Eindelijk iets gevonden. De politie is den misdadiger op het spoor.
Tusschen de stations Bozen en Triënt hadden, zooals onze lezers
zich zullen herinneren, in de laatste nachten beroovingen plaats
van reizigers der eerste klasse.
Het is den onbekenden misdadiger gelukt, zich, door verdooving
zijner medereizigers, hun bezittingen toe te eigenen.
Gisterennacht werd wederom een Duitscher geplunderd.
Het gelukte hem zich te verdedigen en door zijn hulpkreten de
aandacht te trekken.
Hoewel de trein in volle vaart was, waagde de misdadiger het, vlak
bij Triënt uit de coupé te springen, nadat de berooving plaats
vond. Daarna is hij verdwenen.
De misdadiger wordt beschreven als een man van in de veertig met
bruinen puntbaard, grijze oogen en met pokdalig gelaat.
Naar zijn spraak te oordeelen, moet hij een Rus zijn.
Men mag veronderstellen, dat de dief zich te Triënt bevindt. Alle
reizigers worden er op attent gemaakt, zich in acht te nemen voor
een persoon als boven omschreven.
De Oostenrijksche Regeering looft een belooning van duizend kronen
uit voor de gevangenneming van den misdadiger.—
Mr. Meijer-Wolf las het artikel en hij kreeg kippevel.
Hij dacht aan zijn handtaschje met het halve millioen, dat naast hem op
een stoel stond.
Daarop kwam hem de vreemdeling voor den geest, dien hij op de Bank had
gezien en die hem op zoo opvallende wijze achtervolgde.
Misschien was het de misdadiger, die hem reeds in het oog hield.
Maar hij bedacht, dat deze man immers geen bruinen baard had, doch glad
geschoren was.
Hij maakte volkomen den indruk van een Engelschman of Amerikaan, niet
dien van een Rus.
De kellner, die hem op dit oogenblik de soep bracht, wierp een
doordringenden blik op hem en sprak:
„Gij ziet zeer bleek, mijnheer, zijt gij niet wel?”
„Ik ben geschrokken van een courantenbericht.”
„Zoo,” antwoordde de kellner, „zeker dat wat handelt over
spoorwegdieven?”
„Ja! Meent gij, dat men hem, met behulp van dit signalement, eindelijk
zal vangen?”
De kellner lachte spottend.
„Dat signalement zou op meerdere personen toepasselijk kunnen zijn.
Bijvoorbeeld—mijnheer moet er niet boos om worden—maar mijnheer is
pokdalig, uw gelaat is omgeven door een bruinen puntbaard, gij hebt
grijze oogen en spreekt Fransch en Duitsch met een Russischen tongval.
En mijnheer is toch zeker de spoorwegdief niet?”
De kellner glimlachte.
„Groote goedheid!” riep Meijer-Wolf uit, „waaraan denkt gij, man, zie
ik er uit als een spoorwegdief?”
„Ik bedoelde ook alleen wegens de beschrijving van het uiterlijk.”
„Wat beteekent dat! Er zullen wel veel eerlijke menschen zijn, die
daarop gelijken.”
„Ongetwijfeld,” antwoordde de kellner, „en daartoe behoort mijnheer
ook!”
Terwijl Meijer-Wolf het diner gebruikte, merkte hij niet op, dat de
kellner en diens collega’s hem vol wantrouwen stonden op te nemen.
Zij waren het er blijkbaar niet over eens, of de gast toch niet
werkelijk de spoorwegdief was.
Iedereen zou graag duizend kronen verdienen.
De bankier betaalde na eenigen tijd het diner en begaf zich naar het
station.
De trein zou eerst over een half uur vertrekken en daarom wandelde hij,
een sigaret rookend, op het perron heen en weer.
Hij had een kaartje eerste klasse genomen om met zoo weinig mogelijk
reizigers samen te zijn.
Hij wilde ook probeeren met behulp van een fooi een coupé alleen te
krijgen van den conducteur.
Eindelijk stoomde de trein het station binnen, een haastig uitstappen
en dringen van reizigers volgde en de bankier snelde naar een coupé
eerste klasse, opende de deur en zag, dat er niemand in was.
Het deed hem genoegen, dat hij zijn fooi kon sparen, want hij was
blijkbaar de eenige eerste klasse-reiziger.
Dicht bij zijn coupé stond de conducteur en op het oogenblik waarin de
beambte het sein tot vertrek gaf, snelde nog een man het perron over en
naar de coupé toe, waarin Mr. Meijer-Wolf zat.
Gedienstig opende de conducteur de deur van den reeds in beweging
zijnden trein en liet den vreemdeling instappen.
