Het onderhoud van den Tuin.
Velen meenen, althans zij geven aanleiding om dit te gelooven, dat,
wanneer in het voorjaar alles aan een tuin is gedaan, wat strekken kan
om dien een fraai en proper aanzien te geven, zij de rest wel aan de
Natuur kunnen overlaten.
Nu, dat kunnen ze ook, maar dan zal deze aan dat stukje grond spoedig
een geheel ander aanzien geven, stellig weinig in overeenstemming met
onze opvatting van orde en zindelijkheid.
De Natuur mag vrij en onbelemmerd heerschen buiten, en wat zij dan
schept is altijd mooi, veel mooier dan wij het met veel moeite en kosten
kunnen maken; maar dat is dan geen tuin. Dáárin moet de eigenaar heer en
meester wezen; hij gebruikt daartoe haar goede gaven, maar hij gebruikt
ze overeenkomstig zijn bedoelingen. En de Natuur schikt zich daarin,
maar zij is terstond gereed hare rechten te hernemen, zoodra wij er niet
langer de hand aan houden.
»Er de hand aan houden", dat is het rechte woord. Iedereen weet wat men
daardoor te verstaan heeft; iedereen begrijpt dus wat ik met het
onderhoud van een tuin bedoel.
Men moet er de hand aan houden, en niets soms twee, drie weken
achtereen alles maar stilletjes laten groeien en bloeien, denkende dat
het dan mooi genoeg is; want, zeker, dán zal het mooie er spoedig af
zijn.
Kan de eigenaar van een _kleinen_ tuin dien zelf in orde houden?
Voor het meerendeel zeker; zelfs geheel, wanneer hij niet tegen eenige
lichaamsinspanning opziet, en zich er op toelegt sommige handgrepen te
leeren, die tot de bijzonderheden van het tuinbouwvak behooren. Wil hij
het eerste niet of kan hij het niet, en heeft hij geen tijd of lust voor
het laatste, dan zal hij in het voorjaar gedurende enkele dagen de hulp
van een goed werkman moeten inroepen; wat er later te doen valt, moet
men echter zooveel mogelijk zelf trachten te doen.
Dit is om verschillende reden wenschelijk. Eerstens kan men dan
alles--en zoo heel veel is het niet--zeer geregeld doen, en blijven niet
sommige dingen ongeregeld lang liggen en men houdt den tuin dan veel
netter in orde, dat vooral voor een kleinen tuin van beteekenis is;
ten tweede wordt de belangstelling daardoor gaandeweg grooter, en heeft
men van het groeien en bloeien veel meer voldoening; terwijl vooral de
stadbewoner of hij die stil leeft, daarin een dagelijksche gelegenheid
vindt voor een gezonde lichaamsbeweging in de open lucht.
Het eerste wat reeds vroeg in 't voorjaar, als het niet vriest, moet
gebeuren, is den tuin opknappen. Men begint met het snoeien van de
heesters en vruchtboomen, als men die heeft, wat niet maar een inkorten
is der takken op goed geluk, maar waarbij men dient te weten wat men
doet; waarom men sommige heesters in het voorjaar liever niet moet
snoeien, enz.
Over het snoeien hier in bijzonderheden te treden kan ik niet; hiertoe
ga men te rade bij een deskundige, of raadplege men een meer uitgebreid
tuinboek. Alleen merk ik op, dat men er op moet letten welke heesters
vroeg in 't voorjaar bloeien, en men dezen eerst moet snoeien nà den
bloei, daar men anders te veel bloemen opoffert; immers deze bloeien
geregeld uit de jonge takken, en snijdt men die nu vóór den bloei in,
dan verwijdert men de aanstaande bloemen. Dit is iets, waar men met een
weinigje opmerkzaamheid zelf gemakkelijk achter kan komen.
Ook moet men vroeg in 't seizoen de Rozen nog stil laten staan en dezen
niet snoeien, voordat men mag aannemen, dat er geen vorst meer te
verwachten is. Worden de Rozen nadat ze reeds gesnoeid zijn nog door
vorst getroffen, dan is er veel kans dat de takken een eind insterven.
Het begin van April is hiervoor vroeg genoeg.
Die nu reeds vroeg in 't voorjaar zijn tuin in orde wil hebben, harke
dat snoeisel terstond bijeen en neme het op, waarna de rabatten en de
met heesters bezette perken geschoffeld en netjes aangeharkt worden, en
hetzelfde met de paden geschiedt.
