Indien onze belangstelling zich bepaalde tot het leven der
schooljongens in de periode die aan den Peloponnesischen oorlog
voorafging, dan zouden wij met hetgeen hierboven over het onderwijs
is gezegd, kunnen volstaan. Heel veel meer dan hetgeen wij hebben
opgenoemd leerde--afgezien van het onderricht dat sommigen hun kinderen
met het oog op een bepaald vak van levensonderhoud lieten geven--toen
ter tijde een Atheensche knaap niet.
Maar het spreekt van zelf dat de groote veranderingen, door verkeer
met het buitenland zoowel als door eigen nadenken in de godsdienstige
en politieke inzichten der Atheensche vaders gebracht, zich ook in den
kring hunner zoons lieten gevoelen; trouwens, ook de feiten bewijzen
dat. In de vierde eeuw kent men te Athene naast het lager onderwijs
ook voortgezet en daarna zelfs hooger onderwijs. En over de juiste
inrichting van die beide laatsten was men het te Athene zéér oneens.
De theorieën dienaangaande ontwikkeld, gaan voor een deel over de
hoofden der knapen heen. Het is niet te hopen, dat de Atheensche
jongens in Plato's Politeia hebben zitten lezen, om te onderzoeken
hoe zij moesten worden opgevoed. Maar andere volgelingen van de
Socratische school brachten hun opvoedings-idealen in meer populairen
vorm ter tafel. De Cyropaedie is zóó geschreven, dat zij volkomen
onder het bereik van jongens valt. Of derhalve de Atheensche jongens
ook het model van deugdzame eukosmia, hun in de eerste hoofdstukken
van Xenophons boekje voor oogen gesteld, gewaardeerd hebben, is
zeer de vraag; maar wel kunnen zij zoowel uit de Cyropaedie als
uit de tafelgesprekken hunner vaders geleerd hebben, dat te Athene
onvoldaanheid met de resultaten van het lager onderwijs begon te
heerschen.
Er is een pseudoplatonische dialoog, die deze stemming bijzonder
duidelijk in 't licht stelt. Al is Theages, de jonge Athener, die
aan dien dialoog zijnen naam geeft, eigenlijk geen knaap meer, zijne
opvatting was die van vele knapen en jongelingen.
Ziehier den toestand. Een vader, die heel wat te tobben heeft gehad
met de opvoeding van zijn zoon, wendt zich in zijne verlegenheid tot
Socrates. Hij heeft diep leeren gevoelen dat het in zeker opzicht met
kinderen gaat als met planten--van welke deze heereboer blijkbaar meer
ondervinding heeft dan van zoons--: "de grootste bezwaren vertoonen
zich eerst dan, wanneer het kiempje boven den grond is". Zoo is
het hem ook met zijn jongen gegaan. Iedere dag heeft hem in de
opvoeding van dat kind nieuwe moeilijkheden gebracht en nieuwe vragen
voorgelegd. Hij heeft die, zoo goed als hij dat kon, beantwoord:
hij heeft den jongen laten leeren wat men in zijn' tijd zoo aan zijn
kinderen leeren laat: lezen en verklaren, schrijven, ook muziek en
eindelijk de gymnastiek. Maar de knaap is niet tevreden. In plaats
van dankbaar, in het bewustzijn dat het nu genoeg is en hij niet meer
naar school hoeft, met zijn vader zijne aandacht aan de boomen en de
planten te wijden, is hij met een zeer onrustwekkend verlangen voor den
dag gekomen: hij wil knap worden. Wat hij daarmee eigenlijk bedoelt, is
den vader niet recht duidelijk. "Ik denk haast"--zegt deze--"dat eenige
van zijne makkers uit onze buitenwijk hem wonderen hebben verteld van
hetgeen de Sophisten aan de jongelui verhalen. Althans hij houdt niet
op er bij mij op aan te dringen, dat ik aan den een of anderen Sophist
het noodige honorarium zal betalen om hem in de leer te nemen. Nu,
om het geld zou me dat zooveel niet kunnen schelen! Maar ik vrees,
dat die sophistenopleiding wel eens heel gevaarlijk zou kunnen worden."
Zooals gezegd, Theages zal wel wat ouder zijn geweest dan de
veertienjarige jongens, wier doen en laten ons op dit oogenblik
bezighoudt. Maar zijn optreden verstoort toch de rustige harmonie
der schilderij die wij van het oud-Atheensche jongensleven trachtten
te geven. Vooral omdat zijn type niet alleen staat. Geleid door een
meesterschap, dat diepe en aanhoudende sympathie verraadt juist
voor de niet meer geheel naieve leergierigheid der knapen van
het nieuwe Athene, bevolkt Plato den voorgrond zijner dialogen
met zulke leergierigen, wakker in 't vragen en onvermoeid in
't luisteren. Charmides de Schoone, die wel zedig is, maar de
zedigheid niet kan definieeren, Theaetetus de jongeling, wiens
boeiende scherpzinnigheid alle uiterlijke schoonheid kan ontberen,
de uiterst beminlijke Lysis, allen zeggen het ons: een nieuwe tijd
is aangebroken. De jongens zijn evenmin tevreden met het oude ideaal
als de ouders. En wat deze laatsten aangaat: bij hen is, als wij
wederom Plato mogen gelooven, tegelijk een gevoel van ontevredenheid
met zich zelven ontstaan; zij erkennen ronduit dat Athene achteruit
gaat. In den "Laches" van Plato klaagt Lysimachus, de zoon van den
grooten Aristides, eerlijk zijn nood aan zijn' vriend Laches. Hij zegt
ongeveer het volgende: "Zie, Laches, mijn vriend Melesias en ik hebben
de bittere ervaring opgedaan dat de tijden erg veranderd zijn. Als
wij met onze vaders aan tafel zaten, dan wisten die ons altijd wat
te vertellen van groote dingen, die zij hadden gedaan. Maar wij? Als
Melesias bij mij eet en onze jongens zijn met ons aan tafel--ach, dan
hebben we niets dergelijks van ons zelf te vertellen, en we schamen
ons daarover genoeg! En daarvan ligt de schuld bij onze vaders,
die ons maar in 't wild lieten opgroeien, toen we eenmaal volwassen
jongens waren geworden. Daarom hebben wij besloten dat het zoo met
onze zoons niet zal gaan. Ze moeten wat leeren!"
Het verwijt door Lysimachus aan de vaders van oud-Athene gedaan,
wordt in verschillenden vorm dikwijls in de Platonische dialogen
herhaald. Niet vele vaders zullen echter zóó weinig raad hebben geweten
als Lysimachus en zijn vriend Melesias, die "omdat er nu toch iets
gedaan moest worden" hun jongens schermen willen laten leeren! Ook
willen de meeste knapen iets anders. Ze zijn als Theages, ze willen
knap worden. Wat wonder! De opvoeding zelve had zich toch wel iets meer
ten doel gesteld dan alleen het kweeken der eukosmia? De zedigheid,
door de vrouw van Ischomachus genoemd als eenige vrucht van hare
opvoeding, hoe begeerlijk eene deugd ook voor knapen, was toch niet
alles wat de grammatist met zijn collega's hem leeren moest! Eerste en
voornaamste eisch van dat onderwijs was: "open hunne oogen". Welnu, de
oogen dezer knapen waren geopend en zij hadden veel gezien. Misschien
had hun oor zelfs te veel gehoord. De lichte geestelijke wapenrusting
van de Marathonstrijders en hunne zonen was niet meer voldoende voor
hen die Athene's aangezicht hadden zien veranderen in den strijd
om de macht, nà den grooten oorlog om de vrijheid ondernomen; het
geslacht dat in Thucydides leest vraagt voor zijne kinderen iets
anders, dan zij begeerd hadden die alleen Herodotus hadden gelezen.
Dat "andere", men kan het voortgezet onderwijs noemen, en dan sluiten
de wenschen van ouders en knapen zich vrij regelmatig aan bij hetgeen
als gewoon programma van elementair onderricht door ons reeds is
besproken, althans indien wij daarbij in het oog houden, dat vooral
de lectuur en de literaire ontwikkeling in het laatste decennium van
de vijfde eeuw en in den aanvang der vierde zeer waren uitgebreid. De
polemiek, door Plato in zijnen "Staat" tegen de poëtisch-literaire
opvoeding wegens hare eenzijdigheid en haren misleidenden invloed
gevoerd richt zich nog wel in hoofdzaak tegen de oudere dichters;
maar het is desniettemin niet lichtzinnig, te onderstellen dat allengs
het onderwijs zich ook op dat gebied vrij wat uitbreidde. Naast de
manlijke kloeke wijsheid van Solon's elegieën en jamben, naast de
weeke liederen van Mimnermus, de weelderige oden van Sappho, Tyrtaeus'
opwindende krijgszangen of de politieke vermaningen van Theognis moet
wel spoedig de Anabasis van Xenophon of zijne Cyropaedie zijn gelezen;
de meesten dier boeken zijn zeker wel bruikbare lectuur voor oudere
knapen, doch niet voor jongens van acht of tien jaar!
Maar met een voortgezet onderwijs van hoofdzakelijk literairen aard
waren niet allen tevreden. Velen, die een uitbreiding der leerstof
eischten, doch daarbij de niet ongewone dwaling begingen dat zij niet
recht onderscheid meer maakten tusschen onderrichten en africhten,
althans niet tusschen opvoeden en opleiden, trachtten zonder het oude
programma omver te werpen hun doel te bereiken. Zij zetten eenvoudig
naast het oude wat nieuws: naast de lagere wiskunde wat hoogere
mathesis, naast eenvoudige grammatica wat syntaxis, als voortzetting
van de rekenoefeningen wat astronomische theorie!
Toch bleef die uitbreiding binnen de grenzen der school; d.w.z. zij
gold slechts de voorbereiding tot algemeene beschaving. Levendig zien
we dat geïllustreerd door de invoering van het teekenen. In de vierde
eeuw begonnen de vaders elkaar meer en meer te vragen: "moeten onze
kinderen niet leeren teekenen?" Voor de hand liggend schijnt die vraag
niet. Nog in onzen tijd ontbreekt in het stelsel der humanistische
opvoeding het teekenen. In ons gymnasiale programma vinden wij het
noch als algemeen opvoedingsmiddel, noch als onmisbare voorbereiding
voor hen die in hunne studiën de teekenpen dagelijks noodig zullen
hebben. Maar de Atheners kenden in Plato's dagen aan den invloed
van het schoone in de opvoeding eene ruimere plaats toe. Hoezeer
zij ook het boek over den Staat een utopie noemden, hun hart moest
kloppen van trots om 't geen zij bezaten en van hoop om 't geen zij
verwachtten, als zij Plato's pleidooi voor de schoonheid lazen. "Wat
dunkt u--zoo vraagt Socrates zijn toehoorders, in het vierde boek der
Republiek--zullen wij kunnen volstaan met den eisch dat de dichters
de beeltenis van de zieleschoonheid herscheppen in hun gedichten,
of moeten wij ook toezien op hen die met de handen werken en er voor
waken dat zij aan niets, dat in de ziel onedel is, aan niets, dat uit
ongebondenheid, uit slaafsche onbeschaafdheid en onwelvoegelijkheid
is geboren het aanzijn schenken, hetzij in de afbeelding van dieren
en menschen, hetzij in gebouwen of andere werken van kunst. Immers,
laten wij dat toe, dan zullen zij die wij wenschen op te voeden tot
Wachters van onzen Staat, door al die afbeeldsels van hetgeen slecht
is als door ongezonde spijs gevoed, terwijl ze dag aan dag bij kleine
beetjes van alle zijden het kwade in zich opnemen, een groot geheel
van slechtheid doen opwassen in hun eigene ziel, zonder dat wij dat
hebben bemerkt. Neen, wij moeten zoeken naar werkers van het schoone,
die met gezonden zin verstaan het karakter van hetgeen schoon en
welvoegelijk is na te speuren, opdat onze knapen, als wonende in een
gezonde streek, allerwege worden gebaat waar òf hun gezicht òf hun
gehoor door de werken der schoonheid wordt aangeraakt, als waaide
een luchtstroom hun te gemoet uit een oord van gezondheid".
