VEERTIENDE TOONEEL.

De Worstverkooper, de Paphlagoniër, Volk, Het Koor.

Volk.

Wie roepen mij daar? gaat toch weg hier voor m'n deur,

Want je vernielt den krans die aan den deurpost hangt.

Paphlagoniër.

Kom hier, en zie wat onrecht mij wordt aangedaan.

Volk.

Wie doet dat, Paphlagoniër?

Paphlagoniër.

Ik krijg slaag voor u,

Van dien vent en van die heertjes daar.

Volk.

Waarom is dat?

Paphlagoniër.

Omdat ik je liefheb, Volk, omdat ik je minnaar ben.

Volk.

Zeg, wie ben jij daar?

Worstverkooper.

Een medeminnaar ben 'k van hem,

Die van je houdt, en die reeds lang je wèl wil doen,

Ik wil hetzelfde als veel andere nette lui.

Maar door zijn schuld zijn wij onmachtig. Immers jij,

Je doet precies als kinderen die bedorven zijn,

Je luistert nimmer naar den raad van nette lui,

Maar wèl naar lampenkooplui en naar schoenmakers,

Schoenlappers en leerlooiers--die houdt jij te vrind.

Paphlagoniër.

Ik ben een weldoener van hem!

Worstverkooper.

Verklaar dat eens!

Paphlagoniër.

Ik fopte het gezantschap, dat uit Pylos kwam,

Ik zeilde heen en bracht de Spartanen gevangen hier.

Worstverkooper.

Maar ik heb onlangs, toen ik uit m'n winkel kwam,

Den pot gestolen van iemand, die aan 't kooken was.

Paphlagoniër.

Meneer Volk! beleg terstond maar een vergadering,

Beslis dan zelf, wie van ons tweeën jou het meest

Gunstig gestemd is, en neem dien aan tot je vriend.

Worstverkooper.

Ja, ja, beslis het zelf maar, maar niet op de Pnyx!

Volk.

Ik wil niet ergens anders zitten dan op de Pnyx!

Vooruit met jullie, komt te voorschijn op de Pnyx!

(Volk gaat naar een hooge plaats, die de Pnyx voorstelt, en zet zich

daar neder).

Worstverkooper (ter zijde).

O wee, ik ben verloren, want de oude man,

Wanneer hij thuis is, is een beste goede heer,

Maar nauwlijks heeft hij plaats genomen op die rots,

Of hij gaapt als iemand, die een ristje vijgen maakt.

Koor.

(tot den worstverkooper)

Zet nu maar alle zeilen bij,

En toon je beste beentje,

Wees overmoedig en wees vrij,

Bedenk een heele scheldpartij,

Waarmee je Kléon zet op zij,

Want hij, hij is er eentje,

Die zich in alle bochten weet

Te dringen en te wringen,

In elken muur ziet hij een reet,

En hij kent listen bij de vleet,

Al is 't gevaar ook nog zoo heet,

Om toch den dans t'ontspringen!

Aanvoerder van het koor.

Wees zeker dat gij met overmacht, met krachtpatserij op hem lostrekt,

Maar wees tegelijk voorzichtig ook, en bedenk, voordat hij u aanvalt,

Dat je gauw met je ra naar den vijand draait, en je slingerwerptuigen

omhoog hijscht!

De Ridders · 第 23 / 36 题