alleen dan eenigermate zijn, indien zij afziet van al te nauwkeurig
uiteenhouden der perioden. Telkens dringt zich bij ons onderzoek
naar den inhoud van het Atheensche onderwijs de vraag aan ons op:
"werd dit of dat vak reeds in de vijfde of vierde, of eerst in de
derde eeuw "op het programma" gebracht?" Juist wanneer we met het
oog op den bloeitijd der Atheensche republiek die vraag stellen,
blijven wij vaak in het onzekere. Hoe gaarne zouden wij weten of
Alcibiades, Nicias, Cleon, Aristophanes als jongens reeds mathesis
hebben geleerd! De vraag of ze al konden worteltrekken, laat ons
koel--maar de mathesis! Ten opzichte van de begeerlijkheid der
meetkunde als factor in de opvoeding heerschte in de dagen van
Plato vrij groote verdeeldheid. "Slechts voor hen die de geometrie
verstaan staat de deur van mijne school open" zeide deze wijsgeer,
en ieder zal toegeven dat ook door deze geopende deur zij die niet
ingewijd zijn in de wetten van het eigenlijk mathematisch denken, den
binnenhof der platonische philosophie nauwlijks kunnen bereiken. Maar
zoo beschouwd ziet Plato's uitspraak op mannen, niet op jongens. Dan
ligt waarschijnlijk nog meer bewijskracht in den practischen, op
den toon van een protest gestelden eisch van Xenophon, die zeide:
"laat een jongen zooveel mathesis leeren als hij later noodig heeft
om na te gaan, of men hem bij den verkoop van een stuk land ook
bedriegt." Uit die woorden blijkt namelijk dat Xenophon menschen
kende, die de knapen in de theoretische mathesis wilden onderwijzen
en tevens, dat ook hij reeds een betamelijke kennis van geometrie
voor zijne knapen als eisch stelde. En zoo mogen wij zeker rekening
houden met eene zeer beroemde plaats in een van Plato's dialogen,
den Meno. In eene passage, die zonder twijfel door Plato ook met de
bedoeling is geschreven om daarin een proeve van de uitnemendheid
der deductieve methode in de didactiek te geven, laat Socrates, ten
einde het bewijs te leveren dat het onderricht in wetenschappen als
de mathematische niet zoozeer het bijbrengen van nieuwe kennis beoogt
als wel het tot bewustzijn roepen van de in den geest sluimerende
aangeboren begrippen, een jongen Griekschen slaaf tot zich brengen en,
door zijne vragen duidelijk te stellen, dezen geheel uit zich zelven
komen tot de erkenning dat de inhoud van een quadraat of een rechthoek
gelijk is aan het produkt van de lengte zijner zijden. Vergelijkt men
nu de eenvoudige voorstelling van feiten, in dezen dialoog gegeven, met
de wijze waarop in een andere samenspraak van Plato, den Theaetetus,
twee jongelieden door Socrates worden geprezen om de scherpzinnigheid
waarmede zij het karakter van rationeele en wortelgrootheden door
mathematische voorstelling aan elkander hebben duidelijk gemaakt, dan
vindt men alle aanleiding om aan te nemen dat in den tijd van Plato
wel het elementaire onderricht in de geometrie vrij algemeen in het
schoolonderwijs was opgenomen doch dat de theorie der hoogere wiskunde
nog buiten den horizon der lagere school lag. En dat is eigenlijk
ook op feitelijke gronden niet meer dan natuurlijk. Er moest wel is
waar nog eene eeuw verloopen vóór Euclides in zijne voortreflijke
Elementa methodisch den leergang door de planimetrie vaststelde;
doch lang vóór Euclides zijn beroemde woord sprak tot Ptolemaeus
"de mathesis kent geen afzonderlijken weg voor Koningen", hadden
anderen getracht voor de schooljeugd dien weg door de beginselen der
meetkunde in leerboeken te effenen.
Gaarne zouden wij ons omtrent den inhoud dier leerboeken, alsook
omtrent den omvang der mathematische kennis bij leermeesters en
leerlingen in de stad van Pericles eene voorstelling willen vormen,
duidelijker dan die welke berust op algemeene indrukken. Het spreekt
van zelf dat bouwplannen als de streng schematische bouw van den
Piraeus, door den Milesischen architect Hippodamos in opdracht van
Pericles ondernomen, zoowel als het geheele ontwerp van de groote
verbouwingen op de Acropolis, allereerst de zorgvuldig geconstrueerde
Propylaeën, bij de bouwmeesters eene diepgaande mathematische kennis
naast groote technische ervaring veronderstellen; doch ook bij hunne
lastgevers? En ook bij hen om wie het ons eigenlijk te doen is,
bij de Atheensche jongens? Wat wisten die eigenlijk van theorie?
In zulke vragen kunnen wij slechts tastend den weg vinden, maar
wij mogen daarbij rekening houden met den onmiskenbaren aanleg der
Grieken voor mathematische studie, en met hunne belangstelling in
de mathesis. Over de herkomst dier wetenschap dachten ze gaarne na,
en Herodotus heeft zeker kunnen zijn van de belangstelling zijner
toehoorders toen hij dienaangaande het volgende meedeelde in zijn
hoofdstukken over Aegypte: "Volgens het verhaal van de priesters die
mij inlichtingen gaven, had indertijd Koning Sesostris het geheele
land van Aegypte onder de burgers verdeeld, elk een vierkant stuk
toekennend; hieruit had hij zijne staatsinkomsten gevonden, door voor
te schrijven dat elk een vaste bijdrage per jaar voor zijn land zou
betalen. Zoo dikwijls nu de Nijl een stuk van zulk een perceel land
had weggespoeld, wendde de eigenaar zich tot den Koning en verhaalde
wat er geschied was; en dan zond deze inspecteurs, om na te meten
hoeveel kleiner het land was geworden, opdat de eigenaar in het
vervolg een evenredig geringer deel in de belasting zou betalen. Het
komt mij voor dat dit de oorsprong moet zijn van de geometrie, en
dat later die wetenschap van Aegypte uit in Hellas is overgekomen,
in tegenstelling met den zonnewijzer en de indeeling des jaars in
twaalf maanden; want die hebben de Grieken van de Babyloniërs."
Atheensche belangstelling waarborgt nog geene instemming. Voor velen
zal misschien Herodotus' verklaring van het ontstaan der wiskunde
uit zoo practische oorzaken te nuchter rationalistisch zijn geweest,
voor anderen de verwijzing naar Aegypte te weinig streelend voor hun
vaderlandslievend gevoel. Zij zochten liever den oorsprong ook van
deze wetenschap in het eigen Helleensch, zij het dan ook mythisch,
verleden: zij wezen op Prometheus, den vader der menschelijke kennis,
en herhaalden diens fiere woord:
Want God Prometheus bracht den menschen ied're kunst;
of anders, berustend in de traditie der Aegyptische herkomst--zooals
dat na den tijd van Herodotus en van Plato gaandeweg meer mode
werd--wisten zij toch aan zijn verhaal dit toe te voegen, dat het
in ieder geval een Griek, Thales de Milesiër, was geweest, die den
stempel van theoretische wetenschap, het karakter van redeneerend
zoekende kunst aan die geometrie had gegeven.
De strijd hier aangeduid, is voor ons onderwerp niet van groot
belang. Maar wèl is het de moeite waard, nu de namen van Thales en
Euclides zijn genoemd, zoo mogelijk met eenige zekerheid vast te
stellen, wàt, voordat Euclides in zijn leerboek de geheele stof
der planimetrie naar de lijnen eener streng doordachte methode
rangschikte, daarvan in het Grieksche onderwijs kan zijn bekend
geweest. Algemeen plegen de Grieksche schrijvers van lateren tijd reeds
de driehoeksmeting aan Thales' naam te verbinden. Thales--zoo verhaalde
men--heeft het eerst aangetoond dat de omtrek van een driehoek bekend
is, wanneer ééne zijde met de aangrenzende hoeken gegeven is. Want om
den afstand te bepalen waarop een schip in volle zee zich bevond van
't Milesisch strand, mat hij de hoeken waaronder hij dat schip zag,
eerst aan den voet, straks op den top van een' hoogen toren. En toen
hij later in Aegypte kennis maakte met de priesters, in practische
meetkunde zoo bekwaam, wees hij er dezen op, hoe gemakkelijk het is
de hoogte eener pyramide te meten, indien men eenmaal heeft opgemerkt
dat er één oogenblik op den dag is, waarop de stand der zon aan elk
voorwerp een schaduw geeft juist gelijk aan zijne lengte.
