. De oude man en het kind zwierven over de aarde en
misten wederom brood en bed. O, had zij er ook nu mogen zijn, dat hij
niet in de steengroeve had behoeven te sterven, had ze in gindsche
donkere stad mogen zijn en de jongetjes waren niet in een ondergrondsch
gewelf gemarteld en mishandeld door den boozen padrone, zij immers had
alles uitgebracht en hulp gehaald en rechters geroepen en menschen
overreed om de jongetjes bij zich op te nemen. De boosaard van een
padrone zou zwaar worden gestraft.... Maar stil—, nu is hij alleen in
zijn koud en duister kelderhol, zie in zijn oogen, hij wacht trillend
zijn vonnis; hoor naar zijn stamelen, hij heeft berouw. Plotseling is
ook hij oud en een verkommerde stumper; snijdt de touwen door, waarmee
hij is gebonden, laat hem los, laat hem vrij. Hij wil een goed mensch
worden en wij kunnen niet vrij-uit juichen, zoolang hij in boeien ligt.
Zoo droomde Heleen over het boek en liet haar tranen vrijelijk
stroomen. Hoe knauwde haar dan de kale werkelijkheid, als ze tot
bezinning kwam.
Schoon Heleen bij voorkeur vredige en zachtaardige boeken las, was ze
geenszins afkeerig van die verhalen, waarin van dapperheid en
heldenfeiten werd gewaagd. Boven moed en dapperheid echter bekoorde
haar onbewust de edelmoedigheid als een deugd van edeler gehalte en
voornamer natuur.
Leed de edelmoedige door zijn edelmoedigheid, dan voelde ze ook niets
voor hem van haar gewone snel opgewekte deernis, daar ze hem rijkelijk
beloond achtte door het blijde besef van wat hij had verricht. Hij had
macht om te dooden en schonk leven, macht om te wreken en vergaf, de
hulde en de bewondering der anderen en de voldaanheid over zichzelf
vooral maakten hem in Heleen’s oog wel zoo rijk dat elk beklag
overbodig was.
De verhalen, die haar zoodanig in verzet en in beroering brachten, dat
zij ze soms niet ten einde toe lezen kon en in den telkens hernomen
kamp tusschen weerzin en benieuwdheid de laatste het toch afleggen
moest—, waren die, waarin plomp onrecht en redelooze onderdrukking
zegevierden. Ze werd dan bleek en knarste haar tanden, balde haar
vuisten tegen de beulen, die onschuldigen lieten zuchten in een donker
hol, tusschen padden en geraamten, en rilde van een onbehagen, dat
sterker nog was dan haar drift.
Dat onbehagen zwol tot walging, een gruwel, haar lijf en ziel te zamen
aangedaan, wanneer er van smaad, mishandeling en foltering sprake was,
en ze ondervond datzelfde later, als een jongen op straat haar en
andere meisjes leelijke woorden naschreeuwde, doch veel erger dien
keer, toen een vreemde man in een oploop haar aanraken wilde, en het
allerergst toen ze zag hoe een heer, zwijgend en met opeengeklemde
lippen, zijn jammerlijk-jankenden hond, een gladden, zwarten hond,
afranselde met zware, rake zweepslagen, terwijl hij hem met de knie op
den nek tegen de straat hield gedrukt. Ze vloog op den man aan en balde
trillend de vuisten, met een gevoel of deze ondraaglijke smaad haarzelf
was aangedaan, doch week geslagen voor zijn smalenden lach en schreide
van onlust en van afschuw, die niet wijken wilden uit haar lijf, nog
uren daarna, en haar met schok en plotse rilling verontrustten.
Sinds Heleen had gelezen, dat Zigeuners kinderen rooven en wegvoeren en
opbrengen tot een jammerlijk leven, ging ze niet uit huis en tuin
vandaan, als er in het stadje of in de naburige dorpen kermis werd
gevierd. Ze bewaakte dan haar kleine broertjes, dat niemand ze rooven
en wegvoeren zou. Mannen met orgels en jongens met apen kwamen
afgedwaald tot voorbij haar huis; ze keek ze onbevreesd in de donkere
oogen; zoolang zij maar in huis was, konden ze loeren, zooveel ze
wilden. Doch hadden ze geen boosheid in den zin, dan mochten ze ook
binnenkomen en haar gasten zijn, om te verhalen van de landen, waaruit
ze afkomstig waren.