Een vreeselijke angst maakte zich meester van den heer Meijer-Wolf.
Opnieuw voelde hij, dat hij kippevel kreeg, want de vreemde reiziger,
die juist was ingestapt, was de vermeende detective, dien hij in het
gebouw van de Bank had ontmoet.
Zonder zich om hem te bekommeren, zette de vreemdeling zijn reistasch
in het bagagenet, ging op zijn gemak tegenover den heer Felix
Meijer-Wolf zitten, stak een sigaret aan en haalde zijn courant te
voorschijn.
De bankier was niet zeer dapper, integendeel.
Hij was een ware lafaard. Overal zag hij vijanden, roovers en dieven,
en het geld, dat hij bij zich droeg, zag hij steeds door misdadigers
bedreigd.
Wantrouwend keek hij naar den vreemdeling en in zijn fantasie werd deze
de algemeen gezochte spoorwegdief.
Wel had de man geen pokdalig gelaat, maar de reiziger, die den roover
had beschreven, kon zich wel vergist hebben.
Daarenboven had de vreemdeling ook geen bruin puntbaardje, maar dat kon
hij—en de heer Felix Meijer-Wolf dacht aan zijn eigen baard—wel hebben
laten afscheren.
Steeds zekerder was de bankier er van overtuigd, dat de vreemdeling en
de zoozeer gevreesde spoorwegdief een en dezelfde persoon waren.
Langzaam zochten zijn oogen naar de noodlijn.
Die bevond zich aan den buitenkant van het venster en dat moest eerst
worden geopend om er bij te kunnen.
Het begon reeds donker te worden en de lichten werden opgestoken in den
waggon.
De vreemdeling stond op en met een blik op den bankier sprak hij:
„Gij vindt het zeker wel goed, dat ik aan mijn kant het schermpje voor
de lamp neerlaat. Het licht hindert mij aan mijn oogen.”
Felix Meijer-Wolf dwong zichzelf om vriendelijk te glimlachen en dacht:
„Hij wil het donker maken om mij daarna te vermoorden.”
De vreemdeling trok het schermpje half neer en nam daarna weer zijn
plaats tusschen de kussens in.
„Het is vandaag kouder dan anders,” zoo begon hij een gesprek.
Felix Meijer-Wolf knikte zonder te antwoorden.
Hij herinnerde zich, in de couranten gelezen te hebben, dat de
spoorwegdieven altijd een gesprek aanknoopten met hun slachtoffers, om
hun een gevoel van veiligheid te geven.
De bankier mompelde daarom iets, wat de vreemdeling niet kon verstaan.
„Zijt gij een Rus?” vroeg de vreemdeling.
Nu moest de bankier antwoorden.
„Ik ben een Londenaar,” bromde hij.
En de gedachte kwam bij hem op, dat het hem misschien zou kunnen
gelukken om door sluwheid den vreemdeling, wanneer deze werkelijk de
spoorwegdief was, op een dwaalspoor te brengen.
Hij wilde hem tot de overtuiging brengen, dat hij een arme man was, die
niets bezat.
Hij vervolgde daarom:
„Ik ben reiziger van een lakenfabriek in Londen en bereis Italië om
orders op te nemen voor mijn firma. Ik ben nu weer op weg naar huis.
„Ik heb slechte zaken gedaan. Ik geloof niet, dat ik zooveel heb
verdiend, als mijn reis kost.
„Uit mijn zak heb ik er mijn spaarduitjes nog bij moeten leggen en keer
nu platzak naar huis terug.”
De vreemdeling lachte.
Het was een lach, die den bankier niet beviel. Hij wist niet of de
bedoeling ironisch was of niet.
Waarom lacht deze man? zoo dacht de bankier en geërgerd sprak hij:
„Reist gij misschien ook in laken, dat gij u zoo amuseert over het
feit, dat ik niets heb verdiend?”
„Juist,” antwoordde de vreemdeling, „ik reis in stropdassen en af en
toe handel ik in wissels. Dat is een uitstekende combinatie. Er is
eigenlijk geen onderscheid in die twee artikelen, zij gelijken precies
op elkaar.”
„Hoe bedoelt gij dat? Wat hebben stropdassen met wissels te maken?”
Opnieuw lachte de vreemdeling.
„Wissels hangt men den menschen aan den hals en aan een strop hangt men
de schurken op. Wissels worden over dwars geschreven en een stropdas
draagt men over dwars.”
„Een zeer gezochte vergelijking, mijnheer! Wat gij vertelt, is lang
niet juist.”
„Niet zoo onjuist als dat, wat gij vertelt,” antwoordde de vreemdeling,
„want als gij zegt, dat gij platzak naar Londen reist, dan zou ik wel
eens willen weten, van wien al het geld is, dat gij op de Bank
uitbetaald kreeg.”
