Onder de bevallige voortbrengselen der Attische vazenkunst zijn
er weinige die zóózeer tot algemeene bekendheid zijn gekomen als
de sierlijke schotels, amphoren en schalen, die in kleine, vlug
geteekende tafreelen het schoolleven en het spel der Grieksche
jongens van twaalf tot achttien jaar in beeld brengen. Niet alleen
de vaardigheid echter, welke des meesters hand leidde bij 't griffen
dier slanke jongenslichamen, is het die ons vasthoudt voor de vitrines
van het Louvre, de Londensche verzameling, of het Atheensche Museum,
het is bovendien de verrassing over het feit dat deze schilders ons
het boek der jeugd te lezen geven, waar wij in de rij onzer zorgvuldig
geraadpleegde klassieke schrijvers tevergeefs naar zoeken. Tooneeltjes
als op deze vazen, stil schrijvende knapen, jonge ernstige leerlingen
die, met ontzag opziende tot hun onderwijzer, de woorden naspellen
welke hij hun heeft voorgezegd of de snaren der lier grijpen met eerste
angstige poging om die juist zoo te doen trillen als de citharist het
hun heeft getoond; worstelscholen waarin zij dartelend leeren springen,
speerwerpen, vechten--slechts de plastiek geeft ons dit alles in één
oogopslag te zien, terwijl wij bij de schrijvers van den klassieken
tijd zeer zorgvuldig moeten uitkijken teneinde uit velerlei, als
ter loops gegeven, toespelingen of opmerkingen ons een eenigszins
uitvoerig beeld te vormen van het leven der jeugd.
Deze leemte in de literaire overlevering van de oudheid is er eene
uit velen; ook gevoelen wij haar niet altijd even sterk. Wie in
de Grieksche tragedie verdieping en verbreeding zoekt van eigen
gemoedsleven, wie bij Herodotus of Thucydides de fundamenten
nagaat waarop onze moderne historiographie berust, kortom wie in
de voortbrengselen van den Helleenschen geest zoekt naar de kiemen
onzer geestelijke en bepaaldelijk literaire cultuur, wordt in zijn
onderzoek niet in groote mate door zoodanige lacunes belemmerd. Maar
niet zoodra gaat onze eigene belangstelling, door zoodanig onderzoek
van literairen aard geprikkeld, òf de weetlust der leerlingen die wij
willen inwijden in de klassieke oudheid, nu ook eens de vraag stellen:
"hoe leefden nu eigenlijk die oude Hellenen?" of onze wetenschap
blijkt vaak op verrassende wijze ontoereikend.
En dat is nu niet alleen het geval met vraagstukken die minder voor de
hand liggen; niet alleen blijven wij te dikwijls het antwoord schuldig
als men ons bijvoorbeeld vraagt naar oud-grieksche ziekenverpleging,
naar armenzorg, naar het lot van afgewerkte daglooners en slaven;
zelfs in hare mededeelingen over den kinderleeftijd, die in onze
moderne literatuur een zoo vruchtbaar veld voor de fijnste en meest
liefdevolle observatie is geworden, is de Helleensche literatuur in
haren bloeitijd zoo spaarzaam, dat het samengaren daarvan ons doet
denken aan het ontcijferen eener half vergane inscriptie.
Intusschen, zulk een ontcijferen heeft zijne aantrekkelijkheid, en
het onderzoek is de inspanning waard. Het spreekt immers van zelf dat
de meer geprezen dan gelezen werken der Grieksche schrijvers slechts
voor ons kunnen leven, indien de menschen daarin beschreven minder
ver van ons afstaan, indien wij weten waarmede zij zich voedden en
zich kleedden, indien wij weten hoe zij hunne dooden begroeven, en
hunne vrouwen trouwden, indien wij hun leed kennen en hun blijdschap,
indien ze voor ons oog gaan en zitten, spreken en lachen als levende
menschen, niet als vreemde figuren die opzettelijk door lang vergeten
schrijvers zijn uitgedacht, om in eene moeilijk verstaanbare taal
sententiën van klassieke wijsheid over te gieten in onze ooren.
