Bloemgewassen.
Bloemen zijn voor elken tuin onmisbaar; ze zijn er het ameublement van;
maar zoo goed als men een kamer pronkerig en onhuiselijk kan maken door
een slechte keus of ondoelmatige rangschikking van meubelen, even
gemakkelijk kan men ook een tuin, een kleinen tuin vooral, bederven,
door overlading met bloemen. Daar staat echter tegenover dat, zoowel als
goed gekozen en geplaatste meubelen het gezellige karakter eener kamer,
eener huiskamer inzonderheid, bepalen, dit in gelijke mate met de
bloemen in een tuin het geval is. Men heeft behoefte aan het gezicht
harer ontluiking en harer volle ontwikkeling; men heeft er ook behoefte
aan voor velerlei doeleinden, die het huiselijke leven veraangenamen.
Het gezicht, het genot van bloemen is voor den mensch veel onmisbaarder
dan men vermoedt. Dáárom, en daarom vooral, mag hij het een voorrecht
noemen, die een tuin tot zijn beschikking heeft, en, al is die ook maar
zeer klein, een voorrecht blijft het in elk geval.
Wil men van dat voorrecht zooveel mogelijk genieten, dan richte men het
er ook naar in. Kostbaar is zulks niet, behoeft het althans niet te
zijn; men kan het zich kostbaar maken, maar men kan ook met luttel
uitgaven hetzelfde doel even goed bereiken. 't Is daarbij maar de vraag
of men tevreden is met het werkelijk schoone, dan wel of men alleen dát
mooi vindt, wat door den wisselenden smaak tijdelijk het meest op den
voorgrond wordt gesteld.
Er zijn drie uitgebreide rubrieken van planten, die voor allerlei tuinen
overvloed van bloemen leveren; dit zijn de _overblijvende_ of _vaste
planten_, de _éénjarige_ of _zaadplanten_, en die welke men algemeen
_potgewassen_ noemt, omdat ze in potten worden opgekweekt, terwijl
sommige gedurende de zomermaanden in den tuin in den open grond kunnen
gehouden worden.
Overblijvende of vaste planten.
Hieronder verstaat men al die gewassen, welke winter en zomer door
buiten verblijven, die echter geen houtachtige stengels hebben, zooals
de boomen en heesters, maar kruidachtige (d. w. z. dat ze weeker en
zachter zijn), omdat deze niet ouder worden dan eenige maanden. Immers,
nadat ze in de lente uit den grond te voorschijn kwamen, soms in korten
tijd een hoogte van 2 à 3 Meter bereikten, sterven ze in het najaar af,
ook wanneer de vorst daar geen aanleiding toe geeft. Ze leven eenvoudig
niet langer; ze zijn maar voor een zomer bestemd. Intusschen leeft de
plant in den grond voort, om opnieuw te ontspruiten, wanneer het
voorjaar haar tot nieuw leven opwekt.
Sommige doen dit reeds vroeg, zeer vroeg zelfs, en kondigen daardoor
de lente reeds aan, wanneer die nog ver af is. Hiertoe behooren in de
eerste plaats de Kerstroos, het Sneeuwklokje, de Vroegbloem (ook wel
Winter-Akoniet genoemd); verder de Sleutelbloem of Primulaveer, de
Crocus enz. Deze volgen elkaar geregeld op, en het zal wel noodeloos
zijn te zeggen, dat het gezicht uit het huis op die eerste lenteboden,
vooral wanneer deze hier en daar als toevallig door den tuin verspreid
zijn, zeer opwekkend is.
Hiervoor zorge men dan ook in de eerste plaats. Boven merkte ik reeds op
dat men wel zal doen enkele Sneeuwklokjes en Crocussen hier en daar in
het gras te planten. Ze nemen er geen plaats weg, en komen daar het
beste tot haar recht. Van de Vroegbloem of Winter-Akoniet plant men
er enkele verspreid tusschen de heesters, waar men niets anders kan
plaatsen; ze staan daar het beste naar haar zin. De Kerstroos, die in
geen tuin moet ontbreken, plaatst men in het tegenover het Noorden
gelegen rabat, Primulaveeren kan men hier en daar op verloren plekjes
zetten. De eerstgenoemden moeten allen tegen het najaar geplant worden.