Het behoeft nauwlijks gezegd te worden, dat het trigonometrische
vraagstuk, door Thales opgesteld en opgelost, de grenzen der
planimetrie ver overschrijdt en het hoofdstuk over den driehoek voor
een goed deel als reeds bekend veronderstelt. Er is dan ook reden om
aan te nemen dat reeds in de "schets der geometrie" door Anaximander
uitgegeven, een leerboek aan de Grieken in de handen was gelegd,
dat de wijsgeerige onderzoekers verder bracht op hunnen weg. Op
vroegere waarnemingen steunde zonder twijfel ook Pythagoras, toen
hij de stelling poneerde en demonstreerde, dat in een rechthoekigen
driehoek het quadraat der hypotenusa gelijk is aan de som der quadraten
op de rechthoekzijden; maar wij zien toch sporen van geleidelijke
ontwikkeling der bewijsmethode, als ons wordt meegedeeld dat in de
Pythagoreïsche school het eerst is gevonden, hoe men door het trekken
eener hulplijn uit den top van een driehoek, evenwijdig met de basis,
gemakkelijk het bewijs kan leveren dat de drie hoeken van eenen
driehoek te zamen even groot zijn als twee rechte hoeken. Ongetwijfeld
wijst dit laatste feit op eene vrij uitgebreide behandeling van de
verschijnselen die zich kunnen voordoen, wanneer twee parallel-lijnen
gesneden worden door een derde lijn.--Zoo vindt men aanleiding om
betrekkelijk vroeg een min of meer regelmatig geordend onderwijs in de
mathesis voor de grootere jongens waarschijnlijk te achten. Alleen
bedenke men dat toenmaals nog niet zoo nauwkeurig als later de
mathesis geheel systematisch in vlakke en lichaamsmeetkunde, in
driehoeksmeting, in bolvormige driehoeksmeting, en wat dies meer zij,
was ingedeeld. Zonder twijfel heeft de Grieksche meetkunde, die zich
in ieder geval vrij nauw aansloot bij de eischen des dagelijkschen
levens, deze aansluiting gevoeld in eene min of meer incidenteele
ontwikkeling. Nu eens was het de kegel, dan weer de bol, nu eens de
cylinder, straks het platte cirkelvlak dat hunne aandacht vroeg: de
geheimen van parabels, hyperbels, ellipsen hebben reeds vroeg menigen
Helleenschen philosoof, niet in de laatste plaats de Pythagoreïsche
school, bezig gehouden. Doch daarnaast werd de elementaire studie in
hare vrije ontwikkeling, die telkens leidt tot het deduceeren van
nieuwe problemen uit de zooeven opgeloste, voortdurend belemmerd
door den elementairen toestand der instrumenten. Ieder onzer weet,
hoe suggestief voor gevolgenrijke constructies de passer is;
echter zullen wij moeten aannemen dat het aantal jongens die met
een passerdoos onder den arm te Athene naar school toe wandelden,
uiterst gering was. In de Wolken van Aristophanes buigt Socrates een
braadspit krom, om bij een in 't zand voor zijne leerlingen geteekend
meetkundig probleem een cirkel te kunnen trekken.
Het tafreel uit de Wolken is alweer eene persiflage en zegt ons
dus alleen, dat in de kringen waartoe Socrates naar de onjuiste
voorstelling van Aristophanes behoort, d.i. bij de intellectuels van
430-420, het mathematisch onderwijs in eere was. Veel leert ons dit
niet. De manier waarop in de zooeven aangehaalde plaats Herodotus
over de Egyptische landmetingen spreekt, is ook niet van dien aard,
dat men den indruk krijgt alsof hij van de berekening der door
afspoeling verklemde stukken zich een duidelijke voorstelling maakt,
of denkt dat zijne lezers zoo iets van hem verwachten. En zelfs al had
hij de constructie van dit probleem kunnen teekenen, wat bewijst dat
voor de jongens van Athene? Anaxagoras schreef in de gevangenis een
boekje over de quadratuur van den cirkel; is er iemand die dat voor
een schoolboekje houdt? Zeker niet. Wij zullen wel mogen zeggen dat in
het laatst der vijfde eeuw mathematisch onderwijs, op de lagere school
aan knapen gegeven, nog tot de uitzonderingen heeft behoord. Eerst
in de tweede helft der vierde eeuw behoorde de planimetrie tot het
algemeene programma, en tegelijk met de planimetrie een goed deel
van wat wij algebra noemen. Immers--om een enkel voorbeeld te noemen:
de welbekende formule (a + b)2 = a2 + 2 ab + b2 leerden de Grieksche
jongens niet, gelijk wij dat hebben geleerd, door eene berekening met
algemeene door letters aangegeven waarden; het werd hun omslachtig,
maar met onovertroffen duidelijkheid bijgebracht door het mathematisch
bewijs van de volgende stelling: Als een rechte lijn, op welk punt ook,
gedeeld wordt in twee deelen, dan zal het quadraat op de geheele lijn
gelijk in inhoud zijn aan de som der quadraten op hare beide deelen,
vermeerderd met het dubbele van den rechthoek door die beide deelen
als zijden gevormd.--
Onze beschrijving van het schoolleven heeft stilzwijgend den leerling,
wiens leven wij nagaan, doen groeien. De jongen die de "merkwaardige
producten" bestudeert is een ander dan het knaapje dat wij aan zijn
lees- en schrijfoefeningen zagen. Maar indien wij ons den eerstgenoemde
nog evenzeer als den laatste op de school van den grammatist mogen
denken, dan kunnen we die inrichting van lager onderwijs toch niet
verlaten om den knaap naar muziek- en gymnastiekschool te vergezellen,
zonder dat nog eens deze vraag in ons oprijst: "Is dat nu werkelijk
alles geweest wat een jong Athener bij den grammatist leerde? Om van al
het andere te zwijgen--leerde hij daar noch historie, noch geografie?"
Wanneer wij die vraag zoo bedoelen, dat wij willen weten of er op
de Atheensche scholen ook les werd gegeven in de geschiedenis en
aardrijkskunde, dan kan het antwoord kort en ontkennend zijn. Een
rooster van werkzaamheden met een vast aantal voor de verschillende
vakken uitgetrokken uren is trouwens in de Atheensche school, zooals
wij die kennen, eenvoudigweg ondenkbaar. Maar de lectuur geeft op
school gelegenheid tot velerlei uitbreiding. En nu is het wel zeker,
dat in de eerste periode van de vijfde eeuw nagenoeg alleen Homerus,
Hesiodus en sommige moralistische dichters op school werden geleerd
en gelezen; maar toen eens de half poëtische, half kroniekmatige
jaarboeken der oude logographen op den achtergrond waren gedrongen
door de boeiende Historiën van Herodotus, zouden toen de Atheensche
onderwijzers hebben nagelaten hun knapen uit dat kostbare boek de
wonderen van Aegypte, en de heldendaden hunner eigen vaderen te doen
kennen? Zou toen niet--bij wijlen althans--de vlakte van Ilias voor
't veld van Marathon, en Ithaka voor Salamis vergeten zijn? Zouden
de Atheensche schoolmeesters minder hebben willen zijn dan Oloros,
de vader van Thucydides, die zijn zoontje--volgens 't verhaal--meenam
naar de openbare voorlezing van 't Historiewerk door den schrijver
zelven? Men kan hierin niet veel verder gaan dan deze vragen te
stellen. Eenigszins kan tot hare bevestigende beantwoording de
overweging meewerken, dat althans de toeschouwers in den schouwburg
blijkbaar hun Herodotus al heel goed kenden toen Aristophanes in het
jaar 425 zijne medeburgers vermaakte door eene kostelijke parodie
der aanvangshoofdstukken van Herodotus' geschiedenis in zijn blijspel
de Acharniërs.
En wie eenmaal historie leest, die kan de geografie niet
missen. Atheensche jongens trouwens, levendig en opmerkzaam van aard,
en bewoners van een stad die, als ze even den burchtheuvel beklommen,
hun het halve Beneden-Griekenland in bonte verscheidenheid uitgespreid
toonde: eilanden, bochten, zeeengten, kapen, zoover het oog maar
reikte; Atheensche jongens, wier grootvaders bij Mykale hadden
gevochten, wier vaders zeilden naar Lesbos en Creta, die jaarlijks de
afgezanten van alle bondsstaten in de stad zagen komen--hoe hadden ze
anders dan landverkenners kunnen zijn! Zij hebben zeker niet in doffe
berusting de wonderreis van Odysseus gelezen, zeker niet van Scheria en
de Phaeaken, van de Charybdis en 't eiland van Aeolus hooren verhalen
zonder te willen weten "waar 't Westen was en waar het Oosten". Maar
al leerde hen de meester, dat de Olympus in Thessalië ligt en Mycenae
niet ver van Argos, en al wees hij hun de mogelijkheid aan dat
Achilles de waarheid sprak, toen hij in de vlakte van Troje zeide:
"Als de Goden mij gunstigen wind geven, dan zou ik binnen drie dagen
bij mijn vader thuis in Phthia kunnen zijn"--hoe kan een Atheensche
jongen zulke uitleggingen volgen zonder kaart?
Of dan in de "elementaire" school der Atheensche onderwijzers kaarten
hingen? Toen Aristagoras, de tiran van Milete, bij het voorbereiden
van den Ionischen opstand eene rondreis deed door Griekenland, bracht
hij eene wereldkaart mee, waarschijnlijk eene copie van de kaart, die
Hecataeus van Milete, Herodotus' voorganger in de geschiedbeschrijving,
had vervaardigd. Maar de woorden, in welke Herodotus dat feit
bericht, zijn wel geschikt om te doen zien, hoe nieuw toen de
cartografie nog was. "Aristagoras", zoo verhaalt Herodotus, "had
op zijne reis naar Sparta eene koperen tafel meegebracht, in welke
de omtrek der geheele aarde, met de gansche zee en alle rivieren was
gegraveerd."--Dat geschiedde in 499. En hoe het geschied is, kunnen we
ons nauwlijks meer voorstellen. Want daargelaten nog de onduidelijke
en onjuiste voorstelling aangaande den vorm der aardoppervlakte
die de Milesische voorgangers van Thales en Hecataeus in hunne
geografische teekeningen beheerschte, daargelaten de afwezigheid van
nagenoeg alle instrumenten, met uitzondering van den zonnewijzer,
om hen bij te staan in het bij benadering bepalen van verhoudingen en
afstanden, hoe jong, hoe schemerachtig en hoe onzeker was de factische
kennis dezer kloeke kaartteekenaars ondanks de uitgebreidheid der
Milesische handelsbetrekkingen! Mondelinge mededeeling was het
grootendeels, die hen moest leiden. Aan hun eigene schippers, koers
zettende naar de kusten der Zwarte Zee--waarheen lang vóór dien
tijd reeds de handelsijver of de weetgierigheid hunne vaderen had
gedreven,--moesten zij opdragen den afstand en den omvang van de Zwarte
Zee en de Caspische Zee op hun tochten voor hen na te gaan. Mondelinge
overlevering moest hun verhalen, hoe de Donau liep, en wat het einde
was van de "Sneeuwlanden" daarboven. Zeevaarders-autoriteit moest hun
teekenstift besturen om de kustenlijn aan gene zijde der straat van
Gibraltar te trekken. Aegyptische priesteronthulling lichtte hen in
over de bronnen van den Nijl en het land der Aethiopiërs. En als dan
al die berichten waren verzameld, dan moesten deze--in hunne opgaven
als gelijkwaardig gerekend, hoe ongelijk de betrouwbaarheid der
verslaggevers ook mocht zijn--worden uitgedrukt in eene teekening
van niet zeer groote afmeting, en zulks door mannen die van alle
mechanische hulpmiddelen tot trouwe reproductie verstoken waren.