En wie des Grieken leven wil verstaan, die moet ook zijn kinderleven
kennen. Dat in het kind de man schuilt is altijd waar, maar
dubbel waar is het bij een volk dat in die mate als het Helleensche
kinderlijke naieveteit mengt in zijne aangeboren uitgeslapenheid van
geest. En dubbel geldt die zelfde waarheid ook daarom bij de Grieken,
omdat--al moet men in de literatuur der Hellenen het kind als het
ware opzettelijk zoeken--het kroost eene uiterst gewichtige plaats
bekleedt in het familie- en staatsleven.
Familieleven: het woord zelf heeft, zooals in de volgende bladzijden
telkens duidelijk zal blijken, voor Grieken, althans voor Atheners
van den bloeitijd, een geheel anderen klank dan voor ons. Vèr
van onze opvatting, en ver ook daar beneden, ligt de voorstelling
die de Atheners, in doorsnee genomen, zich van het samenleven der
echtgenooten vormen. De innigheid van het gemeenschapsgevoel dat Hector
en Andromache bezielt herhaalt zich in de Atheensche maatschappij
niet dikwijls. Het Atheensche huwelijk doet de echtgenooten meest
veeleer naast dan met of voor elkander leven; en wij moeten gelooven
dat de toestand in de vierde eeuw wel in vele gezinnen zoo was als
Demosthenes dien weergeeft in eene vaak aangehaalde zinsnede van eene
zijner oraties, al kan die uitspraak niet hebben beantwoord aan de
overtuiging van de hoogststaanden onder zijn gehoor. "Immers mijne
Heeren", zoo zegt daar Demosthenes met de kalmte waarmede men feiten
pleegt te constateeren: "Immers, voor ons genot hebben wij de hetaeren
tot onzen dienst, voor de dagelijksche behoeften van ons lichaam onze
maîtresses; doch onze vrouwen hebben wij om ons wettige kinderen uit
haar te verwekken en om tevens eene vertrouwde zorg voor ons huis
te bezitten."
Met schrik en verbazing leest men zulk eene zinsnede, en het kan
niet anders of menigeen vraagt zich af, of de kennismaking met een
volk dat er dergelijke beginselen op nahoudt niet beter achterwege
bleve. Maar vergeten wij niet dat Demosthenes hier aan zijnen
client eene uitspraak op de lippen legt die bestemd is de banale
levensopvatting van dezen eenen man weer te geven, niet eene door
alle Atheners beaamde uiting. Toch mag die verzachtende overweging,
die wij door velerlei feiten zullen gestaafd vinden, ons niet blind
maken voor de strekking der laatste woorden. Want door deze is de
beteekenis van het Atheensche huwelijk inderdaad juist omschreven. Het
huwelijk is voor den Athener het instituut tot voortzetting van zijn
geslacht. Om, ter wille van, het kind wordt het huwelijk gesloten. Maar
om die zelfde reden eischt de Grieksche Staat de huwelijksverbintenis
en heeft ook in Hellas de godsdienst den geheimzinnigen drang tot
levensbehoud, aan alle schepselen ingeplant en door de beschaving
als een harer machtigste hulpmiddelen aanvaard, van de vroegste
cultuurperioden af in bescherming genomen. De familie, het geslacht,
dat zijn begrippen voor eenen Helleen van diepere beteekenis dan voor
zeer vele leden onzer moderne, individualistische maatschappij. Niet
uit individuen--meent Aristoteles--doch uit huisgezinnen is de
oorspronkelijke staatsgemeenschap samengevoegd; maar dit is eene
samenvoeging uit op zich zelf zelfstandige deelen. De herinnering nu
aan hunne alleroudste zelfstandige afgescheidenheid heeft de cultus
steeds bewaard: elke oud-Grieksche familie heeft haar eigen heilige
gebruiken, haar eigen eeredienst, haar eigene goden, dus ook--want
in vele gevallen is dat bijkans hetzelfde--hare eigene dooden. Ook
toen de tijden reeds lang voorbij waren, in welke eene ten deele
althans uit vrees en angst ontsproten vereering der afgestorvenen
de Myceensche vorsten had gedrongen voor hunne gestorven voorgangers
graven te bouwen, ruim en kostbaar alsof het vorstelijke paleiskamers
waren, handhaafde zich in piëteit het oude gebruik van de herdenking
der gestorven vaderen en bleef een vage doch hechte voorstelling
in de harten leven, dat de doode de vereering zijner nazaten niet
kan ontberen, dat de gestadige lafenis hunner lijkoffers voor hem
onmisbaar is. En deze geloofsvoorstelling zet haren stempel op de
verhouding tusschen ouders en kinderen ook in het oude Athene. Zwaar
drukt op den geloovigen Griek de angst om kinderloos uit het leven
heen te gaan. De Helleen noemt daarom niet slechts gaarne in zijne
poëzie de kinderen "een erfdeel des Heeren", en roemt een oppassend
kroost "schooner bloei dan een akker kan dragen", maar de gedachte
is hem in het hart vastgeworteld, dat hij niet gelukkig kan zijn,
zoo hij niet bij zijn scheiden uit dit leven de geheimenissen van
den voorvaderlijken eeredienst kan overgeven in de handen van een
nakomeling, en dat hij alleen dan gerust kan wezen, wanneer hij aan
zijne zijde de trouwe stem hoort van eenen zoon, die--gelijk hij zelf
dat eens voor zijnen vader heeft gedaan--al datgene bezorgen zal wat
zijne schim zal behoeven in de duisternis van haar eenzaam graf.
