III.

Bloemgewassen.

Bloemen zijn voor elken tuin onmisbaar; ze zijn er het ameublement van;

maar zoo goed als men een kamer pronkerig en onhuiselijk kan maken door

een slechte keus of ondoelmatige rangschikking van meubelen, even

gemakkelijk kan men ook een tuin, een kleinen tuin vooral, bederven,

door overlading met bloemen. Daar staat echter tegenover dat, zoowel als

goed gekozen en geplaatste meubelen het gezellige karakter eener kamer,

eener huiskamer inzonderheid, bepalen, dit in gelijke mate met de

bloemen in een tuin het geval is. Men heeft behoefte aan het gezicht

harer ontluiking en harer volle ontwikkeling; men heeft er ook behoefte

aan voor velerlei doeleinden, die het huiselijke leven veraangenamen.

Het gezicht, het genot van bloemen is voor den mensch veel onmisbaarder

dan men vermoedt. Dáárom, en daarom vooral, mag hij het een voorrecht

noemen, die een tuin tot zijn beschikking heeft, en, al is die ook maar

zeer klein, een voorrecht blijft het in elk geval.

Wil men van dat voorrecht zooveel mogelijk genieten, dan richte men het

er ook naar in. Kostbaar is zulks niet, behoeft het althans niet te

zijn; men kan het zich kostbaar maken, maar men kan ook met luttel

uitgaven hetzelfde doel even goed bereiken. 't Is daarbij maar de vraag

of men tevreden is met het werkelijk schoone, dan wel of men alleen dát

mooi vindt, wat door den wisselenden smaak tijdelijk het meest op den

voorgrond wordt gesteld.

Er zijn drie uitgebreide rubrieken van planten, die voor allerlei tuinen

overvloed van bloemen leveren; dit zijn de _overblijvende_ of _vaste

planten_, de _éénjarige_ of _zaadplanten_, en die welke men algemeen

_potgewassen_ noemt, omdat ze in potten worden opgekweekt, terwijl

sommige gedurende de zomermaanden in den tuin in den open grond kunnen

gehouden worden.

Overblijvende of vaste planten.

Hieronder verstaat men al die gewassen, welke winter en zomer door

buiten verblijven, die echter geen houtachtige stengels hebben, zooals

de boomen en heesters, maar kruidachtige (d. w. z. dat ze weeker en

zachter zijn), omdat deze niet ouder worden dan eenige maanden. Immers,

nadat ze in de lente uit den grond te voorschijn kwamen, soms in korten

tijd een hoogte van 2 à 3 Meter bereikten, sterven ze in het najaar af,

ook wanneer de vorst daar geen aanleiding toe geeft. Ze leven eenvoudig

niet langer; ze zijn maar voor een zomer bestemd. Intusschen leeft de

plant in den grond voort, om opnieuw te ontspruiten, wanneer het

voorjaar haar tot nieuw leven opwekt.

Sommige doen dit reeds vroeg, zeer vroeg zelfs, en kondigen daardoor

de lente reeds aan, wanneer die nog ver af is. Hiertoe behooren in de

eerste plaats de Kerstroos, het Sneeuwklokje, de Vroegbloem (ook wel

Winter-Akoniet genoemd); verder de Sleutelbloem of Primulaveer, de

Crocus enz. Deze volgen elkaar geregeld op, en het zal wel noodeloos

zijn te zeggen, dat het gezicht uit het huis op die eerste lenteboden,

vooral wanneer deze hier en daar als toevallig door den tuin verspreid

zijn, zeer opwekkend is.

Hiervoor zorge men dan ook in de eerste plaats. Boven merkte ik reeds op

dat men wel zal doen enkele Sneeuwklokjes en Crocussen hier en daar in

het gras te planten. Ze nemen er geen plaats weg, en komen daar het

beste tot haar recht. Van de Vroegbloem of Winter-Akoniet plant men

er enkele verspreid tusschen de heesters, waar men niets anders kan

plaatsen; ze staan daar het beste naar haar zin. De Kerstroos, die in

geen tuin moet ontbreken, plaatst men in het tegenover het Noorden

gelegen rabat, Primulaveeren kan men hier en daar op verloren plekjes

zetten. De eerstgenoemden moeten allen tegen het najaar geplant worden.

Voor de Sleutelbloemen is dit ook wel verkieslijk, maar men kan die in

't voorjaar ook in knop op de markt koopen, waar ze dan voor een bagatel

verkrijgbaar zijn.