Aldus leefde Heleen haar eerste levensjaren en schiep zich in haar
eenzaamheid uit klanken, geur en kleur een eigen wereld en niemand
voerde haar daaruit weg. Want in en uit huis ging en kwam ze
ongestoord, ze zwierf uren ver weg, verlaten en frank als een Zigeuner
en geen mensch ondervroeg haar naar wat ze had ervaren. Het schoolgaan
had evenmin vat op haar; in een klas van bijna vijftig kinderen ging ze
verloren en droomde vaak uren ongestoord, terwijl de meester sloofde
met de dommen. De zon scheen, en de wind woei, slanke takken zwierden
groen en goud de ramen langs, van ver klonk het fluiten van de
stoomboot op de rivier, een dubbele stoot van ongelijke hoogte, als wit
en geel tegen elkaar. De rivier was blauw en breed tusschen heuvelen en
glooiende groene dalen: de Garonne. Lichtspikkels dansten fel tusschen
flarden schuim, kleurige meisjes spoelden goed en leien het naast zich
te bleeken in de lucht. Over den grintweg, in de verte, waar de huizen
lagen in de trillende wazen hunner gaarden gevat, kwam Vitalis aan op
zijn staf geleund en het kind ging klein en vlug aan zijn hand. Nog
weer toeterde de boot, de gladde golven richtten zich op, rondden zich
glanzende om en braken neer, spikkels dansten tusschen schuim, ze
kwamen aan, ze gingen voorbij, ze trokken verder....
Buiten was het donker en in de schemering van de klas gonsde het
gedempte rumoer, dat beter dan stilte de broosheid van droomen behoedt.
De vlagen rukten en sloegen den fijnen regen te pletter tot
zilverloovers tegen de ruiten. Nu stonden ginder in het veld de
rietlanden rondom den molen blank onder water. De molen klepperde, de
plassen rimpelden rillend in den wind, dorre pluimen wuifden, riemen
plasten en sopten met het zoet, droefgeestig geluid, dat tot verlangen
en mijmeren drijft, booten schuurden langs den dijk, mannen, zwaar
gewapend, zwijgend, rezen hoog op, klommen naar boven, en bestormden
den molen. Het waren de Watergeuzen. Het werd avond, het blanke
daglicht ging te loor, de plassen verzonken in grauw en zwart—, nu
roeiden ze weer naar hun dorpen terug. Heleen was in die dorpen achter
bosch en plassen nimmer geweest en verlangde er niet heen te gaan. Ze
kende de spitsen der kerkjes, de omtrekken van het geboomte, somwijlen
den rooden schijn der daken in avondzon en ze wist het voor zichzelf
goed en wel, daar hadden de geweldige Watergeuzen gewoond, en daar
bleef voor eeuwig alles van hun geest vervuld.
Heleen luisterde graag naar draaiorgels en onthield gemakkelijk hun
vleiende of droevige wijsjes. Neuriede ze die later op haar weg naar
school, dan vloog er plotseling een vlucht van herinneringen in haar
op, aan dingen gezien—en soms onbewust gezien—woorden gehoord en
geruischen in de lucht vernomen op het oogenblik, dat ze voor de eerste
maal door dat wijsje was getroffen geworden, doch alles blonk dan in
een waas als van gedempte feestelijkheid. Ze bemerkte ook al gauw, dat
melodieën haar hielpen in wat meer was dan onthouden en herinneren: het
vastklinken, proevend bezinnen en daarin opnieuw en bijkans sterker
beleven van het eens genotene of geledene.
Zoo ging ze welbewust melodieën verbinden aan wat haar in verhalen en
op haar zwerverijen blijde of droevig had ontroerd, zonder dat ze wist
waarom, opdat ze het door zijn eigen wijsje als door een tooverwoord
zoo vaak ze wilde zou kunnen oproepen en trachten te raden, wat het wel
had beduid; zij vermoedde toen al vagelijk, dat achter elke aandoening
een beduiden schuilt. Op deze wijze hield ze de kleinste gebeurtenissen
en stemmingen jaren lang ongedeerd in zich bewaard en bracht ze in het
licht, wanneer het haar behaagde of noodzakelijk scheen.