Staan we nu even stil bij de

Éénjarige of Zaadplanten.

Dit zijn namelijk die, welke een zeer beperkt leven hebben, de helft

korter dan de tweejarigen; immers haar geheele levensverloop ligt binnen

een half jaar, meestal slechts een maand of vijf. In Mei gezaaid, houden

de meesten het niet langer dan tot half October vol, en er zijn er die

het nog vroeger opgeven; het hangt er maar van af of ze spoedig bloeien

en het zaad snel rijpt, want daarna sterven zij.

Voor de tuinen zijn ze onmisbaar, inzonderheid om de groote

verscheidenheid die zij opleveren, in een rijkdom van de fraaiste

bloemgewassen; ook omdat men ze in korten tijd in grooten getale kan

aankweeken.

Het is met dit al voor den eigenaar van een kleinen tuin niet raadzaam

er veel aan te doen, wijl dan de tuin in den nazomer te open en ijl

wordt, en het in het voorjaar te lang duurt eer men ontwikkeling ziet.

Het beste is den tuin met heesters en vaste planten geheel te bezetten,

maar, bij het plaatsen dezer laatsten het zoo aan te leggen, dat er hier

en daar nog een zonnig en vrij plekje overblijft. Aan den indruk van het

geheel schaadt dit in de lente en den voorzomer niet, en langzamerhand

ziet men er dan verandering in komen.

Moet men in een kleinen tuin niet te veel aan zaadplanten doen, men

hoede zich ook voor het tegenovergestelde uiterste, door ze geheel

achterwege te laten. Zelfs en vooral onder de meest gewone en langst

bekende soorten toch is zeer veel schoons, dat men met luttel moeite en

kosten kan hebben, terwijl de tuin al erg overvuld zou moeten zijn, als

er niet hier en daar een plekje voor zou te vinden zijn, men zou zich

dan letterlijk van een groot genot berooven, door zich de kleine moeite,

die zij vorderen, er niet voor te getroosten.

Er zijn veel zaadplanten, die niet goed direct buiten kunnen gezaaid

worden, wijl ze dan niet of slecht of te laat opkomen. Men zaait die dan

in potten onder een liggend raam. Voor kleine tuinen kan men ze best

ontberen; er is overvloed van die, welke deze bijzondere zorg niet

behoeven, en als men met zulk werk niet een weinig vertrouwd is, komt

het licht verkeerd uit. Ik spreek hier dus alleen van die, welke men

slechts in den kouden grond heeft uit te zaaien.

Maar nu is het natuurlijk niet onverschillig hoe men dit doet, en, als

men bedenkt hoezeer de zaden onderling in grootte verschillen, begrijpt

men ook wel dat ze niet allen op dezelfde wijze gezaaid moeten worden.

Men heeft hierbij te letten op de grootte der zaden en, in verband

hiermede, ook een weinig op den grond.

In een zaadkorrel is een kiem, d. w. z. een jonge plant in

onontwikkelden toestand besloten. Zijn de zaden nu zeer groot, dan mag

men aannemen dat ook de kiem betrekkelijk groot en krachtig, zijn ze

klein, dat deze ook zeer klein en zwak is. Legt men deze laatsten nu te

diep in den grond, dan mist die kleine kiem de kracht om zich daardoor

heen te worstelen, en verstikt in de aarde, in plaats van daaruit te

voorschijn te komen; legt men daarentegen groote zaden niet diep genoeg

daarin, dan worden ze in de bovenlaag niet genoeg doorweekt om het water

in genoegzame hoeveelheid door de meestal zeer harde huid tot de kiem te

doen doordringen, en ze blijven rustig liggen, tot eindelijk voortdurend

regenachtig weer het ontkiemen mogelijk maakt.

Hieruit volgt dus vanzelf, dat groote zaden veel dieper moeten gezaaid

of gelegd worden dan kleine, en dat men met zeer fijn zaad in dit

opzicht bijzonder op zijn hoede moet zijn.

Onder de bloemzaden worden veel meer fijne dan groote aangetroffen en

grooter dan een erwt zijn ze al niet. De grootsten nu legt men elk

afzonderlijk, enkele Centimeters van elkaar af, ter diepte van 4-6 c.M.;

zijn ze wat kleiner, dan wat minder diep en zijn ze nog wat kleiner,

b. v. als de knop eener bakerspeld, dan mogen ze maar ½ Centimeter diep

onder den grond liggen.

Dit in aanmerking nemende, begrijpt men vanzelve reeds, dat inzonderheid

fijne zaden niet in te zwaren grond moeten gezaaid worden, wijl deze aan

de oppervlakte bij droog weer te vast is en, daar hij niet zoo goed als

lichter grond kan verkruimeld worden, uit kleine harde kluitjes bestaat,

waaronder de kiemende zaden verstikken.

Zware grond is trouwens over het algemeen voor zaadplanten ongeschikt,

al zijn er, die zich daarin vrij goed ontwikkelen, zooals bv. de

Zonnebloem en andere grofzadigen.

Wat nu tijd en wijze van zaaien betreft, zie hier nog daaromtrent een

paar korte opmerkingen.

Men zaaie buiten vooral niet te vroeg. Hoe uitlokkend hiertoe soms het

weer in April kan zijn, stelle men het gerust tot in Mei uit. Is de

lente aanvankelijk ook zacht, ze kan later zeer koud wezen en is dit

hier ook veelal. Vele zaden ontkiemen, bij gunstig weer, na een dag of

acht, en volgt er dan kou, nachtvorst soms, dan loopen de kiemplantjes

gevaar van verloren te gaan. Heeft het weer tegen het laatst van April

een standvastig lentekarakter aangenomen, dan kan men er werk van maken,

anders doet men beter het tot in Mei, kan het niet anders dan zelfs tot

half-Mei uit te stellen.

Het beste is dit te doen nadat de grond door den regen goed bevochtigd

is.

Natuurlijk heeft men vooraf den grond, waar men wil zaaien, goed

losgemaakt en met een hark zoo fijn mogelijk verkruimeld. Voor grootere

zaden komt dit laatste er niet erg op aan, des te meer voor kleinere. Nu

duwt men met de hand over een oppervlakte van een vierk. halven Meter de

bovenlaag wat op zij', en strooit het zaad gelijkmatig en vooral niet te

dicht uit, waarna men er de op zij geschoven aarde over heen strooit,

tegelijk de kluitjes zooveel mogelijk fijn wrijvende.

Is het zaad stoffijn, dan strooit men het boven op den vooraf wat

omgeroerden en gelijk gemaakten grond uit en roert het een weinig door

de bovenste laag heen.

Wil men een geheel perkje of een grootere oppervlakte met ééne soort

bezaaien, dan spitte men den grond even te voren om, harke dien fijn

en gelijk, waarna men er het zaad gelijkmatig en niet te dicht over

uitstrooit. Dit gedaan zijnde, roert men het met de hark luchtig door de

bovenlaag, waarbij men er op moet letten de hark met de linkerhand op te

houden, zoodat die niet op de aarde rust, anders dringen te tanden te

diep in den grond en zal dit ook met vele zaden het geval zijn.