En toch moet in de vijfde eeuw de cartografie bij de Grieken zeer
groote vorderingen hebben gemaakt. De landbeschrijvingen van Herodotus
getuigen van eenen zoo grooten vooruitgang, vergeleken bij hetgeen
zijn voorganger, Hecataeus van Milete, had gegeven, dat ondanks de
naieve bewoordingen waarin hij--wellicht opzettelijk, om in zijne
schets de locale kleur van Sparta te bewaren--over de "koperen tafel"
van Aristagoras spreekt, de lezer gedrongen wordt zich Herodotus voor
te stellen in het bezit van kaarten. En wanneer men--zooals dikwijls
is gedaan--eene schets op papier brengt van de bewoonde aarde zooals
Herodotus zich die dacht, dan is wel bij den eersten oogopslag veel
in die voorstelling zonderling, scheef, onjuist; maar het is toch al
een heel wat betere wereldkaart dan die van Hecataeus, en dus ook die
van den tyran Aristagoras, geweest was. En de vader der historie is
zich dat ook wel bewust. Hij moet lachen--zegt hij ergens--als hij
ziet hoe "sommige menschen", ofschoon zij van de uiterste streken
onzer aarde niets weten, kloekweg een aarde teekenen rond als een
cirkel met den Oceanus als kringstroom er om heen, en zich Azië niets
grooter voorstellen dan Europa.
Reeds het feit, dat de eeuw van Herodotus het tijdperk is van de ook
te Athene met onbeperkte belangstelling gevolgde onderzoekingsreizen
"om de Zuid" en naar Indië, wettigt de veronderstelling dat ook,
hoezeer daarover de schrijvers zwijgen, kaarten, in brons gegraveerd
of op papyrus geteekend, meer en meer in gebruik zijn gekomen. En de
éénige plaats die ons daarover enkele inlichtingen geeft, eene scène
uit Aristophanes' Wolken, brengt ons weer naar de school terug,
zij het ook naar eene school voor meer gevorderden, en naar eene
school, die alleen in Aristophanes' verbeelding bestaat, aangezien
niets zoover van Socrates' neiging en aanleg verwijderd was als in
een schooltje zittend wijsheid over te gieten in de hersenen van
daarvoor aangevoerde knapen of jongelingen.
Strepsiades,--de ons reeds lang bekende boer, die vroeger in goeden
doen was, doch door zijn huwelijk met een stadsdame boven zijn stand,
achteruitgeboerd heeft en na langzame doch zekere intering nu sinds
eenigen tijd hollend achteruit gaat door de verkwisting van zijn zoon,
mama's lieveling en een' held onder de jeunesse dorée--Strepsiades
heeft, ten einde raad, besloten bij Socrates les te gaan nemen in de
nieuwe sophistenwijsheid die wit zwart kan praten en hem in staat zal
stellen aan zijne schuldeischers logisch en syllogistisch te bewijzen,
dat zij geenerlei rechten op hem kunnen doen gelden.
Strepsiades nu is een hoogst onnoozel man. En ofschoon wij uit de
eerste scène der comedie weten, dat hij behoorlijk boek houdt en
rekenen kan, hij is toch ook een buitengewoon onwetend man. Zijne
verbazing over al wat hij ziet in de school van Socrates, is er op
berekend het publiek te doen lachen en hem als een domoor voor te
stellen. Het zou dus verkeerd zijn, uit zijne vragen af te leiden
dat te Athene de zaken, die hij blijkt niet te kennen, algemeen
onbekend waren.
Nadat hij over eenige niet nader aangeduide geometrische instrumenten
zijn onnoozele onwetendheid heeft gelucht, wijst de leerling, die
hem rondleidt in de school, hem op eene kaart.
Leerl. Zie, daar heb je een teekening van de geheele aarde. Daar
ligt Athene.
Streps. Och kom, wat zeg je? Daar geloof ik niets van: ik zie de
rechters niet eens zitten.
Leerl. Ik verzeker je toch, dat dit land hier werkelijk Attica is.
Streps. Zoo? Waar zijn dan de Cicynniërs, mijn districtgenooten.
Leerl. Die wonen op dit plekje. En hier is Euboea, dat, zooals je
zien kunt, heel lang gerekt langs ons land ligt.
Streps. Ja, ja. Zoo werd het door ons onder Pericles uitgerekt.--Maar
waar is Lacedaemon?
Leerl. Waar dat is?--Hier.
Streps. Zoo dichtbij? Zorg er vooral voor dat je dat weer een heel
eind ver van ons af brengt!
De gechargeerde onnoozelheid van dezen boer kan, naar mij voorkomt,
alleen dit bewijzen, dat aan zijn horizont noch geografie noch
cartografie zich tot nu toe hadden vertoond. Maar zijne grappen
zouden alle uitwerking gemist hebben, indien niet het Atheensche
publiek beter dan hij met de kaarten ware bekend geweest en deze,
zooals hier in de school van Socrates, ook in de Atheensche scholen in
het begin van den Peloponnesischen oorlog vaak aanwezig waren geweest.
Maar vooral moet hierbij één ding niet uit het oog worden verloren. Een
land dat niet op de wijze der moderne staten zijne knapenopvoeding
regelt door een goed ineengeschakeld stelsel van onderwijswetten,
heeft feitelijk elk decennium wijzigingen in zijn onderricht te
constateeren. Vooral in den Atheenschen staat, die tusschen het begin
van den Perzischen en het eind van den Peloponnesischen oorlog in
alle opzichten zijnen gezichtskring door verkeer met het buitenland
had uitgebreid en de materie zijner kunst en wetenschap onophoudelijk
had vermeerderd, bracht elk tiental jaren verandering. De principieele
uitbreiding van de leertijdgrens, die daarvan het gevolg was, zullen
wij later in haar geheelen omvang leeren kennen; thans is het genoeg
de beteekenis er van ook voor het elementaire onderwijs door eene
enkele opmerking toe te lichten.
Het onderwijs was, zooals wij reeds vroeger zagen, te Athene in den
tijd dien wij voornamelijk bespreken, geheel vrij. Ieder die wilde
mocht er zich aan wijden. En ofschoon nu inderdaad de positie van een
schoolmeester te Athene weinig geëerd was, zoo is het toch denkbaar
dat er onder hen die het elementaire onderwijs als broodwinning kozen,
enkelen waren, die door hun opvoedkundigen aanleg en hunne sympathie
voor de jongens tot die keuze waren gebracht. Voor zulke onderwijzers
nu was misschien geen vraag zoo boeiend en prikkelend als die van
de taal. In de vijfde eeuw namelijk heeft de taal der Grieken een
tweeledig beteekenisvol proces doorgemaakt: uit de vormen der poëzie,
die zelve ten gevolge van het conservatisme der dichters althans in
de epische en de elegische dichtsoort hoe langer hoe meer zich met
de herhaling van het oude begon te vreden te stellen, was een jong,
levenskrachtig en bloeiend proza geboren, en geen kundig onderwijzer
zal, zooals reeds boven werd opgemerkt, lang hebben geaarzeld, of
hij de jongens niet ook eens wat uit Herodotus in plaats van uit
Homerus zou laten lezen.--Maar hij kon ook weldra met de oude taak,
de knapen bij 't voorlezen te doen letten op eene zuivere uitspraak,
niet meer tevreden blijven: de grammatica had haren intocht gedaan,
en ofschoon men de grammaticale onderzoekingen van de sophisten, als
Protagoras en Prodikos, zeker liever onder de oogen van ontwikkelde
jonge mannen dan van kleine knapen bracht--er was toch in die nieuwe
wetenschap het een en ander dat in de praktijk ook tot de laagste
jongensklasse begon door te dringen. De belangrijkste grammaticale
ontdekkingen namelijk van Protagoras, althans diegene die het meest
bekend zijn gebleven, zijn zijne regels over 't geslacht en zijne
opmerkingen over de wijzen en tijden der werkwoorden. De eerstgenoemde
zijn wel geschikt om ons te doen zien, dat de Grieken even goed hunne
moeite en zorgen daarmee hadden als wij. Socrates althans maakt in de
Wolken den armen Strepsiades duizelig en suf door hem slag op slag
te overvallen met de vraag, waarom hij eene zeef vrouwelijk maakt,
doch een hoen zoowel manlijk als vrouwelijk, en geeft hem daarna een
even vermakelijk als vruchteloos lesje in de leer der manlijke en
vrouwelijke buigingsuitgangen.
De strekking van deze geheele scène is duidelijk. Niet zoozeer bepaalde
sofistenscholen bestrijdt hier de vechtlustige comediedichter, doch
eene nieuwigheid (een euvel volgens hem) die onder de volgelingen
der moderne, intellectualistische richting zich allerwege te Athene,
ook in het lager onderwijs, openbaarde.
De voordeelen, of nadeelen, van dit alles geniet de kleine knaap: niet
slechts bij den grammatist heeft zich zijne taak ongemerkt uitgebreid,
doch ook bij den citharist. De voortdurende aanwezigheid van dezen
in de trits der Atheensche opvoeders is een van de duidelijkst
sprekende bewijzen voor het groote verschil tusschen Grieksche en
moderne opvoeding.