Gelukkig de stad, waar een wijsgeer zulke woorden mag schrijven,
in de rustige verzekerdheid dat geen wansmaak of machteloosheid in
de kunst zijn rede maakt tot spotternij. En zeker schreef Plato niet
voor doove ooren. De Atheners hebben in de vierde eeuw niet geaarzeld
om het voorbeeld van de kleine stad Sicyon te volgen, waar door den
aandrang van een zeer bekende schildersgroep het teekenonderwijs
op de lagere school was ingevoerd. Want de klimmende vaardigheid
der schilders, vazen- en fresco-schilders beiden, en niet minder
het gewijzigde karakter van de bouwkunst, waar het plastische, het
schilderachtige de gestrengheid van den ouden Dorischen stijl meer
en meer begon te verdringen, bracht toch zeker menig Atheensch vader
die een' vraaglustigen zoon op zijne wandeling meenam, dikwijls in het
nauw. Als zijn jongen wilde weten, wat nu eigenlijk aan den Dorischen
stijl van het Parthenon dien wonderbaren ernst geeft, en waarom de
Corinthische kolommen de grens der gekunsteldheid naderen zonder die
te overschrijden, dan kwam èn hem en weldra anderen die zich voor het
onderwijs interesseerden--dat wil dus evenals in onzen tijd zeggen
"allen"--de vraag op de lippen: "hoe zullen onze knapen de tempels en
de statuen of wandschilderingen, die den trots onzer stad uitmaken,
kunnen waardeeren, als zij nooit eens bij eigen pogen om eene lijn van
schoonheid na te trekken, hebben ervaren hoevele kansen van dwaling
liggen naast dien éénen smallen weg die goed is? En velen voegden
daaraan toe: ook de bekoorlijkheid van de natuur en de schoonheid van
hare levende schepselen verstaat het best wie getracht heeft die te
benaderen met de punt van zijne teekenstift.
De twijfel of het teekenen een propaedeutisch vak is of niet, toont
reeds aan dat het op de grens ligt. Met steeds meer klem nu zal zich na
de invoering van vakken als het teekenen de overtuiging doen hooren,
dat een beschaafd man veel moet weten en een vader, die plichtbesef
heeft, dus ook zorgen moet dat zijn zoon veel weet. Op het eind
van dien weg zien wij in de verte den eisch der enkyklios paideia,
de verbinding van het trivium (grammatica, rhetorica, dialectiek)
met het quadrivium (arithmetiek, muziek, geometrie en astronomie).
De Cynische wijsgeer Crates, ijverig leerling van den bekenden
Diogenes, spot met deze overlading van vakken, wanneer hij de rampen
van den schooljongen, die volgens hem een waardige inleiding vormen
tot het door de beschaving misvormde menschen-leven, met zeer sombere
kleuren schildert. "Arme jongen," zoo roept hij, in eene boutade
die veel navolging heeft gevonden, den Atheenschen schoolknaap toe:
"Arme jongen! Eerst, toen je nog niet kon praten, legde je min je te
slapen, als je schreeuwde van den honger; maar schreide je van slaap,
dan wou ze je zoet houden met een rammelaar. Nu je aan die kinderrampen
ontkomen ben, nu neemt de paedagoog je over, en de gymnastiekmeester en
de schoolmeester en de muziekmeester en de teekenmeester. Wacht maar,
straks volgen de rekenleeraar en de mathesisleeraar en de pikeur. En
door die allen word je met de zweep geregeerd, vóór dag en dauw je
bed uitgejaagd en nooit met rust gelaten."
Crates is een Cynicus en als zoodanig wel min of meer genoodzaakt, zoo
niet op grond van hetgeen Antisthenes, de stichter dier secte geleerd
had, dan toch als volgeling van Diogenes, de geheele schooleducatie
af te keuren en openlijk te verkondigen, dat het dwaasheid was de
jongens iets te leeren wat zoo weinig nut had als astronomie of
muziek. Maar ook onder hen die minder onverzoenlijk tegenover de
maatschappij van hun tijd stonden, was in deze dagen zoowel een
verschil van inzicht als een ongelijkheid van behoeften ontstaan,
die begon scheiding te maken tusschen de Atheensche vaders zoowel
als tusschen de zoons. De conservatieven juichen Aristophanes toe,
wanneer hij in een geestig geschikte doch brutaal eenzijdige scène
van zijne Wolken de nieuwe en de oude Educatie zóó in debat tegenover
elkaar stelt, dat al wat eerlijkheid, religie, vaderlandsliefde en
ingetogenheid mag heeten, staat aan de zijde van de oude Educatie,
aan den kant van de nieuwe daarentegen het eigenbelang en de list,
de begeerte naar genot en de diefachtige bekwaamheid om daartoe
de middelen te verwerven! De ouderwetsche vaders wrijven zich bij
zulk eene voorstelling in de handen: "Ziedaar een dichter die weet
wat hij wil! Juist zoo, de mooie gezondheid, de echte sophrosyne,
zelfs hun schoonen blos verspelen die knapen door dat samenhokken
bij Socrates." En thuis gekomen heet het tot den jongen die bedelt om
"knap" te worden: "Naar de sophisten ga je niet."
Maar met een verbod alleen is tenslotte nooit een vader verder
gekomen. Geen Atheensch vader kon er de oogen voor sluiten, dat hij
een keuze moest doen, wilde hij niet zijn jongen na de jaren van de
lagere school eenvoudig "los" laten loopen. Dat was niet alleen een
eisch van zedelijken aard: ook het standsgevoel schreef het voor;
en met Theages' vader zei menigeen: "om het geld kan het me niet
schelen;" daar men besefte dat het hier een eisch gold van politiek
zelfbehoud. Athene wordt democratisch bestuurd, de democratie aanvaardt
zonder aarzelen de consequentie van haar systeem, en in stijgende
mate wordt dus ook aan de onvermogenden door presentiegelden en
vacatiegelden de weg geopend om deel te nemen aan de regeering die
allen toekomt. Maar desniettegenstaande werden de grenzen, die te
Athene de standen onderling scheidden, na den Peloponnesischen oorlog
scherper getrokken. Wél maakte de staatswet het voor iederen burger
mogelijk, op zijnen tijd zelfs de hoogste staatsambten te bekleeden;
maar de economische toestand vergunt dit niet aan allen.--Geweldig
bleef intusschen de macht van de Volksvergadering, en van hem die haar
kon leiden naar zijnen wil. En daarom was het alleszins begrijpelijk,
dat in steeds breederen kring de kern der gegoede burgerij, ook
bij de keus van het voortgezet onderwijs, zocht naar de middelen om
hunnen zoons de voorbereiding te geven, die hun in den strijd tegen
"de mannen van de straat", de gunstelingen van den Demos, op politiek
terrein de overwinning kon bezorgen.
Maar welken weg zullen zij daarbij inslaan?--Dat is eene vraag van
hooger onderwijs, zal men antwoorden, en ten deele is dat waar. Doch
in de hoofden en harten der Attische knapen zelf klonk die vraag toch
ook. En zeker koesterden velen de begeerte van Theages: de Sophisten
te hooren.
Wat verwachtten zij dan toch van die Sophisten? Niemand teekent dat
zoo levendig als Plato in zijn Protagoras. Hippocrates, de jonge,
rijke Athener--hij is zeker ouder dan zestien jaar, maar mag ons
toch als type dienen--brandt van begeerte om den grooten Protagoras
te hooren. Driftig dringt hij bij het krieken van den dag binnen in
Socrates' slaapkamer en schudt dezen wakker met de blijde tijding
dat Protagoras in stad is! Uiterst bereidwillig gaat Socrates met hem
mee, om hem in het huis van Kallias aan Protagoras voor te stellen,
onderweg hem op zijn rustige wijze, doch voorloopig zonder zichtbaar
resultaat, aantoonend dat hij in zijne opgewonden begeerte naar de
"knapheid", die Protagoras als een "kleinhandelaar in geleerdheid"
te koop biedt, verzuimd heeft te onderzoeken of hij inderdaad begeert
op die wijze "knap" te zijn, en of Protagoras wel de man is die hem
inderdaad wijsheid kan schenken.--De wijsgeer die alzoo de methode
van Socrates tegenover de techniek der sophisten plaatste, heeft wel
beseft dat zijne lezers, voorzoover ze behoorden tot de geestverwanten
van den jongen Hippocrates, door dat korte gesprek niet van hunne
begeerte naar de sophistenwijsheid zouden worden genezen. Daarom
doet hij in het vervolg van den dialoog zoo duidelijk uitkomen,
hoe hij die mannen der "parate kennis" beschouwt.--Wie het tooneel
van Socrates' en Hippocrates' intrede in den kring der gasten van
Kallias (dien Maecenas der moderne knapheid) eenmaal heeft gelezen,
vergeet het niet licht: eerst Protagoras rondwandelend met den stoet
van heilbegeerigen, Atheners en vreemdelingen, want ook vreemdelingen
zijn hem gevolgd op zijne wegen, vastgehouden door het geluid zijner
stem, gelijk eens de dieren, die Orpheus' schreden volgden geboeid door
de betoovering van zijn gezang. Dan Hippias--die Hippias die alles
kon, zelfs zijne eigene schoenen maken--tronend op een hoogen zetel,
terwijl hij aan de groep der mannen die op lage stoeltjes eerbiedig om
hem heen zitten, de geheimenissen der astronomie openbaart. Eindelijk
Prodikos, gemakkelijk uitgestrekt op een rustbank en met zijn zware
stem aan zijne hoorders eene wijsheid meedeelend, waarvan alleen de
gonzende nagalm de ooren van Socrates bereikt.
Parodieën op de sophistenwijsheid geeft ons Plato in den Protagoras
zoowel als in verscheidene andere dialogen, soms fijn en niet zonder
waardeering hunner persoonlijkheid, zooals in den Protagoras,
soms spottend bij het minachtende af, zooals in den Euthydemus,
soms met vlijmender kunst, in fellen toorn, als in den Gorgias. En
ofschoon nu deze bestrijding buiten den kring der jongenswereld ligt,
gelijk ook het onderricht zelf der Platonische school, de oorzaak van
Plato's verbittering ligt niet daarbuiten: zij geldt de luidruchtige
sympathie met welke de jongelieden deze sophisten inhaalden.
Want de sophistiek was een modeartikel. Wat beloofden zij eigenlijk,
deze rondreizende leeraars, deze conférenciers, deze specialisten? Is
het ons moeilijk op deze vraag een billijk en vooral een juist
antwoord te geven, reeds de enthousiasten als Theages of Hippocrates
hadden dat antwoord niet zoo gemakkelijk klaar, wanneer hunne vaders,
een weinig ontzet over de hooge prijzen--Prodicus vroeg f 25 voor een
korte private instructie in het juiste gebruik der woorden--hen op den
man af vroegen, wat nu eigenlijk die vreemdelingen hen kwamen leeren
dat zij niet evengoed van hunne eigene meesters hadden kunnen hooren.