In kleine tuinen echter zal dit weinig voorkomen, omdat de daarvoor

geschikte perkjes te gering in aantal zijn. Het komt echter veel voor,

dat men b. v. wel gaarne een perkje van een Meter voor _Reseda_ wil

bestemmen, en dan doe men dit als boven werd opgegeven.

Als algemeene regel, waarop geen uitzonderingen zijn, geldt dat

éénjarige gewassen zoo vrij en licht mogelijk moeten staan. Beschaduwde

plekjes deugen er volstrekt niet voor. Die kan men trouwens met enkele

schaduwminnende vaste planten gemakkelijk genoeg bezetten, waarbij

inzonderheid Varens in aanmerking komen. Te zaaien op plekken waar geen

zon komt, baart slechts teleurstelling.

Na deze algemeene wenken wil ik nog even eenige van die zaadplanten

vermelden, die voor een kleinen tuin geschikt zijn. Ik bepaal mij, dat

wete men wèl, hier echter slechts tot enkelen uit de massa, tot die

waarvan de zaden overal gemakkelijk en goedkoop te verkrijgen zijn; die,

als men ze niet ál te ondoelmatig behandelt, niet mislukken, en door

hare bloemen de weinige moeite die men zich ervoor moet getroosten ruim

beloonen. Zij, die anderen of die er meer wenschen, hebben slechts een

der tegen het voorjaar verschijnende zaden-catalogussen aan te vragen,

waarin gewoonlijk, bij de namen, ook enkele toelichtingen omtrent de

behandeling zijn gevoegd.

De Zonnebloem mag, omdat zij de grootste is, wel allereerst genoemd

worden. Men moet er in een kleinen tuin slechts een paar hebben, en er

dan op rekenen dat ze soms wel twee Meter hoog worden. Er is ook een

Zonnebloem met groote dichtgevulde bloemen, beiden zijn, doelmatig

geplaatst, fraaie planten. 't Is een zeer oude bekende, evenals de

welriekende _Lathyrus_ (in verschillende kleuren), de Goudsbloem, de

Afrikaan, de Oost-Indische Kers.

Is de Zonnebloem een kloeke plant, niet minder is dit het geval met de

Kattestaart (_Amaranthus caudatus_); deze heeft echter kleine zaden, die

nogal dicht opkomen. Wanneer men de plantjes goed kan vatten, moet men

ze grootendeels uittrekken, en er niet meer dan vijf of zes laten staan.

Zeer geliefd zijn de Chineesche Anjers (eigenlijk overblijvende planten,

maar die men toch het beste als éénjarigen behandelt), voorts de

goudgele _Eschscholtzia_, de éénjarige Ridderspoor, de driekleurige

_Convolvulus_, de _Clarkia's_, de _Collinsia's_, de tweekleurige

_Calliopsis_, de Venusspiegel (_Campanula Speculum_), _Anagallis

grandiflora_, _Phlox Drummondii_ in verschillende kleuren, de

Nachtschoonen (_Mirabilis_), de _Godetia_, de lieve, de uiterst rijk

bloeiende Kamillesoort als _Matricaria eximia_ met gevulde bloemen,

verschillende Lupinen, inzonderheid de blauwe _Lupinus Cruikshanksii_,

een paar Malowe's, als: _Malope grandiflora_ (rood en wit) en _Hibiscus

Trionum_, een paar Papaver's, als: _Papaver umbrosum_ en _Papaver

Danebrog_, terwijl ook de in de korenvelden als onkruid voorkomende

_Papaver Rhoeas_, en hare gevulde variëteit wel in aanmerking mogen

komen. Verder _Nemophila_, vooral de grootbloemige _N. maculata_, de

lieve, rijk bloeiende _Sanvitalia procumbens_, waarvan de enkeldbloemige

niet minder fraai is dan de dubbelde, de hangende Silene (_Silene

pendula_), enz. enz.

Al de hier genoemden zijn zeer algemeen bekend, en men heeft den naam

ervan slechts aan een zaadhandelaar op te geven, om zeker te zijn ze te

verkrijgen.

Nog deze opmerking: Hij, die zich hiermede tot dusverre nog niet zelf

bezig hield, bepale zich het eerste jaar tot de bovengenoemden; dit is

voor een kleinen tuin een voldoend getal; wat Reseda-zaad komt er dan

natuurlijk ook bij. Voorts late hij dit werk niet aan een ander over,

al zou die het misschien ook veel beter doen. Hij zaaie _zelf_, na een

regenachtigen dag; 't is een werk van een uur, laat het er twee zijn, en

dan zal hij eens zien met hoeveel meer belangstelling hij de ontkieming

en de verdere ontwikkeling volgt; hoe veel grooter het genot zal zijn,

dat de bloei dier planten hem schenkt! Hij zal zich dan als vanzelf

opgewekt gevoelen te trachten er rijpe zaden van in te zamelen, en kan

dan met zijn overvloed ook anderen gerieven. De éénjarige planten

vorderen wat meer werk dan de overblijvende, maar wanneer dit werk

ontspanning is, beantwoordt de tuin, hoe klein dan ook, goed aan zijn

doel.

Planten voor bloemperken.

Waar sprake is van planten voor bloemperken komen zeker de Rozen in de

eerste plaats in aanmerking. De Roos toch is de meest geliefde bloem van

de oudste tijden af, en er is geen tuin zoo klein, geen plekje grond,

zoo weinig beteekenend, waar zij mag ontbreken; ook zoekt men haar

nergens tevergeefs.

Ik moet hier inzonderheid wel in 't oog houden, dat we met _kleine_

tuinen te doen hebben, om over dit onderwerp niet breeder uit te weiden,

dan voor ons tegenwoordig doel noodig en wenschelijk is, want, kan men

de Rozen ook niet ontberen, men mag er toch niet te veel ruimte voor

beschikbaar stellen, en in den regel bepaalt het zich dan ook tot een

enkel bloemperkje. Waartoe zou het dan noodig wezen hier een lange lijst

op te geven, een keuze uit het circa zeven honderdtal verschillende

Rozen, terwijl men zich slechts tot zeer enkele soorten moet bepalen?

Men kweekt de Rozen in tweeërlei vorm, namelijk als zoogenaamde

Stamrozen en als Struikrozen.

De eersten, hoe onnatuurlijk ook, zijn de wensch van velen, en het zou

dus bitter weinig helpen of ik ze al afraadde. Ik voor mij houd er

niet van, en ik heb dan ook geen enkele Stamroos; daarentegen veel

Struikrozen. De kronen der Stamrozen zijn dikwijls ijl, ze loopen

gevaar bij hevigen wind af te breken; de stammetjes zijn dikwijls krom,

knoesterig en leelijk en het geheele cultuurproduct vloekt tegen de

natuur.

Zoo denken er echter niet allen over, en de meesten hebben gaarne het

viervijfdubbele voor een Stamroos over van 't geen een goede Struikroos

kost. Daar nu de smaak zich niet laat dwingen, en iedereen zijn tuin

voor zijn eigen liefhebberij heeft, volge ook ieder daarin zijn eigen

zin.