Voor de Sleutelbloemen is dit ook wel verkieslijk, maar men kan die in
't voorjaar ook in knop op de markt koopen, waar ze dan voor een bagatel
verkrijgbaar zijn.
Ik stond bij deze algemeen bekende voorjaarsbloemen meer bepaald even
stil, omdat ze, zeker vreemd genoeg, in kleine tuinen al te zeer
veronachtzaamd worden, en men dikwijls op het platteland moet komen, om
op het lapje grond vóór een arbeiderswoning te zien hoe fraai en hoe
dankbaar tevens zij zijn.
De overblijvende of vaste planten in het algemeen leveren een uiterst
bruikbaar en zeer onkostbaar materiaal voor elken tuin, en dit te meer,
daar hierbij aan verscheidenheid allerminst gebrek is, niet alleen
in rijkdom, vorm, grootte en kleur der bloemen, maar ook in andere
opzichten. Er zijn er toch die zeer snel en hoog opgroeien, anderen
die laag blijven en weer anderen die zich volstrekt niet van den grond
opheffen, maar daarover voortkruipen. Er zijn er die breed, bossig
worden en dus uitstekend ter maskeering dienen, anderen die rank en
slank blijven en die dus het gezicht niet belemmeren. Er zijn er die
liefst op een warme, zonnige plek staan, maar er zijn er ook, die zich
zeer goed thuis gevoelen daar, waar de zon niet schijnt, en die derhalve
voor een tegenover het Noorden gelegen rabat goed te pas komen.
Het kan niet mijne bedoeling zijn hier ook maar een eenigszins uitvoerig
overzicht van de voor de tuinen geschikte vaste planten te geven;
daartoe is haar aantal veel te groot. Ik wilde slechts wijzen op het
nuttig gebruik dat men er, zonder noemenswaarde onkosten, van kan maken;
en wanneer ik er hier nu nog eenige noem, is het om deze den eigenaars
van kleine tuinen inzonderheid aan te bevelen, wijl ze voor hun doel
geschikt, en overal te verkrijgen zijn[7]. Ik voeg er de Hollandsche
namen alleen bij, voor zoover ze daaronder voorkomen; overigens zijn de
hier genoemde Latijnsche namen algemeen bekend.
[7] Die hiervan en ook van alle andere zaken op den tuin en de planten
betrekking hebbende meer uitvoerige bijzonderheden wil weten, verwijs ik
naar mijn _Handboek voor den Bloementuin_, waarin al deze onderwerpen,
ook voor grootere tuinen, uitvoerig behandeld zijn.
Onder de fraaiste voorjaarsbloemen moet zeker de _Diclytra spectabilis_
gerekend worden, met haar sierlijk gebladerte en haar lange overhangende
trossen van fraai rose, vreemd gevormde bloemen; de Akelei (_Aquilegia_)
is een oude bekende en een voor alle tuinen geliefde plant. Ze bloeit
reeds vroeg in den zomer zeer mild, deze met blauwe bloemen in alle
nuancen, andere rose, weer andere wit. Er zijn vele soorten van, maar
voor kleine tuinen is de gewone Akelei in kleuren wel de beste. Aan deze
verwant zijn de Riddersporen (_Delphinium_); deze bloeien iets later en
ook wat langer; de planten groeien kaarsrecht op terwijl ook de lange,
dichte, meestal intensief blauwe bloemtrossen recht naar boven gericht
zijn. Ook de Monnikskappen (_Aconitum_) zijn terecht, om haar rijken en
zeer fraaien bloei, gezochte tuinplanten. Waar kinderen zijn kunnen ze
echter gevaarlijk wezen, tenzij men zeker is dat dezen niet de slechte
gewoonte hebben, om bloemen in den mond te nemen. Beide worden 1-1½
Meter hoog. De Pioenen (_Pæonia_) heb ik slechts te noemen, om iedereen
hare groote, vaak schitterende bloemen voor den geest te roepen. Er is
er een, de zoogenaamde Boom-Pioen, die tot de heesterachtige planten
behoort en die om hare groote, rose bloemen zeer geliefd is; tot de
vaste planten behooren echter de meesten en dezer aantal is zeer groot.