Mr. Meijer-Wolf hief zijn handen in de hoogte.
„Wie was op de Bank? Wien hebt gij op de Bank gezien? Hebt gij mij op
de Bank gezien?”
„Maar natuurlijk!” lachte de vreemdeling, „mijn geheugen is uitstekend.
Ik heb gezien, dat gij heden een credietbrief van de Engelsche Bank ter
betaling hebt aangeboden.”
Felix Meijer-Wolf werd steeds zenuwachtiger.
Nu viel er niet meer aan te twijfelen, de vreemdeling had hem herkend
en doorzag zijn bedoelingen.
Wie kon zich anders voor zijn geld interesseeren dan de spoorwegdief?
Goede Hemel! Hoe zou deze geschiedenis afloopen!
De vreemdeling stak een nieuwe sigaret aan en sprak:
„Ik weet absoluut niet, waarom gij mij een dergelijk leugenachtig
verhaal opdischt. Hebt gij daarmee een bedoeling?”
De bankier sidderde.
„Ik heb zelf,” vervolgde de vreemdeling, „een groote som bij mij en
reis daarom met u samen in dezelfde coupé.”
„Met mij? Waarom?”
„Heel eenvoudig,” antwoordde de vreemdeling, „gij hebt waarschijnlijk
in de couranten gelezen, dat in de laatste weken hier
spoorwegdiefstallen zijn gepleegd. Daarom heb ik tot mij zelf gezegd,
dat men veiliger reist in gezelschap van een man, die ook een groote
som gelds bij zich heeft.”
Mr. Meijer-Wolf zat op heete kolen.
Als gehypnotiseerd keek hij den vreemdeling in de oogen.
„Ik herhaal u, mijnheer, dat gij u vergist. Het is waar, ik heb voor
betalingen van mijn chef een som gelds van de Bank opgenomen. Maar
slechts met die bedoeling om het geld uit naam van mijn chef aan
Italiaansche leveranciers te betalen.
„Voor het overige heb ik geen penny bij mij.”
Nu lachte de vreemdeling luidkeels.
„Gij zijt een grappig mensch. Ik geloof, dat gij mij dat alles slechts
vertelt, omdat gij meent, dat ik de in de couranten beschreven
spoorwegdief ben. Heb ik goed geraden?”
„Mijn handen mogen in het graf verlammen, als ik ooit aan zoo iets heb
gedacht.”
„Waarom vertelt gij mij dan zulke dwaze verhalen? Ik ken u nauwkeurig
en weet wie gij zijt.”
De bankier haalde zenuwachtig zijn wenkbrauwen op.
„Weet gij, wie ik ben?”
„Ja,” antwoordde de onbekende, „als gij uw eigen naam soms vergeten
mocht zijn, dan wil ik u dien gaarne mededeelen.”
De bankier durfde nauwelijks ademhalen.
„Gij zijt een Londensch bankier,” vervolgde de vreemdeling, „en uw naam
is Felix Meijer-Wolf.”
„Barmhartige gerechtigheid!” stamelde de bankier, vol schrik den
onbekenden medereiziger aanstarend.
„Ik weet nog meer,” vervolgde de vreemdeling. „Gij zijt eenige dagen
geleden, zooals de couranten hebben vermeld, bestolen en wel door een
zekeren Raffles, die meer dan een half millioen van u meenam, de
gedeponeerde gelden, die het eigendom zijn van uw cliënten.
„Ik weet niet, of gij hebt gelezen, dat in de couranten een antwoord
van Raffles stond, waarin hij verklaarde, in uw brandkast niets te
hebben gevonden, geen enkelen penny.”
De haren van den bankier rezen te berge.
De vreeselijke onbekende kwam hem voor als een monsterachtig wezen.
„Hebt gij de couranten gelezen?” herhaalde de vreemdeling.
„Neen,” antwoordde Mr. Meijer-Wolf, „ik weet in het geheel niet, wat
gij bedoelt. Bij mij is niet ingebroken en ook van dat geld weet ik
niets. Gij moet u in den persoon vergissen. Ik ben geen Londensch
bankier.”
Opnieuw gleed een vroolijk spotlachje over het gelaat van den
vreemdeling en hoonend blies hij den bankier den rook zijner sigaret in
het gelaat.
„Ik stel buitengewoon veel belang,” zoo vervolgde de onbekende, „in
alle soorten van misdaden.”
„Zoo, zoo,” mompelde de ander.
„Wat denkt gij van den spoorwegdief, die gedurende de laatste weken de
treinen onveilig maakte? Misschien hebt gij in de couranten van hem
gelezen?”