Het antwoord was zoo moeilijk omdat de sophisten zooveel beloofden. Het
duidelijkst klinkt die belofte in de algemeene termen van Protagoras:
"wij voeden knapen op tot mannen" d.i. "wij leeren hen politiek
inzicht, en dat doen wij op grond van onze ervaring". Maar als de
mannen van Plato's richting zulk eene belofte hooren, dan trekken
zij de weifelende vaders bij het kleed en zeggen: "Gelooft het niet
te snel. Protagoras bedoelt niets anders dan dit: "Ik geef aan de
jongens zooveel handigheid, dat ze over alles kunnen meespreken en
daardoor geschikt schijnen voor de hoogste posities in den staat."
Er zullen vele vaders zijn geweest die in Plato's waarschuwing juist
een sterke aanbeveling der sophistiek zagen; zelfs als zij verder
toeluisterden en hoorden hoe reeds Socrates hartelijk gelachen had,
toen hij van den schatrijken Kallias vernam dat hij zijn zoons door
Euenos van Paros had laten opleiden tot volkomen burgerlijke en
politieke bekwaamheid voor de som van f 250.--
In den grond der zaak echter voorzag zeker--ook reeds het feit dat
de sophisten zoo hooge honoraria konden bedingen bewijst dit--het
sophistenonderricht in eene "bestaande behoefte". En wat bij de groote
verscheidenheid in onderwijs en karakter dezer buitenlandsche leeraars
de kern van hun onderricht was, kan in hoofdzaak niet twijfelachtig
zijn. De jongens wilden knap worden, ja, maar bovenal knap in het
spreken. Protagoras' theologische scepsis en Prodicus' levensmoede
ernst lieten hen waarschijnlijk vrij koel. Maar in den trant van
Protagoras uit de filologische ontleding van een oud lied eigene
wijsheid met smaakvolle eruditie toe te lichten; door de kunde van
Prodicus te leeren hoe zwaar ieder woord weegt en wat men bereikt door
uit het onderscheid van elk synoniemenpaar op te klimmen tot scherpe
scheiding van alle begrippen; dan eindelijk al die oefening en die
wetenschap tot leven, tot nieuw en schitterend leven te brengen door
ze te vergulden en te louteren in de kunst van Gorgias--dat was het
wat de jonge Atheners hoopten te leeren van de sophisten. Met andere
woorden: zij begeerden te dingen naar de glorie der rhetoriek.
Op zeer verschillende wijze hebben de mannen, wier woord op het
gebied der opvoeding gezag had in het Athene der vierde eeuw, die
sophisten-wijsheid bejegend. Van volgelingen der sophisten kunnen wij
zwijgen. Dat die niet schaarsch waren, spreekt bij de toenemende macht
des woords in de volksvergadering van zelf. Maar ook in de methode
van hunne bestrijding openbaart zich een groot onderscheid. Plato, die
juist de rhetoriek, de kunst van het woord als middel van overreding,
met bitterheid haat, kent geen genade tegenover Gorgias, den Sophist
van Leontini. Er is wellicht geen enkele onder Plato's dialogen, waar
op zoo onverbiddelijke wijze de vijand in het nauw wordt gedreven
als de Gorgias. Want het is er Plato om te doen geweest, als het
ware ten aanhoore van alle Atheensche vaders die een' "Theages"
thuis hadden, den sophist zelven te laten erkennen dat inderdaad de
kunst die hij aanprijst slechts eene kunst om de dingen aannemelijk
te maken mag heeten, niet eene wetenschap die zoekt naar de waarheid,
dat dus voor de rhetoriek--wier terrein de kring der onbevoegden,
immers de volksvergadering, is--zaakkennis overbodig is, dat scherp
onderscheiden tusschen zedelijk goede en zedelijk slechte dingen niet
door haar wordt nagestreefd; kortom, dat zij eene kunst is als die van
den kok en den confiseur, of den coiffeur zelfs, d.i. eene schijnkunst.
Dialogen als de Gorgias hebben een element van onbillijkheid in zich,
dat gewoonlijk aan jonge lezers van onzen tijd veel eerder in het oog
valt dan de hooge dialectische waarde der bewijsvoering. Gorgias
en zijne medestanders worden door hun geestigen bestrijder al
te onbarmhartig uitgekleed, en dat nog wel uit een plunje die hij
zelf hun had aangetrokken. De aanleiding echter van die verbitterde
vijandschap zal zeker wel hierin zijn te zoeken dat, ook nadat de
eerste, grootste Sophisten reeds lang uit Athene waren verdwenen, de
utilistische, karakter-ondermijnende africhtings-methode, die in den
Gorgias wordt gegeeseld, bleef heerschen in het voortgezette onderwijs.
Maar indien dan nu een of andere tegenhanger van Theages eens niet
tot zijn vader had gezegd: "ik wil knap", doch "ik wil wijs worden",
zou dan op het verzoek van zulk eenen vader Plato hebben geantwoord:
"zend hem maar bij mij"?
Men stelt het dikwijls zoo voor, alsof Plato, behalve den kring
van volwassen of bijna volwassen beoefenaars der wijsbegeerte, in
zijne Akademie een school van aankomende knapen zou hebben gehad,
waar dan--om een betrouwbaren grondslag te leggen voor de studie der
dialectiek--voornamelijk mathesis en logica zou zijn gedoceerd. Zeer
zeker is die voorstelling in hare algemeenheid onjuist; want Plato,
die geen geld voor zijne lessen aannam, heeft zonder twijfel nooit
anders dan eene keur van jongens of jongelieden in zijne Akademie
toegelaten. Die Akademie zelve is ook geenszins eene inrichting
voor knapen. Toen Plato, even buiten Athene, zich een park kocht,
bouwde hij zich zelven daar eene woning; hij vereenigde daar in eng
aangesloten kring zijne volgelingen om zich heen, en toen hij stierf
legateerde hij als fideïcommis de geheele plek, met schoolgebouw,
Muzentempel en woningen, aan hem die zijn opvolger als scholarch was.
Zoo is de Platonische Akademie eene fundatie geworden, eene op
religieuze grondslagen gebouwde, en daardoor ook in hare eigendommen
onaantastbare stichting, en zóó werd zij tevens eene particuliere
inrichting van onderwijs.
Maar eene school voor knapen was die Akademie--zooals wij haar
kennen--niet. De vrienden, voor wie Plato op zoo onnavolgbare wijze in
zijn Symposion de roeping der wijsbegeerte heeft geteekend, de genooten
der Akademie die aanzitten aan de gemeenschappelijke maaltijden,
uit hun midden een bestuurder van den Muzentempel kiezen en straks
een nieuwen scholarch, dat zijn geen knapen of jongelingen, maar
volwassen beoefenaars der philosophie, tot eene vast aaneengesloten
corporatie of secte, bijna zou men zeggen "eene gemeente", vereenigd.
En nu hebben om die engere groepen, eerst van Plato's Akademie,
straks van Aristoteles' Peripatos, zich zeker van den beginne af
wel langzamerhand scharen van jongelieden geschikt, aspiranten voor
de eer der toelating, edelen-expectant van deze balye des geestes,
jonge Atheners van goeden huize, vaak ook zoons van belangstellenden
uit den vreemde, ja het is in verloop van tijd mode geworden, dat
aanstaande geleerden, dichters of zelfs politici een tijdlang te
Athene kwamen studeeren; maar ook deze jongelui--voor welke gaandeweg
de onderrichtingsvorm van het Socratische gesprek zich wijzigde tot
dien van eene geregelde voordracht--waren geene knapen, doch jonge
mannen, die zonder eenige grootspraak kunnen zeggen, dat zij te Athene
de colleges van een professor in de philosophie hebben gevolgd.
Deze toestanden voeren ons buiten den kring der knapen van de vierde
eeuw, ofschoon ook toen reeds de jonge volgelingen der Akademie te
Athene bekend genoeg waren, inzonderheid door de voornaamheid van
hun optreden, de buitengewone verzorgdheid hunner kleeding en hunne
aristocratische afzondering. De eigenlijke scholen van voortgezet
onderwijs echter moeten wij zoeken bij mannen als Isocrates.
Isocrates! Voor velen onzer tijdgenooten is de naam van dezen
"volmaakten stilist" alleen reeds voldoende om hun de langwijligste
uren uit hunne worstelingen met het "moeilijke Grieksch" te binnen te
brengen en hen met wrevel te vervullen. En inderdaad, de verzameling
oraties ons van zijne hand bewaard, hebben in de onkreukbare gladheid
harer perioden, iets zeldzaam irriteerends. Ook komt het dezen rhetor
niet ten goede, dat het lot zijne gekunsteldheid heeft geplaatst
tusschen den bevalligen eenvoud van Lysias en Demosthenes' gespierden
hartstocht, terwijl de mededeeling van den ijdelen woordkunstenaar,
dat hij meer jaren had noodig gehad om zijne groote Lofrede op Athene
te voltooien dan de Grieken hadden gebruikt om Troje te veroveren,
weinig geschikt is om onze sympathie voor dien Panegyricus van zoo
langen adem wakker te maken.
Maar vele van de eigenschappen, die Isocrates als schrijver
ongenietbaar maken, komen hem als leeraar ten goede. In de eerste
plaats die nooit falende juistheid van woordenkeus, dat zeldzaam
fijne gehoor, die vaste tact in het schikken der woorden, die hem
voor het practisch onderwijs in de rhetorica zoo bij uitnemendheid
geschikt maakte. Want het was inderdaad rhetorica die hij onderwees;
al noemde hij zelf het philosophie. Immers noch het dialectisch
zoeken naar eene vèr boven het begrip der jongelingen zwevende
waarheid--de "onvruchtbare" bezigheid der mannen van de Akademie--noch
de gevaarlijke spitsvondigheden der Sophistiek konden--zoo meende
hij--Athene's jongelingschap op den juisten weg brengen. Dat vermocht
naar zijne overtuiging alleen de rhetoriek, gegrondvest op eene
propaedeuse zooals slechts zijne school die geven kon.
Ons klinkt die belofte als eene zonderlinge grootspraak. De
welsprekendheid heeft in onzen modernen staat bijna overal--alleen
nog niet tegenover de massa des volks--haren voornaamsten invloed
verloren. Maar wanneer wij bedenken hoe ontzaglijk hare macht was te
Athene, het Athene der volksvergaderingen en der gerechtshoven van
gezworenen, dan verbaast het ons niet dat vele Atheensche vaders, of
uit eigen beweging, of gehoorgevend aan den aandrang van een zoon die
"vooruit" wilde, de in meer dan één zin "kostbare" leiding van den
grooten leermeester inriepen. Zelfs al waren die knapen niet bestemd
voor de balie, of geroepen om het volk te leiden, het programma van
Isocrates' onderwijs beloofde veel goeds. Inleiding tot zijne school
vormt het geheele lager onderwijs met de muzische en de historische
studie, en op den grondslag dezer elementaire ontwikkeling plaatst hij
als bekroning van geheel de opvoeding zijne philosophische rhetorica.