Ze hebben bloemen van wit af, door alle tinten, tot het donkerste
bloedrood; de meesten zijn reukeloos, maar sommige verspreiden een zeer
zachten, aangenamen geur. Men verwijt haar, niet ten onrechte, dat zij
zoo vroeg uitgebloeid zijn, maar daar staat dan toch ook tegenover dat
men er vroeg in den zomer genot van heeft. Ze worden tegenwoordig in
grooten getale en in groote verscheidenheid tevens gekweekt. Voor een
kleinen tuin moet men zich tot een, hoogstens twee ervan bepalen, wijl
ze nog al veel ruimte innemen. De Klokjesbloemen (_Campanula_) mogen
mede niet vergeten worden. Er zijn zeer laag blijvenden en anderen
die tot ruim een Meter hoog opgroeien, ja er is er zelfs een, de oude
Piramidaal (_Campanula pyramidalis_), die wel de hoogte van twee Meter
bereikt. De bloemen zijn meestal blauw, soms ook wit. De Anemoon is
mede een bekende tuinplant. Behalve de oude tuin-Anemoon (_Anemone
hortensis_), die, hoe fraai ook, toch voor kleine tuinen minder
wenschelijk is, omdat ze tijdig opgenomen en weder geplant moet worden,
wat de meeste eigenaars van kleine tuinen allicht te omslachtig vinden,
verdient de Japansche Anemoon (_Anemone japonica_) zeker een plaatsje.
In zeer strenge winters loopt deze echter gevaar van te bevriezen. Niet
alzoo de lieve kleine Hepatika (_Anemone Hepatica_), die men gevoeglijk,
mits in niet te zwaren grond, op het Noorden kan planten. Ze bloeit
in de lente; de bloempjes zijn gewoonlijk blauw, maar er zijn er ook
met witte en met roode bloemen, sommigen zóó gevuld, dat het roosjes
gelijken. Deze zijn echter teerder. In ons geval bepalen we ons liefst
tot de gewone enkel blauwe.
Het Vingerhoedskruid (_Digitalis_) is ook een mooie en kloeke
overblijvende plant; ook deze is echter, evenals de Monnikskap, zeer
vergiftig. Ik ben geenszins de meening toegedaan, dat men vergiftige
planten uit de tuinen moet houden; men moet ze er echter liever niet
in opnemen, als men de kinderen vrij in den tuin laat loopen en dezen
gewoon zijn te plukken. Dán kunnen ze gevaarlijk zijn.
Ik sprak daareven van de Japansche Anemoon; zie hier nog een paar van
denzelfden oorsprong. Vooreerst die welke men als _Funkia's_ kent;
zeer fraaie bladplanten, die met haar rechtopstaande, blauwe bloemen
nauwelijks een halven Meter hoogte bereiken, maar ook zonder die
bloemen den geheelen zomer door een sieraad van den tuin zijn; en dan
_Hemerocallis_, waarvan vooral de bontbladerige zeer sierlijk is.
De gewone Zonnebloem is een éénjarige plant, waarover lager, maar er
zijn er ook, die tot de vaste planten behooren, b.v. de veelbloemige
Zonnebloem (_Helianthus multiflorus_), die tegen den nazomer zeer mild
bloeit en dit volhoudt totdat de vorst of herfststormen er een eind aan
maken. Men heeft er met enkele en ook met dubbele, zeer gevulde bloemen.
Ik vind de eerste niet minder mooi dan de laatste; de meesten geven
echter aan de gevulde de voorkeur.
Vergeten we echter de _Iris_ niet, waarvan een aantal fraaie soorten
bestaan, terwijl zelfs de minste ervan hoogst sierlijk is. Men denke
slechts aan de gewone gele Lisch, die aan de waterkanten groeit. Geel,
wit, paars in alle tinten wisselen elkaar bij deze planten af. Niet zoo
algemeen, maar toch gemakkelijk te verkrijgen is de Japansche Kæmpfer's
Lisch (_Iris Kæmpferii_); deze plant heeft een kloeke houding en zeer
fraaie bloemen; de oudste paarsachtig blauw, de lateren in alle tinten
van wit door roodachtig paars tot blauw. Er zijn er die voor weinig geld
te verkrijgen en toch zeer fraai zijn. In tegenstelling van deze rijzig
opgroeiende, noem ik de laag blijvende Dwerg-Lisch (_Iris-pumila_),
een zeer lage, bossig groeiende plant, die vroeg en fraai bloeit. Dan
denk ik weer aan de _Phloxen_, die tegenwoordig met zooveel voorliefde
gekweekt worden. Deze najaarsbloemplanten, van een halven Meter tot een
Meter hoog, worden in de tweede helft van den zomer met bloemen als
overdekt. Men heeft vurig roode, paarse, gestreepte en zuiver witte.