„Neen,” loog de bankier steeds zenuwachtiger, „ik stel geen belang in
dergelijke dingen.”
„Dat verbaast mij. Als men veel reist, moet men toch belang stellen in
zulke geschiedenissen.”
„Ja, ja, gij hebt groot gelijk— —”
„Voelt gij u niet wel?”
„Jawel, dank u,” antwoordde hij, „maar het is hier zoo vreeselijk warm
in de coupé. Misschien kunnen wij het raampje een eindje open zetten.”
„Ik zal dat aan den anderen kant openen,” sprak de onbekende, terwijl
hij opstond.
Het was het raampje, waarbij zich de noodrem niet bevond.
Meijer-Wolf zei tot zichzelf, dat de vreemdeling dat met opzet had
gedaan.
„Misschien wilt gij een beetje cognac van mij gebruiken?” vroeg hij op
vriendschappelijken toon.
„Hij wil mij vergiftigen,” dacht de bankier, „de hemel sta mij bij.”
„Dank u,” sprak hij luide, „ik heb last van kiespijn.”
„Dan begrijp ik niet,” antwoordde de vreemde reiziger, „waarom gij het
venster laat openen. De koude luchtstroom zal uw pijn erger maken.
„Maar ik heb wel wat chloroform bij mij, misschien kan ik u daarmede
van dienst zijn?”
Opnieuw kreeg de bankier kippevel.
Nu was het hem duidelijk, dat de vreemdeling hem eerst wilde verdooven
en dan plunderen.
„Dank u,” stamelde hij, „ik heb zelf chloroform bij mij. Kijk eens
hier.”
Hij haalde een klein pakje uit zijn vestzak en maakte het open.
Een zoetachtige lucht vervulde de coupé.
Hij deed een paar druppels op een stukje watten en stak dit in zijn
holle kies.
De vreemdeling stond dicht bij hem.
„Zal ik u helpen?”
Het koude angstzweet stond op het voorhoofd van den heer Felix
Meijer-Wolf.
Hij was stellig van meening, dat de volgende minuten over zijn leven
zouden beslissen.
Met zijn laatste restje wilskracht trachtte hij op te staan en aan de
noodrem te trekken.
Hij maakte een beweging naar het venster, zoodat de vreemdeling
verbaasd vroeg:
„Wat wilt gij eigenlijk? Wat mankeert u?”
De bankier raapte al zijn moed bijeen en antwoordde:
„Ik ken u, ik weet, dat gij de spoorwegdief zijt!”
„Daarvoor behoeft gij u niet zoo op te winden,” lachte de vreemdeling,
„gij zijt werkelijk ziek.”
„Neen!” schreeuwde de heer Felix Meijer-Wolf, „ik ben niet ziek, ik ben
volmaakt gezond en ben sterk als twee beren.
„Bovendien heb ik in elken zak een Browningpistool. Ha! Ik verzeker u,
dat ik hetzelfde handwerk uitoefen als gij!
„En als gij meent, dat gij iets met mij zult kunnen uitrichten, vergist
gij u zeer. De eene dief is niet bang voor den anderen.”
„Zijt gij gek?” riep de vreemdeling. „Als ik had geweten, dat ik met
een krankzinnige samenreisde, had ik een andere coupé gezocht.”
„Ik wil aan de noodrem trekken,” schreeuwde de bankier, „terug, of ik
schiet!”
„Dat zal ik liever zelf doen,” antwoordde de vreemdeling lachend, „want
een mensch, die in iederen zak een Browning draagt, sterk is als twee
beren, krankzinnig en die bovendien een schurk is, moet iemand
werkelijk vrees inboezemen.”
„Ga weg!” riep Meijer-Wolf uit, „ga weg, of ik schiet. Gij zijt de
spoorwegdief. Terug!”
„Ik zal even aan de noodrem trekken,” antwoordde de vreemdeling, „men
zal u gevangen nemen. Gij hebt chloroform bij u en wie weet, wat daar
nog in dat valiesje is. Nu zal ik den trein laten stilstaan. Begrijpt
gij?”
De bankier begreep.
In het volgende oogenblik had de vreemdeling het raampje geopend en aan
de noodrem getrokken.
Een schrille fluit van de locomotief weerklonk door den stillen nacht,
alle remmen werkten en, den vreemdeling op zij duwend, schreeuwde
Meijer-Wolf aan het venster:
„Hulp!—Hulp!—Moord!”
Met een korten ruk bleef de trein staan.
De bankier werd door den schok van het venster weggeslingerd, daarop
voelde hij een slag en bewusteloos viel hij neer.
