Onze schets heeft in de laatst voorafgaande bladzijden de kleine
Atheners, hetzij alleen hetzij met anderen, laten rondzwerven op
eene vrij ongeregelde wijze. De lezer meene echter niet dat zulk een
vagebondeeren in overeenstemming is met de opvoedingsbeginselen der
Atheensche vaders. Dit kan genoegzaam blijken uit de nauwlettende
zorg waarmee op zijn geheele doen en laten wordt toegezien, zoodra
hij--op zijn zevende jaar--naar school gaat. Als zijn ouders het
eenigszins ruim hebben volgt hem op zijn' weg een vertrouwde slaaf
van middelbaren of hoogeren leeftijd; dat is de paedagoog. Zijne
figuur is voor ons zoo vreemd, en van zijne verhouding tot den knaap,
die tegelijk zijn meester en zijn pupil is, zoo onmodern, dat het de
moeite waard is iets langer bij dezen slaaf stil te staan dan zulk
een lakei oppervlakkig beschouwd het schijnt te verdienen.
De naam van dezen ouden dienaar heeft een voornameren klank dan men
voor eenen slaaf die een' jongen naar school brengt zou verwachten,
en dank zij een merkwaardige speling van het lot is eerst in lateren
tijd, toen de eigenlijke slavenfunctie van den paidagogos min of meer
uit de mode was geraakt, de oude beteekenis van het woord door het
overdrachtelijke gebruik dat de philosophen er van maakten weer op den
voorgrond gekomen. Immers agoge beteekent niet slechts "geleide", maar
ook "leiding", en in de oude tijden was dan ook--vooral in vorstelijke
kringen--de paedagoog behalve de geleider tevens de leidsman van
den jongen edele geweest, dien men aan zijne zorg toevertrouwde. Het
zijn de heroïsche, de ongeletterde tijden, waarvan dit geldt; maar de
latere Grieken hebben het nooit vergeten. De tragici vooral bewaren
aan die oudere periode opzettelijk en met onloochenbare sympathie de
herinnering. Zij beijveren zich om hunne paedagogentypen ernstig en
eerbiedwaardig te maken; aan niemand hunner is dat beter gelukt dan
aan Sophocles toen hij zijn Electra schreef: de getrouwe dienaar die
aan den aanvang van dit treurspel den jongen koningszoon geleidt naar
het paleis van zijnen Vader, de dienaar dien Sophocles de eer van de
aanvangswoorden heeft waardig gekeurd:
Agamemnons zoon, nu moogt gij eindlijk alles zien
met eigen oogen, waar ge altijd naar hebt verlangd,
die dienaar is in de plannen en de plichten van den jongen Orestes
geheel ingewijd; meer dan dat: zijn ernst, vertrouwd met het verleden
van het Atridengeslacht, heeft inderdaad Orestes gevormd: die edele
aard, dat besef van adel, die aanhankelijkheid zijn zijn werk. Wij
staan dan ook geen oogenblik verbaasd over het feit dat deze slaaf
alles bestiert, dat hij Orestes aanspoort en leidt, op een toon van
beproefd en erkend gezag. Eerst na eenig nadenken komen wij er toe
te vragen: wie geeft aan dezen slaaf zoo groote autoriteit?
Intusschen, de paedagogentype uit de Electra staat niet alleen. Telkens
vindt men haar weer in de tragedie, niet vaak met zooveel noblesse
geteekend, maar wel telkens bekleed met dezelfde autoriteit. Blijkbaar
hebben de treurspeldichters willen doen uitkomen dat zij zich de
verhouding van den paedagoog tot zijn jongen beschermeling in haren
oorsprong geheel anders denken dan die in hun eigen tijd geworden
was. Er was reden voor hen om zich de vraag te stellen, of eigenlijk
de heroëntijd dien zij in hunne tragediën beschrijven, wel paedagogen
had gekend; want de Ilias en de Odyssee zijn ook hier weer karig in
duidelijke en onmiddellijk beslissende getuigenissen. Aan het hof
van Peleus, den vader van Achilles heeft Phoinix, zelf man van adel,
doch wegens manslag balling uit zijn land, eenigermate tegenover
Achilles, den jongen prins, de rol van paedagoog vervuld. Peleus
heeft hem huis en hof geschonken en vertrouwt hem zijn zoon toe. En
Phoinix verzorgt eerst Achilles, en daarna zorgt hij voor hem: eerst
gewent hij hem behoorlijk te eten en drinken zonder te morsen--maar
straks leert hij hem ook:
èn een spreker van woorden te zijn, en wrochter van daden.
Achilles is in den tijd dien Phoinix hier beschrijft nog een
knaap. Maar als Telemachus op reis gaat, die toch al een jonge man
is en op Ithaka reeds min of meer aan het hoofd van de huishouding
staat, heeft hij toch op zijnen tocht naar Pylos een leidsman bij
zich, om hem te raden en te helpen. Immers Godin Athena zelve gaat
mee in de gedaante van Mentor, en in haren naam is de zorg van den
idealen paedagoog vereeuwigd.
Ook buiten den kring van de ridderpoëzie en het drama vinden wij
dezelfde verhouding geteekend: toezicht en leiding in dagelijkschen
omgang, gezelschap als van een gouverneur, maar dan zonder te scherpe
aanduiding van het standsverschil; en een sprekend voorbeeld van zulk
eene verhouding is door Herodotus gegeven in de door somber fatalisme
zoo aangrijpende geschiedenis van dien voortvluchtigen vorstenzoon
Adrastus, wien, als hij aan Croesus' hof opname en reiniging van
schuld heeft gevonden, de leiding van Croesus' zoon wordt toevertrouwd.
Ofschoon dus in die oudere tijden--tijden van voortdurenden onderlingen
roof--het aantal slaven talrijker en hunne beschaving niet zelden aan
die van hunne meesters gelijk was, eenen slaaf als paedagoog geeft
ons het epos niet te zien. Wel leeft ook daar de voorstelling, dat
de ridderjeugd niet opgroeit zonder paedagogische leiding en toezicht.
In de Dorische staten, met name te Sparta, werd deze zorg voor
de leiding en tucht der knapen door de regeering geheel aan zich
getrokken, en hierin lag een van die kenmerken van den Dorischen
geest, die altijd weer opnieuw stof tot debat gaven tusschen de
voor- en tegenstanders van het "Laconisme". Het is de moeite waard
te hooren, met hoe groote ingenomenheid bijv. Xenophon, natuurlijk
in oppositie tegen de Atheensche politiek en praktijk, deze zijde
van het Spartaansche leven roemt. Hij wijst er op hoe te Sparta de
regeering, wel verre van toe te laten dat ieder maar aan een slaaf
zijne kinderen in handen geeft, een van de voornaamste burgers
aanwijst om als paidonomos op de jongens boven zeven jaar toe te
zien. Hij heeft de bevoegdheid om--onafhankelijk van het oordeel
der ouders--de knapen bijeen te roepen en in al hunne oefeningen te
controleeren. Vat een of ander zijn werk wat luchtig op, dan is hij
de man die straft. Zoo alleen wordt een ideaal bereikt dat als leuze
heeft "allen weerbaar". Zoo wordt een jongen een kerel. Geen sandalen
dus, die de voeten week maken: ongeschoeid leert een knaap, hoe een
soldaat naar boven klautert op een steil en steenachtig pad. Geen
wisseling van zomer en winterkleeren, geene voeding tot verzadigens
toe. Bovenal geen omhangen in de eigene woning bij eene toegeeflijke
moeder; geen spelen zonder toezicht. Is de paidonomos afwezig, dan
is te Sparta de eerste de beste respectabele burger bevoegd om in
zijne plaats te commandeeren en te straffen; en zoo behoort het.
Onze kennis van Spartaansche toestanden is te onvolledig om ons te
zeggen hoe nu eigenlijk in de praktijk van alle dagen die militaire
tucht en die collectieve opleiding der jeugd tot een staatsleger werden
toegepast. Er is zonder twijfel tusschen Spartaansch en Atheensch
jongensleven een groot onderscheid geweest; toch staat het vast dat
in beide staten de vrijheid der knapen zeer veel geringer moet zijn
geweest dan in onze moderne maatschappij; vooral met betrekking tot
hun uiterlijk optreden.
Er is een Grieksch woord, eukosmia, dat door het Hollandsche "fatsoen"
of "ordentelijkheid" slechts gebrekkig wordt weergegeven, en op die
eukosmia te letten, dat is de taak van den Atheenschen paedagoog. Den
mantel omgeslagen in die plooi van deftige sierlijkheid, die aan
de Atheensche knapen zoo eigenaardige distinctie verleent, maar
hun veel van de eenvoudige kinderlijkheid ontneemt, zoo wandelt de
kleine Athener zelfbewust voor zijnen paedagoog uit. De oogen slaat
hij neer, want de sophrosyne, de zedige bescheidenheid, eischt zulks;
hij schreeuwt niet op straat en gaat van de kleine steentjes als hem
een voornaam burger tegenkomt: hij voelt zich den jongen meester, doch
tevens den gehoorzamen leerling van den welgeschoren, goedgekamden
paedagoog, die--met de schoolboeken en de lier van den "jongenheer"
in de hand--achter hem aanwandelt.
Verder dan tot deze algemeene schets brengt onze wetenschap ons
niet. Alleen bijzonderheden uit den omgang van een man als Euripides of
Plato met zijnen paedagoog zouden dit beeld kunnen verlevendigen. Maar
die bijzonderheden ontbreken. Wel kunnen wij met zekerheid zeggen dat
de paedagoog ook in het latere Hellas eene steeds aanwezige figuur
blijft in het dagelijksch leven van een knaap van goeden huize,
en--al geeft hij meer den indruk van tot den "staf" des jongen
deftigen Atheners te behooren--blijft zorgen voor hetgeen hem in den
ouden tijd was opgedragen, nl. te waken voor de correctheid en er op
toe te zien dat de jongeheer den naasten weg neemt naar school. Want
straatslijpen is uit den booze.
