I.

Het huis, waarin Heleen was geboren en waarin ze den geheelen duur van

haar jeugd verbleef, stond afgezonderd aan de bocht van een breede

rivier, waarvan het water traag tusschen vlakke oevers voortstroomde.

Rietland en bosch lagen tusschen plassen aan de overzijde verderop, en

daarachter de bleeke, vochtige weien.

Wanneer Heleen in later jaren haar huis herdacht, de blanke plassen,

het riet en de weien, dan scheen het aan de beelden van haar

verbeelding, alsof het daar altijd late herfst en komende winter was

geweest. Op het koude water van de rivier dekten de bonte bladeren het

diep en wazig beeld van een hooge, bonte lucht, bleeke nevels zweefden

zwak en onvast tusschen wolken en water, in het vochtig bosch beefde

damp om elken stam, daar lag de zomerpracht vergaan en de bedroefde

roep der late vogels klonk hol als in koude zalen. In de druipende

takken wiegden nesten verlaten, het grauwe huis schreide ziltig vocht,

bleek onkruid wies uit de spleten en het vervallen hek voelde van

groenen uitslag glibberig en kil. Voor-langs het huis, in de bocht van

den weg, waar regen het grint gestadig vochtig en donker hield,

zuchtten smartelijk de oude, scheeve boomen—, hun duistere kruinen

drukten zwaar de knoestige, korte stammen, en beneden dien weg lagen

achter berm en sloot de wijde, grijze akkers tusschen smalle greppels;

kraaien pikten het winterzaad uit de verwoelde klei, schichtige

spreeuwen hipten over de kluiten, schreeuwden met gerekten hals en

repten zich weg. Een kruiwagen, omgestort bij verlaten gereedschap,

leek aan de aarde vastgekorst, huisjes en boompjes verderop stonden in

ijle, blauwe wazen gevat.

Binnen in het hol en donker najaarshuis bewoonden Heleen en de haren

maar enkele kamers, de andere stonden leeg, bij gebrek aan meubels.

Boven, onder het dak, lagen bloote, grauwe vloeren tusschen koude

wanden, leege kasten kierden en klemden en het rook er kil naar rag en

vochtig stof. De wind joeg door de scheuren van het dak regen als het

herfst en sneeuw als het winter was, het ijzig stuifsel sloeg in ijle

plakken tegen balk en bint—, dan drong ook een starre klaarte naar

binnen, die den schemer verjoeg en de geheimenissen openbaarde der

zwammen, die teer en bleek daar groeiden uit vocht en donkerte van den

nazomer af tot in de Mei. Beneden aan de voorzijde was hun woonkamer,

ruim maar laag, stoffig en bedompt. Het ruige en halfvergane kleed

scheen met den vloer, de meubels met het vloerkleed saamgegroeid. Alles

in die kamer was duister en zwaar, er waren geen bloemen en geen lichte

gordijnen, geen spiegelend meubel en geen luchtige snuisterij.

Portretten van grootouders hingen aan de wanden en schenen als de klok

daarmede één geworden.

Wat haar vader buitenshuis deed en waarvan ze leefden wist Heleen niet,

er werd daarover nooit gesproken, zij vroeg er niet naar. Uit haar

moeders verhalen, waarvan ze in later jaren wel geloofde, dat zij ze

maar gedroomd of gelezen had, wist ze dat haar moeders familie rijk en

aanzienlijk was geweest en daarna door onverstand tot armoe vervallen,

en dat er vele kleine broertjes en zusjes waren gekomen en weer gegaan,

zoodat zij nu nog maar met drie anderen over was, de kleine broertjes

en de oudere zuster. Zij drieën waren slank en bleek met blonde haren,

maar de zuster kort en plomp, ze ging niet naar school en bij dag het

huis niet uit, tegen den avond nam vader haar mee en wandelde met haar

langs de rivier. Soms zat ze een volslagen dag in een hoek van den

zolder op den grond, knaagde aan haar handen en bewoog grommend het

lijf in bochten. Al haar vingers waren van het knagen

geschonden;—somwijlen vertelde ze Heleen lange vertelsels zonder zin of

samenhang, waarnaar Heleen peinzend luisterde, pogend te begrijpen;

doch ze had ook haar booze dagen, dan was haar heele gezicht geslonken

van nijd, beet ze zichzelf fel tot bloedens toe in den duim en kneep

Heleen en de beide broertjes met klein-genepen oogen. Heleen dacht

aanvankelijk over die vreemde gewoonten van haar zuster weinig na, ze

wist niet beter of het behoorde zoo als een deel van huis en leven, en

ze vermoedde niet voor veel later uit wat anderen in schimp en giftige

scherts haar toebeten, dat die zuster krankzinnig was.