De deur werd opengetrokken, de conducteurs kwamen aangesneld en
vroegen:
„Wat is er gebeurd?”
Op den vloer der coupé lag de bewustelooze Felix Meijer-Wolf, de
vreemdeling stond er naast en sprak:
„Die man wilde mij overvallen. Hij heeft Browningpistolen en chloroform
bij zich en is naar mijn meening de spoorwegdief, die door de politie
wordt gezocht.”
Als een bende jachthonden sleurden de beambten den bankier uit de
coupé.
Zij hielden een lamp bij het gelaat van den bewustelooze en zagen, dat
hij pokdalig was en een bruinen puntbaard droeg.
„Het is de spoorwegdief!” riepen zij en toen Meijer-Wolf vijf minuten
later tot bewustzijn kwam, was hij in een goed gesloten coupé
opgesloten en flink geboeid met stevige touwen, terwijl de trein zich
weer in beweging had gezet.
Tegenover hem zat een Italiaansche spoorwegbeambte met een revolver in
de hand; deze man spuwde op den grond en riep uit:
„Roover, misdadiger, dief! Je zegt geen woord, of ik leg je voor goed
het zwijgen op.”
Tevergeefs rukte de bankier aan zijn boeien, maar zij waren solide en
de beambte lachte hoonend.
Reeds aan het volgende station moest Meijer-Wolf uitstappen en, onder
geleide van Oostenrijksche ambtenaren, werd hij naar de gevangenis
gebracht.
Ondanks zijn tegenstribbelen ontnam men hem zijn horloge, zijn ring,
zijn beurs en andere kleinigheden, deed hem handboeien aan en sloot hem
in een donkere cel.
Den volgenden morgen werd hij bij den rechter van instructie gebracht,
die hem nieuwsgierig en vol belangstelling opnam.
De rechter was een jonge man, van hoogstens dertig jaren.
Vlak bij de deur stonden twee Oostenrijksche gendarmen en keken met
grimmige blikken naar den vermeenden spoorwegdief.
De bankier was door alles, wat er met hem gebeurde, zóódanig van
streek, dat hij nauwelijks wist hoe zich te gedragen.
De rechter van instructie las hem een lang strafregister voor van alle
misdaden, die hij bedreven zou hebben, en drong er in aansluiting
hierop bij hem aan, de waarheid te spreken, en zijn waren naam te
noemen.
„Ik heet Felix Meijer-Wolf,” schreeuwde hij opgewonden tegen den
rechter van instructie, „ik heb in mijn heele leven nog geen
spoorwegdiefstal gepleegd.”
„Schreeuw niet zoo,” sprak de rechter van instructie, „anders laat ik u
wegbrengen, en zoo lang in uw cel opsluiten, totdat ge wat gekalmeerd
zijt.
„Hoe kunt ge bewijzen, dat gij Felix Meijer-Wolf heet?”
„Op welke wijze?” vroeg de bankier, „door mijn portefeuille, waarin
zich mijn papieren bevinden.”
De rechter van instructie opende het pakje, waarin de voorwerpen zaten,
die den bankier waren afgenomen.
Hij haalde er een groene portefeuille uit, waaruit hij eenige papieren
nam.
Met buitengewone belangstelling begon hij den inhoud door te lezen.
Hij bemerkte niet, dat het gelaat van den bankier vaalbleek was
geworden.
Dat was niet zijn portefeuille, zooals hij tot zijn schrik bemerkte.
De zijne was van rood leer, deze echter was groen.
Tevergeefs brak hij zich het hoofd, hoe hij aan deze was gekomen.
„Zeer interessante dingen, die ik hier ontdek,” mompelde de rechter van
instructie, „gij hebt inderdaad alle reden mij uwen waren naam te
verzwijgen.”
„Die portefeuille behoort mij niet! Dat is mijn eigendom niet!”
De rechter van instructie lachte ironisch.
„Die bewering heb ik van u verwacht. Doch het baat u niet, mijn vriend.
De beambten hebben u dat ding persoonlijk afgenomen en zullen onder
eede verklaren, dat de portefeuille u toebehoort.”
„Zij behoort mij niet!” riep de bankier uit. „Men heeft ze mij in den
zak gestopt, nadat men mij de mijne heeft ontrold.”
„Zwijg,” sprak de rechter van instructie streng, „en beleedig geen
beambten.
„Wilt ge wellicht beweren, dat deze u uit de grap uw portefeuille
hebben ontrold en een andere er voor in de plaats hebben gestoken? Een
gemeene uitvlucht. Zal ik u eens zeggen, wie gij zijt?”
„Ik wensch den Engelschen consul te spreken!” viel de bankier hem in de
rede.