Naarmate de Grieksche, met name de Atheensche, maatschappij in haren
voortgang op den weg eener consequent democratische ontwikkeling de
patriarchale afscheiding en zelfstandigheid der oude geslachten meer
en meer uitwischte, moesten geloofsovertuigingen als de hierboven
geschetste wel verzwakken. In de dagen van Pericles althans zou
het niet gemakkelijk zijn geweest--indien men overeenkomstig het
heerschend staatsbeginsel bij meerderheid van stemmen ook over dit
vraagstuk hadde beslist--eene meerderheid onder de Atheensche burgers
te vinden die op zóó ouderwetsche gronden de begeerlijkheid van
nakroost zou hebben erkend. En toch, zelfs Plato, die in dit opzicht,
gelijk in zoovele andere, gebroken had met het overgeleverde geloof
der vaderen, handhaaft niettemin het allervoornaamste element van de
oude geloofsovertuiging in zijne eigene beschouwing.
"Op deze wijze--zegt hij in het Symposion--blijft het sterflijke in
leven, niet doordat het, gelijk de Godheid zelve, altijd hetzelfde
blijkt; maar doordat hetgeen heengaat en veroudert een ander jong
wezen van dien aard als het zelf was in zijne plaats achterlaat. Er is
derhalve geenerlei reden om ons te verbazen, wanneer we zien hoezeer
elk wezen van nature in eere houdt al wat uit hetzelve is gesproten:
dit is een streven naar onsterflijkheid en naar onvergankelijke
gelukzaligheid, dat elken sterveling vergezelt".
Overigens ligt het in den aard der zaak, dat het besef van de heilige
beteekenis der verwantschap met voor- en nageslacht duidelijker aan den
dag treedt in de voorname en met erflijk landbezit bedeelde familiën
dan bij arme handwerkslui en nooddruftige zwervers. Zoo was het reeds
in de dagen van Homerus. Een vorst als Glaukos vermag, wanneer Diomedes
hem tegemoet treedt met de vraag: "Wie zijt Gij toch wel onder de
sterflijke menschen?" zonder veel moeite zijn stamboom op te noemen
tot Zeus toe; doch van den volksman Thersites noemt ons de dichter
niet eens den vader. Toch is, zoover ons weten van de oud-Grieksche
samenleving reikt, het familiebewustzijn zeer sterk. Vorst Diomedes
kan zich voor hem die roekeloos zou wagen Goden te bevechten geene
zwaardere straf denken dan deze, dat denzulken bij zijnen terugkeer
uit den oorlog geene kinderen stamelend den vadernaam zullen geven. En
de boerendichter Hesiodus ziet hierin den grootsten zegen der vromen,
dat hunne vrouwen hun "kinderen schenken op de vaders gelijkend".