In den grond was deze philosophische rhetorica niet veel anders
dan de literair-historische opvoeding, wier eenzijdigheid Plato
zoo aanhoudend had bestreden. Zij putte uit de geschiedenis van
het voorgeslacht hare kennis van de ontwikkeling der menschheid,
van de goddelijke rechtvaardigheid, van den burgerplicht, van de
menschlievende beschaving. Zij deed dat met ernst en met zekere
overtuigingskracht, want haar leermeester was niet alleen een man van
groote geleerdheid, maar ook een man van politieke standvastigheid
en van ruimen blik in de staatkundige verhoudingen zijner stad. En
als rhetor èn als leeraar der rhetoriek dwingt deze idealist ons
tot eerbied om de reinheid zijner overtuiging, om zijn geloof in
de mogelijkheid van een terugkeer tot de oude tijden--te eenzijdig
doch met groote zeggingskracht door hem verheerlijkt--en eindelijk
om zijn vertrouwen op de zedelijke kracht der rhetorica, zooals hij
die onderwees. Want dit was de grondstelling van zijn idealistisch
programma: De roeping der rhetorische studie is, dengene die haar
beoefent, te vormen tot een gids voor zijne medeburgers: wee dus
den leermeester, die van de edelste kunst een onedel werktuig maakt,
en door zijn onderwijs den leerling het gevaarlijke pad wijst, dat
voert naar een politieke macht, die op andere grondslagen berust dan
loutere en waarachtige burgerdeugd.
Het is moeilijk te zeggen, in hoeverre diegenen onder de leerlingen
van Isocrates, wien het niet zoozeer te doen was om technische
vaardigheid in het spreken, als wel om hetgeen wij zouden noemen de
afronding hunner elementaire, zoowel muzische als literaire opvoeding,
bevrediging in zijne lessen hebben gevonden. Wat hij hun heeft willen
geven, is duidelijk genoeg. Niet de schijnbeschaving of de handige
improvisatiekunst der sophisten, maar het rustig zelfvertrouwen, dat
de eigenschap is dergenen die eene vaste kennis hebben, en daarbij de
zekerheid dat zij daarvan kunnen meedeelen, wèl luidend, omdat hunne
stemorganen, en welbehagelijk omdat hunne vrijmoedigheid is geoefend.
Dat recept is bevredigend. Maar hoe was de uitwerking? Isocrates
zegt herhaaldelijk dat zijne leerlingen hem zeer lief hebben gehad,
en wij hebben niet het minste recht dat getuigenis in twijfel te
trekken. Maar het is niet het zelfde een leeraar lief te hebben, en
zijn onderwijs te waardeeren. Waarlijk, indien wij naar de uitwerking
zijner epideiktische redevoeringen op onze eigene leerlingen
onze meening over den smaak der Attische knapen mogen vormen,
zal menige Athener van zestien jaar gehunkerd hebben weer vrij te
komen van het vurig gewenschte en duur betaalde schoolonderricht van
Isocrates. Niet in de eerste plaats om het eentonige van de wetten
der techniek, want al werkte het voorschrift van al die beproefde
zinsformaties, het opbouwen van die hecht ineengevoegde periodes,
het toepassen van die vaste rhythmen, als welluidend aangeprezen,
doodend op de individueele scheppingskracht van menigen hoorder,
het fijn ontwikkelde schoonheidsgevoel van den meester opende toch
zijne ooren en zijn gemoed voor eene waardeering van het proza, die
hem wellicht zou in staat stellen om nieuw leven te brengen in de
literatuur. Maar juist in hetgeen feitelijk behoort tot de groote
deugden van den conservatief, ging deze man van nooit versagende
welsprekendheid te ver. De vereering der voorvaderlijke zeden, de
lofprijzing der daden van het voorgeslacht, de verheffing van Athene's
heerlijkheid verloor, ondanks de oprechtheid van den redenaar, door
hare eindelooze herhaling niet weinig aan overtuigingskracht.
Het is--alles bijeen genomen--geen wonder, dat in de vierde eeuw
zoowel de Atheensche vaders als hun zoons iets anders begeerden
naast dit louter theoretische schoolonderricht. Bovendien: met een
nadruk die deze idealistische opvoedingsmethode overstemde, liet
zich een nieuwe eisch hooren. De les, door een goed deel van Athene's
burgers uit den noodlottigen oorlog met Sparta getrokken, was deze,
dat tegenover de wisselzieke politiek van de democratie eene sterke
aaneensluiting van het behoudend deel des volks, een nauwkeurig
en streng disciplineeren der aristocratische jongelingschap noodig
was. Uit dit beginsel ontstond nu in het laatste vierendeel der vierde
eeuw een stiptere regeling--en wel eene regeling van staatswege--van
het instituut der Ephebie.
Wie den naam "Epheben" hoort, denkt het eerst--en te recht--aan
die reeks van jongelingen met slapgerande hoeden en fladderende
ruitermantels die, gezeten op hunne typische kortnekkige Attische
paardjes, in vluggen steigerenden gang ons voorbij snellen op de
fries van het parthenon. Zoo goed als later, zijn deze epheben jonge
soldaten en dus burgers in staatsdienst en onder staatstoezicht, en
wij weten zelfs dat in de vijfde eeuw door de studentikoze dartelheid
dezer jonge cavaleristen het staatstoezicht van tijd tot tijd eenige
versterking heeft noodig gehad. Maar tegen het eind der vierde eeuw,
d.i. in den tijd toen Athene meer en meer hare zelfstandigheid zag
verminderen, is dat staatstoezicht hervormd tot eene staatsregeling,
waardoor de ephebie als het ware de kroon moest zetten op de vorming
van den jongen Athener van voornamen huize. Daarom verdient zij
hier onze volle aandacht en zou het onredelijk zijn, op grond van de
overweging dat ephebenleven geen knapenleven is, in onze schets de
ephebie ter zijde te laten.
Epheben zijn letterlijk zij, die de periode van de manbaarheid
zijn ingetreden, dus den leeftijd van zestien jaar hebben
bereikt; maar in politieken zin worden daaronder verstaan die
dienstplichtige jongelieden van 18-20 jaar, die door een onderricht
onder staatstoezicht en grootendeels van staatswege gegeven, worden
gevormd voor den hoogeren militairen dienst.
Zoo erkent dus--na den knaap langen tijd schijnbaar uit het oog te
hebben verloren--de staat van Athene den achttienjarigen jongeling
als medeburger. Maar niet zonder gewichtige formaliteiten.
Met spanning heeft zeker de zeventienjarige, van de beteekenis
der burgereer door het onderricht van de laatste jaren zoo diep
doordrongen, de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) zien naderen. In
die maand komt de phratria tot welke zijn vader behoort bijeen,
om het zeer heilige feest der Apaturiën te vieren, een feest dat
jaarlijks in den nazomer, als ook de zeevarenden weer thuis zijn en
ter gemeentevergadering verschijnen, door plechtige offers aan den
beschermgod Apollo, krachtiger dan eenig feest bij de stamgenooten
het gevoel verlevendigt dat zij tot één geslacht behooren. De derde
dag van het feest geldt bijzonder den aanstaanden Ephebe. Hebben niet
reeds vroeger, kort na zijne geboorte, de leden der phratria bij zijne
voorstelling beslist over zijn recht tot erkenning, dan geschiedt dit
thans. Ouderwetsche plechtigheid, zeer geschikt om indruk op hem te
maken, kenmerkt de gansche handeling. Eerst ziet hij zijn vader met
de rechterhand het altaar van Zeus aanraken en hij hoort hem onder
plechtigen eed de verzekering afleggen van zijne wettige geboorte; dan
volgt de geheime stemming van de evenzeer onder eede staande phrateres,
en eindelijk, als de afloop dier stemming gunstig is, brengt hij met
zijnen vader voor de phratria het heilige offer dat koureion heet,
omdat dien ochtend het scheermes zijne lange jongenslokken heeft
afgesneden. De dag blijft verder een feestdag, want van zijn offer
en dat zijner genooten worden aan de leden der phratrië, als onthaal,
stukken offervleesch gebracht.
Is hij nu burger? Hoe zou dit, daar immers de phratrië wel een
religieus-historische gemeente doch geen organiek deel van het
Atheensche volk uitmaakt! Zonder de erkenning door de phratriën ware
iedere verdere erkenning onmogelijk, doch deze opent hem nog slechts
de poort om tot de tweede keuring te worden toegelaten.
Eenige maanden nl. na de koureotis, in Juli, vóór den aanvang van
het Attische ambtsjaar, komen de leden van den Demos zijns vaders
bijeen. De demen zijn de districten in welke het geheele Attische
gebied is verdeeld. Bij de eerste indeeling van land en bewoners
in--toenmaals honderd--demen, woonden dus natuurlijk alle leden
van eenzelfden demus bij elkaar. Maar daar het lidmaatschap van
een demus niet wisselt door verhuizing, geraakten gaandeweg de
leden van eenzelfden demus verspreid over de andere districten, en
ontstond eene niet ongewenschte vermenging van parochiale en nationale
belangen. Want ieder blijft stemmen in zijn ouden Demos. Gestemd--en
onder eede gestemd--wordt nu ook over den aanstaanden burger in
den demos. Hij vraagt zich wellicht af, op welken grond en onder
welken eed die demoten nu nog weer gaan overdoen, wat de phratrië
reeds zoo zorgvuldig heeft gedaan. En de phrateres kennen althans
zijnen vader persoonlijk; ze zijn er om zoo te zeggen bij geweest,
toen zijn vader zijne moeder trouwde. Maar wat weten de demoten,
in wier district hij misschien niet eens woont, van de geheele zaak?
Maar--wie onder de adspirantburgers alzoo spreekt, heeft zeker niet
in de jaren die achter hem liggen de pleitlessen van een advocaat als
Isaeus gevolgd, en te huis weinig gehoord van de hardnekkigheid waarmee
bij de erkenning als burger bedrog wordt gepleegd. Dat van tijd tot
tijd de phratriën in haar geheel eene zuivering tot uitstooting van
alle onrechtmatiglijk ingedrongene leden houden, bewijst wel dat
er voor eene contrôle van staatswege door de demoten aanleiding
was. Voor wie te Athene woont is het burgerschap om politieke,
sociale en religieuze redenen zéér veel waard--ook wel een douceur
aan de stemhebbende phrateres. Zoo hebben dus de demusleden alle
reden om scherp toe te kijken, en lichtvaardig schijnen ze niet
tot verwerping te zijn overgegaan. De redenaar Aeschines althans
verklaart, dat hij steeds sterk onder den indruk is van den ernst
dezer rechters en niet twijfelt, indien hij ten opzichte van een of
anderen man hoort verklaren: "Zie hier, dezen hebben de demoten op
eer en geweten verworpen als burger."
Onzen knaap verwerpen natuurlijk de demoten niet: zijne stukken
zijn in orde, en hij heeft zijne jaren. Toch zal dit laatste nog
in een officieel onderzoek voor den Raad der Vijfhonderd worden
vastgesteld. Voor het eerst in zijn leven treedt dus de jonge
achttienjarige het gebouw binnen, waarin de gewichtigste besluiten van
zijnen Staat worden voorbereid. Achttien jaren is hij en hij toont ze;
het staat dus niet te vreezen dat hij, zooals de term luidt: "tot de
knapen zal worden teruggezet". Maar minder dan zijn eigene positie
van heden, zal hem hier in het Raadhuis, voor welks opengewerkt hek
hij zeker wel eens naar binnen heeft gegluurd als er zitting was,
de gedachte aan zijne toekomst vervullen. Nog weinige jaren en het
lot zal ook hem kunnen aanwijzen om voor een jaar zitting te nemen
in de rij dergenen die hem thans met keurend oog aanstaren.