Ik stond bij deze algemeen bekende voorjaarsbloemen meer bepaald even

stil, omdat ze, zeker vreemd genoeg, in kleine tuinen al te zeer

veronachtzaamd worden, en men dikwijls op het platteland moet komen, om

op het lapje grond vóór een arbeiderswoning te zien hoe fraai en hoe

dankbaar tevens zij zijn.

De overblijvende of vaste planten in het algemeen leveren een uiterst

bruikbaar en zeer onkostbaar materiaal voor elken tuin, en dit te meer,

daar hierbij aan verscheidenheid allerminst gebrek is, niet alleen

in rijkdom, vorm, grootte en kleur der bloemen, maar ook in andere

opzichten. Er zijn er toch die zeer snel en hoog opgroeien, anderen

die laag blijven en weer anderen die zich volstrekt niet van den grond

opheffen, maar daarover voortkruipen. Er zijn er die breed, bossig

worden en dus uitstekend ter maskeering dienen, anderen die rank en

slank blijven en die dus het gezicht niet belemmeren. Er zijn er die

liefst op een warme, zonnige plek staan, maar er zijn er ook, die zich

zeer goed thuis gevoelen daar, waar de zon niet schijnt, en die derhalve

voor een tegenover het Noorden gelegen rabat goed te pas komen.

Het kan niet mijne bedoeling zijn hier ook maar een eenigszins uitvoerig

overzicht van de voor de tuinen geschikte vaste planten te geven;

daartoe is haar aantal veel te groot. Ik wilde slechts wijzen op het

nuttig gebruik dat men er, zonder noemenswaarde onkosten, van kan maken;

en wanneer ik er hier nu nog eenige noem, is het om deze den eigenaars

van kleine tuinen inzonderheid aan te bevelen, wijl ze voor hun doel

geschikt, en overal te verkrijgen zijn[7]. Ik voeg er de Hollandsche

namen alleen bij, voor zoover ze daaronder voorkomen; overigens zijn de

hier genoemde Latijnsche namen algemeen bekend.

[7] Die hiervan en ook van alle andere zaken op den tuin en de planten

betrekking hebbende meer uitvoerige bijzonderheden wil weten, verwijs ik

naar mijn _Handboek voor den Bloementuin_, waarin al deze onderwerpen,

ook voor grootere tuinen, uitvoerig behandeld zijn.

Onder de fraaiste voorjaarsbloemen moet zeker de _Diclytra spectabilis_

gerekend worden, met haar sierlijk gebladerte en haar lange overhangende

trossen van fraai rose, vreemd gevormde bloemen; de Akelei (_Aquilegia_)

is een oude bekende en een voor alle tuinen geliefde plant. Ze bloeit

reeds vroeg in den zomer zeer mild, deze met blauwe bloemen in alle

nuancen, andere rose, weer andere wit. Er zijn vele soorten van, maar

voor kleine tuinen is de gewone Akelei in kleuren wel de beste. Aan deze

verwant zijn de Riddersporen (_Delphinium_); deze bloeien iets later en

ook wat langer; de planten groeien kaarsrecht op terwijl ook de lange,

dichte, meestal intensief blauwe bloemtrossen recht naar boven gericht

zijn. Ook de Monnikskappen (_Aconitum_) zijn terecht, om haar rijken en

zeer fraaien bloei, gezochte tuinplanten. Waar kinderen zijn kunnen ze

echter gevaarlijk wezen, tenzij men zeker is dat dezen niet de slechte

gewoonte hebben, om bloemen in den mond te nemen. Beide worden 1-1½

Meter hoog. De Pioenen (_Pæonia_) heb ik slechts te noemen, om iedereen

hare groote, vaak schitterende bloemen voor den geest te roepen. Er is

er een, de zoogenaamde Boom-Pioen, die tot de heesterachtige planten

behoort en die om hare groote, rose bloemen zeer geliefd is; tot de

vaste planten behooren echter de meesten en dezer aantal is zeer groot.