Men kan de Stamrozen op verschillende wijzen plaatsen, en wel op

een perkje of hier en daar op luchtige en lichte plekken vóór ander

heestergewas. Is men zeer beperkt in zijn ruimte, dan verdient het

laatste de voorkeur; ze nemen dan maar zeer weinig plaats in, terwijl

men zijn weinige perkjes voor iets anders vrij houdt.

De Stamrozen zijn echter ook zeer geschikt voor een perkje, en als dit

wat groot is nog beter. Men moet ze dan op minstens 60 c.M. onderlingen

afstand planten, terwijl dan tusschen elke twee Stamrozen plaats is

voor een Struikroos, welke laatsten het vervelend eentonige dier kale

slungelachtige stammetjes breken.

Weer anderen geven er de voorkeur aan ze te planten langs een pad, en er

dus een soort allée van te maken. Ook dit kan doelmatig zijn, daar ze op

deze wijze eigenlijk in 't geheel geen plaats innemen.

Een ontegenzeggelijk fraaie vorm is de zoogen. Treurroos, voor welke

kweekwijze echter maar enkele soorten geschikt zijn: eigenlijk zijn dit

van nature Klimrozen; op hooge stammen geënt, hangen haar slanke takken

naar beneden. Wanneer een Treurroos goed vrij staat en er behoorlijk de

hand aan gehouden wordt, kan zij inderdaad zeer fraai zijn, en tijdens

den bloei een heerlijk effect maken. Het beste plaatst men ze in een

grasveldje, zorg dragende, het gras in den vorm van een rond plekje van

60 c.M. middellijn te verwijderen, opdat de zon den grond kan verwarmen.

In den handel komt algemeen een roode en een witte Treurroos voor, die

beiden, om de massa bloemen welke een goed ontwikkeld exemplaar tegelijk

voortbrengt, gelijkelijk kunnen aanbevolen worden. Op zichzelf behooren

de bloemen op verre na niet tot de fraaisten; men houdt ze er dan ook

meer op na om het fraaie gezicht dat het geheel oplevert.

Bij het planten der Stamrozen lette men er op de gekneusde wortels af te

snijden, terwijl het zeer nuttig is ze eenige uren vooraf met de wortels

in het water te leggen. Dat de grond in de rondte niet vast mag zijn,

begrijpt men vanzelf wel; men maakt daarin een gat wat dieper en breeder

dan direct voor de wortels noodig is, werpt er wat ouden koemest in,

dien men door den grond roert en zet daar de wortels op. De grond,

waarmede men hierop het gat vult, vermenge men mede met ouden koemest,

en giete dien goed in, alvorens hem vast--niet al te vast--aan te

trappen.

Na het planten laat men ze liefst een paar weken zonder stokken staan.

Mooi is dit zeker niet, want, zelfs al zijn de stammen recht, ze

maken dan toch het vertoon van een troepje dronken soldaten, die het

onmogelijke doen om een goede houding aan te nemen. Dit komt echter bij

het aanbinden wel terecht; doet men dit te vroeg, dan hangt men ze op,

daar de grond onder de wortels allicht nog zal inzakken.

Van de Struikrozen komt in de allereerste plaats de Maandroos in

aanmerking, om haar overrijken bloei tot laat in het najaar. Men heeft

donkerroode en licht rose Maandrozen, en het kleurt goed wanneer men

beiden dooreen plant. Fraaier nog dan de gewone zijn de dubbelde of

gevulde Maandrozen, vooral omdat de bloemen steviger en meer gesloten,

en daarom beter dan de gewone voor bloemmandjes, enz. geschikt zijn.

De oude gewone Maandroos moet men hiervoor niet afsnijden als de bloem

reeds geheel open is, daar ze dan te spoedig uitvalt; het beste is ze in

't geheel niet af te snijden en er alleen gestadig de uitgebloeiden uit

te knippen, wijl die het geheel ontsieren. Voor zoogen. snijbloemen

kieze men andere Rozen, terwijl ook de gevulde Maandroos hiervoor te

gebruiken is.

Behalve eenige Maandrozen plante men vooral ook eenige verschillende

Struikrozen. De keus is zóó ruim, dat men zich erin verliest, maar

men kan dat gerust aan een boomkweeker overlaten, want er worden

tegenwoordig geen soorten meer gekweekt die niet schoon zijn, en in

hoeverre de ééne het in schoonheid wint van de andere, daaromtrent zijn

de gevoelens in de meeste gevallen even verschillend als er verschil van

smaak is.

Voor een kleinen tuin is een perk met gemengde soorten zeer aan te

bevelen, ofschoon ik het anders verkieslijker vind een aantal planten

van een en dezelfde soort bijeen te zien. Zoo kan men zich moeilijk

iets schooners voorstellen dan een perk met de heerlijke _Souvenir de

la Malmaison_, welker bloemen vooral in de tweede helft van den zomer

haar toppunt van schoonheid bereiken; of een perk met de forsche _Paul

Neyron_, met haar verbazend groote, goed gevormde en volkomen gevulde

bloemen, aan Pioenrozen gelijk; of de heerlijke _la France_, die men

wel haast als de type van een goed gevormde kloeke Roos zou willen

beschouwen. Zoo is het met de _Géant des batailles_, _la Reine_, enz.

enz., wel is waar oudere maar nog altijd onder de fraaiste gerekende

Rozen. Vergeten we echter de oude boeren of honderdbladige Roos, ook

wel de Centifolie-Roos, de Provincieroos, en de Mosroos niet. Wel

bloeien die niet door of remonteeren zij niet, gelijk men dit noemt,

maar de bloei duurt toch lang genoeg, om in dit opzicht met vele zoogen.

Remontant-Rozen geen groot verschil op te leveren. De Mosrozen vooral

zijn, half geopend, om de fraaie knoppen, voor bloemvazen, enz. zeer

gezocht. Men doet echter wel dezen laatsten een plaatsje bij de heesters

te geven, daar ze hooger opgroeien dan dit voor de meeste Struikrozen

wenschelijk is, die men dan ook beter doet jaarlijks laag, d. w. z. tot

op 30 à 40 cM. hoogte in te snijden.

Wat het planten der Struikrozen betreft, dit behandele men met dezelfde

zorg als de Stamrozen; de Rozen beminnen een goeden, voedzamen grond, en

hoe zorgvuldiger men ze plant, des te fraaier zullen zij bloeien. Eer ik

van dit onderwerp afstap nog deze opmerking.

De Struikrozen, die men van de kweekers ontvangt, zijn in den regel niet

wortelrecht, d. w. z. ze staan niet op eigen wortels, maar zijn op

wildelingen geënt. Met de Maandrozen, die geregeld van stek gekweekt

worden, is dit laatste niet het geval. Dit nu dient bij de planting in

't oog gehouden te worden. Ze zijn, zooals men dit gewoon is te noemen,

laag, d. w. z. vlak bij den grond geënt, zoodat men zou meenen ongeënte

struiken te hebben.