Maar deze plechtige zitting duurt niet lang: hij is goedgekeurd;
zijne inschrijving in het demos-boek, die hem alle rechten van het
volle burgerschap verleent, is hier bekrachtigd. Als vrij burger van
Athene treedt hij uit het Raadhuis; straks wordt hem de ephebenhoed
met slap neerhangenden rand op het hoofd gezet, de korte ruitermantel
wordt hem omgeslagen; hij is Ephebe.
Het allereerste gevolg van deze bevordering is, dat hij nu voor het
eerst van zijn leven niet slechts feitelijk, gelijk voorheen, maar ook
wettelijk zijne vrijheid kwijt is. Hij is volstrekt onderworpen aan
de militaire en civiele autoriteiten, en de samenwerking dezer beiden
zal hem zijn ridderslag als afgeëxerceerd en afgestudeerd burger na
twee jaren geven. Zijn vader en diens stamgenooten hebben de zaak
van deze voorbereiding lang niet luchthartig opgevat: dank zij hunne
zorgen is zijne Ephebie thans nauwkeurig gereglementeerd. Vermoedelijk
is die regeling wel voor een deel het gevolg van de alles behalve
rustige wijze waarop de jonge lieden hunne eerste militaire plichten
plachten te vervullen in de vervlogen jaren, toen Aristophanes
hun prachtcorps, schitterend, gezien bij de dames--en aanmatigend
als Duitsche Corpsbrüder "in Mütze und Kanonen"--op het tooneel
bracht. Thans komen de vaders stamsgewijze bijeen, d.i. ieder in
die van de tien phylen (stammen) waartoe zijn demus behoort, en zij
zoeken te zamen, iedere groep vaders dus uit zijne eigene phyle, drie,
d.i. samen dertig mannen boven de veertig jaar, die zij èn het meest
achtenswaard èn het meest geschikt achten om met jongelieden om te
gaan, en uit die drietallen wijst dan de volksvergadering, door het
gemoedelijk vertrouwen der wetgevende macht van den Demos zelfs in deze
zaak als hoogst bevoegde geëerd, tien sophronisten of zedemeesters aan,
terwijl ten slotte een kosmeet of ordenaar de opperleiding aanvaardt.
Met de hedendaagsche begrippen omtrent de vrijheid van achttien-
tot twintig-jarigen en omtrent de wenschelijkheid eener geleidelijke
oefening in zelfstandig handelen strookt zeker deze instelling
niet; maar wij kunnen uit tal van opschriften zien, dat de
Atheensche volksvergadering met de nieuwe, strenge organisatie zeer
ingenomen was. Hebben de jonge burgers zich behoorlijk gedragen,
zijn ze gehoorzaam geweest aan hunne sophronisten, hebben zij in
onderworpenheid aan den kosmeet hunne militaire diensten vervuld, dan
worden er onmiddellijk eeredecreten voor hen opgesteld; zij worden
bekroond, de schermmeesters, de gymnastiekmeesters worden bekroond,
de sophronisten worden geëerd door een gouden krans. En opdat de
herinnering aan zooveel burgerdeugd niet spoorloos zou voorbijgaan,
wordt het verslag hunner voortreflijkheid gebeiteld in onvergankelijk
marmer.
Het ligt voor de hand een oogenblik te glimlachen over eene inrichting,
die ons zoo weinig in overeenstemming schijnt met de behoeften en
wenschen van achttienjarigen. En toch--wie in de kosmetenzaal van
het Atheensche museum een enkel half uur vertoeft, om eens rustig te
kijken naar de rij van Attische kosmeten--zij 't dan ook grootendeels
uit lateren tijd--welke aan deze zaal haren naam geeft, hij zal
niet heengaan zonder den indruk mee te nemen dat hij een oogenblik
heeft vertoefd in een gezelschap van ernstige, beminlijke mannen,
paedagogen in den beteren zin des woords, en dat de Atheensche
jongens, die waarlijk in hunne schooljaren de sophrosyne hadden
leeren hoogschatten, de leiding van zulke sophronisten eer zullen
hebben gezocht dan geschuwd. Waarom zou niet menig Attische jongen
in den overgang van het schoolleven met zijne gebondenheid en van het
huislijk leven met zijne intieme gewoonheid tot de hem nog zoo weinig
vertrouwelijke vormen van een zeker niet over-zachtzinnig kamp van
jonge recruten zich gaarne hebben neergezet naast dien ouderen vriend
zijns vaders, dien man van aanzien in de phyle, die den verleden roem
van hunnen stam kan verhalen, de eerezuilen aan hem toonen kan die de
namen hunner helden bewaren, hem de campagnejaren beschrijven, in eigen
jeugd met de ouders der tegenwoordige leerlingen doorgebracht? Mij
dunkt, de meesten onzer hebben ook wel zulk een oom of zulk een vriend
huns vaders gekend, aan wien zij bij tijden en in sommige zaken nog
gemakkelijker hun vertrouwen schonken dan aan hun eigen vader.
Een zoodanige verhouding kon te gemakkelijker tusschen de epheben
en hun sophronist ontstaan, omdat de sophronisten als het ware
gedelegeerden waren met een algemeene opdracht. Het militaire commando
was in handen van den strateeg, want de epheben zijn recruten;
zoodra dus de troep in garnizoen is op een of ander vast punt, staan
zij onder de bevelen van den plaatselijken commandant en--militair
gesproken--niet van den sophronist, ofschoon hij zeker aanwezig is en
niet minder zeker gehoorzaamd wordt. Hij zelf gaat blijkbaar met de
compagnie mee. Immers uit de staatskas ontvangt de sophronist voor
zich zelven eene drachme en voor ieder zijner epheben vier obolen
(d.i. 2/3 drachme), en voor die soldij schaft hij alles aan voor
de tafel, benevens hetgeen verder in de ménage noodig is, daar tot
betere aankweeking van den corpsgeest de epheben gezamelijk, stam
aan stam, eten.
Men zou kunnen vragen of niet, afgezien van de ideëele behoeften,
hier boven geschilderd, naast de militaire overheden de sophronist
vrij overbodig is. Het antwoord kan luiden, dat de Atheensche
jongens--ondanks de zorg in het onderwijs aan hun sophrosyne
gewijd--van aanleg zeker nog al onstuimig zijn geweest. In eene van
Demosthenes' oraties, die een klacht wegens mishandeling toelicht, is
eene beschrijving van de wijze waarop jonge soldaten, sinds kort aan de
ephebie ontwassen, zich tegenover kameraden van wellicht iets minderen
stand gedroegen. Al schetst de redenaar een uitzonderingsgeval,
en al overdrijft hij dat misschien, toch doet zijne teekening een
merkwaardig licht vallen op de alles behalve straffe tucht, welke in
een Grieksch legerkamp kon heerschen in de jaren die aan de nieuwe
regeling der ephebie voorafgingen.
"Het is nu twee jaar geleden", zoo laat Demosthenes den eischer
zijne lotgevallen verhalen, "dat ons regiment werd opgecommandeerd
om een post bij Panakton te betrekken. Nu kregen de zoons van Konon,
mijne tegenpartij, hunne tent vlak bij de onze--geenszins naar mijn
wensch, want oorspronkelijk is onze vijandschap uit dat feit en uit
de botsingen, die daarvan het gevolg waren, ontstaan. Zij hadden de
gewoonte, geregeld, onmiddellijk na hun eersten maaltijd hun drinkgelag
te beginnen, en dat den ganschen dag voort te zetten, en die gewoonte
hielden ze vol zoolang als we daar in garnizoen gelegen hebben. Wij
van onzen kant gedroegen ons daarginds echter op geene andere wijze
dan wij in de stad gewoon waren. Als nu voor de andere soldaten de
tijd aanbrak om voor het middagmaal te zorgen, dan was het meestal met
hen wel zoo ver, dat zij in dronkenschap allerlei onbehoorlijkheden
begonnen te bedrijven, meest tegen onze bedienden, maar tenslotte
ook tegen ons zelven. Want onder de bewering dat onze slaven bij
't vleesch braden hen in den rook zetten, of dat ze hen uitscholden,
of wat dan ook, sloegen ze er op los en smeten hen met vuiligheid,
of ze deden nog erger, want eigenlijk was er geen onbeschoftheid of
onbehoorlijkheid die zij niet bedreven. Toen wij dit nu zagen en er
natuurlijk ergernis van hadden, onderhielden we hen eerst er over;
maar daar zij ons hoonden en niet ophielden dezelfde onbehoorlijkheden
te bedrijven, hebben we eindelijk--geenszins ik alleen zonder de
anderen, maar onze tafelgenooten en corps--de zaak voor den strateeg
gebracht. De commandant berispte hen streng en bestrafte hen niet
alleen wegens hun wandaden ten opzichte van ons, maar ook wegens
hun geheele gedrag in het kamp. Evenwel, verre van zich daarover te
schamen of een eind aan hun onbehoorlijkheid te maken, kwamen zij dien
zelfden avond, zoodra het goed donker was, bij ons binnendringen, en
na ons eerst uitgescholden te hebben begonnen ze mij af te ranselen en
veroorzaakten ze zooveel geschreeuw en lawaai om onze tent heen, dat de
strateeg en de compagniecommandants en eenige van de soldaten kwamen
aansnellen, die gelukkig verhinderden dat ons eenig onherstelbaar
leed overkwam of dat wij, door hen in hun dronkenschap mishandeld,
hun iets aandeden dat niet meer ongedaan kon worden gemaakt...."
De gevoelens waarmee de rechters deze rede, omstreeks 340 gehouden,
hebben aangehoord, kunnen wij ons zonder moeite voorstellen. Zeker,
ze zullen onder 't luisteren naar deze schets van 't garnizoensleven
wel even zich aan 't genot der herdenking van eigen ondeugendheden
hebben overgegeven; ze zullen bij den voortgang van het pleidooi den
jongen, braven pleiter, die hun van zijne deugden geene verzwijgt,
wel min of meer een sukkel zijn gaan vinden; onverdiend vonnis
misschien, maar niet onbegrijpelijk! Doch zonder twijfel zullen
ze tevens hebben gedacht: "met jonge mannen als de zoons van Konon
kunnen wij Philippus niet weerstaan; en kampen als dat van Panakton
vernietigen alle discipline. Sophronistentoezicht op onze epheben
kan dien toestand althans voor den aanvang der militie en voor de
kern onzer jongelingschap verbeteren".