Is het gras plaatselijk dood gegaan of leelijk geworden, wat vooral in
stadstuinen licht kan gebeuren, dan moet men dat niet laten zitten, in
afwachting of het mogelijk nog goed zal uitgroeien. Daartoe zijn de
graszoden te goedkoop, en wanneer men er jaarlijks de hand aan houdt zal
het zoo erg niet zijn, dat men niet aan een halve roê graszoden genoeg
zou hebben. Met 72 zoden kan men toch, als men ze doorsnijdt, 144 voet
beleggen, dat is ten naastenbij vijftig Meter. Zoo houdt men dit sieraad
van den tuin goed in orde met weinig kosten. Laat men het daarentegen te
lang liggen, dan bederft men het effect en heeft men er later veel meer
aan te doen. Is de tuin goed licht, en wordt het gras niet plaatselijk
gestadig betreden, dan blijft het goed, en heeft men het in 't voorjaar
maar wat met een hark uit te kammen, om er een frisch aanzien aan te
geven. Men ziet dan tevens na of de kanten zuiver zijn en steekt ze
geregeld af.
Dit alles doet men liefst zoo vroeg mogelijk, en wel, als het weer het
toelaat, reeds in 't laatst van Februari. Al maakte men vóór den winter
alles nóg zoo goed in orde, toch blijkt, wanneer de vorst voorbij en
de sneeuw gesmolten is, dat de winter eigenaardige sporen in den tuin
achterliet. De grond is op- en losgevroren; er zijn takken uit de boomen
of uit die der buren afgewaaid; dorre, pas zeer laat afgevallen bladeren
liggen hier en daar in hoeken gestoven of zitten van onderen tusschen de
heesters geklemd, in één woord, het ziet er nog winterachtig uit, en
juist dit moet men zoo spoedig mogelijk veranderen. Heeft men nu in 't
begin van Maart alles in orde, dan maken de eerste voorjaarsbloemen een
veel bevalliger effect. De Sneeuwklokjes zijn er zóó vroeg bij, dat
men ze met den besten wil niet vóór kan wezen, maar anders is het met
Crocussen en iets later met Tulpen. Deze komen ook wel vroeg, maar toch
niet zoo vroeg, of men kan wel zorgen haar in een opgeredderden boel te
ontvangen; maar dan moet men er natuurlijk zelf niet te laat bij wezen.
En het is opmerkelijk hoeveel vriendelijker deze er uitzien, als de
omgeving met dien bloei in overeenstemming is. Men ontvangt dan echte
lente-indrukken, ook al talmt de lente vervelend lang.
Het is juist dán, dat een tuin achter of vóór het huis, ook al is het
weer nog te guur om er in te wandelen, voor de meeste menschen, wier
leven opgaat in de stadsdrukten en in hun maatschappelijke bemoeiingen,
groote waarde heeft. Het lapje grond zij zóó klein, dat men bijna
verlegen is het een tuin te noemen, men ziet er toch het leven, na een
doodschen slaap, weer met jonge en frissche kracht ontspruiten; men
ontvangt er een groet der Natuur, en haar glimlach vaagt vele sombere
gedachten en herinneringen weg.
Hoe netter de tuin dan is, hoe vriendelijker die glimlach, hoe helderder
de zon dan schijnt te wezen, en komen ook al gure buien het werk
verstoren, ja een sneeuwlaag het geheel tijdelijk aan het oog
onttrekken, de orde is weer spoedig hersteld, en wat men dàn reeds gehad
heeft mag pure winst gerekend worden.
Heeft men in Februari en 't begin van Maart alles aldus in orde
gebracht, dan kan men het stil laten liggen tot tegen April, als men er
maar om denkt de Rozen te snoeien voordat zij gaan uitgroeien. Dit is
een kleine moeite, en, als men een snoeischaar of secateur heeft, doet
men in zoo'n tuin in een uur al heel wat.
In het laatst van Maart, soms ook iets later, ziet men zijn vaste of
overblijvende planten na. Licht is er een die men wil verplaatsen, omdat
in den vorigen zomer bleek dat zij op een andere plaats beter zou staan.
Ook wil men er allicht een scheuren, teneinde er meer planten van te
krijgen. Men wacht hiermede liefst totdat ze goed teeken van leven
geven, d. w. z. tot zij beginnen uit te groeien. Het vroeger te doen kan
wel geen kwaad, maar men moet dan geoefend zijn, om te zien of ze al dan
niet leven, terwijl men, wanneer men ze wil scheuren of verdeelen, als
zij gesproten zijn beter kan zien wat men heeft en vooral wat men doet.
