Heleen ging op school in een kleine, oude stad, een half uur gaans ver
van haar huis. Ze kwam er langs den grintweg met de boomen, die liep
van den rivierkant af, met holle bochten, de laagte in en tusschen de
akkers door. Ze ging graag alleen en verveelde zich nimmer, maar keek
neuriënd om zich heen en peinsde over de dingen, die ze zag. Ze keek
naar het zwoegen der boeren tusschen koren en koolzaad in de trillende
hitte van den zomer en benijdde hun ruime en onbetwiste vrijheid, ze
ademde in de vochtige winden van lente en herfst met open mond en
halfgesloten oogen en begreep niet recht wat haar daaruit aanwoei en
beving met zoete benauwdheid, ze staarde naar de gouden misten in
September en October in eenzelfde heerlijke zwaarmoedigheid,—die ze
niet begreep, doch waaraan ze zich gelukzalig overgaf,—doch ook de
winter bekoorde haar nog met zijn zachte, onvaste dagen, de neveldagen
vóór de Kerstvacantie, als er damp welt uit het warme land en bevend
opstaat om de boomen. Het eenige, dat ze niet verdroeg, was het wreede,
harde vorstgetij, het klare, koude winterweer, het open verschiet, het
verstarde akkerland—, en op haar weg naar school schreide ze als
verscheurd van koude en van rampzaligheid.
In het stadje ging ze altijd denzelfden weg naar school. Ze wist en
zocht er geen anderen; stond ze bij toeval in een vreemde straat dan
voelde ze zich verdwaald en verloren, het aangezicht der huizen
vijandig. Haar weg leidde dwars over een smal grachtje, waarvan het
water roerloos en met troebele glanzen als van bezonken zeepsop
tusschen de vooze schoeiingen der oude achterhuizen lag. Op het platte
bruggetje bleef Heleen vaak staan, hing over de leuning en staarde
zacht-ademend tegen die huizen aan. Daar was ook een koffiebranderij
met deur en schutting tegen den walkant aan. Stond de deur open, dan
rook Heleen den scherpen geur van het branden en in het witte licht
tusschen schutting en muur stond op de binnenplaats een kleine man in
’t bruin gekleed en draaide gestadig aan een groot rad. Heleen noemde
hem in haar gedachten „De Slaaf” en behield haar leven lang uit dat
woord niet zoozeer de voorstelling van een klein, krom mannetje op een
binnenplaats, als wel den reuk van koffie en het licht van een
regendag. Zoo dikwijls Heleen hem daar mocht zien, nooit vroeg ze
anderen, waarom hij er stond en wat hij er deed. Ze vroeg weinig naar
de dingen, die ze zag, schoon ze veel opmerkte en nimmer iets vergat
van wat ze eenmaal had gezien. Doch ze had voor zichzelf volkomen
genoeg aan wat haar uit aanschouwing, klank en geur aanwoei en beving,
hervoelde dat in eenzaamheid, klonk aan elk ding een vreemd en vluchtig
beeld uit haar fantasie vast en bewaarde ding en beeld gezamenlijk in
één enkele voorstelling, die dan eigenlijk een aandoening en geheel en
al haar eigendom was.
Was Heleen het bruggetje over, dan moest ze een smal ingekneld huisje
voorbij, waar een oud, halfblind dametje een leesbibliotheekje hield.
In een engen uitbouw lagen op een hellende plank de opengeslagen boeken
ten toon gespreid. Bijkans elken dag stond Heleen daar en zag er
dezelfde boeken. Van sommige kende ze alleen het vergeelde titelblad,
volbedrukt met ijle trekletters en het zwarte prentje er tegenover, van
andere twee bladzijden ergens middenin. Weken aaneen lag dat alles daar
onveranderd, dan las Heleen op een dag plotseling nìeuwe dingen, zag
onbekende prentjes, maar verheugde zich niet. Ze had zich aan de
bekende prentjes gehecht en voelde zich vervreemd en tekort gedaan.