Wanneer men de oud-Grieksche theoretici de stelling steeds weer ziet
poneeren of althans beamen, dat niets zoo geschikt is als de muziek
om de ziel van den knaap te vormen tot harmonischen eerbied voor de
deugd, ja zelfs, dat ingrijpende verandering in de muziek kans heeft
eene geheele bestaande staatsregeling omver te werpen, dan beseft men
licht, dat in de antieke wereld bij het gebruik van het woord muziek
aan iets anders moet zijn gedacht, dan alleen aan de kunst die wij met
dien naam aanduiden. Wat Solon op het oog had, toen hij de Atheensche
burgers zoo ernstig vermaande hunne kinderen, naast de gymnastiek,
ook de muziek te leeren, en wat wij op de teekeningen der vazen den
citharist aan zijn zeer oplettenden leerling zien onderwijzen, dat
is in de allereerste plaats een zeer eenvoudig accompagnement. Dàt
moet de jongen kennen, zoo goed als zijne poëzie. Een virtuoos
behoeft hij niet te worden, maar aan zijns vaders tafel moet hij
klaar staan om, als de vrienden het willen, een oud lied voor te
dragen;--moest hij althans, vóór de zonen van het geslacht dat na
Pericles opgroeide, hadden geleerd den neus op te trekken voor zulk
ouderwetsch geneurie. Bovendien, als de tijd gekomen is dat hij
zelf als jongeling mee aanligt, dan moet hij aan den nadisch, als
de liederencyclus van het oud-Grieksche Commersbuch wordt gezongen,
zonder aarzelen de lier, die hem wordt gebracht, kunnen aannemen en
zich zelven begeleiden bij 't liedje dat juist aan de beurt is.
Dit alles is nog maar weinig. Het zijn motieven, niet veel gewichtiger
dan die, welke ons b.v. overtuigen dat het gewenscht is om aan onze
kinderen danslessen te doen geven. Want voor het muziekonderricht
gelden bij ons gewichtiger bewijsredenen. Intusschen ontbreken deze
ook bij de Grieken niet, en zij zijn van tweeledigen aard. Een literair
argument, en een meer beslist muzikaal.
Vooreerst moet het onderricht in het lierspel den knapen de bekwaamheid
geven om lyrische poëzie te waardeeren. Lyrische liederen-poëzie
namelijk zonder lier, zooals wij die kennen, zou zulk een Atheensche
jongen zich niet gemakkelijk hebben voorgesteld. Dat er eens eene
lyriek zou bestaan, bestemd om voorgelezen, niet voorgezongen te
worden, om in stilte te worden genoten, niet met de ooren, doch met de
oogen, dat heeft noch die jongen noch zijn vader vermoed. De Grieken
van Pericles' tijd zijn niet enkel een volk van dichters, maar ook,
wat zij steeds geweest waren, een volk van zangers. Herders, roeiers,
maaiers, wachters, allen hadden hun liederen--helaas, dat alleen heel
flauw en gansch uit de verte, op den achtergrond der literaire poëzie,
daarvan een weerklank nog tot ons komt! Want de zang had in het leven
der oude Grieken een ruime plaats. Niet alleen zong de eentonige
welluidendheid van het wiegelied hun kinderen in slaap, zooals de
onze; ook in het klaaglied van den threnos brachten zij zingend hun
laatsten groet aan de lijkbaar. Menig Athener vond de welluidendste
uiting van zijnen rouw hierin, dat hij een citherspeler deed beitelen
op de grafzuil van een hem dierbaren afgestorvene. Het was derhalve
geen wonder, zoo niet slechts eene keur van letterkundig ontwikkelden,
maar alle burgers die de poëzie van hun volk liefhadden de overtuiging
huldigden, dat men den knaap slechts ten halve het leven leerde
verstaan, als men hem de lier niet in de hand gaf. Het gevoel voor
poëzie is bij de Grieken met muzikaal inzicht ten nauwste verbonden,
en dàt inzicht--zoo meenden althans ten tijde van Pericles nog de
meeste vaders--kan eenen jongen niet te vroeg worden gegeven. De
muzikale opvoeding moet in hem het besef doen rijpen, dat de toon
van zijn eenvoudig instrument aandeel heeft in de bekoring der
poëzie. Zijn spel moet het woord des dichters voorbereiden in het
praeludium en dragen in het accompagnement, en de klank der melodie,
door hem met aandacht bewaard, zal meehelpen om ook de gedachte van
den dichter zuiver en in den juisten vorm te bewaren.
Deze overtuiging huldigen ook zelfs die Staten van het oude Hellas
waar het literaire onderwijs overigens weinig in aanzien was. Te
Sparta bijv. hebben wetgevers en bestuurders het langen tijd ernstig
in twijfel getrokken, of het wel wenschelijk was de knapen, zonder
onderscheid, door leesonderwijs in de gelegenheid te stellen kennis
te maken met alles wat geschreven was: een goed soldaat immers heeft
aan mondelinge commando's genoeg. Toch heeft dat zelfde Sparta niet
slechts de elegische krijgsliederen van Tyrtaeus in eere gehouden,
maar bovendien werd geen feest van Apollo Karneios gevierd, of de
Spartaansche meisjes zongen in beurtreien de welluidende Partheniën
(jonkvrouw-zangen) van hunnen Alcman onder muzikale begeleiding. En
in deze functie der muziek, in de groote beteekenis van het snarenspel
bij de godsdienstige feesten lag de tweede gewichtige aanleiding voor
de zorgvuldige muzikale opvoeding der Atheensche knapen. Elk dezer
jongens weet, hoe eervolle eischen op de godenfeesten zullen kunnen
worden gesteld aan zijne bekwaamheid in het lierspel. In de verdere
bespreking van de Atheensche opvoeding zal ons dit duidelijk genoeg
blijken. Eerst moeten wij trachten ons van de schoolsche liermuziek
zelve eenigszins een denkbeeld te maken.
Een Grieksche, althans een Atheensche jongen zou zich zijne voorouders,
en de helden van zijn geslacht, of zelfs de heroën uit het epos dat
hij op school leest, niet goed kunnen voorstellen als menschen die
geen muziek verstonden. Toch maakte hij, te recht of ten onrechte het
oude afmetend naar zijn eigen tijd, onderscheid bij de scènes die
hij las. Wanneer hij hoorde, hoe bij het feestmaal der Vrijers van
Penelope de heraut placht binnen te komen en de kitharis in handen
placht te geven aan Phemios "die door den nood gedwongen zangersdienst
deed bij de Vrijers", of wanneer hij gedacht, hoe aan den maaltijd der
Phaeaken de heraut den welbeminden zanger binnengeleidde, Demodocus,
"dien de muze zeer lief had en wien zij de gave van het lied had
geschonken daar hij het licht der oogen moest derven", en hoe dan de
heraut zorgvuldig aan een pilaar waartegen Demodocus' stoel leunde, de
phorminx van den blinde boven diens hoofd ophing en hem deed gevoelen,
hoe hij die tastend met de hand zou kunnen vinden, dan wist onze jonge
Athener twee dingen, vooreerst dat hij in beide die scènes te doen
had met ongeveer dezelfde kunst waarvoor men hem zelven de muziek
wilde leeren. Niet dat hij dan even als Phemios en Demodocus epische
stukken, van het "Trojaansche paard" of van "Agamemnons twist", met
lier-accompagnement zal leeren voordragen: Homerus zingt men in zijn
tijd niet meer, zooals die Aoiden deden--die er al zingend ook nog
wel eens wat bij dichtten!--Homerus reciteert men op de wijze zooals
hij het de rhapsoden heeft zien doen, in fraaie feestkleedij, met een
krans op het hoofd en een staf in de hand, of zooals hij 't zelf doet,
desnoods den rhythmus aangevend met de hand. Maar overigens weet hij
dit zeer wel: bij deze oude Aoidenvoordrachten was evenmin sprake
van eigenlijk muzikale praestatie als in het onvergetelijke tooneel,
zoo levendig beschreven in het Negende boek der Ilias, wanneer laat in
den avond Achilles, in de eenzaamheid van zijn jongen wrok neerzit voor
zijne tent alleen met Patroclus, en, terwijl deze ernstig toeluistert,
bij den klank der phorminx zingt van de "daden der Vaderen".
De knaap, die dat gedenkt, weet ook wel hoe de oude phorminx er
uitziet. Hij heeft te dikwijls op drinkschalen en vazen de voorstelling
gezien van Achilles' leeruren bij Chiron "den uitnemendste aller
Centauren"; zou hij niet, als eens zijn verrassing over dien braven,
gebaarden leermeester met zijn goedaardige gezicht en zijn forsche,
bijna wilde paardenlichaam wat bedaard was, telkens weer met gespannen
aandacht hebben nagegaan, hoe de centaur de jonge vingers van Achilles
leidde over de snaren van het vier- of zevensnarig instrument?
Vier- of zevensnarig? Het is niet onwaarschijnlijk dat de Atheensche
jongen die vraag met evenveel onzekerheid heeft gedaan als wij. Want
zijn Homerus zegt het hem niet en de schilderingen op schalen,
voortbrengselen van de kunst zijner eigene tijden, hebben toch ook niet
de ware autoriteit; bovendien laten die schilders niet zelden op hunne
tafreelen evenzeer de snaren van de phorminx weg als b.v. de pees van
den boog.--Maar het allerminste wat wij van des knapen citharist mogen
verwachten is toch wel dat hij den jongen leert, hoe de instrumenten
er vroeger uitgezien hebben en ten zijnen tijde uitzien! Mij dunkt,
dat zal een Atheensch muziekmeester ongeveer aldus hebben gedaan:
"Vooreerst", zal hij hebben gezegd tot zijne leerlingen, "moet ge
bedenken dat, als Homerus van een citharis spreekt dit ongeveer het
zelfde is als onze lier, en dat er tusschen de citharis van Paris en
de phorminx van Achilles ook geen groot verschil kan geweest zijn. Wilt
ge weten, of die oude citharis ook in bouw met onze lier overeenstemt,
let dan maar eens op hoe juist op de lier in mijne hand toepaslijk is
wat in de Homerische Hermes-hymne wordt verteld van de wijze waarop
Hermes de lier heeft uitgevonden: hoe hij de schildpad grijpt en haar
schild openbreekt, hoe hij staafjes zet binnen in het rugschild, nadat
hij het vleesch daar geheel heeft uitgesneden, hoe daarover een stuk
huid wordt gespannen en dan in de openingen van dat zelfde schild twee
andere staven worden gestoken--in mijne lier zijn die van hoorn. Die
twee staven vereenigde Hermes door een juk, en van dat juk af spande
hij op zijn klankbodem de snaren uit darmen bereid.--"Hoevele?"--Ja,
in den Hymnus staat "zeven." Maar dat zal toch wel zijn omdat de
zanger van dezen hymnus zelf al een zevensnarige lier bezat. Wie het
eerst bij onze oudste vaderen de lierkunst heeft uitgevonden, hetzij
Apollo--zooals ook in de homerische hymnen wel wordt gezegd--hetzij
Hermes, die heeft geen zevensnarige lier gekend, maar een viersnarige!"