Al ontbreekt dan ook--zooals om vele redenen begrijpelijk is--in de
Grieksche literatuur iedere opzettelijke beschrijving van huiselijk
leven en kinderbestaan, toch weet elkeen, die met die letterkunde
vertrouwd is, hoe sterk zich het huisgezin bij hen doet gelden. Reeds
de homerische zangen vloeien over van spreuken en voorbeelden, die
den zegen van het huiselijk leven verheffen: vluchtiger, naar den aard
van het heldendicht, in de Ilias, hetzij in het korte tafreel, zacht
glanzend als een lentemiddag, dat ons Hector met den kleinen Astyanax
op den arm schildert, hetzij in de hartverscheurende figuur der oude
smartenmoeder Hekabe, vergeefs op Trojes muren haren lievelingszoon
Hector bezwerend den dreigenden aanval van Achilles te ontwijken;
doch uitvoeriger in de Odyssee. Er is geen sprekender bewijs voor de
overtuigdheid waarmee de Odysseedichter den lof van het familiegeluk
bezingt dan het zesde boek, het Phaeakenlied; geen tweede figuur zóó
huismoederlijk teeder, zoo wakker oplettend en zoo trouw als koningin
Arete; geen dochter zoo charmant als Nausikaa, wanneer zij haren
vader om den muilezelwagen vraagt--kortom geen gezin, zoo opgewekt
in vertrouwelijk en gemeenzaam geluk, als Alcinoüs' bloeiend kroost.
Een Atheensch burger uit den bloeitijd der Attische democratie moet
zich evenwel tegenover die homerische tafereelen van huislijk leven min
of meer als een vreemdeling hebben gevoeld. Hekabe, Andromache, Arete,
het tooneel toont hem zulke huismoeders, den titel "machtige moeder",
waarmede Homerus zoo gaarne zijne Vorstinnen aanduidde, waardig,
doch in zijn eigen huislijk leven vindt hij die niet terug. Alleen
als hij naar Sparta gaat, zal hij ze vinden als machtige deelgenooten
in de vaderlijke heerschappij. Maar dáár vindt hij integendeel niet,
als te huis, eene familie. Het is hem of te Sparta het gezin in den
Staat verdwijnt. In grootere mate ziet hij in zijn eigen vaderland de
traditie van de beteekenis der familie-afkomst ontwikkeld. De gedachte
dat de staat niet maar eenvoudig een complex is van individuen, maar
zich vormt uit de familiën, daar immers deze zich samenvoegen tot
geslachten, de geslachten straks phratriën vormen en de phratriën
eindelijk de vier Ionische stammen hebben gevormd, deze gedachte
bleef zich in Attica handhaven, ook toen de geslachtsgenooten reeds
lang niet meer in staat waren hunne onderlinge familierelatie aan te
wijzen en tevens de gewijzigde staatsinrichting van het Athene dat wij
kennen, het onmiddellijk verband tusschen afstamming en burgerschap
had weggenomen. Want niets anders dan de onwrikbare overtuiging dat
op het familieverband het waarachtige Athenerschap berust, kan oorzaak
zijn geweest, dat tot de hoogste staatsambten bij voortduring slechts
die Atheners werden toegelaten, die op bevredigende wijze het volgende
vragenregister konden beantwoorden: "Wie is uw vader, wie uwe moeder,
tot welk district behoort gijlieden, wie is uws vaders vader, wie
de vader uwer moeder? Hebt gij deel aan den eeredienst van Apollo
Patroïos, den beschermgod der geslachten, en van Zeus Herkeios, die
de familiën beschermt? Waar zijn de heiligdommen gelegen, waarin uw
geslacht die Goden vereert? Hebt gij een erfelijk graf, en zoo ja,
waar? Behandelt gij uwe ouders zooals het behoort?--en betaalt gij
belasting in die klasse die voor dit ambt is vereischt?"
Beter dan een lang betoog, kan zulk een formulier, ook om de
eigenaardige naieveteit waarmee de vragen zijn gesteld, ons overtuigen,
dat een ernstig vader te Athene bezield was met het bewustzijn dat
hij in zijnen zoon zijn eigen burgerschap van de vaderstad, die hij
met bijna godsdienstige vereering liefhad, voortzette, en dat hij
voor dien zoon verantwoordelijk was tegenover den staat zoowel als
tegenover de goden van vaderland en familie.
