ZEVENTIENDE TOONEEL.

Dezelfden.

Volk.

Ook mij dunkt hij nu alleszins klaarblijkelijk

Een goede burger, zooals nimmer nog voorheen

Er is verschenen voor Jan Pet en de centenlui.

Maar jij, o allerberoerdste Paphlagoniër,

Beweert dat jij me liefhebt, en verbittert me steeds!

Geef dus je zegelring terug, je mag niet meer

Voor mij blijven zorgen.

Paphlagoniër (geeft den ring terug).

Dáár, 'k verzeker u alleen

Dat als jij mij niet langer voor je zorgen laat,

Er een ander komt, nog veel misdadiger dan ik.

Volk.

't Is zeker dat die zegelring dien jij me geeft

De mijne niet is, er staat een ander zegel op,

Of 'k zie niet goed.

Worstverkooper.

Laat zien aan mij, wat stond er op?

Volk.

Het was een soort gebakken deeg van ossenvet.

Worstverkooper.

Dat staat er niet.

Volk.

Zie jij geen deeg, wat staat er dan?

Worstverkooper.

Een meeuw, die boven op een rots aan 't schreeuwen is.

Volk.

O wee.

Worstverkooper.

Wat is er?

Volk.

Gooi dien ring maar heel gauw weg,

't Was niet de ring van mij, maar van Kleonymos,

Neem dezen ring, en zorg jij dan voortaan voor mij.

(Hij geeft hem een anderen)

Paphlagoniër.

Doe dat nog niet, o ouweheer, 'k bezweer het u,

Voordat ge nog naar mijn orakels hebt gehoord.

Worstverkooper.

Hoor dan ook de mijne.

Paphlagoniër.

Als je luistert naar dièn vent,

Dan wordt je kaal.

Worstverkooper.

Wanneer je doet wat hij verlangt,

Dan wordt je bloot tot op de haren van je huid.

Paphlagoniër.

In mijn orakels staat dat jij regeeren moet,

Bekransd met rozen, over 't heele grondgebied.

Worstverkooper.

En in de mijne, dat jij in een purperkleed,

Een krans op 't hoofd, zult rijden op een gulden kar,

En--Smikythes en Agyrrios vervolgen zult.

Kooraanvoerder.

Breng gauw dan de orakels, dat de ouweheer

Ze kan vernemen.

Worstverkooper.

Zeker.

Volk (tot den Paphlagoniër).

Breng de uwe ook!

Paphlagoniër.

Vooruit.

Worstverkooper.

Vooruit, bij Zeus, wij halen ze terstond.

(Beiden af)

Koor (eerste helft).

Schoonste zonlicht dat ooit verscheen,

Welk een vreugde voor gansch Atheen,

Voor den vreemdeling, voor elkeen,

Ging slechts Kléon te gronde!

Maar er zijn ouderen van jaar,

Die hem helpen, alsof 't hier waar

Altijd een Dertigprocesbazaar--

980 Ons bestrijden--'t is zonde!

Want hij zorgt, dus zeurt men wat,

Dat Atheen twee dingen bevat,

Die onmisbaar zijn in een stad:

'n Lepel is 't, en een stamper....

(Tweede helft)

Hoort nu Kléon's muziekbedrog:

Wat vertelt ons de jeugd, die toch

Met hem op school ging, toen hij nog

Was een kleine slampamper?

Dat hij eeuwig en altijd maar

Streek op één en dezelfde snaar,

Of geen andere toon er waar',

Zonder andre talenten--

Tot zijn leeraar, te goeder stond',

Hem als onleerzaam naar huis toe zond,

Daar er voor hem geen klank bestond,

Dan het gerol van centen!

De Ridders · 第 26 / 36 题