Men plante ze daarom diep, zoo diep, dat de plaats der enting een paar

Centimeters onder den grond komt. Men heeft dan eerstens minder kans

op het uitgroeien der wildelingen, en bovendien dat de geënte Roos

zelfstandig wortels maakt. Het uitloopen der wildelingen wordt, vooral

door onkundigen, veelal niet opgemerkt; men houdt die sterk groeiende

wilde takken voor een bewijs van gezonde ontwikkeling; maar men zal, tot

zijn verwondering, na weinige jaren zien dat het getal bloeiende planten

minder wordt, en dán blijkt dat er verscheidenen der geënte Rozen dood

zijn, terwijl de wildelingen zich tot forsche struiken ontwikkelden.

Door diep planten voorkomt men dit euvel wel niet geheel, maar toch

grootendeels; in elk geval is het zaak er steeds op te letten, en de

wilde takken, die, bij eenige opmerkzaamheid, in den regel gemakkelijk

van de veredelden te herkennen zijn, bijtijds dicht aan den stengel

waaruit ze ontsproten af te snijden.

Eindelijk is het voor hem, die op zijn Rozen prijs stelt, zaak er tegen

den winter een flinke laag blad tusschen en over uit te spreiden. De

meeste doorbloeiende Rozen zijn wel tegen de winterkou bestand, maar dit

heeft toch zijn grenzen, en als de winter streng is heeft men anders

kans er velen te verliezen. Zelfs voor de Maandrozen, hoe hard die

overigens ook zijn, is deze maatregel verre van overbodig te achten.

Heeft men Stamrozen, dan binde men, nadat de bladeren afgevallen zijn,

de takken, zonder ze in te snijden, los bijeen en omwoele ze met

stroo, terwijl men de wortels met blad bedekt. Heeft men mogelijk een

schuurtje, dan kan men ze tegen den winter opnemen, en daarin tegen de

felle vorst beschermen; maar dan zorge men er vooral voor dat de wortels

goed met aarde gedekt worden.

Men ziet het, er valt aan Rozen, als men er prijs op stelt ze goed

te hebben, meer te doen dan aan andere heesters en vooral aan vaste

planten; maar het zijn dan ook Rozen, en als zoodanig hebben ze reeds

vanzelf aanspraak op meerdere zorg.

Overigens is dit met al de planten voor bloemperken het geval, voor

zoover men deze niet met vaste planten vult of ze bezaait. Dit laatste

is zeker de goedkoopste en gemakkelijkste wijze van handelen; maar er

zijn toch nog andere planten, die men in geen tuin, hoe klein ook, kan

ontberen, en waarvoor men zich gewoonlijk gaarne eenige uitgaven en ook

eenige meerdere moeite getroost. De voornaamsten daarvan zijn de

volgenden.

Vooreerst _Heliotropen_, zoo algemeen gezocht om den heerlijken zachten

geur harer bloemen. Daar de Heliotroop een Indische plant is, kan ze

niet tegen kou en bij de minste nachtvorst bevriest ze. Men moet ze dus

vooral niet te vroeg in den tuin planten, stellig niet vóór half-Mei, en

zorgen dat de grond los en vruchtbaar is. Ook moeten ze zooveel immer

mogelijk is genot van de zon hebben. Het beste zijn ze geschikt voor een

klein perkje, daar ze als alleenstaande planten geen effect maken. Wil

men er geen perkje aan geven, dan kieze men een zonnig plekje, groot

genoeg om er althans een vijf- of zestal op 25 c.M. onderlingen afstand

bijeen te kunnen planten. Ze bloeien overvloedig tot ze bevriezen,

en men behoeft met de bloemen niet zuinig te wezen, dat zeker een

verdienste is, wijl ze voor de kamer en ook als knoopsgatbloemen zeer

gezocht zijn. Men kan er ook een zeer donkere verscheidenheid van

krijgen en nog een paar anderen met grootere bloemen; voor een kleinen

tuin houde men zich echter aan de gewone.--

_Geranium's_[8] kunnen mede onmisbaar geacht worden, en dit wel

inzonderheid de zoogenaamde Waterloo- of zonale-Geraniums, veelal

kortweg »zonalen" genoemd. Van deze mild bloeiende planten wordt een

druk, mogelijk, in groote tuinen vooral, wel wat al te druk gebruik

gemaakt. Intusschen blijft het waar, dat wellicht geen andere plant

beter, weinigen zoo goed geschikt zijn voor bloemperken.

[8] Ik neem het woord _Geranium_ hier in den meer algemeenen zin. Aan

hen die het weten behoef ik niet te zeggen dat deze naam eigenlijk

onjuist is, en die het niet weten zoeken het uit dit boekje niet te

leeren. Als er van Geraniums wordt gesproken weet ieder wat bedoeld

wordt.

Vroeger kende men er alleen bloedrood bloeienden van; later slaagde men

er in ook verschillende lichter en donkerder nuancen van te winnen, en

eindelijk mocht men zich verheugen ook in de aanwinst van zuiver witte

verscheidenheden. Alle andere daartusschen liggende schakeeringen worden

bij deze bloemen gevonden, niet alleen in de enkeld-, maar ook in de

gevuldbloemigen.

Deze laatsten zijn echter voor ons tegenwoordig doel niet geschikt;

bij regenachtig weer toch blijft er veel water tusschen die dicht

opeenzittende bloemen hangen, waardoor ze verrotten. Voor perken neme

men dus alleen enkeldbloemigen.

Nu kan men voor een perkje zijn keus bepalen tot één enkele soort of men

kan er twee of drie van verschillende en uiteenloopende kleuren nemen,

en deze kransgewijs om elkaar planten, of eindelijk men kan een perk met

een aantal verschillenden door elkaar bezetten. Dit is keus elke manier

kan wat fraais geven. Toch is de laatste handelwijze het minste aan te

bevelen, omdat ze wel eens wat ongelijk willen groeien, en het geheel

dan een verward aanzien verkrijgt. Een perk met helderrooden vol

geplant, en dan daaromheen een rand van witte bloemen staat fraaier.

Veelal plant men de zonale-Geraniums in den vrijen grond; het is echter

beter ze in de potten, als die niet al te klein zijn, te laten, en dezen

dan zoo diep onder den grond te graven, dat de randen der potten 4 à 5

c.M. hoog met aarde bedekt zijn. Wèl zullen de planten, wanneer ze in

den vrijen grond zijn uitgeplant veel forscher groeien, maar juist dit

is het wat men moet trachten te voorkomen, omdat ze dan wel veel en

groote bladeren maken, maar weinig bloemen geven. Blijven ze in de

potten staan, dan wordt de groei daardoor eenigszins belemmerd; niet

zooveel echter dat de planten er minder gezond om zullen uitzien, wijl

ze door het gat dat in den bodem der potten is en zelfs over den rand

der potten heen, met hare wortels in den omringenden grond kunnen

dringen.