Groote sympathie kunnen wij moeilijk voor zulke beperking der vrijheid
van ronddolen hebben. De uren waarin we onze stad leerden kennen in
hare intiemste hoekjes, of alleen rondzwierven aan den Buitenkant zijn
ons daartoe te lief. En daarbij kunnen we ook niet laten de vraag hier
weer te herhalen, die telkens bij ons opkomt, wanneer we nadenken over
het Grieksche knapenleven: "waar is bij dit alles de vader?" Wandelde
dan een Atheensch vader niet met zijn zoon den Kerameikos door, om hem
de namen te doen lezen van hen--zijn eigen voorvaders misschien--daar
begraven waren, eervol en van staatswege, omdat zij in den krijg voor
't vaderland waren gesneuveld? Toonde hij hem niet de plek waar, half
begraven onder de nieuwe woningen ten westen van den burchtheuvel,
de resten nog te zien waren van het oude kleine Athene? En beklom hij
niet daarna met hem den burcht zelf, om hem eerst te wijzen hoe van een
nog oudere nederzetting daar de sporen waren te zien in den ouden muur,
doch daarna hem de heerlijkheid van het Parthenon te doen verstaan?
Wie die vragen stelt, beantwoordt ze daardoor meteen. Het zou
ondenkbaar zijn dat het anders geweest ware. Zoo goed als een Atheensch
vader zijn' jongen de geschiedenis van zijn stad leerde, hem soms bij
zich aan tafel liet eten, ook als hij vrienden had, hem meenam naar
sommige van de plechtige vergaderingen van zijnen Demos en hem aan
zijne zijde liet zitten in het theater, zoo goed moet hij met hem naar
de Piraeushavens zijn gewandeld, op den Lycabettus zijn geklommen, en
met hem gestaan hebben voor het opengewerkte hek van het raadhuis. Maar
dat is iets anders dan den jongen alleen te laten gaan. Op dit punt
is er stellig een tijd geweest dat men te Athene streng was, en dat
men van een jongen, die over de Markt heen moest gaan, verwachtte dat
hij "zediglijk en ingetogen" schuin overstak over het plein, en een
eventueele boodschap aan zijn vader, die daar "over staatsbelangen"
delibereerde, maar liefst in een der aangrenzende winkels afgaf. Ja,
de spreker in eene van Lysias' redevoeringen gaat zoover, dat zijne
woorden ons, indien het feit zelf niet zoo vast stond, bijna als eene
parodie zouden klinken. In vollen ernst schildert daar de pleiter
zijne eigene deugdzaamheid aldus: "Wat mij aangaat, ik ben nu dertig
jaar; en nog nooit heb ik mijnen vader tegengesproken of heeft mij
een burger van eenig kwaad aangeklaagd. Ik woon vlak bij de markt,
maar nooit heeft men mij op de markt zelve of bij de gerechtshoven
zien ronddolen vóór de ramp van dit proces mij trof."
Er is geen twijfel aan, of deze jonge man is eene uitzondering. In
de dagen van Pericles veranderde in allerlei opzichten zoowel door
de uiterlijke omstandigheden als door wijziging van inzichten de
leefwijze der Atheners, en daarmee de positie van den paedagoog. De
staatkundige bemoeiingen der meeregeerende burgers moesten wel, naast
de toenemende uithuizigheid der vaders, de persoonlijke vrijheid
van beweging der zoons bevorderen en het aanzien der paedagogen
verminderen. Waar was de paedagoog van Alcibiades, toen deze jonge
geweldenaar, in een nauw straatje met zijn vrienden aan 't bikkelen,
een vrachtkar dwong stil te staan tot het eind der partij, door zich
lang-uit vóór het span op den grond te werpen?
In dit verhaal zijn we misschien dicht bij het huis van
Alcibiades. Maar de gevallen zijn niet zeldzaam, waarin we knapen
van den schooljongensleeftijd zoo met elkaar zien omgaan, dat we ons
nauwelijks de aanwezigheid van den paedagoog daarbij denken. Nog eens:
troepen jonge knapen van goeden huize, vrij uittrekkend voor de poorten
der stad om te spelen wat ze willen en te gaan waar zij kunnen,--ja,
dat is zeer zeker een schouwspel dat men te Athene in den ouderwetschen
tijd zelden zal hebben gezien en in de vierde eeuw, toen het dien weg
uitging, spoedig door een zeer nauwkeurig gereglementeerde regeling
van de sloteducatie heeft trachten te keeren. Maar wij moeten ons toch
die Atheensche jongens niet al te zeer als fatsoenlijke gedetineerden
voorstellen. In eene der redevoeringen van Isocrates zegt een jong
man aangaande zijne eigene jeugd: "Mijn vriend en ik zijn van onze
jongste jaren af door eene zoo innige vriendschap verbonden geweest,
dat wij nooit anders dan te zamen naar de godenfeesten of de offers
plachten te gaan". Het zal dunkt me niet noodig zijn, dit jonge
vriendenpaar in onze verbeelding steeds te doen vergezeld gaan van
een onafscheidelijk tweetal paedagogen.
Trouwens, de aanleidingen om de knapen zonder hun paedagogen te laten,
waren talrijk genoeg. Voor vele der feestelijke zanguitvoeringen
of gymnastische wedstrijden, aan welke knapen deelnemen, is zooveel
voorbereiding en werkelijke training noodig dat de "choreeg", d.i. de
vermogende Athener aan wien de verzorging van zulk een wedstrijd
op zijn eigen kosten wordt opgedragen, eenvoudig-weg, om zoo zeker
mogelijk van zijn succes te zijn, de jongens die voor het koor bestemd
zijn eenige weken bij zich in huis neemt, of onder zijn toezicht ergens
inkwartiert, opdat ze beter kunnen studeeren en ook juist datgene te
eten en te drinken krijgen wat goed voor hen is. Niemand denkt er toch
aan om zich de zaak zoo voor te stellen, dat zulk een "choreeg" behalve
aan de jongens ook aan hunne paedagogen al dien tijd logies gaf?
Het is niet zonder belang dit alles in het oog te houden. Innige,
zeer vertrouwelijke jongensvriendschap duldt geene argwanende
paedagogen-ooren en -oogen. Wanneer bij ieder fluisterend geuit woord
de goeverneur, voor ergerlijk of onbehoorlijk samenspreken beducht,
zijn neus tusschen beide steekt, kan niet anders dan een officieele
relatie ontstaan, niet die aan liefde verwante, zeer innige verhouding,
die ons telkens roert in Grieksche verhalen en treft op Attische
vazen. Niet alleen de oudste mythologie had haren Orestes en Pylades.
Bovendien: over de geheele instelling der paedagogie veranderde
de meening gaandeweg. Het wil in dit opzicht niet zooveel zeggen
dat Xenophon er zich scherp over uitliet, dat de Atheensche vaders
hunne zoons overlieten aan gehuurde leidslieden; want hij wilde een
nog scherper toezicht naar Spartaanschen trant. Maar wie eenigszins
in Plato's dialogen tehuis is, heeft niet veel moeite ook daar een
afkeurend oordeel te vinden. Zeer duidelijk is dit in de slotscène
van zijn Lysis. De wijsgeer heeft in dezen dialoog een zeer verzorgde
en uiterst aantrekkelijke teekening gegeven van een paar Atheensche
jongens van goeden stand. Hun gratie, een vermenging van levendige,
door opmerkzaam luisteren opgewekte vrijmoedigheid met bescheiden vrees
om door vrijpostig spreken te mishagen, hun frissche belangstelling
en hun ongerepte jongensachtigheid bekoren den tegenwoordigen lezer
niet minder dan ze Socrates bekoorden. En wat doet nu Plato? Als het
dispuut tusschen Socrates en de beide knapen juist op een bijzonder
moeilijk punt is gekomen, en de onderzoekers zich in eene verlegenheid
bevinden die Plato zelf inderdaad, naar zijne methode in deze soort van
gesprekken, bedoelt als eind van den dialoog, dan komen plotseling
"als twee daemonen" de paedagogen van Lysis en Menexenus met de
jongere broertjes dier beide knapen en bevelen hen terstond mee te
gaan. Socrates en de anderen trachten de paedagogen te bewegen om de
jongens nog een oogenblik bij hen te laten. Maar dan slaan de beide
geleiders een hoogen toon aan, en "in een taal die nu juist niet
het zuiverst Attisch was" staan ze Socrates te woord op eene wijze,
die duidelijk toont dat ze samen het feest van den dag met een extra
beker hebben gevierd.
Plato's kritiek komt eerst dan in hare scherpte uit, wanneer men
bedenkt, tegenover hoedanige knapen hij deze ruwe paedagogen, nauwlijks
beter dan livreiknechten, plaatst. Men zou den geheelen dialoog moeten
aanhalen, wilde men de beminlijkheid van den jongen Lysis zelf doen
gevoelen, of den lezers een vluchtigen blik gunnen in het gezin waaruit
hij stamt. Maar vooral belangrijk is voor ons op dit oogenblik, wat
Socrates, in dien toon van liefdevolle ironie tot hen sprekende die
hem voor de jongens zoo aantrekkelijk maakte, over hunne vriendschap
zegt. "Menexenos", zoo zegt hij, "er is één ding waarnaar ik al van
jongs af een buitengemeen verlangen koester. Andere menschen hebben
ook dergelijke verlangens wel; de een begeert een paard te bezitten,
een ander jachthonden, een derde geld of eer of iets dergelijks, doch
al die dingen laten mij koel. Maar wat ik daarentegen met hartstocht
begeer te bezitten, dat is een vriend... En nu zie ik u en Lysis,
en terwijl ik u zie, sta ik verslagen doch prijs u gelukkig, dat
gijlieden te zamen den schat, dien ik zoo lang vergeefs heb gezocht,
reeds op uw leeftijd hebt kunnen vinden. Daarom zeg ik tot u: wijs
mij den weg, langs welken menschen elkanders vrienden worden."