Het is een hachelijke onderneming de fictie, alsof we een Atheenschen
citharist sprekend vermogen in te voeren, al te lang voort te
zetten. Hij heeft zijn' leerling allerlei te beduiden, dat wij hier
alleen uit de verte kunnen aanwijzen, daar wij ons op het gebied der
muzikale techniek, als onbevoegden, niet willen wagen. Vooreerst zal
toch de meester aan deze knapen wel hebben doen hooren, hoe eigenlijk
de toonschaal van de zevensnarige lier gelegen was. Hij zal hun
gewezen hebben dat de oude viersnarige lier met hare vier noten in
drieërlei aard kon zijn samengesteld, daar zij bij eene samenstelling
van snaren, welke ongeveer onze ef g a weergaven, een ander karakter
had dan wanneer het kleine interval (ef) in het midden lag (d ef g)
of op het eind (c d ef); hij zal hun hebben doen hooren, hoe die
eerste toongroep (de Dorische) tot ernstiger muziek zich leende dan
de tweede (de Phrygische) of de derde (de Lydische). Minder bezwaar
dan deze theoretische uiteenzetting zal 't hem gekost hebben den
jongens duidelijk te maken hoe schraal dit accompagnement was,
en hen te laten zien hoe--waarschijnlijk door de inventie van den
Lesbischen dichter-zanger Terpander--in de zevende eeuw de toonschaal
was uitgebreid door de vereeniging van twee tetrachorden-schalen,
zoodat men een zevensnarige tonenreeks op het instrument verkreeg
(ef g a bes c d).
Of nu hiermee de lier, die hij zijn leerling in de hand legde,
volkomen in overeenstemming was, weten wij niet; zelfs is ons onbekend,
in hoever deze kleine Atheensche jongens reeds hebben geleerd den
rijkdom der tonen te vermeerderen door met den vingerdruk de snaren te
verkorten, zooals bij ons vioolspel geschiedt. De vazenschilderingen
toonen ons wel duidelijk dat de meesters zoowel als de knapen
dikwijls met de vingers in plaats van met het zoogenaamde plectrum
(het staafje) de snaren aanraken, maar wanneer men let op de plaats
waar zij met den vinger de snaar beroeren, is het wel duidelijk dat
dit een eenvoudig tokkelen en niet een verkorten van de snaar is; het
is dus vingerspel naar den ouden trant, naast slaan met het plectrum
volgens de nieuwe manier.
Overigens vraagt het eigenlijke doel dezer oude liermuziek niet eene
zoo rijke modulatie van tonen. Eigenlijke instrumentale muziek is
bestemd voor de cither (kithara). De cither, die dus den ouden naam had
behouden waarmee in de homerische poëzie het eenvoudiger instrument
was aangeduid, is door haren bouw (haar houten klankbodem en hare
holle armen aan weerszijden van de snaren) die later in den afgeleiden
vorm van den psalter aan onze harp zou nabij komen, geschikter voor
klankvolle muziek; zij is in de handen van den virtuoos, hetzij hij
een lied zingt bij zijn muziek, hetzij hij zwijgend voordraagt, het
ware instrument voor de technische muzikale voordracht, en deze wordt
grootendeels overgelaten aan de musici van beroep, althans niet op
school onderwezen.
Ook hier--en in meerdere mate nog dan bij het literaire onderwijs--deed
zich in de bewegingsvolle tijden van den Peloponnesischen oorlog eene
zeer sterke wijziging van inzicht gevoelen. Een ouderwetsch man is
tevreden als zijn zoon een oud lied op de oude wijze zingt. De regels
van het vers aldus recitatief voordragend dat iedere sylbe goed wordt
verstaan, verheft hij, verdeelt hij en accentueert hij die voordracht
door het aanslaan van zijne lier, zoo vaak versbouw en zinsnede het
verlangen: zoo verduidelijkt zich de cadence, zoo zingt de jambe
helderder, zoo huppelen de dactylus en de anapaest vlugger.
Maar die voordracht zelve moest ondanks het protest der conservatieven
wel veranderen bij de ontzaglijke vlucht, die in de vijfde eeuw de
kunst zelve der in het openbaar gezongene poëzie had genomen. Er
ligt een wonderbaar snel afgelegde weg tusschen den statigen bouw
der voorname Pindarische strofen en de onrustige modulatiën van een
dithyrambendichter als Timotheos. Zelfs indien wij ons bepalen tot de
chorische lyriek van de drie groote tragici kan ons die snelheid van
ontwikkeling niet ontgaan. Welnu, indien de taak van den citharist
inderdaad niet alleen was om zijn jongen leerling te wijzen, hoe
hij aan tafel zijne lier moest gebruiken als hij op zijne beurt
ging zingen:
In de myrten zal ik mijn zwaard verbergen
Zooals Harmodios en Aristogeiton--
doch indien zijne propaedeuse den knaap tevens vatbaar moest maken om
als een verstandig toeschouwer toe te luisteren in den schouwburg, ja
zelfs misschien op zijne beurt mee te zingen in deze nieuwe koormuziek,
dan had ongetwijfeld de muziekleeraar van den Pericleïschen tijd
een vrij wat uitgebreider en moeilijker taak te vervullen dan zijn
collega van Aeschylus' dagen. Meer en meer had in die eeuw de muziek
geleerd, de rol haar oudtijds toebedeeld als al te bescheiden te
beschouwen. Alleen maar draagster van het woord te zijn en in haren
rhythmus zich te laten binden door zoo enge middelen als de slechts
tweevoudige afwisseling van lang en kort toeliet, dat was haar niet
genoeg: haar eisch was, zoo noodig de lettergreep niet slechts een
kwart-noot of een halve noot aan te houden, maar zelfs een heele
noot. En op dien zeer begrijpelijken eisch volgde weldra een tweede:
de toondichter vorderde voor zich het recht, het lied van den poëet
te behandelen naar dezelfde methode die in het operalibretto vóór de
dagen van Richard Wagner gold, en hij rekte en knipte en ontwrichtte
het woord, om te voldoen aan zijn tremolo's en alle verdere modulatiën.
Voor een jongen uit het allerlaatst van de vijfde eeuw was het dus
een vrij belangrijke vraag, welke richting in de muziek zijn vader
was toegedaan. Streng conservatief, zoodat hij van deze virtuositeit
dergelijke gevaren voor de zedelijke opvoeding van zijn zoon vreesde
als Plato, die al deze schijnbegeleiding uit den booze achtte en er
even ernstig tegen waarschuwde als tegen de zuiver instrumentale
muziek, in des wijsgeers oogen zoo verwerpelijk "omdat ze maar al
te licht ontaardt in de vage vertolking van duistere, droomerige
depressie of van zinlijke verbeelding"? Of flink geavanceerd als de
zoon van Strepsiades in het blijspel van Aristophanes, zoodat hij
zelfs Aeschylus ouderwetsch noemt en gezwollen? Het best zou hij het
zeker getroffen hebben, indien Aristophanes zelf zijn vader of zijn
leeraar was, want die zou hem hebben kunnen leeren de nieuwe muziek
tegelijk kunstmatig na te volgen en in hare overdrijving te bespotten.
Over een ander onderdeel van het onderwijs in de muziek, het
zangonderricht, kunnen we na 't geen over de cither is gezegd kort
zijn; de zang is namelijk met het lierspel geheel één. Maar kort
na de Perzische oorlogen kwam het fluitspel te Athene in de mode,
niet als technische begeleiding alleen door musici van beroep gegeven
bij offerplechtigheden, dansen en theatervertooningen, waar de fluit
wisselt met de harpbegeleiding, doch ook als liefhebberij voor gewone
burgers en weldra als vak van onderricht; en zoo ziet men dan ook
op verschillende schalen die schoolscènes weergeven den welbekenden
dubbelen aulos (die in den klank meer van onze clarinet dan van de
fluit had) in de handen van den Atheenschen jongen. Weldra stellen de
burgers van Athene er eene eer in, als hun naam wordt genoemd onder de
medewerkers in een Dionysisch koor van fluitspelers, en men vindt het
de moeite waard van eenen of anderen grooten staatsman te vertellen,
wie zijn meester--dan toch zeker zijn privaatonderwijzer--in het
fluitspelen was geweest.--Maar deze liefhebberij voor het fluitspel
is eene mode geweest en als zoodanig spoedig verdwenen. Misschien werd
de techniek, vooral bij het gelijk behandelen der beide fluiten, voor
dilettanten gaandeweg te zwaar, misschien dachten velen over de zaak
als Alcibiades, die zijnen leermeester het instrument voor de voeten
wierp dat den speler dwong een zoo leelijk gezicht te trekken en hem
bovendien verhinderde te praten onder het spel. In elk geval heeft
zeker omstreeks het einde van den Peloponnesischen oorlog de lier,
althans in de school het terrein, dat zij tijdelijk aan de fluit had
moeten afstaan, weer heroverd.
De vraag, of in deze afschaffing van een vrij jong leervak ook moet
worden gezien de practische uiting van eene veldwinnende vrees voor
overlading van het onderwijs, kan nauwelijks bevestigend worden
beantwoord. Het zal in eene volgende afdeeling van dit hoofdstuk
blijken dat integendeel in de eerste jaren van de vierde eeuw
de leeftijdsgrens voor het onderwijs tegelijk met zijne eischen
is gestegen; bovendien achtte men het gevaar voor schade, door de
geestelijke inspanning aan de gezondheid toegebracht, wel opgewogen
door de groote zorg aan de gymnastische oefening gewijd.