Sommigen willen haar ook dit beletten, om zich een rijken bloei te

verzekeren, en draaien daarom de potten herhaaldelijk om, waardoor de

worteltjes, welke buiten de potten in den grond drongen, afbreken. Dit

is zeker een goede maatregel, als men maar niet verzuimt het minstens

eenmaal om de acht dagen te doen. Wacht men er echter te lang mede,

zoodat de wortels zich reeds door en over den pot in den grond konden

verspreiden, wat in den zomer zeer spoedig gebeurt, dan zal men tot zijn

teleurstelling een aantal bladeren zien geel worden, en het mooie is

voor verscheidene weken, zoo niet voor goed, van de planten af. Daarom

is het beter ze maar stil te laten staan, en ze, mits ze diep genoeg

ingegraven zijn, niet te gieten. De meeste soorten zullen dan niet te

wild groeien en rijk bloeien.

Behalve de zonale- komen ook nog de zoogenaamde grootbloemige en de

fijnere, teedere variëteiten, de _Odier-_ en _Fancy Geranium's_ in

aanmerking. Ook deze laat men in de potten staan, die men onder den

grond graaft. Deze Geraniums van den ouden stempel leveren een groote

verscheidenheid van keurige bloemen. Ik kan echter niet aanraden er in

een kleinen tuin een perkje geheel mede te bezetten, gelijk men nogal

eens doet. Ze hebben wel is waar een tijd, midden in den zomer, dat ze

zeer fraai bloeien, en dán is dit keurig, maar het duurt te kort. In

een grooten tuin, waar men velerlei planten tot zijn beschikking heeft,

is dit wat anders. Men neemt ze dan eenvoudig na den bloei op, en

vervangt ze door laat bloeiende planten; maar een kleine tuin moet

in het voorjaar zoo ingericht worden, dat hij blijvend goed is voor den

geheelen zomer, anders wordt het velen te kostbaar en den meesten te

bewerkelijk.

Zeker, de grootbloemige Geraniums zijn niet te versmaden, maar men

verdeele er dan liever eenigen door den tuin, waar allicht kleine

plekjes voor zijn te vinden. In elk geval laat men ze in de potten

staan, en graaft die dan zoo diep in den grond, dat de rand daarmede

gelijk komt. Dán moet men ze bij droog weer dagelijks gieten. Ziet men

daar tegen op, dat moeielijk is aan te nemen, wijl het een aangename

recreatie is, dan grave men ze 3-4 c.M. met den pot onder den grond;

alleen bij aanhoudende hitte en droogte zullen ze dan nu en dan begoten

moeten worden.

Op de Geranium's volgen natuurlijk de _Fuchsia's_.

De _Fuchsia's_ ontwikkelen zich het fraaiste en bloeien het rijkste, als

men in Mei _jonge_ planten uit de potten neemt en in den vollen grond

plant. Zeer komt hiervoor inzonderheid in aanmerking een oude soort,

welker knoppen, als ze op het punt zijn van zich te openen, kogelrond

zijn, en die daarom dan ook de kogelronde F. (_Fuchsia's globosa_)

genoemd werd. Het gaat echter niet gemakkelijk om daarvan jonge planten

te krijgen, daar de kweekers deze oud bekende er niet meer op nahouden.

Heeft men er eenmaal een perkje mee vol staan, dan heeft men ze ook voor

het vervolg, als men zich slechts de moeite wil geven de stengels in het

najaar een paar Centimeter boven den grond af te snijden, en de planten

daarna met een laag turfmolm te dekken, waarover men veiligheidshalve

nog een laag blad kan strooien. Ze blijven dan, zelfs in de strengste

winters, goed, en groeien in Mei weer flink uit, om in den zomer mooier

te worden dan te voren. Aan de bevallig naar alle zijden overgebogen

takken brengen ze onafgebroken een overvloed van hare glimmend lakroode

bloemen voort, en leveren een uiterst vroolijk gezicht op.

Hetzelfde kan men ook met andere niet al te hoog opgroeiende soorten

doen, b. v. die met rooden kelk en witte bloemkroon, dus rood van buiten

en wit van binnen, waarvan er zijn met enkelde en met volkomen gevulde

bloemen. Een perkje aldus met een aantal planten van een en dezelfde

soort bezet is m. i. veel fraaier dan wanneer men van alles dooréén

plaatst, daar men dan een ongelijkmatigen groei, groveren en fijneren

bijeen heeft, een onregelmatigheid die voor zulk een perk niet gewenscht

is.

Geeft men dan ook aan gemengde soorten de voorkeur, zoo houde men ze in

de potten, en grave ze daarmede met den grond gelijk. Vooreerst zullen

de groveren dan veel minder wild groeien, en ten anderen kan men ze

naar willekeur verplaatsen, om toch een ordelijk geheel te krijgen.

Dan echter mag men ze niet al te lang laten stilstaan, wijl anders de

wortels te veel door de potten heengroeien en zij dan bij het opnemen

en verplaatsen lijden.

Dankbaarder bloeiende planten dan de _Fuchsia's_ zullen inderdaad

schaars gevonden worden, terwijl ze een schier eindelooze

verscheidenheid bieden in de grootte, den vorm en ook de kleur der

bloemen. Daar heeft echter de eigenaar van een kleinen tuin niet veel

mee te maken. Hij kieze een paar goede soorten, die aan zijnen smaak

voldoen, en stelle zich, voor bloemperken althans, daarmede tevreden.

Een lief gezicht leveren intusschen enkele _Fuchsia's_ hier en daar door

den tuin verspreid op, en hiertoe kan men verschillenden nemen. Ze zijn

tegenwoordig zoo gemakkelijk en goedkoop te verkrijgen, dat dit

geenerlei bezwaar oplevert.

Wil men een juist voor een kleinen tuin zeer geschikt gebruik van

_Fuchsia's_ maken, dan trachte men een oude soort te krijgen, _Fuchsia

virgata_ geheeten, met langwerpig smalle bladeren, lange, roedevormige

stengels en langwerpige, op zich zelf, in vergelijking van anderen,

onaanzienlijke bloemen. Nu make men in het gras een rond perkje van

50 c.M. in diameter, grave dit uit en vulle het met goeden voedzamen

grond. Hierin zet men dan een vijftal dezer planten (jonge altijd) in

den vrijen grond, één in het midden en vier daaromheen. Die zullen tot

een Meter hoogte opgroeien, en in den zomer een gesloten geheel vormen,

waarvan de takken naar alle zijden, sierlijk gebogen overhangen; ze

brengen een regen van bloemen voort. In het najaar snijdt men ze af en

dekt ze als boven is opgegeven; als in April dat dek er is afgenomen,

groeien ze in Mei weêr uit, en zijn daarna veel sterker. Het effect dat

zulk een onnoozel bosje maakt is verrassend, de kosten beteekenen niets

en de moeite nog minder.

Onder de mildst bloeiende en meest gezochte planten voor bloemperken

behooren ongetwijfeld tegenwoordig de _Knol-Begonia's_; ik zeg

tegenwoordig, wijl deze planten, immers gelijk men die thans kent, eerst

in den laatsten tijd door cultuur werden gewonnen, en ze pas sedert

eenige jaren meer bepaald onder het bereik van iedereen zijn gekomen.