De vraag door Socrates hier gesteld omvat een veel ruimer terrein
dan bij eene oppervlakkige lezing schijnt. Zij roert het vraagstuk
aan van de mogelijkheid eener reine vriendschap, die te Athene met
gevaren werd bedreigd, van welke onze maatschappij zich nauwlijks een
denkbeeld kan maken. Het kan dan ook in Plato niet zijn opgekomen, om
de leer te prediken, dat men goed zou doen eenvoudig de knapen alleen
te laten gaan, waar zij maar wilden. Maar niet te min is het uit zijne
voorstelling wel met zekerheid af te leiden, dat de waardeering van
den paedagoog in de vierde eeuw te Athene aan het dalen was. Al is
het gebruik, om aan de zoons van goeden huize een zoodanigen leidsman
op straat mee te geven, niet uitgesleten, vermoedelijk is zijne rol
wat veranderd en zijn macht over de knapen verminderd. Maar zoo de
Atheensche vaders toen meer dan te voren hunne zoons vrij lieten
en minder nauwlettend toezagen wie zij kozen als hunne paedagogen,
de staat heeft dat niet met onverschillige oogen aangezien. Allerwege
komt omstreeks het einde der vierde eeuw een drang naar staatstoezicht
op de opleiding naar voren. Te Athene wordt door den staat de tucht
en militaire voorbereiding der achttienjarige jongelieden geheel in
eigen handen genomen, en in allerlei steden van Hellas en van het
Grieksch sprekend Klein-Azië blijkt omstreeks dienzelfden tijd het
Dorische instituut van paedonomen veld te winnen. Allerwege vinden
wij in die periode tuchtmeesters, van staatswege aangesteld, die het
oppertoezicht houden over het welvoegelijke gedrag, de eukosmia, der
schoolgaande knapen--en ook der meisjes--die de offers voor hun welzijn
bezorgen en waken voor de belangen der veelal op aristocratischen
grondslag gevestigde onderwijsstichtingen.
Dit laatste woord vooral brengt ons ver buiten het terrein, dat op
dit oogenblik het onderwerp is onzer beschrijving. Ofschoon toch de
staatsidee voor de Atheners een fundamenteele beteekenis in leven en
opvoeding beide heeft, zoodat als onomstootelijke leer de stelling
wordt gehuldigd, dat in de allereerste plaats de mensch burger is,
en ofschoon dus in ieders oog dit de taak des opvoeders moet zijn,
in den geest van het kind de neiging te wekken vrijwillig en uit
eigen begeerte datgene te doen, waartoe hem als hij volwassen is de
burgerwetten zullen verplichten, heeft desniettemin de Atheensche staat
in het eerste tijdperk van zijn' bloeitijd zelden in die opvoeding
ingegrepen: het oude Athene kent leerplicht noch staatsprogram,
staatsonderwijs noch subsidie. Eigenlijk laat zich niet eens
met onweerlegbare zekerheid bewijzen, dat destijds de Atheensche
staat den ouders imperatief den plicht oplegde hunne kinderen te
doen onderwijzen. In de treffende scène van Plato's Crito, waar
de jonge rijke Crito bij Socrates in de gevangenis komt en dezen
tracht te overreden om verkleed te ontvluchten, wijst Socrates hem
op het contract, stilzwijgend tusschen hem zelf en de wetten van
zijn vaderland gesloten, en hij voert die wetten aldus sprekend in:
"Socrates", zoo zeggen zij, "hebben wij niet het huwelijk tusschen
uwe ouders, en daardoor uwe wettige geboorte mogelijk gemaakt? Hebt
gij eenige aanmerking op onze huwelijksregeling of waart ge ooit
ontevreden met onze bepalingen aangaande de voeding en opleiding
der kinderen? Is door ons niet op de juiste wijze aan uw vader de
opdracht gegeven u in de musische en gymnastische kunsten te doen
onderrichten?"-- Inderdaad, het betoog door de Wetten van Athene
hier gehouden, zou alle bewijskracht ontberen, indien op het stuk van
onderrichtsverplichting in die stad geenerlei wettelijke bepalingen
hadden bestaan; maar uitvoerig of streng poenaal kunnen die regelingen
dan toch niet zijn geweest. En dat was ook nauwlijks noodig. Het lag
immers niet in den Atheenschen aard, de familie-eer te verwaarloozen
door veronachtzaming van de zorg voor de zonen des geslachts: zelfs
de schooier Agorakritos, de braadworstjeskoopman die in de "Ridders"
van Aristophanes aan Kleon de loef afsteekt door zijne nog grootere
schaamtelooze doortraptheid, de "man of the street" die er zich
op beroemt "op de markt te zijn opgegroeid", moet bekennen dat hij
"helaas" een beetje lezen heeft geleerd.
Ook door subsidiën schijnt Athene in zijnen bloeitijd de zaak van het
onderwijs niet te hebben gesteund. In die periode zal zich trouwens
de behoefte daaraan niet sterk hebben doen gevoelen. De kosten van
het onderwijs waren gering, en in een stad waar man en vrouw met twee
kinderen zonder armoe leven kunnen, als ze een gulden of zeven inkomen
in de week hebben, is niet licht een gezin buiten staat de kinderen
wat te laten leeren. Bovendien, de vader kan lid van den raad worden
(op zijne beurt!) en dan verdient hij een drachme per dag, of hij kan
als lid van de volksrechtbank zijn halve drachme verdienen. In ieder
geval heeft hij zijn presentiegeld als lid van de volksvergadering.
Was dus in dezen tijd naast het uitgebreide systeem van
staatsuitkeeringen en vacatiegelden kosteloos staatsonderwijs
niet noodig, op den duur is dat veranderd. Het begint met indirecte
inmenging van den staat door het instellen van wedstrijden. Inscripties
bewaren ons de namen van knapen, die bij openlijke schoolexamens den
prijs voor schoonschrift, voorlezen of citherspel behaalden; weldra
worden openlijke eerbewijzen toegekend aan enkele magistraten wegens
hun bijzondere verdiensten ten opzichte van de opvoeding der jeugd. En
dan--in de derde eeuw--vindt men op verschillende plaatsen inrichtingen
die aan staatsonderricht zeer nabij komen. Zoo legateerde een burger
van Teos--niet ver van Ephesus--aan zijne stad een kapitaal van 34000
drachmen, om uit de renten daarvan een zeker aantal onderwijzers
in bepaalde leervakken te salarieeren; eveneens stichtte Eudemus,
een rijk burger van Milete, een fonds van tien talenten zilver
(ruim zeven-en-twintig duizend gulden) uit welks renten, tegen 10%
berekend, de verbetering van het schoolonderwijs aan de kinderen
der vrije burgers in dier voege zou kunnen geschieden, dat deze in
het vervolg door openlijk geëxamineerde en van staatswege bezoldigde
leeraren zouden worden onderwezen. Eene Delphische inscriptie verhaalt
uitvoerig hoe het bestuur der heilige stad, in geldnood verkeerend,
zich had gewend tot Koning Attalus II van Pergamum om bijstand
voor het onderwijs der Delphische jongens en van den Pergameenschen
koning 18000 Attische drachmen had ontvangen ter bestrijding van de
onderwijskosten, benevens 3000 voor de eereprijzen en de offers, gelijk
ook koning Eumenes II aan den staat der Rhodiërs eene schenking deed
van 280000 medimnen graan, opdat uit de op rente gezette opbrengst
van dat geschenk de salarissen der onderwijzers zouden kunnen
worden verbeterd. Het is niet gewaagd aan te nemen, dat hetgeen deze
toevallige vondsten ons omtrent enkele steden leeren, in de laatste
eeuwen vóór Christus, bij het stijgen van de eischen van 't onderwijs
en het verslappen van het persoonlijk plichtgevoel, min of meer regel
was geworden. Maar dat in Athene's bloeitijd de staat den burgers dezen
plicht uit de hand nam, is niet waarschijnlijk. Men heeft wel eens
een bewijs voor het tegendeel willen vinden in het volgende verhaal
van Plutarchus. Toen, zoo verhaalt nl. deze schrijver, de Atheners
in 480 bij de nadering van Xerxes' leger hunne stad ontruimden,
zelf met de gansche strijdbare manschap op de schepen gingen en hun
vrouwen en kinderen aan de hoede der burgers van Troezen, Aeginae en
Salamis toevertrouwden, namen de Troezeniërs het besluit, die kinderen
van staatswege te onderhouden en aan de onderwijzers het schoolgeld
uit te betalen.--Is nu hier eenige sprake van staatsverplichting of
het besef daarvan? Immers het tegendeel! Het feit zelf dat voor de
Atheensche jongens schoolgeld werd betaald, spreekt duidelijk genoeg:
de Troezeniërs namen de voedings- en onderrichtingstaak eenvoudig
van de Atheensche ouders over.
Zoo is er dus alle aanleiding om te gelooven dat--met uitzondering
wellicht van de allerarmste dagloonersbevolking--het aantal
burgerzoons die, zonder eenig onderwijs te ontvangen, als straatjongens
rondzwierven niet zoo heel groot was. Zelfs de "gealimenteerden",
de burgers die wegens lichamelijke invaliditeit van staatswege eene
subsidie genoten, zullen meestal nog wel voor het luttele schoolgeld
eene kleinigheid hebben kunnen besteden. Natuurlijk is daarmee
niet gezegd, dat er te Athene geen straatjongens waren! Reeds het
groote aantal slaven moest daartoe wel een contingent leveren;
de massa vreemden die langer of korteren tijd daar den kost
kwamen zoeken, brachten ook hunne kinderen mede, en eindelijk
moedigde menige eigenaardigheid van het zeer openbare samenleven
der Atheensche maatschappij niet slechts het "straatslijpen" maar
ook de straatrooverij in groote variëteit van vormen aan. Ofschoon
dus de "manteldieven" en de "beurzensnijders", die 's nachts en in
de avondschemering werkten, grootendeels uit volwassenen bestonden,
hebben toch zeker in de uitgebreide dievenbrigade dergenen die in
de openbare badhuizen rondgluren, om terwijl de goede burgers in het
zwembassin zijn met hunne kleeren uit wandelen te gaan, ook de knapen
wel vaak als leerlingen dienst gedaan. Niet zonder reden had Athene
eene talrijke politie.
Maar dezen achtergrond van het Atheensche volksleven behoeven wij
voor onze schets niet te betreden. Wat de burgers aangaat denken we
er aan, dat zelfs de venter in warme worstjes, die "zoon der markt op
straat gewonnen en geronnen", lezen had geleerd, al was 't ook maar
"een beetje en heel slecht".