Ze hebben bloemen van wit af, door alle tinten, tot het donkerste

bloedrood; de meesten zijn reukeloos, maar sommige verspreiden een zeer

zachten, aangenamen geur. Men verwijt haar, niet ten onrechte, dat zij

zoo vroeg uitgebloeid zijn, maar daar staat dan toch ook tegenover dat

men er vroeg in den zomer genot van heeft. Ze worden tegenwoordig in

grooten getale en in groote verscheidenheid tevens gekweekt. Voor een

kleinen tuin moet men zich tot een, hoogstens twee ervan bepalen, wijl

ze nog al veel ruimte innemen. De Klokjesbloemen (_Campanula_) mogen

mede niet vergeten worden. Er zijn zeer laag blijvenden en anderen

die tot ruim een Meter hoog opgroeien, ja er is er zelfs een, de oude

Piramidaal (_Campanula pyramidalis_), die wel de hoogte van twee Meter

bereikt. De bloemen zijn meestal blauw, soms ook wit. De Anemoon is

mede een bekende tuinplant. Behalve de oude tuin-Anemoon (_Anemone

hortensis_), die, hoe fraai ook, toch voor kleine tuinen minder

wenschelijk is, omdat ze tijdig opgenomen en weder geplant moet worden,

wat de meeste eigenaars van kleine tuinen allicht te omslachtig vinden,

verdient de Japansche Anemoon (_Anemone japonica_) zeker een plaatsje.

In zeer strenge winters loopt deze echter gevaar van te bevriezen. Niet

alzoo de lieve kleine Hepatika (_Anemone Hepatica_), die men gevoeglijk,

mits in niet te zwaren grond, op het Noorden kan planten. Ze bloeit

in de lente; de bloempjes zijn gewoonlijk blauw, maar er zijn er ook

met witte en met roode bloemen, sommigen zóó gevuld, dat het roosjes

gelijken. Deze zijn echter teerder. In ons geval bepalen we ons liefst

tot de gewone enkel blauwe.

Het Vingerhoedskruid (_Digitalis_) is ook een mooie en kloeke

overblijvende plant; ook deze is echter, evenals de Monnikskap, zeer

vergiftig. Ik ben geenszins de meening toegedaan, dat men vergiftige

planten uit de tuinen moet houden; men moet ze er echter liever niet

in opnemen, als men de kinderen vrij in den tuin laat loopen en dezen

gewoon zijn te plukken. Dán kunnen ze gevaarlijk zijn.

Ik sprak daareven van de Japansche Anemoon; zie hier nog een paar van

denzelfden oorsprong. Vooreerst die welke men als _Funkia's_ kent;

zeer fraaie bladplanten, die met haar rechtopstaande, blauwe bloemen

nauwelijks een halven Meter hoogte bereiken, maar ook zonder die

bloemen den geheelen zomer door een sieraad van den tuin zijn; en dan

_Hemerocallis_, waarvan vooral de bontbladerige zeer sierlijk is.

De gewone Zonnebloem is een éénjarige plant, waarover lager, maar er

zijn er ook, die tot de vaste planten behooren, b.v. de veelbloemige

Zonnebloem (_Helianthus multiflorus_), die tegen den nazomer zeer mild

bloeit en dit volhoudt totdat de vorst of herfststormen er een eind aan

maken. Men heeft er met enkele en ook met dubbele, zeer gevulde bloemen.

Ik vind de eerste niet minder mooi dan de laatste; de meesten geven

echter aan de gevulde de voorkeur.

Vergeten we echter de _Iris_ niet, waarvan een aantal fraaie soorten

bestaan, terwijl zelfs de minste ervan hoogst sierlijk is. Men denke

slechts aan de gewone gele Lisch, die aan de waterkanten groeit. Geel,

wit, paars in alle tinten wisselen elkaar bij deze planten af. Niet zoo

algemeen, maar toch gemakkelijk te verkrijgen is de Japansche Kæmpfer's

Lisch (_Iris Kæmpferii_); deze plant heeft een kloeke houding en zeer

fraaie bloemen; de oudste paarsachtig blauw, de lateren in alle tinten

van wit door roodachtig paars tot blauw. Er zijn er die voor weinig geld

te verkrijgen en toch zeer fraai zijn. In tegenstelling van deze rijzig

opgroeiende, noem ik de laag blijvende Dwerg-Lisch (_Iris-pumila_),

een zeer lage, bossig groeiende plant, die vroeg en fraai bloeit. Dan

denk ik weer aan de _Phloxen_, die tegenwoordig met zooveel voorliefde

gekweekt worden. Deze najaarsbloemplanten, van een halven Meter tot een

Meter hoog, worden in de tweede helft van den zomer met bloemen als

overdekt. Men heeft vurig roode, paarse, gestreepte en zuiver witte.