„Daar spreken we later over. Naar uw spraak te oordeelen, zijt gij geen
Engelschman, doch een Rus.”
„Ik ben Engelschman, twee jaar geleden uit Rusland naar Londen
gekomen.”
„En sedert maakt ge de wereld als een tweede Raffles onveilig, niet
waar?”
Meneer Felix Meijer-Wolf sprong twee schreden achteruit.
Buiten zichzelve riep hij:
„Wat? God moge mij straffen en ik zal gevloekt worden; wat heb ik met
dien grooten gauwdief, dien Raffles te maken? Bestolen heeft hij me
drie weken geleden, bestolen, meneer de rechter van instructie! Een
half millioen heeft hij me ontnomen en toen was hij verdwenen.”
Het gelaat van den rechter werd nu rood van toorn.
„Houd nu op met comedie spelen! Mij maakt ge niets wijs. Ik ben geen
Engelsche rechter, ik bezit niet de vertrouwelijkheid van mijne
collega’s aan de overzijde van het Kanaal, aan wie gij uwe onschuldige
verhalen kunt opdisschen.”
„Gij vergist u, meneer de rechter,” brulde de bankier vol wanhoop. „God
moge mij straffen, wanneer gij u niet vergist. Ik ben een eerlijk,
Engelsch bankier.”
„Zwijg thans! Ik zal u confronteeren!”
De rechter schelde, en uit de voorkamer trad de vreemdeling binnen.
Met open mond staarde de bankier den onbekende aan.
De rechter boog en verzocht hem op een stoel plaats te nemen.
„Hoe is uw naam?”
De vreemdeling haalde eenige papieren uit den zak en legde ze op de
schrijftafel van den rechter.
„Mijn naam is Felix Meijer-Wolf. Hier zijn mijn identiteitspapieren,
meneer de rechter.”
De bankier dacht door den grond te zinken.
Zoo’n brutaliteit was hem nog niet overkomen.
„Dat zijn mijn papieren, meneer de rechter,” schreeuwde hij luid, „God
moge mij straffen, hij heeft ze mij ontstolen.”
„Stil!” riep de rechter met donderende stem en keek den delinquent
woedend aan.
Hij gaf den onbekende de papieren terug en zei:
„Vertel ons alstublieft nog eens het gebeurde.”
De onbekende, of zooals hij zich had voorgesteld, meneer Felix
Meijer-Wolf, kuchte en begon:
„Ik was in Triënt in een coupé eerste klasse gestapt, daar ik een
groote som gelds bij mij droeg. Het is anders niet mijn gewoonte eerste
klasse te reizen.
„In de coupé zat deze heer. Daar ik een lange reis achter den rug had,
en mij hier tijdelijk voor zaken met den graaf Travesti in Ala ophield,
was ik zeer vermoeid en viel in slaap.
„Doch ik sliep niet vast genoeg om niet te bemerken, dat er plotseling
een zoete bedwelmende geur in mijn neus drong.
„Ik sprong overeind, gaf den man die voor mij stond een duw, trok aan
de noodrem en wierp hem op den grond.”
„Bravo!” riep de rechter van instructie uit.
Tegelijkertijd haalde hij uit het pakje een fleschje met chloroform en
hield het den bankier voor den neus.
„Is dit het fleschje chloroform, dat gij in uw bezit hadt?”
De bankier was zoodanig van streek, dat hij niet meer helder kon
denken.
Hij meende zijn positie door een leugen te kunnen verbeteren en
antwoordde:
„Ik ken het fleschje niet!”
Dat was zijn ondergang.
Opnieuw schelde de rechter en liet een kleinen, dikken Italiaan
binnenkomen, in wien de bankier direct den apotheker herkende.
„Signor Spraghetti”, sprak de rechter van instructie tot hem, „kent gij
dien man daar?”
De apotheker wierp een scherpen blik op den bankier en gaf ten
antwoord:
„Jawel, Edelachtbare, die man kocht gisteren bij mij een fleschje
chloroform, natuurlijk op voorschrift van den dokter.”
„Wilt gij nu nog ontkennen?” wierp de rechter van instructie den
bankier naar het hoofd.
Zoo wit als een doek zat de bankier op zijn stoel en antwoordde slechts
met een zucht:
„Neen!”
„Gij geeft dus toe, dat dit fleschje met chloroform u toebehoort?”
„Jawel”, antwoordde de gevangene. „Ik had kiespijn en daarom kocht ik
dat.”
De rechter van instructie moest nu luid lachen, en alle aanwezigen
deden mee.
„Dus gij hadt kiespijn?” hoonde hij. „Nu, uw kiespijn heeft een voor
ons gelukkig gevolg gehad.