Zij sterven in het najaar af, terwijl de jaarlijks grooter wordende

knollen gedurende den winter slapend in leven blijven, en dan op een

vorstvrije en niet te vochtige plaats bewaard moeten worden.

Ze moeten niet buiten geplant worden vóór half-Mei, daar ze uiterst

gevoelig zijn voor nachtvorst.

Ik ga hierbij uit van de veronderstelling dat men ze als uitgegroeide

planten op een perkje plaatst, daar dit toch zeker het verkieslijkste

is. Men moet daartoe de knollen reeds in Maart op een eenigszins warme

plaats tot ontwikkeling brengen, wat voor hen, die kas noch bak hebben,

nog al lastig is. Kan men een raampje op een zonnig plekje neerleggen,

al is het maar op een vierkant walletje van aarde, of op den kant

geplaatste planken, dan heeft men er verder weinig of geen moeite mee.

Men plant daarin de dan nog slapende knollen in lichten grond of in wat

zand, en houdt het raampje dicht en den grond matig vochtig, totdat

ze beginnen uit te groeien. Bij zeer zonnig weer in April strooit men

losjes wat zand over het raam om het branden van de zon te beletten,

en naarmate de planten uitgroeien en het seizoen vordert, laat men er,

aanvankelijk overdag, daarna ook 's nachts, de lucht doorspelen. Het

laatste niet bij helder, scherp weer. In 't begin van Mei neemt men het

raampje overdag geheel weg, en legt het er veiligheidshalve 's avonds

weer op. Zoo krijgt men tegen het midden van Mei sterke planten, die,

dán in lichten, goed gemesten grond, buiten geplant, onmiddellijk gaan

doorgroeien.

Daar zulk een raam, ('t kan een venster wezen) zeker wel te krijgen

en de moeite niet groot is, meende ik dit hier te moeten aanteekenen.

_Knol-Begonia's_ toch wil iedereen hebben, en het is jammer die, als men

mooie soorten heeft, tegen den winter te laten dood gaan, daargelaten

nog de dan in het voorjaar terugkeerende kosten voor anderen; terwijl

men dan allesbehalve zeker is even fraaien te zullen krijgen. Bovendien

kan zulk een raampje van b.v. 60 à 70 c.M. in 't vierkant, dan tevens

dienen om _Dahlia's_ in te laten uitgroeien, wat ook beter is dan de

onuitgegroeide knollen direct in den tuin te planten.

De behandeling van deze beide knolgewassen, zoowel wat het opnemen in

het najaar, als het bewaren gedurende den winter en het planten in het

voorjaar betreft, is volmaakt dezelfde. Komen echter de _Dahlia's_ nog

wel in wat zwaren grond voort, de _Knol-Begonia's_ vereischen bepaald

lichten grond; groeien de _Dahlia's_ hoog, zelfs de laag blijvenden nog

tot 50-70 c.M. op, de _Knol-Begonia's_ blijven veel lager en worden

gemiddeld niet hooger dan 30 c.M. Hierop dient dus bij de plaatsing

gelet te worden.

Men heeft tegenwoordig _Knol-Begonia's_ met reusachtige bloemen; ik

zou echter den eigenaar van een kleinen tuin niet aanraden daarmee te

beginnen, maar zich tot die van middelmatige grootte te bepalen, welke

tegenwoordig bij duizenden en tienduizenden in het voorjaar verhandeld

worden.

Wat de kleur betreft, gewoonlijk koopt men ze in gemengde kleuren, d. i.

van wit en geel, door allerlei nuancen van nanking, rose, enz., tot

purper of donker bloedrood, en plant die dan op een perkje dooreen. In

den laatsten tijd hebben de kweekers er zich echter op gaan toeleggen

om enkele fraaie en daartoe door haren groei en gemakkelijken, milden

bloei bijzonder geschikte soorten van bepaalde, sprekende kleuren in

massa te kweeken, zoodat de kosten nu niet veel grooter zijn, wanneer

men een perkje met een en dezelfde soort beplant, wat m. i. om den

gelijkmatigen bloei altijd veel vóór heeft. Men kan dan natuurlijk

tweeërlei of drieërlei kleuren om elkaar heen planten, b. v. donkerrood

in 't midden, zacht rose daarom heen en het geheel met een rand zuiver

witten omvatten. Dit hangt alweer van den smaak af.

De _Knol-Begonia's_ verlangen een warme standplaats, gelijk hare geheele

ontwikkeling en haar bloei van warmte afhankelijk is. In zeer ongunstige

zomers worden ze op vele plaatsen, waar de ligging wat te open is, niet

fraai. Toch is het niet raadzaam ze dáár te planten, waar ze in den

zomer den geheelen dag aan de zon zijn blootgesteld. Een lichte schaduw

na den middag komt haar ten goede. Kan men echter niet anders, dan is

een zonnig plekje altijd verre te verkiezen boven een dat het grootste

gedeelte van den dag in de schaduw ligt. Zulk een plaats past voor deze

planten in 't geheel niet.

De _Knol-Begonia's_ komen pas goed tot ontwikkeling in de tweede helft

van den zomer, maar dan ook worden ze, als ze in goeden grond en op een

niet te ongunstige plek staan, prachtig in den ruimsten zin van het

woord; reden waarom men ze steeds zoo moet trachten te plaatsen, dat men

er uit het huis het vrije gezicht op heeft.

't Is waar, deze planten vorderen, als men ze moet koopen, een kleine

uitgaaf, en men moet zich aanvankelijk een weinig moeite er voor

geven, maar zij beloonen dit later zoo ruim, dat men haar gerust een

tegenwoordig onmisbaar bestanddeel ook van een kleinen tuin kan noemen.

Wanneer ik nu nog _Petunia's_ en _Verbena's_ noem, heeft men voor zulk

een beperkt terrein waarlijk ruimte van keus, want alles te gelijk kan

men daar met geen mogelijkheid hebben. Daarom is het verkieslijk in het

ééne jaar dit, in het andere jaar wat anders te nemen.

Over beiden valt hier niet veel te zeggen. De _Petunia's_ zijn het beste

voor een geheel perkje geschikt, waarbij men aan laag blijvenden de

voorkeur moet geven. Gevoegelijk kan men er een rand van _Verbena's_

omheen planten, hetwelk men ook nogal eens om de Heliotropen doet.

Over het algemeen zijn de _Verbena's_, daar zij laag blijven en deels

over den grond kruipen, het beste voor zulk een buitenrand geschikt,

maar dan bij voorkeur niet om een perkje met sprekend gekleurde bloemen;

om geen Zonale-Geraniums of Knol-Begonia's b.v., daar dan het geheel te

onrustig wordt; om die reden komen de _Verbena's_ dan ook beter om

_Heliotropen_ dan om _Petunia's_ voor.

Men koopt het beste in het voorjaar jonge planten, die dan in den

open grond uitgeplant worden. In het najaar ruimt men ze eenvoudig op.