Van het zesde of zevende jaar af gaan de Atheensche jongens naar
school. De zoons van goeden huize waarschijnlijk wat vroeger dan de
"armelui's kinderen", gelijk zij er ook langer blijven. De democratie
heft het standsverschil niet op, en zonder twijfel was er groot
onderscheid tusschen de zoons van Pericles of Nicias en den boer in
Aristophanes' Wolken die nog nooit eene landkaart had gezien. Ook zijn
allicht de localiteiten zeer verschillend geweest. 't Goedkoopst komt
men zeker terecht bij een schoolmeester die, bij gebrek aan een eigen
lokaal, een stil hoekje op straat heeft uitgezocht om--voor een paar
dubbeltjes--de kinderen van het dorp of van de wijk lezen te leeren,
zooals de legende dat Dionysius den Tweede laat doen, nadat hij, uit
Syracuse ontvlucht, zijn ouderdom te Corinthe was komen doorbrengen,
en gelijk--naar een meer betrouwbare overlevering--Epicurus het
als jongen deed "ter assistentie van zijn vader".--Maar vermogende
Atheners stellen andere eischen. Wij behoeven ons daarom nog niet
voor te stellen dat al die jongens school gaan in lokalen met beelden
georneerd en gelegen aan een koele binnenplaats met eene fontein. Maar
reeds hierin was eene zekere weelde, dat men de scholen niet graag
te bevolkt had en liefst dicht bij huis, om de jongens niet te veel
op straat te laten. Zoo heeft iedere buurt haar school, en voor de
vereerders van de oude tucht, gelijk Aristophanes, was het een lust er
naar te staan kijken hoe na de morgenuren de jongens uit één district
samen van de leesles naar den muziekmeester marcheerden:
"in de maat en zonder mantel, valt de sneeuw ook dicht als meel".
Maar de scholen voor minder betalenden zullen wel grooter zijn
geweest. Als Herodotus verhaalt, hoe omstreeks 494 te Chios, tijdens
den schooltijd het dak der school instortte, zoodat op één na al de
kinderen, honderdtwintig in getal, omkwamen, dan vindt hij blijkbaar
in dat aantal niets ongewoons.
Omtrent de ligging en de inrichting der scholen, waar de kleine
jongens van het oude Athene toch zoovele uren doorbrachten, zijn
wij al heel slecht ingelicht. Het kleine aantal zeer beroemde en
gracieus geteekende vazen met schoolafbeeldingen, dat reeds dikwijls
door ons is genoemd, geeft dienaangaande niet veel zekerheid. Wij
zien er den schoolmeester op een gemakkelijken leunstoel zitten;
de jongens zitten in school meestal niet op banken maar op kleine
klapstoeltjes, die ze mee kunnen dragen als ze "voor het front" moeten
komen. Een Pompejaansch fresco, bij jong en oud bekend om de levendige
afstraffingsscène die er op is afgebeeld, geeft ons zelfs een les in
een zuilengalerij te zien. Maar uit dergelijke schilderingen kan niet
veel met zekerheid worden besloten. Als b.v. de schilder, om de ledige
ruimte tusschen zijne figuurtjes te vullen, allerlei schoolattributen,
een boekrol, eene lei of een lier daarin schildert, mag men dan zeggen:
"zoo was blijkbaar de wandversiering in de scholen"? De grens tusschen
werkelijkheid en verdichting is hier niet te bepalen. Ook zal b.v. de
"fatsoenlijke" school, waar Demosthenes lezen leerde, wel een ander
voorkomen hebben gehad dan het schooltje waar Aeschines--zooals
Demosthenes hem met krenkende woorden herinnert--als kweekeling
van zijn vader Atrometus zijne rampzalige jongensjaren doorbracht,
"de zitplaatsen afsponsend en inkt wrijvend".
Omtrent den tijd na Alexander, toen, zooals reeds gezegd is, het
onderwijs staatszorg begon te worden, en in 't bijzonder door de
instelling van de zoogenaamde ephebie veel meer dan vroeger werd gedaan
voor het "voortgezet onderwijs", lichten inscripties en monumenten
ons veel vollediger in. Schenkingsacten op steenen tafels bewaard,
getuigen van de vrijgevigheid van rijke burgers, die of alleen of in
vereeniging met anderen gelden voor een Gymnasium met al de noodige
bijgebouwen beschikbaar stelden, soms ook de kosten van onderhoud
van een door de stad gebouwd gymnasium op zich namen. En wat zulk een
munificentie zeggen wilde, toonen ons zeer duidelijk de opgravingen,
met name die te Pergamum. Het gymnasium--oorspronkelijk slechts eene
openbare worstelschool voor jongelieden en mannen, doch te Pergamum
overeenkomstig de eischen aan de staatsopleiding der epheben gesteld
een geheel gebouwencomplex--is aldaar een schoolgebouw, over drie
terrassen zich verdeelend. Ook op Delos kan men nog zeer duidelijk
zien, hoe zich om den eigenlijken oefeningshof een reeks van vrij
ruime leerlokalen heeft gegroepeerd; en te Priene heeft men enkele
jaren geleden eene leerkamer van het Gymnasium teruggevonden, welker
muren nog overeind stonden. Maar het zou een verkeerde methode zijn
uit deze hellenistische Gymnasiën eenige gevolgtrekking te maken
aangaande de lagere scholen van het Athene der vijfde eeuw.
Misschien is onze onwetendheid op dat gebied licht te dragen:
tenminste als wij vragen naar het leven der knapen, niet naar de
eischen der ouders. Het zal den Atheenschen jongens wel niet zoo
heel veel hebben kunnen schelen, of hun school fraai geschilderd
of gemeubeld was. Zeker is de intimiteit van jongens uit zoo goede
families als Lysis en Menexenus, in een goed gebouwde en zorgvuldig
geventileerde school ontwikkeld. Hoe zou dat anders kunnen zijn,
in den aristocratischen kring uit welken Plato de helden voor zijne
dialogen kiest. Maar schoolkameraden wordt men ook in eenvoudiger
lokalen. En wie herinnert zich niet door Xenophon's Hellenica,
welke magische kracht er uitging van het woord "schoolkameraden",
waarmee in 404 na het gevecht in den Piraeus de hierophant Kleokritos
de burgers van de tegenpartij opwekte tot verzoening?
Schoolkameraden--dikwijls beteekent het bovenal kwelgeesten
van den zelfden schoolmeester. Vóór de scholieren vraagt deze
onze aandacht. Hoe is de financieele positie van zulk een
onderwijzer? Ook hier geeft de hellenistische tijd een meer
bevredigend antwoord dan de Attische periode. De schenkingen der
hierboven vermelde staatsweldoeners kwamen hun ten goede, mits ze
regelmatig solliciteerden en boven anderen welbehagen vonden in de
oogen der machtige volksvergadering. In Teos kon men na de hiervoor
besproken schenking van Polythrus de onderwijzers een salaris van 600
drachmen betalen, te Milete uit het fonds van Eudemus 30 drachmen
in de maand. Die honoraria wijzen op eenig aanzien, al verdient
opmerking dat te Teos voor den muziekmeester 100 drachmen meer wordt
uitgetrokken dan voor den gewonen onderwijzer. Maar in de klassieke
periode was het aanzien der schoolmeesters niet hoog. Lucianus bewaart
daarvan nog de herinnering, als hij den cynischen wijsgeer Menippus
laat verhalen van zijnen tocht naar de onderwereld. In den Hades,
waar alle aardsche ongelijkheid wordt vereffend, zag Menippus koning
Philippus van Macedonië als schoenlapper, Xerxes als bedelaar en de
hoogste satrapen van het Perzische rijk als stokvisch-verkoopers
en schoolmeesters. Zulk eene voorstelling stemt inderdaad overeen
met den smalenden toon van Demosthenes' woord tegen Aeschines:
"Terwijl ik als leerling een behoorlijke school bezocht, was jij een
schoolmeestertje". En wij kunnen er zeker van zijn dat Aeschines'
vader, een man van zeker niet mindere afkomst dan Demosthenes,
alleen omdat de Peloponnesische oorlog hem had geruïneerd aan
't schoolmeesteren was gegaan, d. i. was gaan concurreeren met die
menigte halfburgers en slaven, die te Athene het gilde der Grammatisten
(lagere onderwijzers) vormden.
Oneervol bleef die positie natuurlijk zoolang de Atheensche ouders
met zeer elementaire vervulling der behoeften aan onderwijs tevreden
waren, en onvoordeelig zoolang de schoolmeester uitsluitend afhing
van het karige schoolgeld.
Karig was dat loon zeker. En wat moet de man beginnen, als op den
"zuren dertigsten" van de maand een of andere jongen ter school
komt zonder de poovere schoolpenningen, of wanneer de menschen zich
gedragen zooals de trouwelooze voogden van Demosthenes, die wel aan
hunnen pupil het Minerval in rekening brachten, maar het zelf in hun
zak staken. Aan een gerechtelijke vervolging kan de arme schoolmeester
zich niet wagen. En een proces zal hem zeker niet baten tegenover een
burger zooals Theophrastus er een in zijn geestig boekje teekent als
type van schrieligheid. Deze beminlijke Athener, dezelfde gulle vader
die zijn zoontje als een pretje beloofd heeft hem mee te nemen naar
de comedie, maar dan zóó laat gaat, dat hij zeker is zonder entree
binnen te worden gelaten, weigert het volle maandgeld te betalen, als
een van zijne kinderen een paar dagen ziek is geweest, en in Februari
stuurt hij zijne jongens in 't geheel niet naar school. "Er is met al
de feesten in die maand zooveel te zien, dat er van schoolgaan toch
niet komt". Zoo klinkt zijne boodschap; maar hij bedoelt natuurlijk:
"zoo spaar ik eene maand schoolgeld uit en behoef meteen niet mee te
doen aan dat malle gebruik om op het Choënfeest den meester door de
jongens een cadeautje te laten geven".
Men vraagt zich onwillekeurig af: hoe moet zoo'n Atheensch
knaapje zijn leermeester hebben aangezien? Alcibiades sloeg zijn
onderwijzer om de ooren, omdat de man er niet eens een eigen Homerus op
nahield. Maar Alcibiades is nu eenmaal de Steerforth van het Atheensche
jongensleven. In den toon waarop de schrijvers over den schoolmeester
spreken is meer dat ons aanmoedigt om--met matiging van de rhetorische
charge--geloof te schenken aan de schildering die Libanius--zij het
dan ook voor een veel lateren tijd--van den schoolmeester geeft: "Als
een rechter zit hij daar op zijn troon, als een voorwerp van schrik en
angst, de wenkbrauwen samengetrokken, toornig en onvermurwbaar.--Nu
moet de jongen bij hem komen. Deze nadert sidderend en in elkaar
gebogen, want hij moet laten kijken wat hij gevonden, gesteld,
onthouden heeft. Wee hem, zoo hij het niet goed heeft gedaan!"