Heleen’s moeder was tenger, druk en bleek, ze zong met een schrille

stem treurige Fransche liedjes, die ze als klein kind van haar

grootmoeder had geleerd, doch waarvan ze den zin vergeten of nimmer

geweten had, ook Heleen begreep ze dus niet, maar het deerde haar

weinig; met het gelaat naar grootmoeders portret, luisterde ze peinzend

en indachtig, onthield ze op den klank en neuriede ze bij zichzelf, zoo

vaak ze alleen was, net zoo lang tot ze een weekheid in zich voelde als

gegraven en schreien moest. De ontroering en het schreien wilden niet

altijd komen. Toen ze later de beteekenis van die liedjes wist, stelden

ze haar teleur en kon ze er niet meer om schreien, het was of een

diepte in haar voorgoed geëffend was—, ze had ze zich donker en woest

als rotsen en ravijnen gedacht.

Heleen’s vader was forsch en stil, zijn handen alleen waren smal en

zacht, hij lachte zelden, maar als hij lachte, deed die lach Heleen

goed tot in haar hart en ze lachte mee, met vochtige oogen, doch ze

hield niet van haar moeders drukke vroolijkheid, die maakte haar

schichtig en stil en doofde gemeenlijk in dagenlange neerslachtigheid

uit.

Over dingen als braaf oppassen, plicht-doen en vooruitkomen werd in

huis nagenoeg niet gesproken, Heleen dacht er uit zichzelf nimmer over

na. Ze was van aard meegaande, fel en onverzettelijk alleen tegen

geringschatting en dwang, van aanleg bevattelijk; het schoolleven

deerde haar dus niet, straf was iets dat daarbij uitteraard behoorde en

geen indruk op haar maakte, evenmin als het preeken en praten vooraf en

daarna. Wanneer ze haar vader haar rapporten van de school toonde,

lette hij weinig op de waardeeringen voor vlijt en goed gedrag en

Heleen nam gauw genoeg die geringschatting voor het een en het ander

over, zonder dat dit evenwel van invloed op haar doen en laten werd.

Belooning of bijzondere lof voor hooge cijfers kwam niet voor, zoodat

Heleen-zelf ook daaraan weinig waarde hechtte.

In de klas had ze geen vriendinnetje, doch speelde met elkeen die haar

vroeg zonder bijzondere voorkeur, ze plaagde niemand en deed in

wreedheid jegens dieren en gebrekkigen niet mee, doch verzette zich

evenmin tegen het doen der anderen. Ze hield van de menschen in haar

huis, niet omdat ze vader, moeder en broertjes waren, maar omdat ze bij

haar in het huis behoorden. Van het huis-zelf en de oude meubels hield

ze bijkans evenzeer. Ze hield van wat bij haar-zelf hoorde en verlangde

geen nieuws. Ze hechtte zich snel en sterk aan wie op haar vertrouwd of

haar deernis ingeroepen hadden, die waren dan ook niet langer vreemd

maar eigen, ze leed weken om het hondje, dat in den regen met haar mee

naar huis geloopen was, dat ze weenend van deernis gevoed en getroost

had, en dat haar vader had voortgejaagd in donkeren avond omdat het

ziek was en vuil; ze schreide in de nachten daarna, zich radeloos

afvragend waar het wel dolen zou, en in de avonden, dat het stormde,

dacht ze aan de arme zeelui met rillingen van smart. Deernis, angst en

pijn was in al haar genegenheid, voor het levenloos huisraad bijkans

evenzeer als voor mensch en dier, om den ouden stoel die jaren lang

naast den warmen haard had gestaan en gebroken naar den zolder werd

verbannen, deernis, die vaak zonder dat ze wist waardoor of waarvoor,

als een benauwdheid in haar aanzwol, deernis als bloedende pijn, die

gejaagd en radeloos maakte en elk goed ding verbitterde, zoodat ze veel

en vaak schreide—, doch ze verborg dit alles voor haar omgeving. Elkeen

zag haar als een willig, gehard en goedlachsch kind, sterk opgaand in

spel, afkeerig van twist, de waarheid sprekend van nature, maar liegend

zonder blozen als de nood het gebood. In school bezon ze zich nooit

opzettelijk op kwaad, maar deed grif mee in rumoer of plagerij, want

nooit kwam het in haar op, dat dit den meester deren of verdrieten kon.

Hij bulderde en strafte en bleef daarbij de baas, de strijd tusschen

kind en meester lag in de natuurlijke orde der dingen, Heleen had het

nooit anders gezien.

Heleen · 第 3 / 29 题