Op dit feit moet eenige nadruk worden gelegd. Onze eigene christelijke
beschaving toch heeft in onze verhouding tot onze kinderen een element
van teederheid gebracht, dat wij ten deele althans bij de oudere
Grieken vergeefs zoeken.--Ten deele. Want wie in de literatuur der
Grieken geen vreemdeling is, weet wel, op hoe welsprekende wijze
hunne poëzie getuigt van eene liefde der ouders voor hun kinderen
die, zij moge dan van de onze verschillen, zeker niet minder innig
is. Dit door eene bloemlezing van dichterplaatsen te bewijzen is
een onnoodige en weinig aantrekkelijke taak. Maar meermalen is reeds
door kundige handen bijeengebracht wat op het kinderleven der Grieken
betrekking heeft. Zulk eene poging op het voetspoor van anderen te
herhalen is geen nutteloos werk; want al kennen wij het Grieksche
volk als eenvoudig en kinderlievend, hunne literatuur betracht,
zooals reeds gezegd werd, ten opzichte van de kinderen een groote
soberheid, en deze maakt een zeker verschil van inzichten omtrent
allerlei punten mogelijk. Polemiek omtrent dergelijke punten is
door den aard van de schets die hier gegeven wordt uitgesloten. In
populairen vorm een beeld van het Atheensche jongensleven te geven
is uitsluitend het doel dezer bladzijden. Natuurlijk wordt daarbij
niet gestreefd naar systematische volledigheid. Deze zou aan deze
schetsen den eisch stellen dien men met recht stelt aan een leerboek
der Oudheden. Dergelijke leerboeken zijn er verscheidene en daaronder
zeer voortreffelijke. Wie ze van nabij kent vindt in dit boekje zeker
weinig nieuws, want ons aller bronnen zijn dezelfde. Voorts--wie eene
teekening van het geheele Grieksche knapenvolk geeft, schiet licht
zijn doel voorbij. Eene beschrijving van oud Grieksch jongensleven
geldig voor geheel Griekenland is onbestaanbaar. Oud-Hellas is niet
één staat, doch een agglomeraat van sterk verschillende elementen. De
Spartaan, naar den eisch van Lycurgus tot een stoer en gehoorzaam
krijgsman opgegroeid, heeft een andere opleiding achter den rug dan
de Athener in wiens oogen hij een halve barbaar is: de Arcadische
boer met zijn breed accent en zijn zware taal, zal het zoetvloeiende
Ionisch van den Milesischen zeeman nauwelijks als de taal van een
stamgenoot erkennen. Maar al wat die staten vereenigt, al wat hen
tot Grieken maakt, vinden wij in Athene terug: de Atheensche jongen
heeft de zekerste kansen op onze belangstelling.
Ook voor eene beschrijving die niet streeft naar schematische
regelmatigheid is hier de weg als het ware voorgeschreven. Een jongen
is thuis, op school, of op straat, en van de Atheensche jongens zullen
wij dus het leven in huis, op de school en in de stad naspeuren. Het
zal aan de duidelijkheid der schildering ten goede komen, indien
wij de grenzen door die indeeling gesteld van tijd tot tijd mogen
overschrijden, en bovendien nu en dan mogen vergeten dat jongelieden
van achttien jaar geen jongens meer zijn, terwijl waarschijnlijk het
gevaar voor eentonigheid vermindert door eenige vrijheid van beweging
aan de jongens te gunnen in de keuze van het tooneel van hun vreugd en
leed. Dat eindelijk van het recht tot excursen, aan schrijvers over
een dergelijk onderwerp meestal toegestaan, in deze beschrijvingen
met groote vrijmoedigheid wordt gebruik gemaakt zal niemand wraken,
die bedenkt hoever het Athene der vijfde en vierde eeuw vóór Christus
afstaat van de twintigste eeuw onzer jaartelling.
