Dezelfden.
Paphlagoniër.
Aan mijn meesteres, godinne Atheen, die de stad wil schermen en
schutten,
Bid ik thans, zoowaar als ik steeds voor het volk, den doorluchtigen
staat der Atheners,
D'allerbeste geweest ben na Lysikles en Kynna en Salabakcho,
Dat ik steeds, al doe ik ook niets, toch op staatskosten zal worden
gespijzigd.
Doch als ik u haat, en in uw belang niet alleen zal treden in
't strijdperk,
Dan ga ik spoedig in stukken gezaagd of in riemen gesneden te gronde!
Worstverkooper.
En ik, o Volk, als ik jou niet bemin, niet liefheb, moge gesneden,
En in kleine stukjes gebraden zijn--doch wanneer die wensch niet
genoeg is,
(hij houdt zijn worstplank in de hoogte)
Dan moog ik in pap fijn worden geschaafd, met kaas, hier op deze
worstplank,
En met een haak bij de beenen gesleept in de voorstad worden
begraven.
Paphlagoniër.
Hoe zou er toch ooit één burger bestaan die het Volk meer liefheeft
dan ik doe?
Die ten eerste, als lid van den raad, heb gemaakt dat uw kas
voortdurend gevuld was,
Want in het publiek--ik vroeg het den een--ik bestal en ik worgde
den ander,
Geen particulier was veilig bij mij, deed ik maar het Volk een
pleiziertje.
Worstverkooper.
Dat's heelemaal niet ongewoon, o Volk! want ik doe terstond u
hetzelfde.
Ik steel u de brooden uit andermans huis, en zet die voor u als
een maaltijd,
Dat die schurk van hierover u niet liefheeft, dat zal ik vóór alles
u toonen.
Tenzij dáárom alleen hij het doet, omdat hij zich warmt aan uw
koolvuur.
Gij Volk! die met Mediërs eens hebt gestreên, die bij Marathon voor
uw bestaan vocht,
U, die na den zege ons steeds hebt gewend aan machtige woorden en
grootspraak,
Om ù geeft hij niets, dat gij daar zoo ruw en zoo hard neerzit op
de rotsen,
Niet als ik heeft hij een matras u genaaid. Dien breng ik u: rijs in
de hoogte,
Zit lekker, en koester het achterdeel, dat bij Salamis véél heeft
geleden!
(Hij legt een matras onder hem)
Volk.
Wie zijt gij o mensch? stamt gij soms af van den grooten
tirannenvermoorder?
Dat is nu in waarheid een edel geschenk, metterdaad toont gij u
een volksvriend.
Paphlagoniër.
Wat zijt gij op eens welwillend gestemd door zulk een gering
vleierijtje!
Worstverkooper.
Veel geringer nog is het lokaas geweest, waar gij hem steeds mee
gestreeld hebt!
Paphlagoniër.
Nooit is er een man verschenen op aard, o Volk, die u flinker
beschermde,
Of die u meer liefhad dan ik--is 't niet zoo, ja, ja, ik verwed er
mijn hoofd om.
Worstverkooper.
Jij houdt van het volk, die al acht jaar lang geen meelij toont en
het aanziet,
Hoe het hier in de buurt armzalig woont, in hutten en krotten en
nesten?
Jij plukt alle menschen, en sluit ze maar op; toen Archeptolemos
aankwam
Om vrede te brengen, dreeft gij hem weg, en gij jaagt alle gezanten
Met schande en smaad uit Athene voort, als zij wapenstilstand
verzoeken.
Paphlagoniër.
Opdat gij over alle Hellenen heerscht!--Want 't staat in orakels
geschreven,
Dat hij eens in Arkadië rechter zal zijn.... voor vijf obolen
salaris,
Als hij volhoudt.... daarom is het dan ook dat ik hem zal kweeken
en voeden,
Dat ik hem zal verschaffen, 't zij recht of 't zij krom, zijn drie
obolen salaris.
Worstverkooper.
Dat het Volk in Arkadië heerschen zou, was je doel niet, maar je
beoogde
Van de steden te plukken zooveel als je kon, zoodat het volk
ondertusschen
Door oorlog en duistere neevlen verblind, al je slechtheid niet
zoude bemerken,
Maar gedreven door nood en behoefte aan loon steeds gapend tegen
je opzag!
Als deze zich weder begeeft naar het land, als hij vreedzaam daar
wil vertoeven,
En moed zal hervatten bij 't eten van gort, en het sap van druiven
weer aanspreekt,
Dan zal hij de weldaden zien, waarvan gij met uw soldij hem beroofd
hebt,
En hij komt als een boertje verbitterd terug, om zijn stem tegen ù
uit te brengen.
Dat weet gij, en daarom bedriegt gij uw heer, en gij snoeft en gij
droomt van uzelven!
Paphlagoniër.
Is het niet onbeschaamd dat ge dàt van mij zegt, en dat ge mij
telkens belastert
Bij het volk der Atheners, en bij dien staat, dien ik zoo
herhaaldelijk weldeed,
Mij, die nog meer dan Themistokles voor de stad in 't bijzonder
gedaan heb?
Worstverkooper.
"Stad van Argos, luister naar diens verhaal!"--met Themistokles durft
gij u meten?
Met hem, die de stad schatrijk heeft gemaakt, die hij trof in
behoeftigen toestand?
Die de stad daarenboven, bij wijs van ontbijt, den Piraeus aanbood
als kluifje,
En aan versche visschen haar smullen deed, wijl hij niets van de
oude haar afnam?
Maar gij, die door uw geheele gedoe kleinburgerlijk maakt de
Atheners,
Door murengebouw en orakelgezang--met Themistokles durft gij u
meten!
Hij--werd verbannen uit onze stad--Jij--smult van warme kadetjes!
Paphlagoniër.
Is dat niet vreeselijk, meester Volk, dat ik zoo iets van hem moet
hooren,
Ik die u bemin?
Volk.
Houd jij maar op en verveel mij niet met je
kletspraat
Lang was 't mij ontgaan en nu bijna weer, hoe jij altijd de kat
knijpt in 't donker.
Worstverkooper.
Hij is een vervloekeling, Volkjelief, en zijn euveldaân zijn
ontelbaar!
Zoodra gij slaapt, plukt hij expres
De lekkerste stengels uit een proces,
En slikt die door, met beide hand
Staat hij te lepelen de soep van 't land.
Paphlagoniër.
Jij zal niet lachen, wanneer ik bewijs
Dat je vijf talenten stal als prijs!
Worstverkooper.
Wat plas je door en flodder je toch,
Jij, die door je listen en je bedrog
Het Atheensche volk weet te honen?
Geloof maar dat 'k aan kan toonen,
Of bij de goden! ik leef niet meer,
Dat j' uit Mytilene keer op keer,
Door omkooperij van velen
Meer dan veertig mina's dorst stelen!
Koor.
(tot den worstverkooper)
O gij, die als een steun en stut
Voor allen zijt verschenen,
'k Bewonder van uw taal de fut,
En als gij verder ons beschut,
Zult gij de grootste zijn in nut
Voor 't volkje der Hellenen!
Gij zult weldra in stad en land
Alleen 't bewind gaan voeren,
Neptuin gelijk, zet fluks uw tand
De bondgenooten naar uw hand,
Geld zult gij slaan uit iedren stand
Door schudden en door roeren!
Aanvoerder van het koor.
Laat hem geen oogenblik met rust; hij heeft vat op zich gegeven,
Met zulke longen in je lijf, kan je hem zijn vet wel geven!