De charge hieraan te ontnemen, daartoe helpen ons wederom de
vaasteekeningen. De vriendelijke rustige mannen die op de oud-Attische
vazen zijn afgebeeld, zien er niet zoo bar uit, en de aardige jongens
op Duris' vazen staan niet krom van angst, maar bevallig en rechtop
voor hunnen meester.
Het knaapje dat wij op Duris' scholen voor zijnen grammatist zien
staan, zal wel evenmin als een gewone schooljongen van onzen tijd
geweten hebben dat zijn vader met diens vrienden heftig placht te
debatteeren over de ware methode van onderwijs en de juiste keus der
leerstof. Omdat wij zijn leven en niet dat van de schoolmeesters
schrijven, behoeven ook wij ons in dien strijd niet te zeer te
verdiepen. Wij kunnen volstaan met te luisteren naar hetgeen Plato
Protagoras laat zeggen over het algemeene doel der schoolopvoeding,
al doet de sofist dat, dank zij Plato's ironische teekening, wat
heel deftig. "Van kindsbeen af, het heele leven door--zoo zegt
Protagoras--leeren en vermanen de ouders hunne kinderen. Zoodra een
jongen begrijpen kan wat men tot hem zegt, wedijveren zijne moeder en
zijne voedster en zijn vader zelf in de zorg om hem zoo voortreffelijk
mogelijk te maken, bij elk woord en bij elke handeling hem leerend en
aanwijzend "dat is rechtvaardig en dat is niet rechtvaardig" en "dit
is mooi en dat is leelijk", en "dit is vroom en dat is goddeloos", en
eindelijk "dit moet je doen, en dat moet je niet doen". En volgt hij
nu deze wenken gewillig, des te beter; zoo niet, dan wordt hij als
een tak die aan 't scheef groeien is en krom wordt, recht gebogen
met bedreigingen en slagen. Na dit tijdperk zenden de ouders hem
naar school, en daarbij dringen ze meestal bij de schoolmeesters
er veel meer op aan, dat de jongens goed fatsoen leeren, dan dat ze
lezen en schrijven of citherspel bij hen leeren. En de onderwijzers
houden vooreerst daarop het oog, en vervolgens, als de jongen lezen
heeft geleerd en den zin der woorden verstaat, laten ze hem op zijn
schoolbankje gezeten de gedichten van goede dichters voorlezen en van
buiten leeren, in welke allerlei goede lessen staan en uitweidingen
en lofprijzingen van edele mannen van het voorgeslacht, opdat de
jongen die met ijver navolgt en streeft hun gelijk te worden. En
de kitharisten doen desgelijks. Zij letten vooreerst op des jongens
ingetogen houding en gedrag en waken er voor, dat ze geen kwaad doen,
en vervolgens, als ze hen geleerd hebben de cither te bespelen,
geven ze hun weer van andere dichters de liederen te leeren, terwijl
ze hen de melodie daarvan op de cither leeren, en zoo maken ze dat
rhythme en harmonie eigen wordt aan hun ziel en zij zelf zachter van
aard worden en meer geëvenredigd en harmonisch van gemoedsstemming. En
opdat een kloek lichaam hun aldus goed geworden geest diene, en zij in
oorlogen of andere bemoeiingen niet behoeven te vreezen uit hoofde van
onvoldoende lichaamskracht, zenden ze hem naar den gymnastiekmeester".
Naast deze algemeene beschouwing is de verzekering niet onvolledig,
dat de oude leer dat "veelweterij geen verstand geeft", in de dagen
van welke wij spreken te Athene als ouderwetsch begon te gelden en het
woord van Isocrates: "niet wat men den leerling kan meegeven, maar hoe
men zijne ooren opent, is de vraag" naar de meening van vele zijner
tijdgenooten de taal van een droomer was, blind voor de gebiedende
eischen der praktijk. Voorshands echter zal de kleine beoefenaar van
't alfabet van dien strijd nog niet veel bemerken. Gewichtiger is voor
hem een ander theoretisch dilemma--al zal hij het niet formuleeren
zooals wij dat doen. De vraag is deze: zal men hem onderwijzen volgens
de leer door Plato bij oudere leerlingen proefhoudend bevonden,
de methode van het zachtzinnig en geduldig voorbeeld? Of zal men
de methode van den dwang volgen? Voor het laatste is de kans het
grootst. De praktijk van het Grieksche onderwijs eischt gestrengheid
van den kant des leermeesters en stipte onderworpenheid van den
leerling. Het is teekenend voor het gezag van den schoolmeester,
dat Xenophon--sprekend over de discipline der Spartaansche troepen
die hij op hun tocht naar Azië vergezelde--om recht duidelijk te doen
gevoelen, welk een ijzeren tucht daar heerschte, zegt: "de troep had
tegenover hun commandant hetzelfde gevoel als schoolknapen tegenover
hun meester."--Zoo is de meester de autoriteit, en met het versje van
Menander: "des leerlinge eerste les is houd-je-mond" zijn de Grieken
het eens. De belangstellende vraagal, dien de moderne paedagogiek
zoo gaarne doet optreden met zijn van nadenken getuigend "meester,
waarom?" zou--vrees ik--op een Grieksche school niet veel succes
hebben gehad. Een Atheensch scholier heeft niet te vragen, hij heeft te
luisteren en te gehoorzamen; doet hij dat niet ... dan is er een stok.
Hoe lang nu de schooldagen van den kleinen Athener zijn geweest,
is ons alweer niet bekend. Maar wel weten we dat, zooals van zelf
spreekt, zijne aandacht wordt verdeeld tusschen den grammatist en den
kitharist. Eerst komt natuurlijk het spellen en lezen. Juist onze
eigene meer en meer geperfectionneerde methodes van leesonderricht
maken het voor ons belangrijk te weten hoe de Atheners hun jongens
het begrip van de leeskunst en haar praktijk hebben bijgebracht.
In den aanvang van onze tijdrekening was bij de Grieksche meesters
te Rome dit de gewone weg: eerst leeren de kinderen het alfabet
opzeggen, dan wordt hun de vorm en de klank der letters geleerd,
dan de syllaben en de verschillende wijzen waarop die ontstaan,
en ten slotte de woorden uit die syllaben gevormd; feitelijk dus
de Spa-a-methode. Dezelfde was reeds door Plato, en zeker wel in
overeenstemming met de praktijk aanbevolen: "Eerst"--zegt deze--"moet
de knaap de letters kennen naar hun vorm en naam".--Zouden niet
ook de Grieken speelmiddelen hebben gehad om de kinderen die te
leeren? De rijke Herodes Atticus, die een tijdgenoot van M. Aurelius
was, had een hardleerschen en onwilligen zoon, zijn onuitputtelijke
rijkdom veroorloofde hem--en bij zijn ongeëvenaarde mildheid kon
hij zulks doen zonder den schijn van parvenu's-bluf--aan dien zoon
vier-en-twintig slaafjes cadeau te doen, die ieder eene letter
vertegenwoordigden. Mij dunkt, dit zal wel een weelderige imitatie
zijn geweest van een ouder gebruik; losse ivoren lettertjes kende
ook Quinctilianus; terracottascherven met syllaben-oefeningen: ar,
bar, ger, er ber, ger, enz. zijn in Attica in den grond gevonden,
en eindelijk dat de Atheensche kinderen inderdaad "B met een A = BA"
leerden, weten wij uit literaire overlevering.
Zoowel bij het spellen als straks bij 't latere lezen heeft de
schoolmeester alle gelegenheid om scherp toe te luisteren, of het
knaapje dat voor hem staat zuiver uitspreekt. Daargelaten nog dat
hij misschien lispelt, 't zij van nature, 't zij door 't voorbeeld
van een ouderen broer, die brauwt omdat Alcibiades brauwt of lispelt
omdat een ander voornaam lion met slappe lippen spreekt, kan hij ook
van elders de vocalen minder keurig hebben meegebracht. Athene is
sinds de Perzische oorlogen een internationaal middelpunt, en de stad
is vol halfburgers, zoogenaamde metoiken: op 35.000 burgers 10.000
metoiken. De zoontjes van deze naar Athene overgekomen vreemdelingen
hooren thuis de heldere Atheensche a wellicht op zijn Ionisch als è,
of, als ze van Dorischen huize zijn, lachen meester en scholieren
hen uit, zoo dikwijls als ze "plat pratend", met een breede Dorische
a voor den dag komen, waar een Athener ee zou zeggen. En een menigte
andere eigenaardigheden moet in hun spreken te gelijker tijd verdreven
worden. Hellas heeft over zijn kleine oppervlakte een ongemeen groote
verscheidenheid van vervormingen derzelfde woorduitgangen; zoo vroeg
mogelijk--en zeker vóór men den jongen leerde zich te verdiepen in de
geheimen der pas "ontdekte" grammatica--moest de meester hem oefenen in
nauwkeurigheid van uitspraak. Die nauwkeurigheid wordt trouwens door
de Grieksche taal zelve bijna geëischt. Het werk van een goed deel
onzer voorzetsels, voegwoorden en hulpwerkwoorden wordt immers in het
Grieksch verricht door fijne vocaalwisselingen en door een lenig en
rijk samenstel van buigingsuitgangen. Die bevallige vormen door slordig
afkappen of onzuiver articuleeren te verminken, is het werk van een
"barbaar". Juist op het feit dat in een jarenlang verkeer geen der
buurtgenooten hem op zoo iets had betrapt grondt een van Demosthenes'
klienten zijn recht tot erkenning van zijn Atheensche afkomst!--En
aan die spreekoefeningen knoopt zeker de meester telkens het wèl
bekende "dat zegt men zoo niet" vast. Want ook in het woordgebruik
moet de kleine metoikenzoon op zijn tellen passen. Het is een van
de treffendste bewijzen voor de groote begaafdheid van den redenaar
Lysias, dat hij, zoon van een metoik en leerling der Sicilische
rhetoren, die zoovele talen kent als menschen, wel elk zijner klienten
laat spreken, klagen, schertsen naar zijnen aard, maar in geene zijner
oraties een duimbreed afwijkt van het zuiverste Attische idioom. Zoo
iets leert meestal een jongen alleen in zijn vroege jeugd. En doet hij
dat niet, dan zal het hem gaan als dien Stephanus, van wien Demosthenes
zegt: "Rechters, aan zijne soloecismen hebt gij zelf allang gehoord
dat deze man een barbaar is; uit zijne schurkenstreken zal ik het u
ten overvloede thans nog bewijzen."