„Ik geloof, dat gij uw positie alleen kunt verbeteren door een
volledige bekentenis af te leggen.”
Nog eenmaal verzamelde de bankier al zijn wilskracht en riep:
„Ik heb niets te bekennen. Ik ben geen Raffles! Gij zoudt evengoed
Raffles kunnen zijn! Ik heb niemand beroofd. Ik ben een eerlijk man.
„Zend den Engelschen consul bij mij en ik zal alles ophelderen. Die man
daar heeft mij beroofd. Neem hem gevangen en stop hem in plaats van mij
in de cel.”
„Onbeschaamde brutaliteit”, donderde de rechter van instructie.
Daarop wenkte hij den beambte en riep:
„Leid den gevangene weg en bewaak hem goed.”
In weer wil van zijn luid protest werd de bankier naar de gevangenis
teruggebracht.
In den loop van den dag werden er opnieuw bezwarende beschuldigingen
tegen hem ingebracht.
De kellner uit het restaurant vertelde den rechter van instructie het
gesprek, dat de bankier tijdens het diner met hem had gehouden, en met
zijn zuidelijke levendigheid kleurde hij de dingen sterker dan noodig
was en met de waarheid overeenkwam. Hij zei, dat de gevangene, toen hij
het artikel over zijne rooverijen in de couranten las, vreeselijk
geschrokken was.
Daarop kwam de barbier en vertelde, dat de gevangene zich bij hem den
baard had laten wegnemen.
Eveneens traden twee spoorwegbeambten op, die den trein hadden gehad.
Zij meenden stellig in den gevangene den gezochte te herkennen.
Steeds meer werd het net om Meijer-Wolf dichtgehaald.
De bankier raasde en vloekte als een krankzinnige in zijn cel.
Zoodra hij voor den rechter van instructie werd gebracht, overlaadde
hij dien met allerlei verwenschingen, of wel hij smeekte kermend en
medelijdend.
Slechts één ding was er, dat hem nu en dan kalmeerde.
Hij had weliswaar zijn geld verloren, doch de treindief had hem
tenminste niet van het leven kunnen berooven.
Tegelijkertijd verscheen in de courant het eene artikel na het andere,
volgens hetwelk Raffles, de langgezochte Raffles, in handen der politie
was gevallen.
Bijna een week had het verhoor geduurd, alvorens de Engelsche consul
den gevangene opzocht en met hem spreken kon.
„Ik bezweer u!” riep de bankier uit, „red mij en telegrafeer aan den
inspecteur van politie Baxter te Londen, dat hij hierheen komt om mij
te identificeeren.
„Ik ben Raffles niet, ik ben Felix Meijer-Wolf!”
Te zelfder tijd, dat dit gesprek plaats vond, werd in Londen de
inspecteur van politie Baxter per telefoon opgeroepen.
„Wie daar?” vroeg hij.
„Hier bankier Felix Meijer-Wolf”, antwoordde eene stem met Russisch
accent. „Ik wilde u alleen maar vragen, meneer de inspecteur van
politie, of er al iets gebeurd is. Ik meen in de couranten te hebben
gelezen, dat Raffles in Italië gevangen genomen is. Ik las zelfs, dat
hij zich mijn naam had toegeëigend.”
„Onzin!” antwoordde de inspecteur van politie Baxter, „dat is een
misverstand van de overheid daar. Ik heb het berichtje ook al gelezen.
Raffles zal het in geen geval zijn, doch de een of andere misdadiger,
die van de berichten over de door hem gepleegde inbraken partij heeft
getrokken.”
„Jammer”, antwoordde de vermeende heer Felix Meijer-Wolf, „ik heb de
hoop, mijn geld terug te krijgen, nog steeds niet opgegeven. Mocht er
hier of daar wat gebeuren, deel het mij dan alstublieft mee.”
Een uur later ontving politie-inspecteur Baxter het volgende telegram:
Inspecteur van politie Baxter,
Londen.
Hier is iemand gevangen genomen, die verdacht wordt Raffles te
zijn. Signalement:
Oogen: grijs.
Haar: bruin, kort geknipt.
Baard: bruin, puntig geknipt, kort.
De persoon geeft voor, de in Londen woonachtige bankier Felix
Meijer-Wolf te zijn. Verzoeke uw oordeel.
Consul Power,
Triënt.
„Walgelijke grappenmakerijen”, vloekte de inspecteur van politie.
Daarop snelde hij naar het telegraafkantoor in Scotland Yard, en twee
uur later ontving consul Power het volgende telegram:
„Gevangene liegt. Heb zelf een uur geleden met bankier Felix
Meijer-Wolf gesproken.