Hetzelfde doet men met de _Geranium's_, die voor een eigenaar van een

kleinen tuin het bewaren niet waard zijn, daar ze, zoo men ze al goed

door den winter krijgt, in den volgenden zomer veel minder fraai zijn

dan jonge planten. Met _Fuchsia's_ is dit eenigszins anders. Heeft men

deze op een vorstvrije plaats bewaard, dan kan men die, na ze in het

voorjaar in wat grootere potten geplant te hebben, hier en daar door den

tuin verdeelen; voor een perkje neemt men echter bij voorkeur jonge

planten.

Men lette dan echter wel op, dat ze binnen niet te sterk mogen

uitgroeien, waarom het 't beste is ze reeds in Maart buiten, op een

luw plekje tegen een muur of schutting te plaatsen. Als ze buiten

uitgroeien, worden ze veel mooier, dan wanneer ze binnen slappe, zwakke

uitspruitsels maken, die later niet tegen de lucht bestand zijn. Tijdig

buiten gezet, voordat ze sterk uitgroeiden zal een nachtvorstje haar

geen kwaad doen.

De planten, die ik hier als voor bloemperken geschikt, vermeldde, zijn,

ik herhaal het, de meest bekenden, maar tevens de meest gezochten. Die

zich niet bepaald met plantenliefhebberij bezig houdt, en wien het er

alleen om te doen is dat zijn kleine tuin er in den zomer aantrekkelijk

uitziet, bepale zich tot een keuze daaruit. Men kan ze tegen Pinksteren

op de bloemmarkten in menigte vinden, en zich dan voor weinige guldens

een maanden achtereen aanhoudend genot koopen.

Om er nog wat meer afwisseling aan te geven, kan men echter ook nog

gebruik maken van eenige andere planten, die òf om hare fraai gekleurde

bladeren, òf om hare sierlijke groeiwijze daarvoor in aanmerking komen.

Daarom laat ik ook over dezen hier nog kortelijk enkele opmerkingen

volgen.

Gekleurdbladerige en andere sierplanten.

Behalve de éénjarige of zaadplanten en die, welke eigenlijk tot de

potgewassen behooren, maar die in den zomer uitstekend voor bloembedden

geschikt zijn, bedient men zich tegenwoordig voor dit doel ook veel van

bont- en gekleurdbladerige planten, inzonderheid voor zoogenaamde

mozaïek- of kleurbedden.

Ofschoon een goed verdeeld mozaïekbed in een daarmede harmonieerende

omgeving werkelijk schoon kan zijn, zijn ze toch over 't algemeen

slechts als producten van wansmaak, van een zucht naar opschik met

schrille kleuren te beschouwen. Dit kan niet verwonderen, daar er in de

eerste plaats een goed begrip van de harmonie der kleuren, in de tweede

plaats een fijnen smaak, en eindelijk veel kweekerskunde voor noodig

is, om ze werkelijk goed te maken. Bedenkt men daar nog bij dat ze vrij

kostbaar zijn, dan zal men mij wel toestemmen dat de eigenaar van een

kleinen tuin verstandig doet met er niet mede te beginnen, daar hij met

veel minder moeite en voor minder geld iets veel degelijkers kan hebben.

Die intusschen aan zijn tuin een coquet aanzien wil geven, en op zulk

een mozaïekbed gesteld is, moet zich tot een degelijk bloemist wenden en

het dien overlaten.

Maar, afgezien hiervan, kunnen sommige bont- en gekleurdbladerige

planten toch ook in een kleinen tuin goed te pas gebracht worden, hetzij

dat men er een klein groepje van op een zonnig plekje bijeen plant,

hetzij men ze gebruikt voor een rand om een perk met bloemplanten,

waarbij men dan natuurlijk heeft op te letten, dat men geen

roodbladerige om een perk met roodbloeiende planten plaatst.

Vooral onder de _Zonale-Geraniums_ zijn er met verschillend gekleurde

bladeren, deze met helder witte, die met goudgele randen, terwijl er

ook zijn in welker bladeren het geel met bruin en helderrood op keurige

wijze gemengd is. De zilverbonte mag inderdaad voor elken tuin in

aanmerking komen; de driekleurigen zijn alleen geschikt voor hen, die

van hun tuin wat meer werk willen maken.

Ook onder de _Fuchsia's_ zijn er enkelen met fraai bonte bladeren.

Vervolgens komt de zoo gezochte _Coleus_ in aanmerking. Van het groot

aantal variëteiten met grillig gekleurde bladeren zijn er echter maar

enkelen geschikt om in den tuin geplant te worden, en in de eerste

plaats zeker Verschaffelt's _Coleus_, (_C. Verschaffeltii_), met

haar donker purperachtig bruine bladeren. Men late zich dan ook niet

verlokken door de fraaiere, levendigere kleuren der anderen, daar die

meest allen te zwak zijn, en er alleen in zeer warme zomers en dan

nog in de gunstigste omstandigheden wat grond en standplaats betreft,

iets oogelijks van terecht komt. Ook _Iresine Lindenii_, met donker

purperroode bladeren, die een heldere middennerf hebben, wordt

voor dit doel gebruikt. Dan heeft men onder de wit-, of liever

lichtgrijsbladerige planten in de eerste plaats een distelsoort,

_Centaurea candidissima_, voorts _Cerastium tomentosum_, _Kleinia

repens_.... Maar Latijnsche namen genoeg reeds in een boekje, waarin die

niet behooren. Wil men zich hiermede bezighouden, dan bezoeke men in Mei

een flinke bloemisterij, waar men zien kan welke van deze planten in

massa worden gekweekt; dit is vrij wat beter dan zich te verliezen in

een lange lijst van plantennamen.

Maar men hoede zich vooral tegen overdrijving, waartoe het gebruik van

gekleurdbladerige planten maar al te vaak aanleiding geeft, en waardoor

vooral kleine tuinen soms een potsierlijk aanzien verkrijgen. Groen

moet daarin de hoofdrol spelen, kleuren moeten er alleen hier en daar

afwisseling en leven aan geven, en die verkrijgt men in voldoende

mate door bloemen. Geheel onopgemerkt mocht ik echter de bont- en

gekleurdbladerige planten niet laten, al was het maar om tegen een

smakelooze toepassing er van te waarschuwen.--

Kan men het in een kleinen tuin zeer goed zonder bontbladerige planten

stellen, minder goed is dit het geval zonder enkele sierplanten.

Zoo noemt men, en terecht, die gewassen, welke zich door groote, fraai

gevormde bladeren, of door een buitengewoon sierlijke groeiwijze

onderscheiden, en die geheel alleen in het gras of op uitstekende en

zeer in 't oogloopende punten geplaatst, een effect teweegbrengen, dat

op geen andere wijze te verkrijgen is.