Wie lezen zegt, zegt schrijven, althans in oud-Hellas, waar men
beide vakken van onderwijs met één zelfden naam "Grammata" (letters)
aanduidde, en waar verder gewoonlijk, ten minste in den ouderen
tijd, voor boekschrift en gewoon handschrift in brieven en acten,
een zelfde lettervorm dienst deed. Er is dan ook--dit spreekt van
zelf--geen enkele redelijke grond om aan te nemen dat, zoolang het
oude Athene scholen heeft gekend--en dit is zeker sinds Solons dagen
het geval--in die scholen niet naast het lezen van den aanvang af het
schrijven zou zijn gedoceerd. Bewijzen laat zich zoo iets niet. Reeds
de schaarschte van schrijfmateriaal moet oorzaak zijn geweest dat de
kunst van 't schrijven zelf, ofschoon ongetwijfeld duizend jaar vóór
onze jaartelling in Griekenland bekend, niet ijverig werd beoefend:
de soldaten van klein-Aziatischen huize die Psammetichus I (654-617)
op zijn tocht naar 't Nijleiland Elephantine begeleidden, waren niet
allen de schrijfkunst meester, en de kameraden wier vaardige hand aller
namen insneed in de beenen der colossale standbeelden te Aboe-simbel
in Nubië, voegen er met trots aan toe: "Onze namen zijn geschreven
door Archon, zoon van Amoibichos, en Pelekos, zoon van Eudamos", welke
verklaring dan door een paar van de vrienden met zeer gering succes
is nagekrast.--Maar wie wandelt over de rotsen van Thera (Santorin),
die vindt daar de bewijzen dat in de zevende eeuw de Theraeïsche
mannen--jongere en oudere--over het algemeen vrij vaardig met de
stift moeten zijn geweest, en bovendien, dat blijkens den vorm hunner
letters ook toegeeflijker materiaal dan de harde steen hun bekend was.
Ook de vazenscherven, o.a. die van Naucratis in Egypte, waar sinds
het laatst van de zevende eeuw een Grieksche nederzetting was, en
die van Corinthe, waarschuwen ons om aangaande de uitgebreidheid der
schrijfkunst onder de Grieken ons niet al te ongunstige voorstellingen
te maken. Natuurlijk: indien we op een vaas een opschrift vinden,
netjes gepenseeld vóór de vaas werd geglazuurd, dan bewijst dit
alleen dat de geestige teekenaar ook schrijven kon, evenals eene
oude inscriptie op het voetstuk eener statue veelal slechts de
schrijfvaardigheid van den beeldhouwer of diens werkman aantoont;
doch als men scherven van kruiken vindt waarin met ruwe hand bij de
wijding een godennaam is gekrast, dan weet men: hier is de schenker
aan 't werk geweest; hier heeft de koopvaarder dankend voor redding
en winst op zijn wijgeschenk aan den havengod de herkomst vermeld
met eigen hand, zij het dan ook met eene hand die de roerpin vaster
bestierde dan de schrijfstift.
En na Solons dagen zijn voortdurend de Atheners meer gewend geraakt
geregeld gebruik te maken van het schrift. Dit werd reeds door de
uitbreiding van hun handel en door de klimmende verkiesbaarheid van
alle burgers tot ambten die de schrijfkunst stilzwijgend onderstellen,
noodzakelijk. In Perikles' dagen moet wel het aantal analfabeten te
Athene gering zijn geweest: stemmende leden eener volksvergadering,
die niet kunnen lezen en schrijven zijn ondenkbaar, en de welbekende
boer, die aan Aristides verzocht om den naam "Aristides" op zijn
verbanningstafeltje te schrijven, daar hij zelf niet schrijven kon,
zal zelfs toenmaals--in 't begin der vijfde eeuw--wel eene uitzondering
zijn geweest.
Daarmee is niet gezegd dat de Grieken schoonschrijvers waren. Terwijl
ze namelijk in de opschriften van hunne tempels en statuën buitengewone
zorg besteedden aan voortdurende verfraaiing der reeds van 't eerst
af zeer ornamenteele lettervormen, schijnt hunne gewoonte om in het
dagelijksche leven allen handenarbeid aan slaven over te laten,
te hebben veroorzaakt, dat hun eischen voor leeken ten opzichte
van het schoonschrift over het algemeen op bescheiden hoogte zijn
gebleven. Gelijk in allerlei andere takken van onderwijs, heeft men
ook op dit gebied in de eeuw na Alexanders dood gehoopt verbetering te
brengen door examens en prijsuitdeelingen;--van weldoeners, prijzen en
overwinnaars in declamatie en calligrafie doen ons, zooals wij reeds
hierboven vermeldden, de opgravingen der laatste jaren mededeeling
uit Milete en Priene, uit Samos en Naxos, en de Anthologie bewaart
in een aardig klein epigram de herinnering aan een jongen, die bij
den wedstrijd in het schoonschrijven als derden prijs niet minder dan
tachtig bikkels won. Maar als wij de proeven van schooljongensschrift
raadplegen, die in Aegypte voor den dag komen, hetzij op wastafeltjes
of op perkament en papyrus, en zelfs als we er daaronder een uitzoeken
dat de meester niet "heel goed" heeft gewaarmerkt, dan zien wij wel
in dat voor de Grieken, die niet als calligrafen hun vak van het
schrift maakten, langen tijd het woord van Plato heeft gegolden:
"om mooi te schrijven hebben wij onze slaven".
En toch--al zijn de resultaten gering--hoe doen ze hun best, meester
en leerlingen, op de geestige schaal van Duris. De meester heeft het
wastafeltje ter hand genomen en terwijl 't knaapje--in eerbiedige
houding en den ernst des oogenbliks beseffend--staat te wachten, trekt
hij zijn hulplijnen, horizontaal, opdat de letters goed naast elkaar,
verticaal opdat ze ook--naar Attischen schoonheidseisch--goed onder
elkaar komen te staan. Voor de kleintjes zal hij nu ook schets-letters
trekken om over te teekenen, straks om aan te vullen, voor de grooteren
schrijft hij klanken, woorden, complexen van moeilijke letters die
ze copieeren, en tenslotte zal de jongen zelfs een blad papyrus van
hem krijgen, waarop hij niet meer kan uitvegen en waarop hij schrijft
met inkt.
Hoe Atheensche schoolmeesters hun' jongens schrijven hebben geleerd
verhaalt ons begrijpelijkerwijze geen schrijver. Maar van het
Atheensche schoolschrift--mag men aannemen--is de afstand niet al
te groot tot de Alexandrijnsche praktijk. Een deel van de oefeningen
waarmee de scherven en papyri uit Aegypte ons hebben vertrouwd gemaakt,
hebben de Atheensche jongens ook wel doorgemaakt: zij hebben ook
het alfabet van voren naar achteren zoowel als van achteren naar
voren geschreven, straks sylben òf nageschreven òf, ter oefening
in de woordvoering meteen, zelf bedacht. Een poos later kwam dan
het schoonschrift naar copij. Hoe steken soms op de wastafeltjes, in
Aegypte gevonden, bij het fraaie vaste schrift van den onderwijzer de
beverige hanepooten af dier jongenshanden, meer bekwaam tot mikken
van een "zeilsteen" dan tot correct overschrijven! De smaak der
onderwijzers is in de keus der exempels al even wisselend als in
onzen tijd. Sommigen verwachten blijkbaar paedagogisch voordeel uit
de keus van wijze lessen, korte puntige dichterspreuken, vermaningen
voor 't leven. Anderen meenen dat de jongens liever een fabeltje, een
anecdote, misschien wel een grappig spreekwoord zullen naschrijven. Ook
ontbreken de aanteekeningen niet die zulk werk levendig maken. Zelfs
wie zijn leven lang met Grieksche boeken omgaat voelt een geheel
nieuwe gewaarwording, als hij op zulk een wastafeltje naast elkaar
ziet staan eene opwekking van den schoolmeester: "Je best doen!" en
een ongevraagd antwoord van den jongen "Hangen zal-ie". En zou iemand
zonder aarzeling een houten tafeltje in de hand kunnen nemen, waarop
viermaal onder elkaar geschreven staat: "Doe je best, kereltje, anders
krijg je klappen". Viermaal! Hoeveel regels zou het strafwerk hebben
bedragen waarvan dit het restant was?
De Aegyptische vondsten, waaraan deze laatste feiten zijn ontleend,
spreken van een veel uitgebreider lagere-school-onderricht dan
het Atheensche. Conjugeeren, declineeren, ontleden, zijn dingen
die in de Atheensche scholen--althans in de lagere--nog niet
thuis behooren. Daarom rijst de vraag: kan lezen en schrijven den
geheelen dag van de kleine schooljongens hebben gevuld? En was er
den geheelen dag school? In eene oude wet van Solon was bepaald,
dat de scholen noch vóór zonsopgang geopend mochten worden, noch
na zonsondergang open mochten blijven. Dat zou van een geweldigen
schooldag getuigen, een schooldag echter, voor de kleine jongens
reeds hierom niet waarschijnlijk, omdat zij niet zooals de grooteren
afwisseling in hun dagtaak hebben door het beurtelings bezoek van
den grammatist, den citharist, en den gymnastiekleeraar. Wij moeten
daarom, dunkt me--zonder één algemeen geldenden regel te zoeken
of zelfs te onderstellen--vooreerst bedenken dat de school van de
allerkleinste jongens wel dikwijls in haar karakter bewaarschool zal
zijn nabijgekomen, en daarnaast, dat de methode van onderricht vanzelf
de lessen tot een soort van privaat onderricht maakte, waardoor de
voortdurende aanwezigheid van alle knapen te gelijkertijd nauwlijks
noodig was en door een stelsel van groep-onderwijs kon worden
vervangen. Het laatste komt allicht waarschijnlijk voor aan ieder
die bedenkt dat er toch zoo iets als klassenindeeling moet hebben
bestaan. Ook maakt die onderstelling de aanwezigheid van de paedagogen
in het bijvertrek eener aanzienlijke school begrijpelijker. Zij konden
zorgen dat de jongens in die talrijke tusschenkwartiertjes elkaar
niet te vlug de eukosmia afleerden, hun met zooveel moeite bijgebracht.