Voor een kleinen tuin bepale men zich tot de eerste en de laatste.

Wanneer men met een klein plantje begint, heeft men er na een paar jaar

een dichte struik van; de bloemen zijn bij uitnemendheid voor bouquetten

geschikt.

Dan komen nog de najaars-_Asters_, meestal blauw, sommigen ook rood,

die met haar overvloed van bloemen den tuin opvroolijken, als de winter

reeds in aantocht is, en dan de _Dahlia's_ zoo trouw gezelschap houden.

Ook deze laatste behooren eigenlijk tot de vaste planten, maar tot die,

welke wat meer zorg vereischen dan de bovengenoemde.

Ik bepaalde mij hier tot eenigen van die, waarvan men in het najaar

slechts de doode en verwaaide stengels heeft af te snijden, zonder zich

er verder in het minst om te bekreunen, wijl ze tegen onze winterkou

volkomen bestand zijn. Alleen de Japansche Anemoon maakt hierop, gelijk

ik zeide, uitzondering. 't Is een mooie plant voor kleine tuinen, maar

ze moet wat gedekt worden; daarom zullen de meesten haar dan ook liefst

maar niet planten.

Hij, die zich, nadat de tuin in orde is, er verder geen moeite voor wil

geven, moet eigenlijk met de _Dahlia's_ ook niet beginnen, want deze

moeten tegen den winter uit den grond opgegraven en tot het voorjaar op

een koele, droge en vorstvrije plaats bewaard worden. Men laat er dan

liefst de aanklevende aarde aan zitten, en legt ze luchtig uiteen. In

het begin van Mei plant men ze weer.

Hoewel niet meer zoo gezocht als een dertig jaar geleden, spelen de

_Dahlia's_ toch in den tuinbouw nog een voorname rol, en inderdaad zou

het moeilijk zijn planten te vinden, meer geschikt om de tuinen tot

sieraad te strekken, en dat wel juist dán, wanneer de bloeitijd van de

meeste andere planten ten einde is of althans ten einde spoedt. Grooter

verscheidenheid dan de _Dahlia's_ opleveren is niet denkbaar. Men

heeft ze van alle kleuren, het blauw alleen uitgezonderd; er zijn hoog

groeiende en zeer laag blijvende, met groote en met kleine, met enkele

en met gevulde bloemen, en ze leveren daarvan zoo rijk een overvloed,

dat men ze gestadig voor bouquetten kan afsnijden, en er toch genoeg aan

blijven om de plant tot sieraad te strekken. Voor kleine tuinen zijn

de laag blijvenden zeker verkieslijk, de hoogeren zijn echter beter

geschikt om bloemen voor bouquetten te leveren, waarbij de prachtige

zoogenaamde Cactus-Dahlia (_Dahlia Juarezii_) om de gloeiend roode kleur

en den fraaien vorm der groote bloem, in de eerste plaats in aanmerking

komt. Ook de variëteiten met kleine bloempjes zijn voor dit doel zeer

geschikt.

Men bedenke echter bij het planten wel, dat de _Dahlia's_, om werkelijk

fraai te worden, een niet te zwaren en voedzamen grond noodig hebben.

Ook in minder goeden grond groeien ze en bloeien ze wel, maar dan komen

ze toch niet goed tot haar recht.--

Het bovenstaande bevat zeker opsomming genoeg voor ons bescheiden

doel. Ik herinner nog eens dat de vaste of overblijvende planten een

uitstekend materiaal leveren voor den tuin. Ze spruiten toch ieder

voorjaar met nieuwe kracht uit den grond; men heeft er niets anders aan

te doen dan wat zindelijkheid en orde vorderen; ze kosten zeer weinig

geld, en leveren de meest gewenschte verscheidenheid in groeiwijze, blad

en bloei.

Die zich weinig met zijn tuin kan of wil bezig houden, doet wijs dien,

behalve met een enkelen boom en wat heesters, met vaste planten te

bezetten. Hij zal dan wel is waar die jaarlijksche afwisseling missen,

welke er op andere wijzen aan is te geven, maar zijn tuin behoeft er den

geheelen zomer door niets minder fraai om te zijn.