In buitenplaatsen en parken wordt daarvan een druk en zeer nuttig

gebruik gemaakt; de keuze is dan ook overruim, daar deze plantenrubriek

niet binnen enge grenzen beperkt is, maar haar vertegenwoordigers

heeft onder de gewassen van alle hemelstreken; planten met het

meest uiteenloopende voorkomen, met lange grasachtige, met breede

waaiervormige bladeren, hoog opgroeiend en laag blijvend, die in den

open grond geplant of in potten of kuipen gehouden worden, enz. enz.--

Onder die, welke gedurende den zomer het beste in den open grond

staan, noem ik in de eerste plaats het zoogenaamde Indische Bloemriet

(_Canna_). In lossen, goed gemesten grond, op een zoo warm mogelijke

plaats ontwikkelen deze planten zich in den zomer zeer fraai. Hoewel men

er meestal een perk mede vol plant, kan de eigenaar van een kleinen tuin

het zeer goed stellen met er op een paar plaatsen b.v. een drie- of

vijftal tot een groepje bijeen te planten, en zelfs geheel alleenstaande

doet een forsche _Canna_ zich sierlijk voor.

Tot voor enkele jaren kweekte men deze planten bijna uitsluitend om

de fraaie bladeren (waarbij ook bruinen), de bloemen toch beteekenden

niet veel; tegenwoordig echter bezit men ook een ras van grootbloemige

_Canna's_, die voor kleine tuinen zeker de voorkeur verdienen. Men

behandelt ze op dezelfde wijze als de _Dahlia's_ en de _Knol-Begonia's_;

waarbij echter niet uit het oog verloren mag worden, dat ze 's winters

op geen te koele plaats mogen liggen.

Een sierplant in den waren zin des woords is de Abyssinische Banaan of

Enset (_Musa Ensete_), een plant die, op een eenigszins tegen den wind

beschutte, warme standplaats zich in den zomer prachtig ontwikkelt. In

het najaar zit men er echter mee, wijl ze dan opgenomen, in een kuip

gezet en in een goed lichte kas moet overwinterd worden, en daarna ook

wel wat te groot wordt voor een kleinen tuin. Toch ziet men ze er wel

eens, en altijd maken ze, als ze goed vrij staan, een heerlijk effect.

't Is maar de vraag of men daar wat voor over heeft.

Dan het zoogenaamde Pampas-gras (_Gynerium argenteum_). Deze fraaie

Grasplant levert minder bezwaar op; ze heeft een zeer gracieus

voorkomen, stoelt spoedig uit tot een flinke bos van lange, bevallig

naar alle zijden overhangende bladeren; en brengt in den nazomer (soms

wel eens wat heel laat) prachtige pluimen voort, welker zilverglanzige

schubjes in de zon schitteren, en die, tijdig afgesneden, den geheelen

winter door een sieraad van de huiskamer kunnen zijn. Men kan de

_Gynerium_ in het najaar in den grond laten staan, als men maar zorg

draagt dan de bladeren wat bijeen te binden, de wortels goed met blad te

dekken en de plant met stroo te omwoelen. In gewone, d. w. z. niet ál te

strenge winters houdt ze het aldus goed uit.

Een zeer aanbevelenswaardige sierplant is ook de zoogen. Wonderboom

(_Rianus_)[9], waarvan een aantal soorten en variëteiten bekend zijn,

terwijl de groote bruinbladerige voor dit doel de beste is. Men kan ze

zelf wel van zaad kweeken. Men legt dan bijv. een vijftal korrels in

April in een bloempot, 2 c.M. diep in de aarde, en zet dien pot op een

warme plaats, tot de zaden kiemen. Dan plaatst men dien achter een

zonnig raam en houdt de aarde goed vochtig. Tegen half Mei plant men ze

in den open grond; eenmaal aan 't groeien, ontwikkelen zij zich snel.

Het beste plant men er drie bijeen op een geheel vrije, zonnige plek.

Men kan deze drie planten gemakkelijk met een stevigen stok, die in 't

midden staat, rechtop houden, dat zeer noodig is.

[9] Deze is geen boom, maar, in onze tuinen, een éénjarige plant.

Ook enkele in potten of kuipjes staande planten kan men gebruiken, maar

in een kleinen tuin niet veel. Vooreerst het Nieuw-Zeelandsch Vlas

(_Pharmium tenax_), een voor dit doel terecht zeer geliefde plant.

De van ouds bekende groenbladerige is zeker de sierlijkste, maar er zijn

ook bontbladerigen, die voor dit doel zeer geschikt zijn, en waaraan

sommigen de voorkeur geven.

De veel als kamerplant gekweekte _Aralia japonica_ geeft met hare

groote, handvormige, glanzende bladeren mede aan een tuin veel

afwisseling. Het moet dan echter een mooie, tot onder toe met bladeren

bezette, gezonde plant zijn. Beide planten leveren het gemak dat men ze

zelf kan overwinteren. Heeft men een vestibule, waar het niet al te

streng kan vriezen (een beetje vorst hindert niet), dan zullen ze die in

den winter tot sieraad strekken. De _Phormium_ kan overigens ook in een

kelder den winter doorbrengen en de _Aralia_ is uitnemend voor de kamer

geschikt, en dan liefst een kamer, waarin niet of slechts nu en dan

gestookt wordt; natuurlijk is een plaats dicht bij 't raam noodzakelijk,

wijl men anders kans heeft dat de bladeren geel worden.

Dan heeft men die planten, welke iedereen als Aloë's kent, hoewel het

eigenlijk geen _Aloë's_, maar _Agave's_ zijn. Vroeger trof men bij

partikulieren alleen de honderdjarige en de bonte aan, tegenwoordig kan

men zonder veel moeite ook andere krijgen, waarbij er zijn die kleiner

blijven. Voor hen, die niet goed zijn ingericht, zijn ze echter in den

winter wel wat lastig; men kan ze in een kleinen tuin dan ook goed

ontberen.

Sierplanten van dezen aard zijn er trouwens in menigte, en in bijzonder

gunstige conditie hiervoor verkeert hij, die aan zijn huis een veranda

heeft, welke 's winters met glas kan gesloten worden, en waar men

dergelijke planten gemakkelijk bewaart, terwijl ze dan het gezicht uit

de kamer zeer verlevendigen. De vorst houdt men daar gemakkelijk uit

door er een kleinen vulkachel in te plaatsen, die echter niet meer mag

gestookt worden, dan noodig is om de ruimte maar juist vorstvrij te

houden. Vriest het niet, dan zet men een der buitendeuren gedeeltelijk

of geheel open.

Die een gesloten veranda aldus wil inrichten--en het is zeer aan te

bevelen, omdat men dan eenige fraaie sierplanten voor den tuin kan

bewaren--moet er niet op rekenen daar 's winters te kunnen zitten; 't

is er dan te koud. Wel is het gemakkelijk om, door het openzetten der

kamerdeuren, de temperatuur te doen rijzen, maar, kan dit ook al geen

kwaad als men het een enkele maal, bij een feestelijke gelegenheid b.v.

doet, men moet er geen gewoonte van maken, daar stof, kamerlucht en

warmte voor deze planten nadeelig zijn; en ze moeten mooi, ze moeten

vooral gezond blijven, willen ze het karakter van sierplanten niet

verliezen.

Beknopte handleiding voor eigenaars van kleine tuinen · 第 11 / 13 题