Dezelfden. Een slaaf. (Demosthenes).
Slaaf.
Heil u den overwinnaar, wees indachtig thans
Dat gij door mij de zege behaaldet. 'k Vraag u slechts
Om als Phanos bij processen jouw griffier te zijn.
Volk.
En zeg mij nu hoe gij toch heet.
Worstverkooper.
Agorákritos,
Want onder twisten op de markt ben ik opgevoed.
Volk.
Dan vertrouw 'k mij voortaan toe aan Agorákritos,
En wil niets meer weten van dien Paphlagoniër.
Worstverkooper.
En ik zal heerlijk voor je zorgen, meester Volk,
Zoodat j' erkent dat niemand beter in de stad
Van de Praateners ooit verschenen is dan ik.
(Alle acteurs verlaten het tooneel)
Koor.
Wat is er schooner dan in den beginne
Of aan het eind met vroolijken zinne
De temmers der brieschende rossen te zingen--
En Thumantis, die geen haard kan krijgen,
En Lysistratos te verzwijgen,
Niet met een spotvers hen te bespringen?
Hem, dien Apol altijd honger ziet lijden,
Hem, die de hand langs zijn koker laat glijden,
Weenend hem smeekt, of de godheid zijn lijden
Niet kan bedwingen?--
(Toezang)
Van de slechten kwaad te spreken werd door niemand ooit veracht,
Eerbied eisch ik voor de goeden, als men 't ware en recht betracht.
Is in waarheid er een slechtaard, die verwijt en smaad verdient,
Dan behandel ik hem nimmer, bij de goden, als mijn vriend.
Niemand is er, waarde hoorders, die Arígnotos niet kent,
Wie maar zwart kan onderscheiden, of--'t helklinkend instrument.
Deze man bezit een broeder, hem in wezen ongelijk:
De verloopen Ariphrádes, die met slechtheid loopt te kijk.
Hij is niet alleen een slechtaard, want misschien ontging het mij,
Niet alleen een aartsslampamper, maar hij vond nog dit er bij:
Dat hij eigen lichaamsdeelen afstaat voor ontaard genot,
En een beeld is der ontaarding midden in het hoerekot.
Hij bezoedelt baard en lippen, altijd dierlijk, altijd los,
Zingt uit Polymnéstes' liedjes, frequenteert Oeónichos.
Wie voor zoo'n verloopen kerel nu geen afschuw voelt en schrik,
Wordt veroordeeld nooit te drinken uit hetzelfde glas als ik.
(Tegenkoor)
Dikwijls kwam mij in slaaplooze nachten
De veelvraat Kleónymos in gedachten,
Hoe lukt het hem altijd maar eten te krijgen?
Hij spint altijd als een spin zijn webbe
Om het eten en drinken van hen die het hebben,
En hun tafel beschouwt hij maar als zijn eigen!
En zij--zij bidden en smeeken zeer:
"Op de knieën verzoek ik u, edel heer,
"Verlaat mijn tafel toch dezen keer!"
Doch vergeefs is hun dreigen.
(Tweede Toezang)
Men verhaalt, de drieriemschepen hielden eens vergadering,
En dat een der oudste kielen toen aldus aan 't spreken ging:
"Dames! heb je niet vernomen waarvan heel de stad gewaagt?
Iemand heeft pas voor Karthago honderd schepen aangevraagd.
't Is die slechtbefaamde burger, 't is die zure Hypérbolos!"
Toen de dames dat nu hoorden, brak een luid gemompel los,
En één van de kielen, die nog door geen manlief was betreên,
Riep: "de hemel moog mij bestaan, mij gebiedt hij nimmer, neen!
Liever moge ik van den houtworm rotten tot mijn ouden dag!"
Juffrouw Schepers zei hetzelfde: "neen, ik duld niet zijn gezag!"
Niet voor niets ben ik getimmerd uit het kostbaar pijnboomhout!"
Als d' Atheners dàt besluiten, varen w' allen, jong en oud
Naar der Eumeniden tempel en naar Theseus' godshuis heen,
Want als wij maar kommandeeren fopt hij niet geheel Atheen;
Laat hem naar den drommel zeilen, laat hem voor zijn kraaientocht
Maar de bakken te water laten, waar hij zijn lampjes in verkocht."