(tot Worstverkooper)
Ga naar de eeuwige zaligheid.
Worstverkooper.
Jij, deugniet, eerst!
Paphlagoniër.
Heer Volk! ik ga hier zitten, want nu ben ik klaar
Om jou, zooals ik allang begeerde, wèl te doen.
Worstverkooper.
En ik ben ook allanger dan lang daartoe bereid,
Wel honderdmaal en duizendmalen langer dan lang.
Volk.
Ik wacht op jullie, en dat valt me vreeslijk lang,
Want ik verafschuw al dat gedoe in mijn belang.
Worstverkooper.
Weet je wat je doen moet?
Volk.
Niet vóórdat jij 't hebt gezegd.
Worstverkooper.
Laat mij en hem een wedstrijd doen van meet af aan,
Wie jou het meeste weldoet.
Volk.
Goed, dat zal ik doen.
Vooruit dan!
Paphlagoniër en Worstverkooper.
Kijk!
(Ze loopen tegen elkaar, en komen niets verder)
Volk.
Waarom loop je niet!
Worstverkooper.
Je komt niet vooruit!
(Hij stoot den Paphlagoniër terug).
Volk (terzijde).
Òf 'k heb vandaag door die twee minnaars een mooien dag,
Òf 'k zal, bij Zeus, voor altijd naar den drommel gaan.
Paphlagoniër.
Maar zie je niet, dat ik het eerst j' een zetel geef?
Worstverkooper.
Een zetel, maar geen tafel--dat doe ik het eerst!
Paphlagoniër.
Kijk hier dat lekker broodje dat ik breng voor jou,
Dat geheel voor jou uit Pylische gerst gebakken is.
Worstverkooper.
Ik breng je uitgeholde kruimels, beste heer,
Door de godin met ivoren handen zelf gehold.
Volk.
Wat is uw vinger groot geweest, o heerscheres!
Paphlagoniër.
Ik breng je snert van goede kleur en lekkren smaak,
Die Pallas Pylosstrijdster zelf heeft omgeroerd.
Worstverkooper.
Heer Volk, 't is duidelijk dat de godin je gunstig is,
Door mijne hand biedt zij j' een pot met lekkere saus.
Volk.
Geloof jij soms dat j' in de stad nog wonen zoudt,
Als zij niet duidlijk met haar pot ons gunstig was?
Paphlagoniër.
De Legerscharenverschrikster schenkt je dit brokje nog.
Worstverkooper.
De Sterkevadersdochter schenkt je gebraden vleesch,
Een stukje pens, een stukje darm en een stukje maag.
Volk.
Dat 's mooi, dat zij nog voor haar feestkleed dankbaar is.
Paphlagoniër.
De Helmbosfladderaarster biedt u dezen koek,
Opdat de schepen voortaan glijden als een koek!
Worstverkooper.
Neem ook nog dit.
Volk.
Wat moet ik met die darmen doen?
Worstverkooper.
Die stukken zendt u de godin opzettelijk,
Om als ribstukken bij de schepen dienst te doen,
Want onze marine gaat haar blijkbaar aan het hart.
Hier heb je nog wat om te drinken, tweederdewijn.
Volk.
Hoe heerlijk, Zeus! een godlijke drieëenigheid!
Worstverkooper.
De Drieontsprotene heeft van drieën één gemaakt!
Paphlagoniër.
Neem nu van mij een stukje aan van vetten koek.
Worstverkooper.
Van mij geen stukje, maar een heelen koek ineens.
Paphlagoniër.
Jij kan hem niet van haas doen smullen, dat kan ik.
Worstverkooper.
O jee, hoe kom ik aan een stukje lekkeren haas?
M'n beste geest! bedenk nu toch een loozen streek.
Paphlagoniër.
Zie je dat, jou schurk der schurken?
Worstverkooper.
'k Geef er weinig om,
Want in de verte komen er lui, ik zie ze al,
Het zijn gezanten met een welgevulde beurs.
Paphlagoniër.
Waar, waar?
Worstverkooper.
't Raakt jou niet, laat de vreemden maar met rust.
(Terwijl de Paphlagoniër kijkt, pakt de Worstverkooper de hazenpastei
weg).