Bij de Atheners--zooals ook elders in Griekenland--is deze gymnastische
oefening der jeugd in haren eersten oorsprong natuurlijk niet het
gevolg eener theorie. Zonder twijfel: de "harmonische ontwikkeling van
lichaam en geest", het mens sana in corpore sano, hebben de Grieken
wel begeerd. Maar in hare geschiedenis was de eisch tot gymnastiek
deze, de jonge burgers te maken tot rappe krijgers, en tot schoone
medespelers in al de reiën, de dansen en de tournooien, die Grieksche
staten ter eere van hunne goden plachten te houden. Maar toen, bij
de ontwikkeling van den Staat in zijne onderscheidene standen, de
gymnastiek evenals het verdere onderwijs meer los werd gemaakt van hare
oorspronkelijke, practische bedoeling, toen stond begrijpelijkerwijze
meteen de deur open voor het gevaar dat de lichamelijke opvoeding
de overhand zou krijgen, dat de gymnastiek athletiek zou worden,
d.w.z. die eigenlijke athletiek welke menschen fokt die voor
niets anders leven dan voor enkele op zich zelf staande en onnutte
krachtpraestaties. Ook Plato heeft ze reeds gekend, de krachtmenschen
met gezwollen spierbundels en leege hersenen, de beroeps-worstelaars,
die leefden op een bepaald dieet, maar die in den oorlog het moesten
afleggen tegen den eersten den besten goed-geoefenden ephebe. Ja, lang
reeds vóór Plato was over de athletiek een met hartstochtelijkheid
gestreden twist uitgebroken. Hoe spot reeds de oude Xenophanes met
den man die vooraan zit aan den eeremaaltijd alleen omdat hij--of
misschien zijn paard--het vlugst heeft geloopen, terwijl hij zelf,
de wijsgeer-dichter, als een rondreizend zanger voor een kleine
gave zijn lied moet voordragen. Geheel anders daarentegen spreekt
Pindarus! Is niet de athleet door zijne hymnen verheerlijkt als de
roem en eer der stad die hem het leven schonk?
De Grieken zijn bespiegelend van aard en debatlustig, en zoo zou
zelfs eene vluchtige bloemlezing der beschouwingen vóór en tegen de
gymnastiek bij de Atheners, in den bloeitijd van het drama en met name
door Euripides, die zelf geen voorstander van de gymnische kunsten was,
ten tooneele gebracht, ons veel te ver voeren. Meer dan de lectuur van
zulke controverse meeningen zegt ons trouwens eene plaats uit Xenophons
Anabasis, die iederen oud-gymnasiast in de herinnering is gebleven,
en die bewijst hoezeer de lust tot het athletische spel den Grieken
in 't bloed zit. Toen Xenophons soldaten, het restje der welbekende
Tienduizend, na maanden van moeite en gevaar de langbegeerde zee
weerzagen, toen vielen zij niet slechts elkaar weenend in de armen,
maar zij bekrachtigden ook hunne vreugde door plechtige geloften
aan de goden, en zij vervulden die belofte door offers en door een
geregelden gymnischen Agon. Xenophon, dezen Agon vermeldend, vindt
het zelfs de moeite waard er bij aan te teekenen, wie als opperste
scheidsman daarbij heeft gefungeerd.
In de regelmatige toepassing der gymnastiek als deel van het lager
onderwijs hebben de Atheensche vaders zeker wel even goed als hunne
dichters en theoretici van tijd tot tijd geweifeld. De bittere vraag
van Euripides: "heeft ooit een man zijn vaderland gered omdat hij
een krans met zijne vuisten had veroverd?" bracht daartoe evengoed
het hare bij als de ervaring dat een zoon van niet al te vermogende
ouders datgene moest leeren wat hem, als hij volwassen zou geworden
zijn, kon beschermen tegen den honger. Maar toch mag men als
algemeene waarheid aannemen dat, voorzoover het onderwijs aangaat,
de gymnastiek nooit op den achtergrond is gedrongen. De Hellenen
hebben altijd met trots gevoeld, dat zij volstrekt niet alleen door
geestelijke voortreffelijkheid zich van de barbaren onderscheidden,
doch ook door die liefde voor lichamelijke inspanning die de
verstandelijke faculteiten schraagt en verfrischt. Men begaat geen
anachronisme, indien men tot toelichting van die meening Lucianus
citeert. De Anacharsis van den geestigen essayist van Samosata,
die door zijne eigene Syrische afkomst zoo bijzonder goed in staat
was het onderscheid tusschen Grieken en barbaren, zelfs toen in de
tweede eeuw onzer jaartelling nog bestaande, waar te nemen, bevat
een uitnemend geschreven gesprek tusschen Solon en zijn Scythischen
gastvriend Anacharsis. De Atheensche wetgever staat met Anacharsis te
kijken naar eene palaestra (een gymnastiekschool in de open lucht)
waar de jongens zich volgens de eischen der techniek oefenen in
het worstelen. "Hoe nu, Solon", roept Anacharsis, "zijn die jongens
gek? Zooeven wreven ze elkaar nog zoo vriendschappelijk met olie in, en
nu gooien ze elkaar in de modder, lichten elkaar beentje en 't scheelt
niet veel of de een zal den ander worgen! En die sukkel van een meester
staat er bij en lachend prijst hij den knaap die zijne kameraden het
hardst heeft aangepakt!"--Het kost Solon weinig moeite om aan den
Scythischen vreemdeling de beteekenis van het worstelen duidelijk
te maken. Trouwens, Lucianus was een veel te ervaren journalist om
in den breede uit te weiden over zaken die al zijne lezers evengoed
wisten als hij. Het "nut der gymnastiek" was een geliefdkoosd onderwerp
voor de schrijvers van dergelijke kleine schetsen als èn Lucianus èn
Philostratus gaarne publiceerden; en hoezéer in hun eigen tijd nog,
bepaaldelijk als hygiënische maatregel, de gymnastiek in eere was,
blijkt o.a. op merkwaardige wijze uit een paar losgescheurde bladen
van een "korte handleiding voor het technisch worstelen"--die enkele
jaren geleden in Aegypte zijn opgegraven, en die een reeks van korte
kommando's aan twee worstelende knapen behelzen.--Meer zorg echter
is door Lucianus aan de beantwoording van een tweede vraag van
Anacharsis besteed.
"Ik begrijp niet--zoo had de Scyth droogjes opgemerkt--waarom iemand,
als hij een olijfkrans wil hebben, niet eenvoudig een twijg van een
boom snijdt en zich die om het hoofd bindt zonder zich eerst daarvoor
in de maag te laten schoppen." Deze woorden van Anacharsis zien op
de poging door Solon gedaan om hem eerbied in te boezemen voor den
eereprijs die soms bij zulk een worstelstrijd het doel kon zijn, en
geven aan Solon gelegenheid om de belangrijke vraag naar de zedelijke
waarde van de eerzucht in Atheenschen, d.i. ook ten opzichte van de
educatie in gunstigen zin, te beantwoorden, en om daarnaast nog eens de
leer in het licht te stellen die Athene groot had gemaakt, n.l. deze,
dat door de juiste en evenredige staling van de lichaamskracht de
geestkracht wordt gesterkt en de overtuiging wordt gewekt dat het
ware evenwicht voor den mensch niet in de rust doch in de inspannende
beweging is gelegen.
In den goeden tijd is die leer het fundament der Atheensche
gymnastiek. Wat nu echter het onderwijs in die gymnastiek betreft, moet
men onderscheid maken tusschen twee soorten van gymnastiekinrichtingen:
de palaestrae en de gymnasia.
De kleine jongen die thuis door zijn balspel zijne vlugheid, en
wellicht bij de school door touwtrekken en dergelijke spelen zijne
spierkracht heeft geoefend, gaat daarna--omstreeks zijn tiende
jaar--gymnastiek leeren. Daartoe zendt zijn vader hem naar eene
palaestra. Zulk eene palaestra is eene particuliere gymnastiekschool,
als zoodanig niet per se voor het publiek toegankelijk. Wanneer
dus in het begin van Plato's Lysis de vrienden van Socrates hem op
straat aanroepen en vragen om mee te gaan naar een nieuw gebouwde
palaestra, welker deur openstaat en waar zij zonder verlof te vragen
binnenwandelen, dan volgt daaruit nog niet dat eene palaestra
eene publieke plaats is, of dat de Staat tot instandhouding dier
inrichtingen iets doet. De gymnastiekmeester (paidotribes) is de
eigenaar van zulk eene school en hij ontvangt, evenals de grammatist en
de citharist, schoolgeld voor zijn onderwijs. Dat dus--zooals Plato het
herhaaldelijk in zijne dialogen schildert--Socrates en de zijnen met de
grootste vrijheid in die scholen binnen gaan en met de jongens--toch
zeker in de pauze of na afloop van het onderwijs--zitten te praten,
is eenvoudig het gevolg van eene vaste gewoonte. De palaestra kan
worden gesloten, maar de paidotribes komt te gemoet aan de algemeene
begeerte der burgers om op hunne wandeling naar 't gymnastizeeren
te komen kijken; en hij heeft daar gelijk in, want zoo worden de
jongens geprikkeld om zich op hun best te vertoonen, en wordt in de
concurrentie het aanzien zijner school bevorderd.
De gymnasia daarentegen zijn geene particuliere inrichtingen
van onderwijs, maar groote, publieke gebouwen met niet al te
beperkt terrein. In den Hellenistischen tijd zijn het--zoo o.a. te
Perganum--ware sportpaleizen geworden, met leeszalen, badplaatsen enz.,
doch ook reeds te Athene in den bloeitijd dienden ze niet slechts als
oefenplaats voor al die talrijke spelen waarmee de volwassen Atheners
zich bezighouden, doch ook tot school voor de athleten van beroep;
voorts hielpen ze mee om te voorzien in de behoefte aan schaduwrijke
terreinen en koele zuilengangen, die in de zomerhitte voor eene stad
als Athene onmisbaar waren. De sophisten zijn er zeker van, daar
een gehoor voor hunne rhetorische pronkredenen bij elkaar te zullen
vinden; daar nestelen zich de philosofen in een hoekje, daar komen
ook de zakenmenschen elkaar zoeken, als zij hunne handelsvrienden
niet meer op de markt of in de openbare badplaatsen vinden.