Ten opzichte van de vragen betreffende opklimming van klas tot klas,
en in verband daarmee de verdeeling der leerstof over bepaalde
termijnen, hetzij in vrije afwisseling, hetzij naar een vasten
rooster, tasten wij geheel in het duister; ja, zooals het meer gaat,
heeft hier 't geen nieuw ontdekt is de vragen vermenigvuldigd. Ook
mogen wij wat te Milete of te Teos in de tweede eeuw vóór Christus
gebeurde niet tot regel in het Athene der vierde eeuw verheffen,
veel minder nog de bewijzen dat het grammaticale onderricht op de
scholen der derde eeuw na Christus uitvoerig en systematisch was,
toepasselijk verklaren op den bloeitijd der Atheensche republiek, dus
op eene periode van acht eeuwen vroeger. Wel blijkt uit die latere
schoolvondsten het conservatisme der Grieken. De spelmethoden zijn
dezelfde gebleven: de jongetjes in de Aegyptische dorpen hebben twee
eeuwen na het begin onzer jaartelling denzelfden weg bewandeld als de
kleine Atheners: in één zelfde schoolschrift van houten tafeltjes,
in een Aegyptisch graf gevonden, staan eerst de monosylben die 't
jongetje zelf in alfabetische volgorde heeft moeten vinden--bij de x,
die in 't Grieksch op de n volgt, heeft zijne vindingrijkheid hem even
in den steek gelaten,--dan de woorden van twee en drie lettergrepen,
straks de spreukzinnen en de spreukmatige verzen, en eindelijk, na de
versus memoriales, geheele stukken fabel op verzen. Dat laatste is
een vingerwijzing naar een gewoonte, die ook in de oude Atheensche
school bekend was. De fabel is èn in dat schrijfboek en op andere
tafeltjes die wij bezitten uit het hoofd opgeschreven. De jongens
moeten nl. verzen van buiten kennen, hoe eer en hoe meer hoe liever;
in de Grieksche school werd oneindig veel meer op het geheugen gebouwd
dan in onzen tijd, die van geheugensbelasting oordeelsverstomping
verwacht. Men kan er zeker van zijn dat de kleine jongens die we op de
vazen zoo braaf vóór hun leermeesters zien staan, klaarblijkelijk aan
't opzeggen van hun pensum, thuis als hun vader gasten heeft, hunne
kunst zullen hebben te vertoonen, en ook dat zij in hun gewillig en
door oefening versterkt geheugen heele stukken Ilias en Odyssee, als
een goeden schat voor het leven, bewaren. Het zal niet zoo moeilijk
gevallen zijn een clubje Atheensche jongens bij elkaar te brengen die
samen de geheele Ilias naar rhapsodentrant kunnen declameeren. Zegt
niet een van de aanliggenden in Xenophons Symposion, dat zijn vader
hem de beide gedichten van Homerus heeft laten van buiten leeren?
Men heeft dikwijls Homerus den Bijbel der Grieken genoemd, en
natuurlijk gaat die vergelijking mank. Maar zij kan toch worden
gebruikt om twee dingen duidelijk te doen uitkomen. De eigenaardige
voortreflijkheid van de oud-hollandsche bijbelvastheid heeft haar
parallel in de Homerus-vastheid der Grieksche jeugd. Zij voedt
eene levendige overeenstemming in het beeldenrijke en van vlugge
toespelingen vervulde gebruik eener gemeenschappelijke taal, die
niet zonder meer de taal van heden of gisteren is. Zoo goed als er
verschil van voorstelling en waardeering is in de beide uitdrukkingen:
"rijk als Salomo" en "rijk als Carnegie", zoo goed als het iets
anders is iemand een Phariseeër te schelden dan hem eenvoudig een
huichelaar te noemen, zoo goed opent het voor den Atheenschen knaap
eene andere wereld wanneer men hem zegt dat iemand een Thersites
is, dan dat men hem Cleon wijst. En het tweede is dit: de vraag
of het Oude Testament stichtelijk en het Nieuwe begrijpelijk voor
kinderen is, placht men in vele Nederlandsche gezinnen eertijds
eenvoudigweg te beantwoorden door de gansche Schrift in hun bijzijn
voor te lezen. Zoo plaagden zich--als men Plato in zijne polemiek mag
gelooven--vele ouders of voogden te Athene ook niet met de quaestie
of inderdaad de wrok van Achilles en de aanleiding daartoe bijzonder
geschikt was om onder de aandacht te worden gebracht van achtjarige
jongens. Welke intusschen de schaduwzijde dezer methode zij geweest,
zij had één groot voordeel. Homerus is voor Athene altijd gebleven
een nationaal dichter in den vollen zin. Zijn taal, zijn frischheid,
zijne nooit uitgeputte verbeelding werken door in het gedachtenleven
van alle Atheners. Van hoevele Nederlanders die een "completen" Vondel
bezitten geldt iets dergelijks? Bij Homerus bleef het niet. In Plato's
dialogen althans, zoowel als in toespelingen bij de comediedichters,
zijn bewijzen genoeg te vinden dat gaandeweg die schoollectuur een
groot deel der poëzie omvatte welke ons bewaard bleef. Ons treft in
dit alles naast de moralizeerende strekking het feit, dat bijna alles
wat men den knapen voorlegde mannenkost is. Niet alleen de ernstige
bezwaren door Plato herhaaldelijk tegen de mythologische gedichten te
berde gebracht deelen wij, maar vooral een ander bezwaar: hoe--vragen
wij--konden deze knapen, zelfs al waren het geen jongens van acht,
maar van tien of twaalf, Solons Elegieën of Hesiodus' Vermaningen
of--erger nog--Theognis' bedenkelijke politieke moraal begrijpen?
De vraag blijft onopgelost, vooral omdat wij zoo weinig weten van
de indeeling der onderwijsstof. Intusschen, naast deze lectuur zal
wel spoedig het rekenonderwijs zijn gevolgd. Een goed Athener is
noodzakelijkerwijs een goed rekenaar, want de groothandel is voor de
voornamere burgers, de kleine venterij voor de eenvoudiger lieden
de voorname bron van inkomsten. Het behoeft dus niet eerst Plato
te zijn geweest, wiens invloed de arithmetiek en dan de geometrie
onder de schoolvakken verhief. Zeker, bij hem vindt men het eerst
den eisch gesteld dat naast de zoogenaamde musische ontwikkeling,
d.i. naast het literaire onderricht en de straks te bespreken muziek,
die het gemoed en den smaak vormen, de strenge studie der mathematische
vakken als kostelijk middel om de knapen te voeren tot zelfstandige
geestesontwikkeling, in de scholen zou worden opgenomen; doch aan
dezen theoretischen eisch is de practische voorafgegaan. De jongen
moet kunnen rekenen, om als man straks zijn kasboek te kunnen houden.
Het rekenen is voor den Griekschen jongen zeer zeker eene ingewikkelde
zaak geweest. Ze zullen wel begonnen zijn met de mechanisch en
half zingend geleerde wetten van het eenmaal een en tweemaal twee;
doch hoever ze op onze moderne manier geholpen zijn door tafels van
vermenigvuldiging, is onbekend. Het eigenlijke rekenen leeren zij
natuurlijk uit het hoofd. Reeds de karigheid zelve waarmee de Griek in
't algemeen gebruik maakt van het hulpmiddel van het schrift, maakt
dit waarschijnlijk. Maar zij hebben een ander hulpmiddel, en wel een
heel oud. Is niet het tientallig stelsel een gevolg van het feit dat
de mensch tien vingers heeft? In de Odyssee reeds zien we hoe men van
die vingers, de tweemaal vijf, tot aftellen gebruik maakte. God Proteus
telt, als hij over zijne robben inspectie houdt op zijne vingers na,
of 't vereischte aantal aanwezig is, en de dichter noemt dat aftellen:
"afvijven." Zoo doet ook in een bekend verhaal bij Herodotus koning
Aristo van Sparta, die, nagaande hoevele maanden hij getrouwd is,
"op zijne vingers de maanden narekent." Maar bij zoo eenvoudig op de
toppen tellen--hoogstens tot tien--blijft de rekenkunst der Grieken
niet staan. Door buigen en strekken der geledingen, door aan den
halven vinger een andere waarde dan aan den geheelen toe te kennen,
en door allerlei wendingen die wij niet meer kennen, hebben de Grieken
het er toe gebracht, zoo noodig alle getallen tot tienduizend toe
uit te drukken. Althans zoo verhalen latere schrijvers; bij de oude
Atheners geschiedt wellicht zulk "op de vingers narekenen" alleen bij
zeer globale berekeningen. In de Wespen van Aristophanes wil een zoon
zijn kortzichtigen vader aan 't verstand brengen, dat de inkomsten van
Athene voor een groot gedeelte worden verdonkeremaand door hen die aan
't laadje zitten en dat 't Volk in alle gevalle er niet genoeg van
geniet. "Reken maar eens op je vingers na", zoo zegt hij, "globaal
genomen zijn onze staatsinkomsten 2000 talenten.--Trek daar nu eens
de jaarlijksche rechtersoldij voor zesduizend rechters van af... dat
is dus notabene maar honderd vijftig talenten." De berekening die
de vader heeft moeten doen--niet met rekenschijfjes, maar op zijn
vingers--bestaat dus vooreerst in eene vermenigvuldiging. Hij weet
dat een rechter een halve drachme presentiegeld geniet en dat men op
ongeveer driehonderd zittingdagen in het jaar kan rekenen. Dus rekenen
zoon en vader "op de vingers" de vermenigvuldigingssom uit 1/2 ×
300 × 6000 = 900.000 drachmen, en zij deelen dit product door 6000
omdat er zooveel drachmen gaan in een talent. Zoo komen zij tot 150.