Een overgang van de overblijvende tot de éénjarige zijn de tweejarige

planten, die men gevoegelijk reeds onder de zaadplanten (die namelijk,

welke alleen door de zaden kunnen vermenigvuldigd worden) kan

rangschikken.

Ze leven niet veel langer dan een jaar, maar dit is over twee jaren van

onze tijdrekening verdeeld. 't Komt omdat ze in haar ontwikkeling een

periode van rust noodig hebben, die ze in den winter vinden.

Deze worden in den voorzomer gezaaid (men kan het ook nog wat later

doen) en blijven dan, nadat ze opgekomen zijn, laag bij den grond,

zonder te bloeien. In de volgende lente echter schieten ze spoedig

krachtig op, en de geheele groei is nu naar het bloeien gericht. Is de

bloei voorbij, dan rijpen de zaden en de plant sterft. Slechts enkelen,

zooals b.v. de Stokrozen en de Duizendschoon, kunnen het nog een of een

paar jaren langer volhouden, maar het mooie is er toch ook bij dezen

na dien eersten bloei af. Men doet daarom beter ze maar op te ruimen.

Overigens kan men, door ze jaarlijks te zaaien, ze ook jaarlijks op haar

fraaist hebben, natuurlijk in afwisselende generaties.

Ik noemde daar reeds terloops de Stokrozen en de Duizendschoon; ofschoon

de eersten niet in ieders smaak vallen, kan men toch zeggen dat beiden

van ouds geliefde tuinplanten zijn. Ook het driekleurige Viooltje

moet tot de tweejarige planten gerekend worden, en dat mag in geen

tuin ontbreken. Zelfs al kende men er niet anders van dan de wilde,

kleinbloemige, die de duinen tot sieraad strekt, zou dit het geval

zijn, en hoever staat deze in kleurenpracht en grootte der bloem bij de

gekweekten achter. Men zaait ze in Augustus, ook nog iets later op een

verloren hoekje. Vóór den winter of vroeg in 't voorjaar kan men ze dan

planten waar men ze 't liefste ziet, en dikwijls beginnen ze reeds in

Maart, zoo niet nog vroeger, te bloeien. Voor kleine tuinen zijn ze

onmisbaar en doorgaans kan men ze op de voorjaarsbloemmarkten in

menigte, met half en heel geopende bloemen verkrijgen.

Van de tweejarige en wel absoluut tweejarige planten wil ik nog de

Judaspenning (_Lunaria biennis_) noemen, een mooie plant, met een

leelijken naam. Deze zaait men het beste op een rij, vóór langs

heestergewas, een Centimeter of tien van het gras af. Men steekt dan

in den vooraf goed losgemaakten grond gaten van 4 c.M. diepte ongeveer

25 c.M. van elkaar, en werpt in elk gat twee zaadkorrels, die plat en

vrij groot zijn. Deze zaadplanten vormen in dien zomer rosetten van

hartvormige bladeren, maar de stengels groeien niet verder op. In

Aprildaaraanvolgende begint er echter krachtige groei in te komen; ze

ontwikkelen zich dan spoedig tot 80 c.M. of een Meter hoogte, en vormen

groote pluimen van fraai paarse bloemen. Op eenigen afstand gezien maakt

dan zulk een rij vóór de groene heesters een zeer fraai effect, zoodat

men ze dáár moet zaaien, waar men er uit het huis gezicht op heeft.

Wanneer men, als ze uitgebloeid zijn, ééne plant laat staan voor de

zaden, krijgt men daarvan overvloedig genoeg.

Deze plant heeft nog de eigenaardigheid van schoon te zijn ook na den

dood. De groote, platte, eenigszins ovale vruchten, ter grootte van een

gulden ongeveer, bevatten in het midden een zilverglanzig vlies. Wanneer

ze volkomen rijp en goed gedroogd zijn, vallen er de beide buitenste

oppervlakten af en dat vlies blijft zitten. Dan maakt die groote pluim

een heel andere, maar ongetwijfeld een zeer fraaie vertooning, en is

uitnemend geschikt voor winterbouquetten, hetzij op zich zelf alleen,

hetzij met gedroogde grassen. Wil men ze daarvoor bestemmen, dan moet

men ze natuurlijk niet afsnijden voordat ze geheel rijp zijn, d. w. z.

voor dat de stengel dor en de plant kennelijk dood is.

Beknopte handleiding voor eigenaars van kleine tuinen · 第 10 / 13 题