Het eerste, wat de heer Felix Meijer-Wolf te Triënt deed, was, naar de
Bank te gaan om zijn geld op te nemen.
Hij vertrouwde geen enkele financieele instelling.
Hij koesterde wantrouwen tegen iedereen, behalve tegen zichzelf.
Het was tegen tien uur in den morgen, en het was in het gebouw van de
Bank bij de kas tamelijk vol publiek.
Meijer-Wolf had geen haast.
Hij ging zitten en begon een courant te lezen.
Op eenigen afstand van hem deed een heer hetzelfde.
De bankier merkte op, dat de vreemdeling hem af en toe aankeek.
„Het zal waarschijnlijk een detective van de Bank zijn”, dacht
Meijer-Wolf.
Eindelijk stond hij op, en daar alle klanten geholpen waren, begaf hij
zich als allerlaatste naar den kassier.
Hij overhandigde den credietbrief van de Engelsche Bank.
De courantenlezer hoorde, dat de kassier zei:
„Wenscht gij het geheele bedrag op te nemen?”
„Ja”, antwoordde de heer Felix Meijer-Wolf.
„Dat is lichtzinnig van u. Gij kunt uw betalingen ook doen in chèques
op onze Bank.”
„Ik ben gewend, groote sommen bij mij te dragen. Betaal mij het bedrag
uit in banknoten van duizend lire.”
Het waren twee lijvige pakken banknoten, die de bankier in zijn leeren
handtasch, die hij had meegebracht, wegsloot, nadat hij ze eerst
nauwkeurig had nageteld.
Toen hij de Bank verliet, voelde hij weer de oogen van den naar zijn
meening vermoedelijken detective op zich rusten.
De bankier begaf zich nu naar het station om te informeeren, wanneer de
eerstvolgende trein naar Ala vertrok.
Daar zou hij den eigenaar der wijnbergen, den Italiaanschen graaf,
ontmoeten.
Hij vernam, dat hij nog vier uur moest wachten en overlegde bij
zichzelf, wat hij in dien tijd zou doen.
De woorden van den kassier hadden hem een beetje zenuwachtig gemaakt.
Hij zag opeens in elken Italiaan, die dichtbij hem stond, een dief, die
op zijn geld loerde.
Misschien was het toch beter, een schikking te treffen met de Bank en
het geld in te wisselen voor chèques. Maar zijn gierigheid stond hem in
den weg.
Hij wilde de paar procent niet betalen, welke de Bank berekende voor
het bewaren van het geld.
Daarenboven vertrouwde hij de Bank niet. Vooral Italiaansche Banken
waren hem niet veilig genoeg.
Het zou dus toch het beste zijn, om het geld in de tasch bij zich te
houden. Niemand wist immers, dat hij zulk een groot bedrag bij zich
had.
Hij verliet het station en wandelde langzaam naar de stad.
Het was zeer warm en daar Mr. Meijer-Wolf een barbierswinkel
voorbijkwam, besloot hij, omdat zijn haar en baard een schaar dringend
noodig hadden, ze te laten knippen.
De Italiaansche barbiers waren goedkooper dan de Londensche. Dat was
dus weer een klein voordeeltje voor hem. Hij kende weliswaar niet
genoeg Italiaansch om zich vloeiend te kunnen uitdrukken, maar hij
veronderstelde, dat men hem toch zou begrijpen.
De barbier, die korten tijd geleden uit Napels naar Triënt was gekomen,
begreep dat, wat de heer Felix Meijer-Wolf wenschte, echter in ’t
geheel niet.
De bankier moest het hem door allerlei gebaren duidelijk maken en,
terwijl hij met twee vingers een knipbeweging maakte, wees hij naar
zijn lange haren.
Een lachje gleed nu over het gelaat van den barbier, ten teeken, dat
hij den vreemdeling had begrepen.
De heer Felix Meijer-Wolf nam dus plaats; de collega van den beroemden
meester uit Sevilla nam kam en schaar, kamde met groote handigheid den
baard uit en met nog grootere snelheid knipte hij in het lang
neergolvende haar, zoodat tot grooten schrik van Felix Meijer-Wolf
bijna de helft van den baard op den grond viel.
Met een kreet van verontwaardiging duwde hij den barbier achteruit.
Een stroom van scheldwoorden eenerzijds en een vloed van Italiaansche
verontschuldigingen anderzijds volgde.
Mr. Meijer-Wolf zag er afschuwelijk uit.
De haarkunstenaar maakte hem duidelijk, dat hij met zulk een baard zich
niet op straat kon vertoonen en Mr. Meijer-Wolf zag in, dat de barbier
volkomen gelijk had.
Er bleef hem niets anders over dan zich verder toe te vertrouwen aan
den haarartist.
Met een klein puntbaardje verliet de bankier eindelijk den barbier en
hij was volkomen onkenbaar geworden.
Op straat liep hij bijna tegen een heer aan, in wien hij dadelijk den
vermeenden detective herkende.
Deze zette een verbaasd gezicht en toen hij verder ging, vloog een
eigenaardig glimlachje over zijn gelaat.
Toen de bankier over het groote stationsplein naar een hotel liep om
daar te gaan dineeren, woei er een koude wind, die van de bergen kwam
en plotseling voelde hij hevige kiespijn.
Daarom besloot hij naar de naastbijzijnde apotheek te gaan om
chloroform te halen.
De apotheker vertelde hem, dat hij dit middel niet zonder een
doktersrecept mocht verkoopen, en hij gaf hem het adres van een dokter,
die dichtbij woonde.
Nadat de bankier den dokter had uitgelegd, wat hij wenschte, schreef
deze hem het geneesmiddel voor.
Meijer-Wolf ergerde zich over den onbeschaamden prijs, dien de dokter
vroeg, maar de kies hinderde hem toch nog meer dan het geld, dat hij
uit moest geven om van de pijn af te komen.
In de apotheek kreeg hij het geneesmiddel en hij stak het fleschje met
een pakje watten in zijn zak.
Nu begaf hij zich naar de restauratie van het hotel om te dineeren.
Toen hij daar bij een kellner die Duitsch en Engelsch sprak, een
maaltijd had besteld, overeenkomende met zijn gierigheid, nam hij een
courant op en wel een Fransche, welke in Italië voor de vreemdelingen
verschijnt.
Het eerste wat hem opviel, was een vet gedrukt artikel.