Dezelfden.
Paphlagoniër.
Neen, goeje menschen, 't is zoover met mij nog niet gekomen!
Want ik heb zulk een heldenstuk bedacht en ondernomen
Dat 'k allen vijanden den mond zal snoeren, en niet wijken
Zoolang de schilde' en krijgstrofeên van Pylos hier nog prijken.
Worstverkooper.
Hou jij maar met je schilden op! je hebt m' al vat gegeven,
Want als je waarlijk hieldt van 't volk, had jij nooit last gegeven
Die schilden aan de handvatsels hier op te laten hangen.
Neen, Volk! dat was een list van hem om jou daarmee te vangen,
Om als je hem bestraffen wilt, jou daarin te verhinderen.
Kijk wat een staf hij om zich heeft van mannen en van kinderen,
Leerlooiers, honighandelaars, een kaasverkoopersbende,
Dat hokt hier onder één deken saam, en stort jou in d'ellende,
Zoodat, wanneer jij brullen zou, en "Gooi-em-er-uit" zou spelen,
Zij 's nachts geheel dien wapentros en schilden zouden stelen,
Om dan terstond den toegang tot de broodmarkt te bezetten.
Volk.
Wat, hebben zij de handvatsels? dat zal ik hen beletten,
Wat heb jij, slechte kerel, mij al lang gefopt met streken!
Paphlagoniër.
Mijn beste man, geloof toch niet altijd wie 't laatst mag spreken!
Wees zeker dat j' een beter vriend dan ik ben nooit zult vinden,
Wie samenzweerde tegen 't volk wist ik alleen te binden,
Zoodra in onze goede stad men maar ging samenrotten,
Dan schreeuwde ik terstond het uit, en liet me nooit bedotten.
Worstverkooper.
Het is met jou altijd gegaan als lui die paling vangen,
Als 't water stil en rustig is, blijft ook de dobber hangen,
Maar als het water troebel is, dan roeren z' in de modder,
Dan vangen zij!--Zoo vang jij ook, met al je staatsgeflodder.
Nog één vraag: Jij, die zooveel leêr en riemen kunt verkoopen,
Verschafte jij dien ouden heer ooit zolen bij het loopen,
Dien jij bemint zooals je zegt?
Volk.
Neen, bij Apollo, nimmer!
Worstverkooper.
Zie je nu wat voor een vent hij is? het wordt al slim en slimmer.
Maar ik--kocht lang een schoenenpaar, en geef het j' om te dragen.
Volk.
Jij bent de grootste vriend van 't volk, waar 'k ooit van kon gewagen,
Want naast de stad bescherm jij ook de teenen van de voeten.
Paphlagoniër.
't Is vreeslijk dat de schoenen hier zooveel bewijzen moeten!
Vergeet je dan mijn weldaân hier? ik dorst met 't kwaad te vechten,
D'onzedelijken Haviksneus ontnam 'k zijn burgerrechten!
Worstverkooper.
Is dat niet vreeselijk, van jou dien achterklap te hooren,
Dat een onzeedlijk man als jij onzeedlijkheid moet smoren!
't Was jou alleen daarom te doen, geen sprekers meer te fokken!
Jij, die nog nooit deez' ouwen heer een hemd hebt aangetrokken,
Een tweearmshemd, dat heb je nooit, al vriest het, van je leven
Aan 't volk gegund--hier, ouweheer, laat mij dat aan je geven.
(Hij doet Volk een hemd aan)
Volk.
Zoo iets kon zelfs tot dusver niet Themistokles bedenken,
Al schonk hij wijs--maar zulk een hemd is 't schoonste der
geschenken.
Paphlagoniër.
't Gaat mis met mij, zóó kan je hem met apenkool bedonderen.
Worstverkooper.
Ik doe wat dronken kerels doen, zoodra het roert van onderen,
Zóó schiet ik in jouw sloffen nou--dus wil je niet verwonderen.
Paphlagoniër.
Toch zal jij met je vleierij, jou leelijk apenbakkes!