De werkzaamheid van den kosmeet en de sophronisten, die aanvangt
terstond na hunne benoeming, opent de ephebie op zeer karakteristiek
Atheensche wijze. Optochten behooren in het algemeen tot de
onontbeerlijkste genietingen van dit volk, dat gaarne vertoont
en gaarne toekijkt. Maar de optocht die dezen dag wordt gehouden,
heeft een eigenaardige beteekenis. De epheben worden namelijk in
plechtigen rondgang door hunne bestuurders geleid door de stad "langs
de heiligdommen der Goden". Alsof thans voor het eerst de omheining
wegviel die den zedigheidsweg der schoolgaande knapen afscheidde van
het algemeene stadsverkeer, zoo gaan zij nu onder hunne sophronisten
overal rond. Natuurlijk wordt--in de vierde eeuw!--hier niet de schijn
gehandhaafd, als zouden deze jongens nooit vóór dezen de propylaeën
hebben bestegen, nooit de oogen hebben opgeslagen naar de majesteit
der Olympische goden, rustig tronende op de gevelstukken van het
Parthenon. Hunne vaders hebben het ook niet nagelaten hen mee te
nemen naar de Acropolis en hun de heerlijkheid van Phidias' tempel
te toonen, hen te wijzen op de gratie der karyatidenhal, hen in hun
jeugd te brengen voor de geweldige statue van Athene Polias. Zeker,
er zijn in den stoet die daar onder de sophronisten voortmarcheert,
niet velen die den optocht der Panathenaeën nooit hebben zien gaan
langs den heiligen weg over de burcht, die nooit in de Propylaeën
hebben staan turen naar de schoonheid van de Aphrodite Sosandra, die
nooit langs den Ilissus hebben gewandeld en den tempel van Aphrodite
"in de Tuinen" zijn binnengetreden. Weinigen hunner zullen zeker
heden voor het eerst staan voor het altaar van de Twaalf Goden op de
markt, dat het middelpunt is van het geheele religieuze leven der
Atheners. Maar de epheben zien dat alles op dezen dag met andere
oogen. Het is alsof heden hunne stad hun voor het eerst wordt
voorgesteld en wel als een stad "vol van de goden". Maar tevens,
terwijl zij voortgaan van altaar tot altaar, langs den tempel van
Apollo Pythios, langs het onvoltooide reusachtige heiligdom van Zeus
den Olympiër, langs het altaar van Artemis Agrotera--langs al die
plekken, wier historische en religieuze beteekenis hun vaders hen
op zoo menige stadswandeling hebben doen verstaan, beseffen zij ook
dat die rondgang nog iets anders beteekent. Niet alleen worden hun de
goden getoond, niet alleen zegt de tocht zelf tot hen: "Jonge Atheners,
ziet hier uwe stad. Godsdienstiger zijn er weinige in Griekenland,
schooner in hare religie is er geene--beschermt haar en bewaart hare
eere!" Maar bovendien, het is hun alsof, op den dag zelven die hen in
zekeren zin losmaakt uit de voogdij van hunnen vader, de sophronisten
hen opdragen aan eene hoogere voogdij, aan de bescherming der goden
die Athene hebben grootgemaakt.
De epheben zijn nu na dezen rondgang soldaten, maar men doet het
best ze te beschouwen als boven de formatie: in eigenlijk actieven
krijgsdienst zijn ze niet, want ze moeten nog allerlei leeren. Crates
of een ander anti-militaristisch philosoof moge hen daarom beklagen,
hoogstwaarschijnlijk zullen ze dat zelf niet doen: het onderwijs,
dat hen wacht bij de van staatswege aangestelde paedotriben, bij den
schermmeester, bij de mannen die hen het boogschieten, het speerwerpen,
de bediening van de katapult zullen leeren en hun eindelijk de lessen
in het zwemmen en 't paardrijden zullen geven, wat is het voor hunne
jonge levenskracht anders dan een lust?
Niet meer naar de palaestra voert hen nu de paedotribe, maar naar
de gymnasia, naar de schoongelegen Akademia, naar het Lycëum,
of elders, waar technischer en strenger de oude oefeningen worden
voortgezet. Natuurlijk geldt het hier in de eerste plaats herhaling
van al datgene, wat bevorderlijk is voor de euandria. Want eukosmia
en euandria zijn nu eenmaal de eigenschappen die de Atheners
in het uiterlijk van hunne zoons bovenal willen terug vinden:
euandria, de evenredige ontwikkeling van alles wat aan het jonge
mannenlichaam bevallige kracht en weerstandsvermogen geeft, en
eukosmia, die rustige zelfbeheersching die evenver verwijderd is
van te zelfbewust pronken met eigen schoonheid als van de onhandige
verlegenheid door welke de schroomvallige elke houding en iedere
beweging ontsiert.--Het onderscheid van deze gymnasiumoefeningen en de
oude palaestra-lessen ligt natuurlijk voornamelijk in de verzwaring,
meer dan in de verandering der werkzaamheden. Zoo bijv. in het zeer
geliefde oefenspel met den korykos, den Romeinschen follis, den windbal
dien wij in het Engelsche sport als punchball kennen. Men hing in
de Atheensche gymnastiekscholen dien bal aan den zolder op; bij de
eerste oefeningen was hij met lucht gevuld, doch voor het ephebenspel
eerst met kaf of gerst en straks met zand; ook nam men naar gelang van
toenemende kracht en leeftijd grooter model van bal.--De bal hangt
juist op de hoogte van den buik des gymnasten. Deze tilt hem op,
werpt hem in de hoogte, grijpt hem in de vaart, wacht hem af als hij
komt aansuizen, om hem dan met een stevigen vuistslag af te weren of
door handig duiken te ontwijken, kortom hij doet den bal draaien en
tollen en zwaaien, juist zooals hij wil, om hem daarna door een handig
toegepast geleidelijk ritardando van zijne vuist- en palmslagen juist
op het oogenblik dat hem dit wordt bevolen weer stil te doen hangen.
Voor het pijnlijk en stalend boksen, dat in de palaestra nauwelijks
kan zijn beoefend, is dit spel met den hangenden bal eene uitnemende
voorbereiding. Intusschen zal ook hier het vuistgevecht, door
den paedotribe geleid, wel alleen in den meer eenvoudigen vorm en
zeker niet op de bloedige wijze van de Homerische helden of zelfs
van de athleten, door Hellenistische dichters beschreven, zijn
behandeld. In dezelfde gymnasia kunnen de Atheners getuigen zijn
zoowel van de bloedige stooten die twee beroepsathleten, in training
voor de Olympische wedstrijden, elkaar toebrengen met hunne met ijzer
beslagene handschoenen als van den ephebenstrijd. Deze geschiedt alleen
met vuistriemen, die de vingers en de vuist bedekken en dus wel,
terwijl ze deze beschermen, de pijnlijkheid van den slag verhoogen,
maar niet de kans vermeerderen dat een bloedige wond wordt geslagen.
Aan den leider dezer oefeningen wordt zonder twijfel overgelaten, waar
hij de grens tusschen de voorbereidende militaire werkzaamheden der
epheben, en de beroepsstudiën der athleten meent te moeten leggen,
en wij behoeven er geen oogenblik aan te twijfelen of hij heeft
dat met nauwkeurig overleg geregeld. De "quaestie der gymnastiek"
is van Euripides' dagen af bij de Atheners eigenlijk nooit van de
baan geweest. Zoowel de hygiënische zijde als de sociale, en zelfs
de politieke, geeft aan mannen als Plato en Aristoteles uitvoerige
beschouwingen in de pen. Bedenken we nu dat de laatstgenoemde zeer
ernstig de vraag behandelt, in hoeverre het aan de politieke positie
van een staat kan ten goede komen dat hij geregeld uit de kern zijner
burgerij athleten vormt om bij de groote nationale wedstrijden te
Olympia en elders den naam van de vaderstad hoog te houden, dan
kunnen we het waarschijnlijk achten dat de ephebenoefeningen in het
gymnasium tweeledig waren: vooreerst die welke, als de balspelen,
het springen, de hardloop enz., allen te zamen moesten opleiden
tot militaire bruikbaarheid, en daarnaast die waarbij rekening werd
gehouden met elks persoonlijken aanleg en lichaamsgesteldheid. Het
is toch duidelijk dat een zware, groote kerel tot andere dingen kan
worden bekwaam gemaakt dan een klein rap ventje!
Het is de verdienste van een goed paedotribe zulk persoonlijk
onderscheid vlug op te merken en er met onpartijdigheid in het
belang van de epheben gebruik van te maken. Want al behoeven deze
jonge Atheners niet juist voor den Olympischen wedstrijd te worden
klaar gemaakt, toch heeft zonder twijfel op eenigen hunner de phyle
waartoe zij behooren al lang het oog, om hem te doen "uitkomen" in een
van de ephebenwedstrijden door welke de Atheners gewoon zijn hunne
goden te verheerlijken. En niet minder dan de phyle heeft daarop de
jongen zelf gehoopt. De gelegenheden om zich te oefenen hebben hem
niet ontbroken: ook nadat hij den palaestra-cursus ten einde had
gebracht, bleef hij daar een welkome gast, en na dien tijd staan
de gymnasia voor hem open. Nu komt het er op aan, den paedotribe
aldaar te overtuigen, dat zijn longen eene flinke capaciteit hebben,
zijne borstkas de juiste welving bezit en zijne beenspieren stevig
en lenig zijn. Dan zal hij--misschien met gedeeltelijke inkorting of
wijziging van zijne militaire verplichtingen--worden aangewezen om
zich met de andere uitverkorenen te presenteeren aan den zoogenaamden
Gymnasiarchos, d.w.z. aan dien burger zijner phyle, aan wien door den
tweeden archont, den Basileus, bij wijze van persoonlijke belasting
de taak is opgedragen geworden om in dit jaar de zorg voor die jonge
stamgenooten op zich te nemen, wien het vergund werd mee te doen aan
den fakkelren op de Panathenaeën of op het Prometheusfeest.
Ieder van die feesten heeft te Athene elementen van religieuzen aard
in zich, die bij uitstek geschikt zijn om de overwinnings-blijdschap
van zulk eenen jongen burger te vermengen met edeler en dieper
aandoeningen, gedachten van hoogere orde dan de in 't eind toch niet
zeer diepgaande vreugde over het feit dat men sneller heeft geloopen
dan anderen. Dat weet de ephebe, en hij kan het gevoelen wanneer
hij mee is toegelaten tot den fakkelwedloop der Prometheia. Hij
weet--want toen hij met zijnen vader in het Dionysustheater de
Prometheus-trilogie van Aeschylus zag opvoeren is het hem getoond--dat
het altaar van Prometheus nabij den ingang der Akademeia een zeer
heilig vuur bewaart, een spraak van de oorspronkelijke gave van God
Prometheus, dat de straks te houden lampadedromia (fakkel-loop) de
symbolische uitdrukking is van de zelfde daad der voortplanting van
het heilige offervuur, welke door het Prometheus-verhaal mythologisch
wordt verheerlijkt. Ook is de reden hem niet verborgen, waarom de
fakkel straks van het Prometheus-altaar zal worden gedragen naar
het groote altaar der stadsgodin op den burcht. Zoo goed als het
huiselijke vuur met een brandenden tak van het huisaltaar behoort
te worden ontstoken, moet ook de heilige vlam van het stadsaltaar
in reinheid worden bewaard--en, voor zoover menschelijke aanraking
haar mocht hebben verontreinigd, worden ontsmet--door contact met
het outer van den vuurgod. Hoe sneller nu dat geschiedt, hoe minder
kans dat bij de overbrenging de vlam iets van hare smetteloosheid
zou verliezen. Vandaar de wedijver in den fakkelloop.
Reeds is van te voren eene keuring geschied, die de phylenafdeeling
aanwijst welke door lichamelijke schoonheid en door gratie van
houding de hoogste eer schijnt waardig te zijn; maar als de maanlooze
nacht is aangebroken begint de wedloop. Tien jongelingen--uit iedere
phyle een--steken hun fakkel aan op het altaar van Prometheus, geen
harsfakkels die in den wind van zelf blijven branden, maar vetpotten
wier behandeling in den wedloop voorzichtigheid en takt vereischt. Van
den Kolonosweg af snellen zij voort, zorgvuldig wakend dat hun fakkel
goed blijft branden, noch te fel, zoodat zij den geheelen loop niet
zou kunnen strekken, noch zoo kwijnend, dat een windstoot haar dooven
kan. Op vaste punten staat voor iederen concurrent een phyle-genoot te
wachten die de brandende toorts overneemt. Uit vallen nu natuurlijk
al die phylen die niet tot het einde toe hare fakkels brandend
gehouden hebben. Maar die phyle is overwinnares, wier fakkel, dank
zij de vlugheid en de behendigheid van al hare medewerkende epheben,
het eerst brandend is neergelegd op het burcht-altaar van Athene.