Voor een kleinen tuin bepale men zich tot de eerste en de laatste.
Wanneer men met een klein plantje begint, heeft men er na een paar jaar
een dichte struik van; de bloemen zijn bij uitnemendheid voor bouquetten
geschikt.
Dan komen nog de najaars-_Asters_, meestal blauw, sommigen ook rood,
die met haar overvloed van bloemen den tuin opvroolijken, als de winter
reeds in aantocht is, en dan de _Dahlia's_ zoo trouw gezelschap houden.
Ook deze laatste behooren eigenlijk tot de vaste planten, maar tot die,
welke wat meer zorg vereischen dan de bovengenoemde.
Ik bepaalde mij hier tot eenigen van die, waarvan men in het najaar
slechts de doode en verwaaide stengels heeft af te snijden, zonder zich
er verder in het minst om te bekreunen, wijl ze tegen onze winterkou
volkomen bestand zijn. Alleen de Japansche Anemoon maakt hierop, gelijk
ik zeide, uitzondering. 't Is een mooie plant voor kleine tuinen, maar
ze moet wat gedekt worden; daarom zullen de meesten haar dan ook liefst
maar niet planten.
Hij, die zich, nadat de tuin in orde is, er verder geen moeite voor wil
geven, moet eigenlijk met de _Dahlia's_ ook niet beginnen, want deze
moeten tegen den winter uit den grond opgegraven en tot het voorjaar op
een koele, droge en vorstvrije plaats bewaard worden. Men laat er dan
liefst de aanklevende aarde aan zitten, en legt ze luchtig uiteen. In
het begin van Mei plant men ze weer.
Hoewel niet meer zoo gezocht als een dertig jaar geleden, spelen de
_Dahlia's_ toch in den tuinbouw nog een voorname rol, en inderdaad zou
het moeilijk zijn planten te vinden, meer geschikt om de tuinen tot
sieraad te strekken, en dat wel juist dán, wanneer de bloeitijd van de
meeste andere planten ten einde is of althans ten einde spoedt. Grooter
verscheidenheid dan de _Dahlia's_ opleveren is niet denkbaar. Men
heeft ze van alle kleuren, het blauw alleen uitgezonderd; er zijn hoog
groeiende en zeer laag blijvende, met groote en met kleine, met enkele
en met gevulde bloemen, en ze leveren daarvan zoo rijk een overvloed,
dat men ze gestadig voor bouquetten kan afsnijden, en er toch genoeg aan
blijven om de plant tot sieraad te strekken. Voor kleine tuinen zijn
de laag blijvenden zeker verkieslijk, de hoogeren zijn echter beter
geschikt om bloemen voor bouquetten te leveren, waarbij de prachtige
zoogenaamde Cactus-Dahlia (_Dahlia Juarezii_) om de gloeiend roode kleur
en den fraaien vorm der groote bloem, in de eerste plaats in aanmerking
komt. Ook de variëteiten met kleine bloempjes zijn voor dit doel zeer
geschikt.
Men bedenke echter bij het planten wel, dat de _Dahlia's_, om werkelijk
fraai te worden, een niet te zwaren en voedzamen grond noodig hebben.
Ook in minder goeden grond groeien ze en bloeien ze wel, maar dan komen
ze toch niet goed tot haar recht.--
Het bovenstaande bevat zeker opsomming genoeg voor ons bescheiden
doel. Ik herinner nog eens dat de vaste of overblijvende planten een
uitstekend materiaal leveren voor den tuin. Ze spruiten toch ieder
voorjaar met nieuwe kracht uit den grond; men heeft er niets anders aan
te doen dan wat zindelijkheid en orde vorderen; ze kosten zeer weinig
geld, en leveren de meest gewenschte verscheidenheid in groeiwijze, blad
en bloei.
Die zich weinig met zijn tuin kan of wil bezig houden, doet wijs dien,
behalve met een enkelen boom en wat heesters, met vaste planten te
bezetten. Hij zal dan wel is waar die jaarlijksche afwisseling missen,
welke er op andere wijzen aan is te geven, maar zijn tuin behoeft er den
geheelen zomer door niets minder fraai om te zijn.