I
Wie het Grieksche jongensleven wil beschrijven, bedoelt in hoofdzaak
eene schets te geven van het leven, de rechten, de uitspanningen en de
opvoeding van jonge Atheensche burgers van goeden huize, d. w. z. van
erkende zonen uit een wettig Atheensch huwelijk. Ziedaar eene beperking
die belangrijker is dan zij schijnt. Groot is te Athene het aantal
onwettige kinderen; want al verheft ook de staatkundige wijsbegeerte de
instelling des huwelijks als fundament van den staat zeer hoog, en al
waakt ook elk burger die de traditiën van zijne familie eerbiedigt er
ernstig voor, dat zijn geslacht niet uitsterft, toch kan reeds hetgeen
in de eerste bladzijden over het Grieksche familieleven werd gezegd
bewijzen, hoe weinig de Atheners "van goeden huize" eene voorstelling
hadden van hetgeen wij onder huwelijkstrouw verstaan. De omgang van
Pericles en Aspasia is beroemd, doch niet omdat die eene uitzondering
was. Men behoeft in de biographieën der voornaamste staatslieden
en kunstenaars van Athene slechts korten tijd te bladeren om eene
geheele verzameling dergelijke liaisons bijeen te brengen. En er
is geene reden deze verhalen op rekening van latere, op schandaal
beluste anecdotenvertellers te plaatsen; de bekendste redenaars, de
kalmste philosophen, de ernstigste politici komen er zonder een zweem
van schroom voor uit, dat zij elders dan aan hun huiselijken haard
verpoozing plegen te zoeken van hunne inspanning, dat zij naast de
vrouw, wettiglijk en onder ontvangst van den contractueel bepaalden
bruidschat gehuwd, eene "vriendin" hebben. Den kinderen, uit deze
laatste verbintenis geboren, verbiedt de vader het gebruik van den
vadernaam ten zijnen opzichte niet, ook voor hunne opvoeding zal hij
meestentijds wel behoorlijk hebben zorg gedragen; de smaad verder, in
onze maatschappij aan den bastaardnaam verbonden, zal deze onwettige
kinderen te minder hebben getroffen, omdat eenerzijds de zeer enge
bepalingen aangaande volkomen wettigen Atheenschen echt het aangaan
van wat wij een vrij huwelijk noemen zouden zeer in de hand werkte,
en het concubinaat alzoo in velerlei meer en minder eervolle gradatiën
voorkwam, terwijl andererzijds de Atheensche wetten de gelegenheden tot
legitimatie van uit concubinaat geboren kinderen verre van schaarsch
maakten. Met dit al was deze onzekerheid der huwelijksverhoudingen,
gepaard aan eene buitengemeene frequentie van echtscheiding, een
oorzaak van veel onzekerheid. Hoe groote verwarring, hoeveel bedrog
en misleiding en hoeveel ernstige misstand hiervan het gevolg waren,
kan alleen ten volle begrijpen wie de pleidooien, in familie- en
vooral in erfrechtprocessen gehouden leest, die ons van de hand der
Attische redenaars, met name van Isaeus, zijn overgebleven.
Een gelukskind in vergelijking van vele zijner natuurgenooten, mag dan
ook het knaapje heeten welks geboorte aan de belangstellenden wordt
kond gedaan door een olijftak aan de deur van zijns vaders woning. Zijn
eerste geluk is, dat hij als jongen in de wereld komt. Indien niet
een tak aan de deur was gehecht, doch een wollen lint--symbool, naar
latere schrijvers gaarne aannemen van den arbeid die de eere der
vrouwen is--indien dus was aangezegd dat er een meisje was geboren,
wie weet, of dan de vader niet zou hebben gebruik gemaakt van het
hem door de oude landswet toegekende recht, en het kleintje dat hem
voor de voeten was gelegd eenvoudigweg had afgewezen. Dat inderdaad
een volk waarvan wij met reden ook de innerlijke beschaving en de
fijnheid van zeden plegen te bewonderen, zelfs in zijn hoogsten
bloei een zoo barbaarsch gebruik toeliet kan ons verbazen, maar
betwijfelen mogen wij het niet. Het onderscheid tusschen dit gebruik
en de overbekende hardvochtigheid der Spartanen, die hun niet geheel
welgeschapen zuigelingen eenvoudig naar het Taygetosgebergte brachten,
was hierin gelegen, dat te Sparta de staat, te Athene de vader over
de aanneming besliste. En nu wordt wel is waar in de redevoeringen
en geschiedboeken der Atheensche schrijvers slechts zelden van
zulk een verstooting melding gemaakt; maar in verscheidene uit het
Grieksch vertaalde comedies van Terentius, en in menig blijspel van
Menander is de geheele intrige samengeknoopt met de geschiedenis van
te vondeling gelegde meisjes, niet altijd juist kinderen uit eene
verbintenis die verborgen moest blijven. En wil men de voorstelling,
door de blijspeldichters gegeven, beschouwen als aan 't werkelijke
leven ontleend, dan is maar al te dikwijls zulk eene vondelinge
tot haar eigen ongeluk geëxploiteerd door hare pleegouders. Ter
gedeeltelijke verontschuldiging van den vader die haar verstiet,
mag misschien hierbij worden gevoegd, dat althans in de comedies de
herkenningsteekenen zelden of nooit ontbreken. Een lint, een bul, een
kleinood hebben de ouders vaak aan de kleine vondelingen omgehangen,
om het lot een kansje te geven, indien soms verandering in hunne
finantieele omstandigheden hunne waardeering van den kinderzegen
mocht wijzigen en zij het nu verstooten kind zouden willen terugzoeken.