Volgens beschrijving is het echter ook Raffles niet. Waarschijnlijk
een misdadiger, die zich achter Raffles verbergen wil.
Inspecteur van politie
Baxter,
Scotland Yard.”
De consul snelde direct met het telegram naar den rechter van
instructie, en beiden lieten ze den gevangene voorbrengen.
„Houd nu eindelijk eens op met liegen”, zei de rechter van instructie,
„het helpt u toch niets, zooals ge ziet.
„Degene, voor wien gij u uitgeeft, bevindt zich alweer in Londen en
heeft, zooals ge uit het telegram ziet, persoonlijk met den inspecteur
van politie Baxter gesproken.”
Dat was als een donderslag voor den gevangene.
Hij voelde zich meer dood dan levend.
„Dan heb ik een dubbelganger”, riep de bankier uit, „of wel het
telegram is vervalscht.”
Nu verloor ook de Engelsche consul zijn geduld.
„Gij schijnt een zeer gevaarlijk sujet te zijn”, sprak hij Mr.
Meijer-Wolf aan. „Ik had me ook bijna door u laten bedriegen. Gij hebt
niet verdiend, dat ik mij voor u heb geïnteresseerd. De ondervinding,
door u opgedaan, zal mij in het vervolg een waarschuwing zijn.”
„Ik zweer u nogmaals, meneer de consul!” riep de bankier uit, „dat ik
Felix Meijer-Wolf uit Londen ben.”
„Ik heb gedurende mijn heele loopbaan nog niet zoo’n dikhuidig mensch
leeren kennen als dezen”, bromde de rechter van instructie.
„Een heel gevaarlijk sujet”, stemde de consul toe.
Daarop werd de bankier weer in verzekerde bewaring gesteld.
Tevergeefs pijnigde hij zijn hoofd, hoe hij zich zou verdedigen.
Hij vond werkelijk geen uitkomst.
Terneer geslagen zat hij in zijn cel, terwijl het gerecht het proces
tegen hem voorbereidde.
Op zijn verzoek kreeg hij verlof een verdediger te nemen.
Hij had in zijn portemonnaie een som van tweehonderd Lire gehad, en dat
bedrag was voldoende om een Italiaansch advocaat te vinden, die zijn
verdediging op zich wou nemen.
Signor Carosi stond in Triënt bekend als zeer bekwaam advocaat, die
reeds dikwijls in de meest wanhopige processen zijn cliënt van het
schavot had gered.
Hij stond onder zijn collega’s als een vos bekend.
Toen hij den bankier in zijn cel opzocht, hoorde hij eenige minuten de
onschuld-beweringen van den gevangene aan, klopte hem daarna
geruststellend op den schouder en zei:
„Hoor mij nu eens aan:
„Wat gij daar gezegd hebt is onzin. Dat redt u niet van de 12–15 jaar
gevangenisstraf, die u wacht.
„Bedenk vóór alles, dat ik niet uw rechter, doch uw verdediger ben.
„Mij hebt gij de waarheid te zeggen, anders kan ik niet tegenover den
rechter voor u optreden.”
„Ik ben onschuldig, meneer de advocaat”, bezwoer de bankier, „ik ben
zoo onschuldig als een pasgeboren lam.”
De advocaat lachte.
„Waarvoor hebt u dan een verdediger noodig? Ik kan u alleen verdedigen
en uw vrijspraak trachten te verkrijgen, wanneer ik inderdaad weet, dat
gij de misdadiger zijt, voor wien men u houdt.
„Hoor nog eens goed toe:
„Al uw liegen helpt u niets. Gij krijgt zoo zeker, als ik hier voor u
sta, uw 20 jaren, als het ons niet gelukt, de een of andere
interessante geschiedenis te vinden, die de rechters mild stemt.
„Hebt gij niet de een of andere liefdesgeschiedenis, die u tot de
spoorwegdiefstallen heeft gedreven? Wanneer gij er geen hebt, zal ik er
een voor u opbouwen. Laat u vóór alles gezegd zijn:
„Geef gerust toe, zooals ook werkelijk het geval is, dat gij een
gemeene gauwdief zijt, doch probeer het met verzachtende
omstandigheden.
„Dan komt ge er veel goedkooper af, misschien met vijf à zes jaar.”
Hetgeen de verdediger voorstelde was niet bemoedigend.
Doch de bankier beloofde alles te doen, wat de advocaat wenschte.
Om zich uit zijn benarde positie te redden, zou hij in een moord hebben
toegestemd.
Eén hoop had hij nog, dat was de kassier van de bank, die zijn
credietbrief had ingelost, doch deze herkende hem door de veranderde
baarddracht niet.
Hierdoor ontzonk den gevangene de laatste hoop.