Aan zulke wedstrijden was het jongelingsleven te Athene rijk. Het
karakter dezer Agones is in hoofdzaak hetzelfde en opsomming der
verschillende feesten aan welke epheben deel nemen is daarom hier niet
noodig, maar wel dient er reeds hier op gewezen dat even als deze
afzonderlijke oefening der aanstaande wedloopers zekere afscheiding
bracht, ook in het overige onderricht zich, zelfs tusschen zoons van
meer vermogende ouders, gaandeweg eenig onderscheid deed gevoelen. Al
wordt de geheele ephebengroep van een jaar voor zoover de militaire
voorbereiding betreft op een zelfde hoogte gebracht, gelijkheid blijft
ook in dezen kring niet bestaan. In de eerste plaats zijn er onder de
voornaamste epheben natuurlijk verschillende die, onder instemming
zooal niet steun van staatswege, hunne wetenschappelijke studie
tijdens de ephebie voortzetten. En dit behoefde nog geen duidelijke
scheiding tusschen hen en hunne kameraden te geven; maar iets anders
was het in de hoplomachie (de schermkunst). Speerwerpen zal voor de
meesten wel een zeer gemakkelijk te leeren taak zijn geweest; in het
mikken met de korte lans plachten reeds in de palaestra de Atheners
zich vrij geregeld te oefenen. Maar reeds het zwaardschermen bracht
verschil, omdat de rijkere jongelui daarin doorgaans allen privaat
onderwijs hadden gehad en dus den anderen van 't begin af de baas
waren of de lessen dezer aanvangers niet eens behoefden te volgen. Het
belangrijkst echter was de klove, door de rijkunst ontstaan. Wel is het
niet onmogelijk dat, even als het zwemmen, ook het paardrijden soms
aan alle epheben van een bepaald jaar werd onderwezen; maar zelfs al
is dat het geval, bij lange na niet alle epheben zijn financieel in
zoo gunstige omstandigheden, dat zij zich straks, als hun tweejarige
oefeningstijd is afgeloopen, kunnen doen aanmonsteren bij de cavalerie.
Die dat wèl kunnen doen, voelen zich zonder twijfel vrij wat
voornamer dan hun collega's welke maar voor den hoplitendienst
bestemd zijn. Het ruitercorps der Atheners was klein en gold, niet
om bijzondere strijdbaarheid of deugdelijkheid, doch om den glans
van zijn optreden, als een keurbende. Geen wonder! De ruiter moet
zelf zijn paard leveren en jaarlijks zich zelven met zijn paard aan
eene keuring, ten overstaan van den raad, onderwerpen. Onderhoudt
hij zijn paard niet goed, dan wordt hij beboet, heeft zijn paard geen
onberispelijke dressuur, staat het niet straf op 't commando pal, of
heeft het moeite mee te komen, dan wordt het dier op reform gesteld
en hij zelf uit de lijst der ruiters geschrapt. Kortom, alles wat
van een paradecorps kan worden gevorderd, wordt van hem geëischt.
Maar daarvoor is dan ook heel wat afzonderlijke oefening
noodig. Vergezellen wij dus de epheben op hunne exercitiën, dan zullen
wij naar mij voorkomt splitsing in hunne dagtaak moeten maken, en
een deel bij de schermles, een deel bij den paedotribe, enkelen bij
hun rhetor denken. De jonge ruiters oefenen zich buiten de poort. Nu
eens ziet men hen in aaneengesloten gelederen regelmatig voortdraven,
zooals ze moeten doen bij den Panathenaeën-optocht, als ze den stoet
zullen openen en hunne moeders en zusters tehuis op het platte dak
zullen stijgen om hunne glorie te zien. Een andermaal brengt hun
rijmeester hen op het doorgraven terrein aan de berghelling en hij
laat hen galoppeeren in 't mulle zand en over de greppels of slooten
springen en draven, de gloeiende wegen bestijgen en in den ren afdalen
van de steilte, kortom, hij laat hen alles zoo doen, dat het boekje van
Xenophon over de ruiterkunst, op school gelezen en tehuis door hunne
vaders geroemd, als uit de echte praktijk herboren voor hen leeft.
Maar die afscheiding der standen duurt althans voorloopig nog niet
voort. Want aan tafel vereenigt zich de geheele groep der phyle. Dat
eischt de nieuwe verordening, alsof men gehoopt had de verzwakte en
verwende Atheensche burgerij door Spartaansche instellingen weer tot de
oude kracht te brengen. En niet alleen vereenigen hen die dagelijksche
maaltijden--voorproef van het kampleven der aanstaande hoplieten--,
ook de intrede in den eigenlijken dienst doet dat. Want nu gaan ze
ook den garnizoensdienst leeren, aan den Piraeus betrekken zij de
wacht, alsook aan de Munichia-haven, en op den grooten muur die Akte
omgeeft, het plataanbladvormige schiereiland dat aan de groote haven
ten zuid-westen grenst.
De keuze dier plaatsen verdient wel opmerking. In den tijd der
reorganisatie van de ephebie zijn dat strategisch uiterst gewichtige
punten. Ieder die bedenkt, dat in het laatst der vierde eeuw de
Macedoniërs, door eene bezetting in de vesting van Akte te leggen,
de stad geheel in hunne macht hielden, zal dit erkennen. Er kan
dus ook moeilijk sprake van zijn dat de bewaking dezer linie aan zee
eenvoudigweg uitsluitend aan deze achttienjarigen werd toevertrouwd. De
regelmatige bezetting zal zeker uit volwassen en geoefende manschappen
hebben bestaan. Maar het was goed gezien, onder hunne leiding en
toezicht de epheben daarheen te zenden. Op menigen stormachtigen
avond konden zij daar de zee, die Athene eens had groot gemaakt en
die thans die zelfde stad met zoo vele gevaren bedreigde, hooren
slaan tegen de klippen, en terwijl zij in de duisternis staarden, of
reeds de vijand naderde, leerde daar hun hart door anderen aandrang
dan dien van jongensachtige vrees te kloppen.
De oefeningen van het eerste jaar zijn met dezen garnizoensdienst
afgeloopen. Maar vóór de ernstiger en zwaarder militie van het
tweede ephebenjaar begint, wacht de jongelieden nog een drieledige
plechtigheid. Bij de onzekerheid die omtrent de volgorde dezer drie
handelingen heerscht, is het niet ongeoorloofd die te bespreken
in de orde welke ons het natuurlijkst voorkomt. Allen behooren zij
tot de indrukwekkendste gebeurtenissen in het leven van den jongen
Atheenschen burger.
De voornaamste plechtigheid is de parade voor het volk, in solemneele
zitting vergaderd in het theater van Dionysos. Het woord "zitting"
is hier niet overdrachtelijk gebruikt. Er was een tijd geweest, dat
de Atheners--die, als we hen nagaan in hun publieke leven, wonderwel
ter been moeten zijn geweest, want alles doen ze bijna staande--ook in
hunne volksvergaderingen niet zaten. Maar die tijden waren voorbij,
en daartoe zal zeker de wassende welsprekendheid der volksredenaars
wel het hare hebben bijgedragen. En sinds nu (tusschen de jaren 340
en 330) door de zorgen van den overlegzamen staatsman Lycurgus een
steenen theater was gebouwd in de heilige aan Dionysos gewijde ruimte,
waar ook thans nog de ruïne ons een zoo levendig beeld geeft van de
plaats waar de Atheners hun groote Dionysosfeesten vierden, plachten
de Atheners gaarne daar te vergaderen. Het behoeft niet gezegd, dat
voor eene wapenschouwing die plek bijzonder geschikt was. Zoo werd
dus op een bepaalden dag van het jaar het volk daar ter plechtige
zitting geroepen. Maar hoogstwaarschijnlijk was daaraan reeds eene
andere, korte doch indrukwekkende plechtigheid voorafgegaan, en er
is naar mij voorkomt reden om aan te nemen dat deze laatstgenoemde
de Dionysische vertooning opende, terwijl de parade er het besluit
van was. Die openingsplechtigheid geldt de weezen van die burgers,
die in den krijg voor het vaderland zijn gevallen. De staat heeft na
den dood der vaders de kosten van de opvoeding dezer knapen voor zijne
rekening genomen, en--althans in de oudere periode, toen de ephebie
nog niet tot eene, slechts voor vermogenden toegankelijke weelde
was geworden--hen ook doen opnemen in de rij der epheben. En het is
een van de aantrekkelijke zijden van het Atheensche volk geweest,
dat het dien staatsplicht als staatseer beschouwde. Athene heeft die
kinderen harer helden lief, en behandelt ze niet als stadsarmen doch
als lievelingszonen; in de jaren toen de Atheners nog altijd zelf
den vijand tegemoet gingen--wat uitsleet in de vierde eeuw en eerst
in den hachelijken strijd tegen Macedonië weer regel werd--heeft de
verzekerdheid dat de Staat "zijne zonen als de herinnering aan zijn'
moed zou eeren" voor menigen soldaat den doodstrijd op het slagveld
verlicht.
Zoo rusten dan ook de oogen der burgers die de rijen van den schouwburg
vullen--velen met hunne kinderen naast zich, die het thans aanvangende
schouwspel bijzonder moet treffen--met groot welbehagen op de "Weezen"
die, omdat ze den ephebenleeftijd hebben bereikt en dus uit de voogdij
van den Staat worden losgemaakt, thans voor het volk treden. De oude
Atheensche gewoonten hebben bij zulke handelingen vaak eene op zeer
fijn gevoel berustende gratie. Op het oogenblik dat de Staat deze
weezen laat heengaan uit zijne voogdij en hen in de maatschappij
zendt, geeft het vaderland hen nog een geschenk. Maar dat is niet een
"uitzet", een pak kleeren of zoo iets: het is eene volle wapenrusting
als hopliet, de zware bewapening van den volksburger, eene wapenrusting
gelijk aan die waarin hunne vaders zijn gestorven. In die panoplia
treden ze nu de orchestra binnen, de staatsheraut gaat voor hen uit,
en als zij in het midden hun gelid hebben gevormd, één onbewegelijke
rij, fel stralend van licht in de voormiddagzon, dan verheft de heraut
zijne stem en draagt de boodschap, "zoo treffend en zoo uitnemend van
kracht om ook anderen op te wekken tot dappere deugd" voor. "Hoort
mij aan, burgers van Athene", zoo zegt hij--en tot op de bovenste
rijen draagt de voortreffelijke akoustiek zijne stem--"Uw volk heeft
deze jongelingen, wier vaders op het slagveld in eervollen strijd
om uwentwil het leven hebben gelaten, opgevoed tot op dezen dag
hunner manbaarheid; nu bekleedt datzelfde vaderland hen met volle
wapenrusting, ontslaat hen uit de voogdij met zegenwensch voor hun
verder lot en noodigt hen voor heden uit tot de vooraanzitting."