Het ééne werk volgt nu vrij geregeld op het andere, en, bijaldien men in
een kleinen tuin alles maar geregeld en op zijn tijd verricht, zal men
het best afkunnen. Tegen het midden van April is het tijd om te zaaien.
Dit vroeger te doen is niet raadzaam, wijl men dan gevaar loopt dat de
jonge en teere kiemplantjes door nachtvorst verloren gaan. Het midden
van April, zelfs de tweede helft van deze maand, is nog vroeg genoeg.
Langer dan tot Mei moet men daar echter in geen geval mede wachten,
althans voor zoover het de éénjarige of gewone zaadplanten betreft. Ook
de tweejarigen kan men in 't begin van Mei zaaien; dit kan echter even
goed nog een paar maanden later geschieden.
Is het een groeizaam voorjaar, dan zal men reeds vóór Mei het gras
moeten maaien. Ook dit kan men gemakkelijk zelf doen, wijl de
grasmaaimachines tegenwoordig zoo goed ingericht zijn, dat een dame ze
kan hanteeren. Men wete echter wel, dat men met zulk een machine niets
kan uitrichten, wanneer men het gras te hoog liet opgroeien. Men moet
het reeds maaien, zoodra er goed leven in blijkt te zijn; dán gaat dit
spoedig en gemakkelijk, het gras wordt er temeer gesloten door en het
onkruid verdwijnt, wijl dit tegen dat telkens afmaaien niet opgewassen
is. Ik zeg telkens afmaaien, want uit het bovenstaande blijkt dat men
het na het eerste maaien, óók niet lang mag laten worden; hooger dan
3-4 c.M. moet het niet worden, zoodat men er wekelijks eens met de
machine over moet gaan, 't welk dan weinig tijd kost en volstrekt geen
inspanning van beteekenis vordert. Het afgemaaide gras beteekent dan
niet veel. Houdt men het zeer kort, dan ziet men het niet eens liggen,
en kan het ook wel blijven liggen. Is het wat te veel daartoe, dan harkt
men het weg of veegt men het, zoo het gazon dicht en goed gesloten is,
met een bezem bijeen.
Hoe opwekkend het gezicht op het in het voorjaar groenende gras ook is,
toch wordt het eigenlijk pas mooi, wordt het, gelijk het in een tuin
behoort te zijn, nadat het voor den eersten keer werd gemaaid en de
kanten goed scherp werden afgestoken.
De eerste ontwikkeling van het gras is meestal ongelijk; gewoonlijk
toch zijn verschillende grassoorten dooreen gegroeid, waarvan de ééne
zich in het voorjaar vroeger en krachtiger ontwikkelt dan de andere; na
het eerste maaien wordt het beter en het zal ook wel niet meer in 't oog
loopen, wanneer het maaien geregeld wekelijks geschiedt.
Dit kan voor een kleinen tuin onmogelijk een wezenlijk bezwaar
opleveren, tenzij men het niet zelf met een machine wil doen en een
tuinman met dit werk belast. Deze gebruikt liever een zeis, en om het
gras goed met de zeis te kunnen maaien, moet het wat langer zijn, en kan
men er wel drie à vier weken mede wachten. Ook op die wijze onderhoudt
men het goed, maar men krijgt er toch nooit zulk een dicht, gelijk en
mollig tapijt van, als wanneer men er dikwijls met een machine overheen
gaat.
't Is waar, met een goede grasmachine (grasperkscheerders noemt men
ze ook) is licht [f]25 gemoeid, maar, wanneer men die niet laat
verwaarloozen heeft men ze ook voor lang, en rekent men nu dat men toch
zeker voor het maaien van het gras in een kleinen tuin telkens een
gulden zal moeten geven, dan is men er al vrij spoedig en heeft men
voortdurend een netteren tuin. Een niet te ontkennen bezwaar is echter
dat men er niet overal mede terecht kan ze goed te scherpen. Hieromtrent
dient men zich dus vooraf gewisheid te verschaffen, anders zit men er
later meê.
Ik sprak over het onderhoud van het gras iets uitvoeriger, wijl dit,
net en goed onderhouden, hoofdzaak is voor elken tuin en voor een
kleinen tuin inzonderheid. Men moet dan ook dit maaien of kort houden
voortzetten tot zoo laat in het najaar, dat men ziet dat er volstrekt
geen groei meer in is.