Maanden achter elkaar zag Heleen in den benedenhoek van de toonplank,
vlak tegen het raam, het prentje en den titel van een boek, dat „De
Fonkelende Sterren” heette. Een heer in een ouderwetsche jas, een
bedroefde dame met sluier en sleep stonden daar hand aan hand onder den
nachtelijken hemel; de heer hief de vrije hand naar de sterren omhoog.
In den bleeken achtergrond van streepjes en veegjes meende Heleen
tengere boomen, van nachtwind bewogen en verder daarachter nog donkere
heuvelen te zien. Als Heleen daarnaar keek, beving haar een vreemd
gevoel, van niet weg te kunnen, maar ook niet weg te willen, omdat het
blijven en peinzen zoo zoet was. Ze stond zacht ademend vlak tegen het
raam en gevoelde zich ver weg, maar als het lachen en joelen der
voorbijtrekkende kinderen achter haar, haar beduidde, dat het
schooltijd werd, maakte zij zich los en ging gewillig naar school.
Nimmer kwam het in haar op, zich ook maar voor éénen dag aan de strenge
wet van het schoolgaan te onttrekken. Heleen was in geen enkel ding
lichtvaardig.
Eens op een dag waren de heer en de dame van „De Fonkelende Sterren”
verdwenen, en lag een ander boek in hun plaats. Heleen schrok van haar
eigen bedroefdheid, het scheen haar, als was haar een stuk van haar
leven ontscheurd, ze kon dien dag op school niet leeren en zag de maten
en gewichten op de kast voor het eerst in hun hatelijkheid. Schemer en
stoflucht thuis leken haar ondraaglijk, en toen ze dien avond bezwaard
en traag naar haar bed ging, bezon ze zich plotseling op een nieuw
begrip en zei tot zichzelf: nu weet ik precies wat de menschen bedoelen
als ze zeggen, dat iemand iets op het hart heeft. Ik heb iets op het
hart.
Een paar jaren later kreeg Heleen wel eens wat geld van haar vader en
besteedde dat om boeken te leenen uit het oude winkeltje. Ze was klein
en bloode en reikte maar even boven de toonbank uit, waarachter het
tengere dametje zich in de nauwte tusschen de boekenplanken keerde en
wendde. Dat dametje was vriendelijk en fijn; als ze zich over de
toonbank heenboog en Heleen toesprak, trilde er iets in het kind en
dreef als verteedering naar haar oogen. Eens vroeg ze haar in de
woonkamer te komen en Heleen beschouwde dat als een uitgezochte eer. De
trijpen meubeltjes en het glimmende koperen stoofje vond ze prachtig en
deftig, ze mocht bij de tafel zitten en prentjes zien. Aan den eenen
wand hingen tusschen de oude groote schilderijen witte strookjes
papier, met zwarte silhouetjes. Op elk stond een kruisje geteekend. Het
oude dametje wees Heleen hoe ze veertig tellen lang zonder met haar
oogen te knippen naar dat kruisje staren en dan de oogen sluiten
moest—, dan zou ze iets aardigs zien. Heleen vond het gewichtig en
geheimzinnig, vatte er een in het oog, telde met kloppend hart haar
veertig tellen en hield de oogen opengesperd, als gold het een
bezwering, die door het geringste lijden kan. Toen sloot ze de oogen en
zag plotseling het poppetje, doch nu groot, week en blinkend wit in de
donkerte voor zich uit zweven. Ze schrok heftig en werd bang, liep weg
en hield wijd de oogen open, om niet te zien, doch kon het toch niet
nalaten ze telkens weer te sluiten, ten einde te weten of het er nog
zou zijn. Het verscheen telkenmale trager en flauwer en bleef ten leste
weg, doch Heleen wilde daarna niet meer bij het oude dametje in de
kamer met de poppetjes komen.