Dan gaan de jonge soldaten, met het diep ontroerende gevoel dat
zij heden in aller oogen de eer hunner vaders dragen, heen naar
de zetels der vooraanzitting en zij zetten zich neer bij den
priester van Dionysos, bij de gezanten der bondsstaten, bij de
hooge ambtenaren, eene onderscheiding genietende die zeker niet
hunne ijdelheid heeft opgewekt, maar wel hunne begeerte om niet
minder te zijn dan hunne vaders. Als zulk een knaap, na zulk een
plechtigheid de Dionysische vertooning die dan een aanvang neemt
uit zijn eerezetel mee aanschouwende, den Philoctetes van Sophocles
ziet opvoeren, en de edele jongelingsfiguur van Neoptolemos voor
zich ziet in diens aangrijpenden strijd tusschen politiek belang en
karakteradel, dan wordt deze dag een kracht in zijn leven, en er zal
heel wat cynisch smalen over rhetorisch vertoon en over speculatie
op volkssentimentaliteit noodig zijn, voordat valsche schaamte hem er
toe brengt met dezen dag te spotten. Helaas, toch zal menigeen onder
deze Staatsweezen, wanneer hij later, krachtens het recht van zijn
hooge ambt, wederom plaats neemt op die eerebanken, niet dan met een
blos kunnen terugdenken aan den dag toen hij daar zat krachtens het
eererecht hem door zijn vader nagelaten.
Dan vangen de Dionysia aan. Maar volgens een vast gebruik volgt
onmiddellijk op deze feestdagen eene geregelde vergadering van het
volksparlement (de ecclesia) in de theaterruimte; en zoodra nu de
zaken waarvoor deze vergadering is bestemd zijn afgehandeld, heeft
in de orchestra, de middenruimte, ten aanschouwe der leden van de
volksvergadering eene regelmatige parade-exercitie van het geheele
ephebencorps plaats. Dit is geen wapenschouw, ook geen assaut, want de
epheben zijn waarschijnlijk op dat oogenblik nog niet zwaargewapend;
het is een uitvoerige, half gymnastische, half militaire vertooning
van de bewegingstaktiek der Attische infanterie, het vlugge keeren
in eene kwartwending rechts ("speerkant") en links ("schildkant") de
halve wending en de geheele, het vormen van rotten en gelederen, de
hardloop, de vlugge zwenking: kortom de geheele vereeniging van rapheid
in beweging en snelheid in 't stilstaan, welke door de uitgebreide
infanterietaktiek van de Grieksche vechtwijze wordt vereischt. En aan
het slot van deze parade komt ook weer een geschenk. Van staatswege
worden de epheben nu begiftigd met speer en schild, en hierdoor wordt
erkend dat zij thans in den vollen zin behooren tot de hoplieten van
Athene, al telt natuurlijk voor de berekening van hunnen volbrachten
diensttijd ook reeds het eerste jaar hunner ephebie mede.
In hunne volle wapenrusting--en dit is het laatste deel van de
drieledige plechtigheid--marcheeren zij nu naar het kleine heiligdom
der godin Aglauros, om hunnen ephebeneed af te leggen. Op de zeer
steile noordhelling namelijk van de Acropolis, waar zich ook thans nog
eenige moeilijk te bereiken grotten bevinden, was ééne grot vrij hoog
gelegen, en waarschijnlijk oudtijds met de alleroudste "pelasgische"
nederzetting op den burcht door een in de rots uitgehouwen trap
verbonden, die de Atheners eerden als het heiligdom van Aglauros,
eene van de dochters van Cecrops. Het is niet zoo heel zeker, dat alle
Epheben, indien men hen had gevraagd wie deze Aglauros eigenlijk was,
en hoe het kwam dat zij naar hare onaanzienlijke grot, in plaats van
bijvoorbeeld naar den grooten tempel van Athene Parthenos, werden
gebracht om hun burgereed af te leggen, veel anders zouden hebben
weten te antwoorden dan dit, dat deze plek zoo bijzonder heilig was
door hoogen ouderdom. Intusschen was hun de oude heilige sage wel
bekend: hoe Aglauros en hare zuster Herse zich in den ouden tijd van
de rots hadden neergestort in hare ontzetting over hetgeen ze te zien
kregen bij het openen van zeker mandje, aan hare zorg toevertrouwd
door Athena met het strenge bevel het ongeopend te bewaren. In dit
mandje--welke Atheensche knaap wist het niet!--had het kind met de
slangevoeten gelegen, Erichthonios, de geheimzinnige stamvader der
Atheensche koningen, dien ieder kende als alouden bewoner van het
Erechtheum! Vermoedelijk zullen de meeste Epheben met deze vage notie
van oude heiligheid wel tevreden zijn geweest, ja de plechtigheid van
de eedsformule zal er voor hen misschien door gewonnen hebben, dat het
ten deele zoo geheimzinnig vreemde goden waren, die zij als getuigen
bij hunne belofte aanriepen. Het formulier namelijk, waarvan men
zich in den tijd van de reorganisatie der Ephebie geregeld bediende,
luidde aldus: "Ik zal deze heilige wapenen niet te schande maken,
noch ooit den wapenbroeder in het gevaar alleen laten naast wien ik
gesteld zal zijn. Wat aan onze goden gewijd is of wat geheiligd is
door menschelijke vroomheid, zal ik verdedigen, hetzij alleen hetzij
met anderen. Het vaderland zal ik aan mijne navolgers overgeven, niet
minder doch grooter en krachtiger dan ik het heb ontvangen. Aan hen
die het bestuur voeren, zal ik onderworpen zijn met inzicht en aan
de wetten, die gesteld zijn, zal ik gehoorzamen, alsook aan degene
die het volk van Athene nog stellen mocht in eensgezindheid. En
zoo iemand mocht trachten die wetten omver te werpen of aan dezelve
niet gehoorzaam mocht zijn, dan zal ik dat niet toelaten doch dien
man tegengaan, zoo alleen als met anderen. Ook zal ik de heilige
instellingen onzer vaderen in eere houden. Zoo waarlijk helpe mij
Aglauros, Enyalios, Ares, Zeus, Thallo, Auxo en Hegemone."
De talrijkheid der namen van de goden die als getuigen worden
aangeroepen, is in de oogen der Epheben zelf zeker wel geschikt geweest
den ernst van hunnen eed te verhoogen; maar het plechtige van dit slot
ligt toch eigenlijk hierin, dat hoe ook de eed zelf naar de behoeften
der tijden zich heeft gewijzigd--en wij weten dat dit het geval is
omdat ons enkele wijzigingen bekend zijn--de godennamen duidelijk
de herinnering bewaren aan de alleroudste tijden der stad. De eed,
dien hier de Epheben zweren en dien zij, zooals blijkt uit menige
toespeling in de redevoeringen der Attische Oratoren, met eerbied
gedurende hun verder leven gedenken, is in waarheid de oude belofte
der burgerwacht die de oude stad op den burcht beschermt. Niet Hermes
of Apollo, de schutsgoden der mannelijke jongelingschap, worden
daarom hier aangeroepen, doch Aglauros, die als priesteresse van de
burchtgrot geene andere is dan Athena, de godin der Acropolis zelve,
en met haar Thallo en Auxo, naast Aphrodite Hegemone de personificatiën
van den landbouw, die de oudste burgers had gevoed.
De eed in de Aglaurosgrot neemt nu de Atheensche jongelieden zoozeer
definitief in het corps der soldaten op, en is dus zoozeer het einde
van den knapenleeftijd, dat onze schets hier behoort te eindigen op
het oogenblik dat wij de kleine schare, gekleed in de Thessalische
ruitermantels, kort van achteren en van voren met langer afhangende
slippen, en met den petasos, den slapgeranden vilten hoed op het
kortgeknipte haar, zien afdalen van de Acropolishelling. Met een
enkelen oogopslag mogen wij hen dus nog slechts volgen op hunne
militaire excursies als peripoloi, rondgaande troepen, en denken
aan hun spitten, hun graven, hun walbouw en hunne wachtposten op de
grenzen, waar het spel van den speerworp ernst gaat worden. Wij zien
hen in de passen van Oenoë staan, metterdaad leerend hoe daar een
kloeke troep, mits goed geoefend, een leger kan tegenhouden dat uit
Boeotië oprukt. Straks beklimmen zij Phyle, de steile bergvesting,
onvergetelijk in de Attische krijgsgeschiedenis, sinds Thrasybulus zich
daar had genesteld ten tijde dat hij aanrukte om Athene van de Dertig
te bevrijden. En hetzij ze legeren in de dalen van den Cithaeron,
hetzij ze de maan zien schijnen over de kronkelende lijn van Attica's
zeekust, wij weten dat zij straks terug zullen keeren in hunne stad,
sterker van lichaam, maar ook sterker van geest. Want nu kennen zij
hun land en hebben Attica liefgekregen uit eigen gemeenschap met den
bodem, waarop zij gerust en gestreden hebben.
Mogen wij dit slechts kort aanstippen, eveneens ligt het buiten ons
bestek te spreken van de latere tijden. Immers de Ephebie zou niet
lang meer blijven wat zij in het eind der vierde eeuw nog was. Toen
meer en meer in het onder Macedonische heerschappij verzwakkende
Athene de overtuiging verkwijnde, die de Ouden had geleerd dat
burgerrecht weerplicht insluit, toen werd ook het weerbare corps
der Epheben een luxecorps, eene garde voor voorname rijke jongelui,
met een eigen bibliotheek en een eigen gymnasium, en voorts met een
staf van badopzichters, portiers, geneesmeesters, masseurs en wat dies
meer zij. Maar de beschrijving dezer aristocratische corporatie brengt
ons--hoe hoog ook soms de inscripties hare praestatiën prijzen--in een
geheel ander Athene dan waarvoor onze schets aandacht wilde vragen. Van
onze Epheben nemen wij het liefst afscheid wanneer we hen, na kloek
volbrachten oefentijd, zien opgaan in de rij der hoplieten die door
den strateeg tot den velddienst zijn opgeroepen: op dat oogenblik
geven zij ons het duidelijkst beeld van den volkomen Athener.
Wij nemen noode afscheid van dien Ephebe.--"Waarom noode?" vraagt men
wellicht; "zouden wij dan onze zonen, zouden onze jongens zich zelf
zóó wenschen als hij was?" Mij schijnt zulk een vergelijken altijd
onredelijk. Noodlottig en gevaarlijk acht ik elke liefde voor het
verleden, die onze liefde voor den tijd waarin ons leven is geplaatst
doet versterven. Tevens echter schijnt mij geen liefde zóó verblind als
die, welke in hare eenzijdige bewondering voor nieuwere tijden weigert
de fouten te zien waardoor ons geslacht kan ondergaan, en genezing
te zoeken in de lessen van het verleden. Die lessen ontbreken niet
geheel in de geschiedenis der Atheensche jeugd. Ik wil die lessen
niet opsommen: mijn doel is bereikt indien de hierboven gegeven
schets het Atheensche knapenleven eenigermate heeft doen zien als
eene voorbereiding tot den burgerstaat, zooals Pericles die in zijne
"grafrede voor de gevallenen" teekent. Immers dit zijn wel de deugden
die de Atheensche opvoeding aan de knapen wilde geven: liefde voor eene
schoonheid die niet op pracht berust, doch op eenvoud en nagestreefd
wordt met inspanning, noch ooit ontaardt in weelderige rust; liefde
voor het vaderland, die zich rekenschap geeft van de deugden waardoor
het gewassen is, doch niet gelooft in eene volmaaktheid der overgeërfde
deugd, door geen nieuw inzicht te verbeteren; liefde voor het goede,
die niet meent in eigen boezem de norm der waarheid rond te dragen,
doch zonder eigengerechtigdheid het aanziet, dat verscheidenheid van
oordeel verscheidenheid van levenswandel brengt.