Met dit al is het een eenvoudige rekensom met ronde getallen, die
de proceshatende zoon in de Wespen aan zijnen vader opgeeft. Bij
uitvoeriger berekeningen moest onvermijdelijk dit vingerrekenen tot
verwarring leiden; bovendien dwingt de minste aarzeling over eigen
juist tellen, ja iedere stoornis, den rekenaar zijn geheele manipulatie
op nieuw te beginnen. Heeft dus bij den kleinhandel en bij den inkoop
van vruchten en groenten op de markt deze computatie op de vingers
groot practisch nut, toch grijpt de Athener, zoodra de verrekening
gecompliceerder wordt, ongetwijfeld graag naar zijn rekenbord, abakos,
zooals in eene comedie van den blijspel-dichter Alexis een kok zelfs
doet als hij, thuis gekomen van de markt, al zijn kleine en groote
inkoopen nauwkeurig bij elkaar wil oprekenen. Dit rekenbord is een
uitermate eenvoudig ingericht hulpmiddel. Het is verdeeld in een
aantal kolommen, voor de eenheden, de tientallen, de honderdtallen
en de duizendtallen, met beweegbare schijfjes voor het noteeren. Men
schuift bij iedere notitie zooveel schijfjes naar de andere zij der
kolom, als men eenheden, en tientallen, wil noteeren. Wordt in de
eerste kolom daarbij het tiental bereikt, dan zet men in de kolom
der tientallen een schijfje aan, en schuift de tien eenheden naar
hun eerste plaats terug. Of anders--wat nog eenvoudiger is--men
werkt met losse steentjes. Dan is de bak zoo verdeeld dat in iedere
kolom een steentje aan de rechterzij neergelegd één, tien, honderd
enz. telt, doch aan de linkerzij vijf maal zoo veel. Dat intusschen
alle vermenigvuldiging (behalve dan die met vijf) bij het gebruik
van het bord toch weer, zoo goed als de deeling, uit het hoofd of op
andere wijze moet geschieden, valt licht te begrijpen. Amusant zijn
allicht deze oefeningen niet geweest. En dat de Atheensche jeugd er
zoo over dacht kan men uit Plato's woorden opmaken. De jongens kunnen,
zoo zegt hij ongeveer--in zijne Leges--ons zelf den weg wijzen om het
rekenonderricht boeiender te maken, door de manier van aftellen bij
hun spelen. En de Aegyptenaars--zoo fantazeert hij verder--wisten het
rekenen tot een spel te maken. De meester nam b.v. een mand met zestig
appels en droeg de knapen op, die eerst onder twee, dan onder drie, dan
onder vier, onder vijf, en zes jongens te verdeelen. Of hij fingeerde
een jongenswedstrijd b.v. van negen jongens en stelde de vraag:
"als nu ieder van u negenen met de andere acht moet vechten--hoeveel
wedstrijden krijgen we dan?"--Men ziet, geleidelijk voert Plato's
Egyptenaar de jongens van de gewone deeling naar de ontbinding in
factoren, ja zelfs naar de geheimen der combinaties en permutaties.
Maar het is heel wat moeilijker taak die onderwijzer en leerlingen
wacht, wanneer straks de jongens--nadat ze de verschillende manieren
hebben geleerd waarop de Grieken hunne letters gebruiken om getalwaarde
aan te geven--op schrift moeten leeren vermenigvuldigen en deelen. Voor
ons is het niet zoo héél moeilijk, een kind duidelijk te maken, dat
men, om b.v. 35 met 4 te vermenigvuldigen, eenvoudig weg mag zeggen:
4 × 5 = 20; 0, 'k onthoud er 2, 4 × 3 = 12, + 2 = 14. Som 140.--Maar
voor den Athener, die geene afzonderlijke cijfers heeft, en zijn
letter-cijferschrift niet met het decimale stelsel in overeenstemming
heeft gebracht, is dat onmogelijk. Heeft een Griek 265 te schrijven
dan schrijft hij dat in drie letterteekens sigma (= 200), ksi (= 60),
e (= 5); moet hij nu 265 met 265 vermenigvuldigen dan dient hij den
volgenden langen weg te gaan: 200 × 200 = 40000, 200 × 60 = 12000,
200 × 5 = 1000; 60 × 200 = 12000, 60 × 60 = 3600, 60 × 5 = 300; 5 ×
200 = 1000, 5 × 60 = 300, 5 × 5 = 25, om ten slotte met of zonder
abacus al deze producten te arrangeeren en op te tellen en daarna met
de daartoe bestemde letters aan te duiden.--Dat eindelijk, bij het
deelen dezelfde weg andersom moet worden afgelegd, spreekt van zelf. Om
bijv. het hier boven verkregen product (70.225) weer te deelen door
265 moet de knaap eerst, juist zooals bij ons geschiedt, tastenderwijze
vragen hoeveel maal een getal dat dichter bij de drie honderd dan bij
de tweehonderd staat in de zeventig duizend zou zijn begrepen; hij
maakt daarna zijn eerste multiplicatie, trekt het verkregen veelvoud
van 265 af van de zeventig duizend en voegt het restant bij de nog
niet behandelde 225. Die bewerkingen zijn dor, doch niet moeilijk;
en al moeten zij dikwijls herhaald worden, de onderwijzer kan ze
varieeren. Want tegelijkertijd met deze grootere rekensommen moet
de practische oefening den jongens de voor het dagelijksche leven
onmisbare zekerheid geven in de toepassing der stelsels van munten,
maten en gewichten. Slechts onze oudere tijdgenooten herinneren
zich nog de pijnlijke kwelling eener rekensom, die òf met een
valschen schijn van gezelligen anecdotischen verhaaltrant begon:
"een boer kocht op de markt drie last, vijftien mud en vier kop
graan tegen..." òf eenvoudig norsch beval: "Herleid in cijfers van
het decimale muntstelsel x daalders, y schellingen, z stooters." Wij
zijn aan die kwellingen ontkomen; de Atheensche jongens nooit. Zij
hebben moeten leeren en practisch ervaren, dat er zes obolen in een
drachme gaan, dat een mina honderd drachmen geldt en zestig mina's
een talent heeten. Maar daarmee is de Atheensche jongen nog niet
klaar. Hij dient ook te begrijpen dat de muntwaarde in de naburige
staten niet steeds aan die van zijne moederstad gelijk is. Want van
de verafgelegen landen kan hij dat terloops vernemen. Als hij uit
de Anabasis van Xenophon hoort voorlezen, dat Cyrus, de Perzische
kroonpretendent, zeer ingenomen was met den Spartaanschen commandant
Clearchus en dezen eene schenking deed van duizend dareiken, dan kan
hij volstaan met de wetenschap,--en die heeft hij voor het vragen--dat
een dareikos gelijkstaat met twintig attische drachmen en dus het
geschenk aan Clearchus 200 mina's (c. f 9000) bedroeg. Maar hoeveel
ingewikkelder wordt de zaak, wanneer hij de vraag onder de oogen
moet zien, met welke talenten, met Euboeïsche of met Aeginetische,
hij in een bepaald geval te doen heeft. Hier kan de onderwijzer--of
de vader--de theorie door de aanschouwing te hulp komen. Allereerst
laat hij hem een Attisch tetradrachmon zien en leert hem meteen zich
te verlustigen in den fijnen omtrek van den welgesneden, ofschoon
archaïsch gehouden Athena-kop bekroond met den Attischen helm en
versierd met oorring en halsband. Dan legt hij een drachme daarnaast,
gelijk in beeld maar kleiner en fijner, en hij keert de munten om,
opdat de jongen ze onderkenne ook door den stadsuil met den olijfkrans,
den maansikkel en de zuiver gesneden Atheensche letters. Maar naast die
fijne muntjes--rechtmatige trots der stempelkunst--geeft hij dan den
knaap een Aeginetisch dedrachmon of stater in de hand, gestempeld met
de zwaar gesneden Aegina-schildpad, plomp van vorm en op de keerzij
weinig gracieus versierd door een ingeslagen quadraat, dat door
diagonalen in driehoeken is verdeeld. Laat hij nu den jongen kiezen,
welke drachme hij begeeren zou, tien tegen een dat een jong Athenertje
gretig grijpt naar het fijne Athena-kopje. Dan legt de schoolmeester,
om hem de harde les te leeren dat in financieele operaties het mooiste
niet altijd het voordeeligste is, beide muntjes op de weegschaal
en wijst hem dat de Attische drachmen slechts 4 1/4 gram wegen en
de Aeginetische didrachmen 12 1/4. En als dan de jongen tot het
inzicht is gekomen dat in het muntwezen de zwaarte hoofdzakelijk de
waarde bepaalt, dan is hij niet ver meer af van de beantwoording
dezer vraag: "Indien inderdaad Solon de schuldenlast van de arme
debiteurs uwer overgrootvaders heeft verlicht door te bepalen dat de
schulden in Aeginetische drachmen aangegaan, zouden worden afbetaald
in Euboeïsch-Attische drachmen, onder tijdelijke gelijkstelling van
de Aeginetische en de Attische drachme, hoeveel ten honderd hebben
dan uwe overgrootvaders daarbij verloren?--En wanneer zijn vader hem
vertelt, dat een vet schaap 15 drachmen doet, terwijl in Solons dagen
een schaap voor ééne drachme te krijgen was, dan zal hij thans met
inzicht kunnen vragen: "dan toch zeker een Aeginetische drachme?"
En dan de maten voor droge en natte waren! Het waren niet alleen
maar de graankooperskinderen of de jongens van een olijvenboer,
die behoorlijk moesten weten dat een metreet wijn (38 à 39 liter)
twaalf choës inhield en de chous twaalf cotylae, terwijl daarentegen
de medimnos rogge (51-58 liter) 288 cotylae--van kleiner inhoud
dan de cotylae voor natte waren--bevatte. Niet alle jongens zullen
misschien geplaagd zijn met herleidingen van het oudere tot het
jongere matensysteem der Atheners. Of de Grieksche schoolmeesters
dit nauwkeurig onderwezen, weten we niet; maar in eene stad die
hare burgers met het oog op hunne rechten en plichten indeelde in
vermogensklassen begrensd door het aantal schepels of kannen graan,
olie of wijn, jaarlijks uit hun eigen landerijen gewonnen, was het toch
wel te verwachten dat een jongen wiens vader tot de eerste klasse,
die der Pentakosiomedimnen, behoorde, niet al te laat zou leeren wat
nu eigenlijk een medimne was.