Thuis las ze met haar moeder de gehuurde boeken en te zamen bespraken
ze de karakters, lotgevallen en wederwaardigheden der personen als
betrof het werkelijke menschen. De meeste van die boeken waren
vertaalde Engelsche romans, die van het leven op kasteelen verhaalden,
van graven en gravinnen, jachtpartijen en liefdezaken, die Heleen half
begreep, half uit haar verbeelding aanvulde en voltooide, tot haar
geheele bevrediging. Zoodoende werd dat leven in die boeken voor haar
de echte werkelijkheid, waartegen het weinige, dat ze thuis en op
school vernam, in belangrijkheid niet opwegen kon en dat zich naar zijn
aard zuiverder aansloot bij haar vluchtige ontroeringen uit kleur, geur
en geluid dan de kleine gebeurtenissen van het dagelijksche leven. De
beelden, die lezend in haar verbeelding waren gerezen, bleven daar voor
immer behouden en met hen bevolkte ze de ledigheid van wat haar op
school werd medegedeeld. Ze ging eenmaal voorbij het winkeltje en las
op de smalle strook van een boek, dat onder een ander uitstak, niet
meer dan deze enkele regels:
„De storm loeide, de golven sloegen tegen de rotsen met een ijselijk
geweld, de ramen van de onbeschutte herberg trilden, doch de zeeman
vernam het niet. Hij sliep en droomde. Maar plotseling zag hij in zijn
droom een bleeke hand, die met opgeheven vinger naar een witte grafzerk
wees. Hij las: „Gedenk Valentin Jernam, oud 31 jaar.” Met een schreeuw
werd de zeeman wakker. Hij had zijn eigen graf gezien.”
Er was geen prentje bij, en Heleen had bij haar weten nimmer een
zoodanige voorstelling aanschouwd. Doch toen ze, wit en tot in haar
hart ontsteld, opkeek uit het boek, zag ze die kust en die rollende
golven, de hooge herberg tusschen gespleten, woeste boomen, ze hoorde
des zeemans schreeuw en zag hem opgericht in zijn bed, zijn oogen
verknijpend tegen den gruwel, dien hij in den droom had gezien.
Over die dingen sprak ze met niemand, doch ze bleven dagenlang haar
nabij en gingen nooit geheel uit haar weg.
Toen ze grooter werd, moest ze op school van vreemde landen leeren en
van die landen kaarten teekenen. Ze kreeg dan evenals de andere
kinderen een groot vel papier op haar lessenaar geprikt en trok met
weifelend potlood de omtrekken na. Tot Engeland voelde ze zich meest
aangetrokken, de plaatsnamen hadden uit haar boeken een bekenden klank,
het was alsof ze er meermalen was geweest. Ze trok de blauwe lijntjes
der rivieren, schetste de bergen bruin, zette zwarte stippen voor de
steden, en zag de bonte bewegelijkheid der jachtstoeten onder
herfstloof in een gouden mist, rook den fijnen geur van welkend loof en
hoorde het diepe ruischen van den wind uit de holten van het bosch,
waar klank van hoef en voet teloorging in de dichte massa’s van week
blad.... tusschen de stammen blonk het blank kasteel in een bonten band
van laatbloeiende perken en bedauwde vijvers. Hier was het Schotsche
Hoogland en mannen op steigerende paarden en met zwarte, wapperende
mantels joegen over toppen en kloven voort in den nacht—, wolken
stormden, spelonken gaapten, waar Rob Roy in school met de zijnen,
edele Rob Roy, uit de wereld verstooten en met zijn groot hart tot
rooverij gedoemd.... naar het Zuiden toe vloeide milde zonnigheid over
heuvelland en wei, de horizon was wazig en wijd, en gefladder in zoete
lucht van goud-blond haar en speelschen lach der jonge edelvrouwen en
haar kinderen, doch heel onderaan op de kaart hing een zware
nachtlucht, lagen de kleiën wolken gelegerd, van donder gebeukt, van
bliksem stil en spits gespleten, over een donkere, booze zee woei
opgejaagd schuim als een bleeke sluier. Daar sliep de zeeman alleen in
een herberg op rotsen en droomde van zijn eigen graf.
Werd Heleen wakker uit deze zoet-bedroefde droomerijen, dan vernam ze
tot haar verbazing en pijnlijke schaamte, dat er niets deugde aan haar
kaart. Die werd voor haar schande te pronk naast het bord geprikt en
ieder kind lachte haar uit.