M'n beste heer Volk, zie jij die mooie hazenpastei?
Paphlagoniër (terugloopende).
O jee, je hebt gestolen wat het mijne was!
Worstverkooper.
Jij hebt, bij de goôn, bij Pylos net als ik gedaan!
Volk.
Hoe kwam j'er toe te stelen, zeg mij dat eens gauw!
Worstverkooper.
Een god schonk mij de gedachte, en den diefstal ik.
Paphlagoniër.
Ik heb de kans geloopen, ik den haas gebraân.
Volk.
Ga jij maat weg! ik dank het hem, hij bracht hem mee!
Paphlagoniër.
Ik ongelukkige! Ik word overonbeschaamd!
Worstverkooper.
Kan je nòg niet onderscheiden, wie van beiden nu
Het meest aan jou en aan je maag heeft welgedaan?
Volk.
Zeg nu, publiek, welk kenmerk ik gebruiken moet,
Dat 'k in uw oogen een rechtvaardig oordeel vel!
Worstverkooper.
Ik zal 't je zeggen. Neem in alle stilte maar
Mijn korf met spijzen, onderzoek wat daarin is,
En wat in zijn korf is--dan is rechtvaardig wàt je beslist!
Volk.
Laat kijken, wat er in is.
Worstverkooper.
Zie je niet, vaderlief,
Dat de heele korf al leeg is? Alles gaf 'k aan jou!
Volk.
Dat is een korf die bij de volkspartij behoort!
Worstverkooper.
Kijk nu eens naar den korf van den Paphlagoniër,
Zie je dat?
Volk.
Mijn hemel, nù nog vol van lekkernij!
Wat heeft hij daar een reuzenkoek apart gelegd!
En wat een schijntje heeft hij afgestaan aan mij!
Worstverkooper.
Zoo heeft hij vroeger ook altijd met jou gedaan:
Hij gaf je mee van 't kleinste dat hij zelf ontving,
En slokte zelf altijd de grootste brokken op.
Volk.
O schurk! die mij dus bedrogen en bestolen hebt!
"En ik heb u met kransen en geschenk getooid!"
Paphlagoniër.
Wanneer ik stal, dan was 't in 't voordeel van den staat.
Volk.
Leg jij maar gauw je krans af, want ik dorst om hem
Daarmee te sieren.
Worstverkooper.
Leg je krans af, galgebrok!
Paphlagoniër.
Dat doe ik niet, want ik bezit een Delfisch woord,
Waarin voorspeld is wie alleen mij kan verslaan.
Worstverkooper.
Mijn naam wordt daarin al te duidelijk slechts genoemd.
Paphlagoniër.
Ik wil nu door bewijzen onderzoeken gaan,
Of jij met die orakelspreuk wel wordt bedoeld.
En daarom richt ik allereerst deez vraag aan u:
Ben jij als kind bij iemand op de school geweest?
Worstverkooper.
In de varkenszengplaats ben 'k met vuisten grootgebracht.
Paphlagoniër.
Wat zeg je daar! 't orakel brandt mij op de ziel.
En wat voor sport heb jij beoefend op je school?
Worstverkooper.
Valsche eeden, stelen, en een onbeschoft gezicht.
Paphlagoniër.
O groote Febus Apollo, wat doet gij mij aan!
Worstverkooper.
Ik leerde worstverkoopen--en wat zwijnerij.
Paphlagoniër.
Helaas, helaas, het is voor goed met mij gedaan,
Een heel klein hoopje is nog 't ééne waar 'k op drijf.
Zeg mij nu nog: verkocht jij beuling op de markt,
Of heb je 't altijd vóór de poort der stad gedaan?
Worstverkooper.
Wel, vóór de poort, want daar verkoopt men zoutevisch.
Paphlagoniër.
O hemel, juist was de voorspelling van den god!
Verwijdert, dienaars! mij, den ongelukkige,
O krans, ga blijde weg van mij, ofschoon ik u
Niet willig loslaat: 'n ander wacht op uw bezit,
Geen grooter dief, maar wel een man van méér geluk.
(Legt zijn krans af)
Worstverkooper.
Hellenische Zeus, ù is de zege!
(De slaven komen uit het huis)