Door het in Februari te oversproeien met dunne gier zal men een goeden
groei ervan bevorderen, terwijl ook de kleur dan veel donkerder is.
Ook met water besproeien in den zomer, is, bij voortdurende droogte,
in de meeste gevallen zeer nuttig; op sommige plaatsen, waar de grond
zeer zandig en uit den aard droog is, zelfs bepaald noodzakelijk. Heeft
men water van een waterleiding tot zijn dispositie, dan levert die
besproeiing volstrekt geen bezwaar op, en moet men het, bij aanhoudende
droogte, in geenen tuin verzuimen. Men heeft hiervoor verplaatsbare
sproeiers, die aan een tuinslang verbonden worden en over een
oppervlakte van p.m. 10 Meter in doorsnede het water gestadig als een
dichten regen verspreiden. Door die b.v. om het halfuur te verplaatsen
kan men den grond gemakkelijk goed vochtig houden; men rekene er daarbij
op de slang niet te kort te nemen.
Deze wijze van besproeien is veel doelmatiger dan dit te doen met een
straalpijp, ten eerste wijl dit laatste veel bewerkelijker is en vooral
ook wijl de besproeiing daarmede nooit zoo gelijkmatig en afdoende
geschiedt.
Heeft men geen waterdruk, dan zijn zulke toestellen natuurlijk ook niet
te gebruiken, en wordt de besproeiing heel wat lastiger. Men moet het
dan met een gieter doen, en het laat zich hooren dat men zich dan ook
alleen tot het strikt noodzakelijke beperkt, of zelfs genoodzaakt kan
zijn het geheel na te laten. Dit hangt dan van omstandigheden af. Op
humusgronden, hetzij die lichter of zwaarder zijn, is het gras tegen de
grootste hitte en droogte bestand; het mag er dan ook al tijdelijk niet
mooier op worden, het zal toch, onmiddellijk nadat het heeft geregend,
weer opleven; op schrale zandgronden kan het echter gevaar loopen van
met wortels en al te verbranden. Men kan dit echter goeddeels voorkomen,
door er geregeld elken winter een dunne laag goed verkruimelden mest
over te strooien. Toch is, zelfs bij dezen maatregel, besproeiing in den
zomer ver van overbodig, ofschoon dan ook misschien niet absoluut
noodzakelijk.--
In de eerste dagen van Mei bezorge men de bloemperken; immers voor
zooverre men die bestemde voor _Geraniums_, _Fuchsia's_ en dergelijken,
die er in het voorjaar als jonge planten op geplaatst moeten worden,
gelijk dit, de Rozenbedden uitgezonderd, over 't algemeen het geval is.
Vroeger moet men dit niet doen, omdat dan het weer nog niet te
vertrouwen is en één koude nacht alles kan bederven.
Reeds in Mei zullen enkele vaste planten allicht zoo hoog worden, dat
ze door wind of slagregen kans loopen omver geworpen te worden. Dan,
maar ook niet vroeger, zet men er een stok bij, die altijd iets korter
moet zijn dan men berekent dat de plant hoog zal worden. Hetzelfde
doe men later bij enkele zaadplanten en bij de _Dahlia's_. Bij deze
laatsten, zoomede bij Zonnebloemen, Stokrozen en andere kruidachtige,
hoogopgroeiende planten plaatse men een stevigen stok van ongeveer 1½
Meter, tenzij men weet dat de _Dahlia's_ tot een laag blijvend ras
behooren. Er zijn er toch die in 't geheel geen steunsel behoeven, en
waar dit niet noodig is moet men het ook achterwege laten.
Over het algemeen neme men als vasten regel aan, dat de stokken, die
in vele gevallen onvermijdelijk zijn, zoo min mogelijk in 't oog
mogen loopen, waarom het ook zaak is ze groen te verven, maar dan
geen gedraaide en vooral geen roode of witte kopjes er op. Dit staat
afschuwelijk en verraadt, wat men er ook van moge zeggen, in dit opzicht
althans een weinig gekuischten smaak.
Van nu af houde men aan alles zeer geregeld de hand, waarbij het
schoonhouden van de perken en paden, na de zorg voor het gras,
allereerst in aanmerking komt.