Maar het is geen meisje, doch een jongen, en een in zijns vaders huis
welkome jongen, die onze aandacht vraagt. Van zijne huisgenooten heeft
hij reeds sinds, ja vóór zijne geboorte de aandacht in beslag genomen,
en wel die aandachtige zorg die het sterk religieus gekleurde karakter
der Grieksche kinderverpleging met zich brengt. Het oud-helleensche
volksgeloof is vol van angst. Daemonische wezens loeren op al de
paden van het menschelijk leven: één misgreep, één verzuim kan verderf
brengen. En even als het sterfbed voor hen die het naderen nog gansch
andere gevaren brengt dan die van ritueele onreinheid, evenzoo wekt
de ure der geboorte angst. Men vreest de geheimzinnige machten die in
de ure der geboorte het leven van moeder en kind in de handen dragen,
men denkt zich het kraambed omringd door daemonen, en er is een niet
geringe kans dat van die daemonen enkelen den kleinen knaap op zijnen
levensweg zullen blijven vergezellen, indien men een enkele van de
door oud gebruik geheiligde usantiën uit het oog mocht verliezen. Maar
talrijk als die gevaren, zijn gelukkig ook de uitreddingen, en de
namen van Goden en Godinnen, wier aanroeping zegen brengt.
Hoevele van al die gebruiken nu in eene beschaafde Atheensche familie
van de vijfde eeuw nog in eere werden gehouden, weten wij natuurlijk
nog minder dan wij dit omtrent ons eigen vaderland en zelfs onze
vaderstad weten. Mij dunkt, zelfs in heel "verlichte" gezinnen zullen
de meeste leden der huishouding toch wel vermeden hebben om in de
nabijheid van de kamer waar de groote gebeurtenis werd verwacht, te
gaan zitten met gekruiste beenen, of met samengevouwen handen; dit was
toch zeker en vast--zelfs voor een "ongeloovig" mensch--dat zulk eene
houding de Eileithyiën, de godinnen der geboorte, hinderde in haren
arbeid. En als dan, niet gestoord door zulke booze invloeden, het kind
verschenen was, is er zeker menige tooverformule gefluisterd, waarvan
de vader niets heeft bemerkt, en die niet tot zijne kennis kwam. Want
in de meeste gevallen woont de Atheensche vader de plechtige intrede
van zijn zoontje in het leven waarschijnlijk niet bij. Zoo als het in
moderne romans vaak in strijd met de werkelijkheid wordt voorgesteld:
de aanstaande vader in eene aangrenzende kamer zenuwachtig op en neer
wandelend en door de hulpvaardige ingewijden zorgvuldig op een afstand
gehouden--zoo was het inderdaad regel te Athene. Behalve de traditie,
die het kraambed uitsluitend met vrouwelijken bijstand omgaf en ook
zelfs, behoudens zeer kritieke gevallen, geen manlijken vroedmeester
daarbij riep, werkte daartoe de levenswijze in het Atheensche huwelijk
en in overeenstemming daarmee de verdeeling der Atheensche burgerwoning
mede. Reeds deze bevordert eene scheiding tusschen man en vrouw. Nu
eens op de eerste verdieping, dan weer, als nl. de levensomstandigheden
der echtgenooten wat ruimer zijn, of hun zaken het hun mogelijk
maken buiten de stad te wonen, in het achterhuis, heeft de vrouw hare
gynaikonitis, hare "vrouwenwoning", en al overdrijft men eenigszins
door dat een sérail te noemen, gelijk ons zal blijken wanneer wij
over de eerste kinderjaren van den Atheenschen knaap, die voor een
groot deel dáár worden doorgebracht, gaan spreken, de gedachte aan
zulk een oostersch verblijf wordt toch wel bij ons opgewekt, wanneer
wij bedenken hoe streng de afgeslotenheid van dat gedeelte der woning
was, hoe ver het er van af is dat wij de kamer waar een Atheensche
huisvrouw woont met onze huiskamer zouden kunnen vergelijken. Een
tafreel in den trant van een Hollandsch theetafeltooneeltje, waar de
vrienden van den vader des huizes en de studiegenooten van de zoons
vertrouwelijk zitten te praten met de moeder en de dochters van het
gezin, is te Athene in fatsoenlijke kringen ondenkbaar. In eene van
Lysias' redevoeringen roemt de pleiter zijne nichtjes die bij hem
in huis wonen om hare zedigheid, en hij wijst er met nadruk op dat
ze zóó fatsoenlijk waren, dat ze zich zelfs geneerden, als een der
manlijke huisgenooten haar aangezicht te zien kreeg.