Een overgang van de overblijvende tot de éénjarige zijn de tweejarige
planten, die men gevoegelijk reeds onder de zaadplanten (die namelijk,
welke alleen door de zaden kunnen vermenigvuldigd worden) kan
rangschikken.
Ze leven niet veel langer dan een jaar, maar dit is over twee jaren van
onze tijdrekening verdeeld. 't Komt omdat ze in haar ontwikkeling een
periode van rust noodig hebben, die ze in den winter vinden.
Deze worden in den voorzomer gezaaid (men kan het ook nog wat later
doen) en blijven dan, nadat ze opgekomen zijn, laag bij den grond,
zonder te bloeien. In de volgende lente echter schieten ze spoedig
krachtig op, en de geheele groei is nu naar het bloeien gericht. Is de
bloei voorbij, dan rijpen de zaden en de plant sterft. Slechts enkelen,
zooals b.v. de Stokrozen en de Duizendschoon, kunnen het nog een of een
paar jaren langer volhouden, maar het mooie is er toch ook bij dezen
na dien eersten bloei af. Men doet daarom beter ze maar op te ruimen.
Overigens kan men, door ze jaarlijks te zaaien, ze ook jaarlijks op haar
fraaist hebben, natuurlijk in afwisselende generaties.
Ik noemde daar reeds terloops de Stokrozen en de Duizendschoon; ofschoon
de eersten niet in ieders smaak vallen, kan men toch zeggen dat beiden
van ouds geliefde tuinplanten zijn. Ook het driekleurige Viooltje
moet tot de tweejarige planten gerekend worden, en dat mag in geen
tuin ontbreken. Zelfs al kende men er niet anders van dan de wilde,
kleinbloemige, die de duinen tot sieraad strekt, zou dit het geval
zijn, en hoever staat deze in kleurenpracht en grootte der bloem bij de
gekweekten achter. Men zaait ze in Augustus, ook nog iets later op een
verloren hoekje. Vóór den winter of vroeg in 't voorjaar kan men ze dan
planten waar men ze 't liefste ziet, en dikwijls beginnen ze reeds in
Maart, zoo niet nog vroeger, te bloeien. Voor kleine tuinen zijn ze
onmisbaar en doorgaans kan men ze op de voorjaarsbloemmarkten in
menigte, met half en heel geopende bloemen verkrijgen.
Van de tweejarige en wel absoluut tweejarige planten wil ik nog de
Judaspenning (_Lunaria biennis_) noemen, een mooie plant, met een
leelijken naam. Deze zaait men het beste op een rij, vóór langs
heestergewas, een Centimeter of tien van het gras af. Men steekt dan
in den vooraf goed losgemaakten grond gaten van 4 c.M. diepte ongeveer
25 c.M. van elkaar, en werpt in elk gat twee zaadkorrels, die plat en
vrij groot zijn. Deze zaadplanten vormen in dien zomer rosetten van
hartvormige bladeren, maar de stengels groeien niet verder op. In
Aprildaaraanvolgende begint er echter krachtige groei in te komen; ze
ontwikkelen zich dan spoedig tot 80 c.M. of een Meter hoogte, en vormen
groote pluimen van fraai paarse bloemen. Op eenigen afstand gezien maakt
dan zulk een rij vóór de groene heesters een zeer fraai effect, zoodat
men ze dáár moet zaaien, waar men er uit het huis gezicht op heeft.
Wanneer men, als ze uitgebloeid zijn, ééne plant laat staan voor de
zaden, krijgt men daarvan overvloedig genoeg.
Deze plant heeft nog de eigenaardigheid van schoon te zijn ook na den
dood. De groote, platte, eenigszins ovale vruchten, ter grootte van een
gulden ongeveer, bevatten in het midden een zilverglanzig vlies. Wanneer
ze volkomen rijp en goed gedroogd zijn, vallen er de beide buitenste
oppervlakten af en dat vlies blijft zitten. Dan maakt die groote pluim
een heel andere, maar ongetwijfeld een zeer fraaie vertooning, en is
uitnemend geschikt voor winterbouquetten, hetzij op zich zelf alleen,
hetzij met gedroogde grassen. Wil men ze daarvoor bestemmen, dan moet
men ze natuurlijk niet afsnijden voordat ze geheel rijp zijn, d. w. z.
voor dat de stengel dor en de plant kennelijk dood is.