Maar de schooljongen gaat naar de palaestra: natuurlijk vindt hij ook
hier, naar gelang van de offervaardigheid zijns vaders, eene fraaiere
of eenvoudiger inrichting. Maar op zijn minst is het toch altijd wel
een open plek gronds, versierd met een paar statuen, vooral met een
standbeeld van dien Hermes, den beschermer der athletiek, te wiens
eere jaarlijks de jonge gymnasten feestvieren en de paedagogen, zooals
we zagen, een beker extra drinken. En om de met fijn zand bestrooide
worstelplaats heen staan natuurlijk banken, voor de jongens om uit
te rusten, en voor Socrates en zijne vrienden om bij de oefening toe
te zien.
Alleenheerscher in deze school is nu de gymnastiekmeester. Paidotribes
heet hij met een bescheiden naam, want oorspronkelijk zal dat woord wel
doelen op het inwrijven met olie, dat aan het worstelen voorafgaat,
en dat hij als een deel der techniek ook aan de jongens moet leeren,
vóór ze het als in den Anacharsis van Lucianus elkander, of zich
zelven kunnen doen. Maar hij heeft alles te zeggen en zijn ambt
is een post van vertrouwen, niet ongeëerd, daar men hem somtijds,
als hygiënist, in éénen adem met den geneesheer noemt. Hij heeft te
beslissen, welke oefening voor ieder zijner leerlingen geschikt is,
wat de schoonheid kan bevorderen, wat te zwaar is voor het gestel van
den een, wat niet inspannend genoeg voor de gemakzucht van den ander,
en als teeken van zijne waardigheid draagt hij, staande in het midden
zijner knapen, een langen stok, die dienstig is om te dirigeeren als
ook--zoo 't noodig is--om duchtig te disciplineeren.
Eene deskundige beschrijving, die streng scheiding maakt tusschen de
werkzaamheden van palaestra en gymnasium is bezwaarlijk te geven, ook
omdat de paedotribe zonder twijfel bevoegd was zelf die grenzen min of
meer te wijzigen en misschien zelfs, van tijd tot tijd, voor bepaalde
oefeningen zijne leerlingen in een gymnasium te brengen, als de ruimte
in zijne palaestra te beperkt was--natuurlijk de oudere, want nog
veel meer dan in de school van den grammatist is bij den paedotribe,
in verband met de ontwikkeling van het knapenlichaam, indeeling in
groepen en klassikaal onderwijs eene zaak die van zelf spreekt.
Onze ouderwetsche dansmeesters noemden zich niet ongaarne "professeurs
de danse et de maintien". Dit laatste is zonder twijfel wel een
van de dingen geweest, waarmee dadelijk in de palaestra wordt
begonnen. Aristophanes, die in alles over achteruitgang klaagt,
vindt wel dat de paedotriben van zijn tijd er lang niet genoeg
meer op letten, dat de jongens die ze onder hunne leiding hebben
fatsoenlijker zitten, maar de afbeeldingen op de prijsvazen en
schotels stellen ons dienaangaande vrij gerust: zooals daar in
school en palaestra de jongens staan, zoo staat alleen wie 't geleerd
heeft. Maar marcheeren dan, en dansen? Hierover zwijgen, zooals zoo
vaak, onze literaire getuigenissen, en als op de keurige vazen een
sierlijke jongen of ephebe danst, staat er niet bij geschreven dat
hij het van zijn paedotribe heeft geleerd. Intusschen, de Atheners
zijn van ouds een dansend volk, al zijn ze niet allen zulke dansers
als die Hippokleides van wien Herodotus ons vertelt. Door den tyran
Clisthenes van Sicyon was Hippokleides uit vele mededingers tot
schoonzoon verkozen, en op merkwaardige wijze uitte hij zijne vreugde
hierover. "Aan het dessert"--, zoo vertelt Herodotus met die ironische
woordkeus, die zonder eene syllabe van afkeuring alles weet te zeggen
door onthouding--"boeide Hippokleides al de anderen zeer. Eindelijk
liet hij een fluitspeler komen en begon te dansen; en in zijn dansen
schepte hij zelf wel veel behagen, doch Clisthenes begon zich over
de zaak ongerust te maken. En toen nu in 't eind Hippokleides een
tafel liet aanschuiven en daarop eerst Laconische figuren vervolgens
Attische ging dansen, ja ten slotte boven op tafel op zijn hoofd ging
staan en met zijne voeten allerlei "handbewegingen" maakte, toen riep
Kleisthenes uit: "O Hippokleides, gij hebt uw huwelijk verdanst!"
Reeds alleen omdat de dans van Hippokleides niet beantwoordt aan
het allereerste voorschrift: dat alle onderricht in de palaestra
tot strekking hebben moet, welvoeglijkheid en voorname gratie te
kweeken, mogen wij er niet aan denken den paedotribe van Hippokleides
aansprakelijk te stellen voor den onwelvoeglijken dans van dezen. Maar
die "Attische dansfiguren", die kan Hippokleides toch licht in de
palaestra hebben geleerd. De waarschijnlijkheid van dansonderwijs toch
ontleenen wij aan de herhaalde afbeelding van beroepsfluitspelers
op palaestra-tafreelen--waar zij ook het springen door hun spel
verlevendigen--en de groote wenschelijkheid van zulk onderricht moet
ieder erkennen, die bedenkt bij hoevele feesten de hulp van jonge
dansers werd ingeroepen. Het is waar--voor eene dramatische vertooning,
bijv., waren die knapen maandenlang onder leiding van den man die het
koor zou leveren en besturen bijeen, en werden zij op zijne kosten
geoefend. Maar reeds deze regel van gemeenschappelijk instudeeren
veronderstelt eene algemeene geschiktheid die zeker nergens beter
dan bij de paedotribe kon worden verkregen.
Behalve bij dit dansonderricht gaat zeker de lijst van al hetgeen
in de palaestra werd onderwezen, in de meerderheid der gevallen
parallel met den rooster der vrije oefeningen eener hedendaagsche
gymnastiekschool. Ook zonder dat wij er uitvoerig verslag van geven,
zal men wel begrijpen dat het springen--de hoogsprong, de vèrsprong,
de sprong met halters--bij de Atheensche jongens in hooge eere was. Het
hardloopen ook: en al zal dit wel niet, of althans niet volledig, in de
gymnastiekschool zelf zijn geoefend, de paedotribe moet daartoe zijne
jongens zeker van tijd tot tijd in het stadium hebben gebracht. De
stadiumloop van ruim 180 meter is daarbij een eerste termijn. Maar
straks wordt de loop verdubbeld in den diaulos, waarbij de hardlooper
moet leeren in volle vaart zich te wenden, en eindelijk komt de
dolichos van zeven, tien en zelfs twintig stadiën. Meer dan een half
uur gaans! Hierbij is natuurlijk geen sprake meer van rennen. Het is
de kunst om in gelijkmatigen draf zijne geheele baan door te loopen en
dan niet hijgend en--zooals Plato zegt--met de ooren op de schouders
aan te komen. Niet voortdurend wordt daarbij, zooals bij den aanvang
zeker gebeurt, gezocht naar een harden, stevigen bodem. Neen, de kunst
is te leeren hardloopen zonder hinder van het terrein te ondervinden,
nu eens in 't mulle zand, dan weer op drassige landen, ook zeker niet
altijd naakt. Want voor de besten dezer jonge dravers zal er een tijd
aanbreken, dat ze zullen meedoen aan den wedloop in volle rusting
als zwaar gewapenden. Dan zullen ze zich burgers kunnen toonen dien
Atheenschen hardlooper Phidippides waardig, die binnen twee dagen
tijds het bericht van de overwinning bij Marathon overbracht van
Athene naar Sparta.
De groote discus zal aan deze jonge knapen waarschijnlijk nog niet
in handen zijn gegeven. Toch is er sprake van discus-wedstrijden
voor knapen, wellicht met een kleiner formaat van schijf. En deze
oefening zelve was voorzeker eene voortreflijke afwisseling na de
bovengenoemde exercitiën van de longen en de borstspieren. Sterk
worden de vingers door het vastknellen van de platte schijf, ruim de
borst, en lenig het schoudergewricht door het achterwaarts strekken
van den gespannen arm. En eindelijk, als de discuswerper met forsche
kracht den arm naar voren brengt en de schijf laat schieten, dan komen
plotseling de spieren van zijn geheele lichaam in werking, daar hij
moet verhoeden dat hij plat voorover valt, zijne schijf achterna.
Of het vuistgevecht ook al in deze jongensschool werd onderwezen is
onzeker; althans stellig niet de bij wedstrijden van volwassenen zoo
geliefde strijd van het pankration, combinatie van boksen en worstelen
die èn heftig èn gevaarlijk was en zeer zeker niet bevorderlijk voor
die bevallige lenigheid, welke voornamelijk in de palaestra werd
gezocht. Maar wel was ook reeds bij die jonge knapen het worstelen
in eere. Dit spel eischt den heelen man, niet slechts lichamelijk
doch ook geestelijk; want men moet zelfbeheersching hebben om
eerlijk te worstelen. Als een bewijs van Alcibiades' fierheid haalt
Plutarchus aan dat deze, als jongen in een worstelwedstrijd voelend
dat hij het onderspit ging delven, zijnen tegenstander in de hand
beet. "Foei Alcibiades", riep deze, "je bijt als een meisje."--"Neen,
als een leeuw," antwoordde Alcibiades.--Maar ik hoop hartelijk dat
de paedotribe dezen jongen leeuw bij zijne manen heeft gegrepen en
zijne koninklijke ooren heeft doen tintelen.