Niet winnen. Ouweheer, ik bied deez' mantel u!
(Hij wil hem ook een mantel aandoen)
Volk (den mantel afwijzende).
Ajakkes!
Loop met je mantel naar de hel, hij stinkt naar leêr, verdikke!
Worstverkooper.
Dien deed hij jou opzett'lijk om, om jou daarin te stikken.
Reeds vroeg had hij 't op jou gemunt. Weet jij nog hoe verleden
Het silphium is in prijs gedaald?
Volk.
Dat weet ik nog als heden.
Worstverkooper.
Welnu, hij heeft zijn best gedaan om dat goedkoop te maken.
Dat iedereen het eten zou, en dat als resultaten,
De rechters in de rechtbank niets dan winden zouden laten.
Volk.
Dat moest ik onlangs van een man uit 't dorpje Mest nog hooren.
Worstverkooper.
Werdt jullie van dat windgeblaas niet rood tot over d' ooren?
Volk.
Welzeker, en dat alles heeft die Roodkop ons verzonnen.
Paphlagoniër.
Jij hebt met lage en vuile taal mij bijna overwonnen.
Worstverkooper.
Dat heeft de godheid mij gelast, nog meer dan jij te schetteren.
Paphlagoniër.
Je zùlt niet overwinnen, en ik zal je nòg verpletteren,
Want ik beloof je, meester Volk, dat zonder iets te werken,
J'een heelen schotel slikt met loon, en niets ervan zult merken.
Worstverkooper.
En ik kom met een smeerseltje en een doosje jou verrassen,
Om de wondjes die je aan je beentjes hebt daar netjes mee te wasschen.
(Hij biedt dit aan)
Paphlagoniër.
Ik trek je grijze haren uit, dat j' eeuwig jong zal blijven.
Worstverkooper.
En ik geef jou een hazestaart, om j' oogjes in te wrijven.
(Hij biedt dit aan)
Paphlagoniër.
Jij mag je neus, wanneer je 'm snuit, gerust aan mijn hoofd wrijven.
Worstverkooper.
Neen, dat is vies, geloof me vrij.
Doe 't liefst bij mij, doe 't liefst bij mij.
Paphlagoniër.
Ik zal je krijgen dat 't je lust;
Wanneer je ooit een schip uitrust,
Dan lever ik j' een oud stuk hout,
Dat jij geen geld meer overhoudt:
Waaraan altijd iets, dat 's gewis,
Te lappen en te timm'ren is,
Ook zal ik zorgen dat je vast
Niets anders krijgt dan 'n rotte mast.
Worstverkooper.
Wat snuift de vent! wat sputtert hij!
Als overkokende rijstebrij,
Met dreigementen en met straf,
Komaan, ik neem het schuim er af!
(Hij biedt den Paphlagoniër al lachende zijn soeplepel aan).
Paphlagoniër.
Ik laat je betalen dat je kraakt,
En in de vermogensbelasting raakt,
Jij wordt door mij, door mij alleen,
Hoogstaangeslagene in Atheen.
Worstverkooper.
Ik dreig je niet met zoet of zuur,
Maar wensch je 't volgend avontuur:
Dat als je pan staat op het vuur,
Waarin een lekkere pijlinktvisch
Met veel geknetter en gesis
Verrukk'lijk aan het braden is:
Jij dan d' aanstaande spreker bent
Over een Milesisch incident
(Waarbij te gappen is één talent):
Welnu--is d'omkooperij verricht,
Dan wed ik dat je je haast allicht
Om met een afterdinnergezicht
De vergadering te verschrikken!
Dan hoop ik dat op eens de man,
Die met jou konkelen wil en kan,
Terwijl de visch nog staat in de pan,
Verschijne voor jouw blikken,
En dat je dan, voordat de visch
Nog in jouw maag verdwenen is,
Jij, happig op het geldgegris,
Nog onder het eten mag stikken!
Koor (lied).
Bij Apollo, bij Demeter,
En bij Zeus den dondergod,
Zulk een wensch is voor den vreter
Het verdiende levenslot!