Wanneer men een tuin goed schoon houdt, en dus aan het onkruid den tijd
niet gunt om te bloeien, allerminst om zaad voort te brengen, zal men
er ook gaandeweg minder last van krijgen, maar geheel vrij van onkruid
komt men toch nooit, daar voortdurend zaden door den wind, ook door de
vogels, van elders worden aangevoerd. Maar het wordt heel wat anders,
als men dit tot zaad laat komen, in welk geval er soms jaren noodig zijn
om de nakomelingen daarvan onder de knie te krijgen.
En er zijn onkruiden, juist de meest verspreide, die reeds zaden in
overvloed hebben uitgestrooid, eer men er nog erg in heeft dat ze
bloeien. Dit zijn vooral het éénjarige Beemdgras (_Poa annua_) en
de Muur (_Alsine media_); ook mag men gerust het gemeene Kruiskruid
(_Senecio vulgaris_) hierbij rekenen, dat nog te gevaarlijker is, wijl
de vederlichte zaadkorreltjes overal heenwaaien.
Niets echter is gemakkelijker dan dit te voorkomen, daar men het zich
slechts tot gewoonte behoeft te maken minstens eens om de twee weken de
perken en de paden te schoffelen en aan te harken, wat toch in elk geval
aanbeveling verdient, wijl pas geharkte paden er veel aangenamer uitzien
dan die, waarvan de aarde door den regen vastgeslagen is.
Voor dit schoffelen neemt men een drogen, zonnigen dag waar, omdat het
kleine onkruid, dat allicht tusschen de tanden van den hark ontsnapt,
dan verbrandt, terwijl het anders, bij vochtig weer, zich licht weder
met de worteltjes in den grond vasthecht, en het is juist dit kleine
onkruid, waartegen men gestadig strijd moet voeren.
De paden harkt men vanzelf meer aan; die wat keurig op zijn tuin is,
doet dit elken morgen.
Hiervan heeft men de meeste voldoening, wanneer men ze bestrooit met
fijn grint, hetwelk trouwens wel als het beste middel te beschouwen is
om de paden zooveel mogelijk vrij van onkruid en droog tevens te houden.
Heeft men er bij den eersten aanleg een laag van een paar cM., over
gestrooid, dan zal men later jaarlijks alleen daar wat noodig hebben,
waar veel geloopen wordt en de grond te hard werd om dien goed te kunnen
schoffelen. Het bovenlaagje moet los blijven, maar ook niet meer dan het
bovenlaagje, zoodat men er vooral niet te veel grint op mag uitstrooien,
wijl dit het begaan ervan bemoeilijkt. Een pad, dat matig begrint
is, laat zich gemakkelijk schoffelen en aanharken, welk laatste een
aangename ochtendbezigheid is, voor iemand die schik in zijn tuin heeft.
Heeft men een bloemperk waar in Augustus het mooie afraakt, dan moet
men dit veranderen, wijl het dan den tuin niet meer tot sieraad strekt.
Er zijn licht in 't najaar bloeiende planten te verkrijgen, om het te
vernieuwen. _Asters_ b.v. komen hiervoor goed te pas.
Is de zomer voorbij, heeft een vroege vorst de _Dahlia's_,
_Heliotropen_, _Geranium's_, enz. bedorven, dan is het zaak een flinke
opruiming te houden; de vaste planten snijdt men af, de _Dahlia's_,
_Canna's_ en de _Knol-Begonia's_ neemt men op; sierplanten in potten
bergt men, waar men er gelegenheid voor heeft, en het afgevallen blad
harkt men steeds bijeen; het dient allicht voor een enkele plant, die
dekking behoeft.
Velen hebben de gewoonte om, als 't in October guur wordt, te zeggen: de
tuin geeft nu toch niets meer, laat den boel dus nu maar rusten tot het
voorjaar. Dit is zeer verkeerd gezien. De tuin kan ten allen tijde wat
geven, dus ook in den herfst, ook in den winter, maar natuurlijk in elk
seizoen niet hetzelfde. Daartoe is, en ik kan er niet genoeg op drukken,
vóór alles netheid, zindelijkheid en orde noodig, ten allen tijde. Zelfs
in den winter is het gezicht op een goed onderhouden tuin verkwikkend
en niet minder in den herfst, die toch nog kleuren, zelfs nog bloemen
geeft. Men leere van wat elk jaargetijde ons beschikbaar stelt
het rechte gebruik te maken; men zal er zijn tuin te meer om gaan
waardeeren, en de uren daaraan besteed allesbehalve tot de verlorene,
maar wel degelijk tot de goed gebruikte rekenen.