Met zorg en voorbereiding wordt het worstelspel ingestudeerd. Eerst
is het slechts een schijngevecht, waarin de meester figuur voor
figuur en greep voor greep aan zijne jongens leert, hen nauwkeurig
instrueert, welke manier van beentje-lichten mogelijk, of schadelijk,
of ongeoorloofd is, waar men zijne tegenpartij moet aangrijpen,
hoe zelf de voeten zetten en wat dies meer zij. En daarna komt de
echte worsteling, eerst tusschen leerlingen van den zelfden meester,
straks zeker in concurrentie met jongens uit een andere palaestra,
om te kijken wiens methode de beste is. Dan gaat men vechten, soms
in 't droge zand, soms--om de zaak nog moeilijker te maken--op een
opzettelijk losgehakt en met plassen water modderig gemaakt terrein. De
jongens zijn van te voren naakt uitgekleed en door eene kundige hand
goed ingewreven met olie, zoodat ze glad als alen zijn en dus zeer
moeilijk te grijpen. Worstelen ze nu in 't zand dan is natuurlijk
hun eerste gebaar, wanneer ze op elkaar zijn toegetreden, dat ze zich
bukken en elkaar met handen vol zand bestrooien. Is de grond modderig,
dan is dit hulpmiddel van zelf uitgesloten. Hierbij komt nog dat ze
zelf op den glibberigen bodem veel lichter uitglippen, en eindelijk,
als ze te zamen op den grond vallen, blijft door het slijk de voor
den tegenstander zoo lastige gladheid onverminderd bestaan.
Iedere rechtgeaarde worstelpartij heeft minstens twee perioden,
die natuurlijk door allerlei toevalligheden kunnen worden verkort of
gewijzigd. Eerst komen de knapen op elkaar af en grijpen elkaar bij
de polsen en met de gebogen koppen tegen elkaar staan ze te wringen,
te drukken, te dringen en te trekken tot een van beiden de kans schoon
ziet om zijn arm als een gordel om 't lijf van den ander te slaan en
hem te "werpen" of, als 't moet, met hem neer te storten. En dan wordt
op den grond de strijd voortgezet. Nu valt de een in 't zand, dan
ligt de ander onder, tot eindelijk tot driemaal toe de schouders van
een van beiden tegen den bodem gedrukt zijn en het pleit is beslecht.
Het heet, dat gewoonlijk voor den geheelen cursus door den paedotribe
een vaste som werd ontvangen. Niet zonder waarschijnlijkheid heeft
men op grond daarvan verondersteld, dat ook voor de "afgestudeerden"
de toegang tot deze worstelschool niet was gesloten. En dat lag in
den aard der zaak. Naar niets kijken de Atheners liever dan naar
die slanke worstelende jongens. Is het dan wonder dat ook die oudere
knapen nog eens mee komen doen in de palaestra, ofschoon zij eigenlijk
in het gymnasium te huis behooren? Daar moeten zij immers de leiding
missen van hun trouwen en beproefden leermeester, den paedotribe!
Omtrent het schoolleven der Atheensche knapen uit den bloeitijd der
stad brengt ons alzoo, blijkens het hierboven bijeengebrachte, eene
niet al te vluchtige bestudeering van de geschriften, inscripties en
vazen uit de oudheid bewaard wel eenigermate op de hoogte. Maar de
schijn zou kunnen worden gewekt, dat voor deze Atheensche jongens
inderdaad, in anderen zin dan van Alphen 't bedoelde, "het spelen
leeren" was geweest en hun geheele leven in de school en in de
palaestra voorbij ging. Toch was dit geenszins het geval. Terwijl aan
den eenen kant--zooals wij reeds herhaaldelijk zagen,--de persoonlijke
vrijheid om de uren buiten de school doorgebracht geheel in te richten
naar persoonlijke voorkeur, bij deze knapen veel beperkter was dan
in onzen tijd, namen zij, hetzij actief hetzij als toeschouwers, veel
meer dan in onze maatschappij aan schooljongens wordt vergund, deel aan
de openbare feesten en vooral aan de godsdienstige plechtigheden van
het volk. De zuinige vader uit Theophrastus' "Characteres", had niet
geheel ongelijk toen hij zeide dat zijn jongen in de maand Anthesterion
veel meer te zien kon krijgen buiten de school dan daarbinnen. Wij
voor ons betwijfelen wel of het zoo heel goed voor den knaap was,
dat alles te zien. Het anthesteriënfeest zelf heeft elementen genoeg
die misschien den jongen beoefenaar der onvolprezen "sophrosyne" weer
een aardig eindje op den weg dier deugd achteruit konden zetten. Het
begin was het minst hachelijk. Als aan den vooravond van dit lentefeest
in de familie de wijnvaten van 't vorige jaar worden open gemaakt, en
door heer en slaven feestelijk worden geprobeerd, dan heeft in ieder
geval de huisvader het in zijne hand gehad om de opgewondenheid door
en over den goed geslaagden wijn niet verder te laten komen dan hij
met de eukosmia in overeenstemming achtte. Maar in de volgende dagen
wordt de carnavals-vreugde in het openbaar gevierd bedenkelijker van
karakter. De publieke feestmalen door den tweeden Archont bij deze
gelegenheid aangericht, zijn voor die jongens, die door hun vaders
zijn meegenomen, verre van stichtelijk. Om nog te zwijgen van het
meer dan gemengde gezelschap dat bij die feestviering mee aanzat:
welken invloed moet het op zulk een' knaap hebben gehad, als hij
getuige mocht zijn dat zijn vader den prijs behaalde, die voor den
vlugsten en kloeksten tempelier was uitgeloofd? Of hoe moet het den
jongen hebben aangedaan, die immers ook zelf als een echt feestgenoot
den ganschen dag bekranst meeliep op straat, als hij heel de stad
vervuld zag van groote en kleine bacchanaliën?
Het Anthesterionfeest is er een uit velen, en mag daarom wel als
voorbeeld worden vermeld. Als we den zeer gevulden feestkalender
van Athene nagaan en voor ieder feest, waarbij zulks geoorloofd is,
de jongens meenemen--die natuurlijk tot den traagsten rekenaar toe
deze rekening wel in hun hoofd hebben--dan brengen wij hen vele dagen
op straat, en dikwijls in meer dan vroolijk gezelschap. Dit laatste
zullen in de vijfde eeuw vele vaders misschien niet zoo erg hebben
gevonden als wij: zelfs Plato oordeelt over "lichte dronkenschap"
minder streng dan onze tijdgenooten. Maar er is geen twijfel aan,
dat ten opzichte van de jongensvrijheid juist in Plato's dagen de
"moderne" opvattingen weer in discrediet kwamen, en te gelijk daarmee
een verschil van opvatting tusschen de aristocratische en de meer
democratische kringen ontstond.
Intussen en was er een groot aantal feesten en godsdienstige
plechtigheden bij welke voor zoodanige bedenkingen geene aanleiding
was; dat waren voornamelijk die godenfeesten, aan welke de knapen
werkzaam deelnamen. De lessen bij den citherspeler genoten, verzekeren
hun eene plaats vooraan in den stoet, wanneer in den plechtigen optocht
die aan de Dionysiën voorafgaat, het overoude beeld van Dionysos wordt
overgebracht naar diens tempel, en op de Dionysiën zelf zingen zij
met hunne stamgenooten mee in het koor van den wedstrijd der knapen.
Van den zelfden aard is hunne deelname bij allerlei bijzondere en
openbare feesten. Wanneer er een oom of een broer trouwt, dan mag de
kleine jongen--en hij alleen, omdat hij nog een reine knaap is--naar
de Enneakrounos gaan, om uit die bron het water voor het heilige bad
te halen. Een Panathenaeën-optocht, waaraan geen jongens meedoen,
laat zich nauwelijks denken, en in menigen eeredienst brengt heiliger
werkzaamheid den knaap buiten den kring van zijne school en wijdt
hem in in de geheimenissen van den godsdienst. Men behoeft daarbij
nog niet terstond te denken aan eene opleiding voor een bepaald
priesterschap. Wel teekent ons ongetwijfeld Euripides het ideaal
van een ernstig jong Atheensch priester in die treffende figuur van
Io, den geloovigen nadenkenden tempeldienaar van Apollo, die met
mystieke innigheid zijnen God vereert en diens tempel rein houdt,
doch ook zonder voor den tempeldienst bestemd te zijn, verrichtten
jonge Atheners naar de rechten van hun geslacht--want meestal gold
zoo iets voor hooge eer,--in den cultus diensten tot bijstand van
den priester, zooals o.a. Euripides als knaap door de phyle, tot
welke hij behoorde, werd benoemd als wijnschenker bij het koor,
dat in de maand Thargelion ter eere van Apollo danste vóór het
heiligdom van dien God. De gewichtige beteekenis dezer functiën
mogen wij niet voorbijzien. De tempeldienst der Grieksche Goden is
zoo rijk aan diepzinnige symbolen, en de tempelgebouwen zelf zijn in
hunne architectuur zoo afwisselend en leerrijk, dat het verkeer met
de priesters die aan het hoofd van de verschillende tempels stonden
een even begeerlijke als belangrijke taak voor deze knapen was. Niet
het minst voorwaar in de dagen toen nieuwe levensbeschouwingen den
ouden godsdienst in gevaar brachten. De priesters toch, meest mannen
van aanzien en goeden stand, niet zelden ook, wanneer zij bij keuze
benoemd waren, door de indrukwekkende schoonheid hunner persoon bij
uitnemendheid geschikt om indruk te maken op hunne jonge volgelingen,
hebben het zeker dikwijls voortreflijk verstaan, aan die knapen den
dieperen zin te openbaren van den ritus dien dezen zelf meehielpen
volvoeren, hen dikwijls geholpen de ernstige poëzie van den ouden
godsdienst anders te leeren begrijpen dan de eenvoudige grammatist het
hen had geleerd, en eindelijk in een' tijd van veldwinnend rationalisme
diep in hunnen geest de overtuiging geplant, dat Athene geen Athene
meer zou zijn, indien men de stad beroofde van den glans harer tempels.