De beteekenis dier afgeslotenheid van het moedervertrek zal ons later
blijken: ook de kraamkamer, zooal niet ontoegankelijk voor den vader,
heeft dien ten gevolge voor den Atheenschen echtgenoot een geheel
ander karakter gehad dan voor ons, Hollandsche vaders: een gaarne
bezocht heiligdom, waar wij de machtige baker met eerbied en stil
ontzag aanstaren terwijl zij heerscht over alles wat ons eigendom
is, met overtuigd en zachtzinnig despotisme. Natuurlijk heeft
echter Athene wel bakers bezeten. De Atheensche kraamkamer heeft
zelfs eene vroedvrouw. "Moedertje" of "Grootmoeder"--Maia noemt het
Attische spraakgebruik deze nuttige dame, die wat haar mag hebben
ontbroken aan obstetrische kennis (er zijn geen statistieken van
kindersterfte in de oudheid!) vergoedde door volledige ervaring van
alle "moeilijke gevallen" in de buurt, en door eene soliede kennis
van al de geheimzinnige wetten, ook nu nog niet geheel uitgestorven,
welke het doen en laten eener gehoorzame kraamvrouw plegen te regelen.
Wij behoeven deze Maia niet op hare schreden te volgen. We laten haar
rustig hare vloekafwerende kruiden kauwen, we laten haar zorg dragen
dat de huisdeur met pek worde besmeerd om de daemonen af te weren;
straks als ze alles ver heeft gehouden wat de moeder kon schaden en
bij gesloten deur het knaapje geboren is, laten wij haar het kind
baden in het--natuurlijk heilige--bad, water met olie. Dan zwachtelt
zij het jongske, voorloopig in wat stijver banden misschien dan
ons voor hem gezond lijkt, en het oogenblik is daar, dat hij zijne
intrede doet in het leven van zijn vader. De Maia legt het knaapje
neer voor diens voeten; dat is niet als bij ons een "presenteeren"
van 't kindje, naar vast bakertarief met eene goede fooi beloond,
maar in werkelijkheid eene vraag. "Aanvaardt gij mij als uw kind?" zoo
schijnt het jongetje te vragen, neergelegd op de aarde die zijn eerste
en opperste moeder is. En thans--in ons geval--beurt hem natuurlijk
de vader op en aanvaardt hem. Deed hij dat niet, zoo zou dit boekje
ongeschreven blijven.
De daad van aanneming door den vader vindt hare eerste bekrachtiging
in het feest der Amphidromiën, dat--als alles naar wensch gaat--op
den vijfden dag wordt gevierd. Onafscheidelijk aan den godsdienst
verbonden als alle oud-Atheensche familieplechtigheden, is de
handeling der Amphidromiën natuurlijk ook symbolisch. In snellen
gang, als wilde zij het laatste gevaar dat van den kant der daemonen
nog dreigt, afweren, draagt de Maia in naam der moeder, of anders
deze zelve, den kleinen jongen om 't huiselijk haardvuur heen. Zij
doet dat na zelve door besprenkeling eene symbolische reiniging te
hebben ontvangen en draagt door de handeling van den rondgang den
jonggeborene op aan de godheid die het huisaltaar met al die daarop
offeren beschermt. Zoo wordt de knaap eng verbonden aan het huis
zijns vaders, het heilig vuur zal ook zijne toekomst beschermen, de
familie neemt hem aan. En het is noodig dat deze opname in den kring
van het geslacht ook nog door een bepaalde daad wordt betuigd. De
familieleden worden uitgenoodigd om den dag door een feestmaal
te komen vieren; zij brengen dan kleine geschenken mee, somtijds
voor het doopkindje een rammelaar, een amuletje of iets dergelijks,
soms--en dit is waarschijnlijk de oudste gewoonte--andere, in waarheid
voor 't kind zelf weinig genietbare, geschenken: vischjes of andere
kleinigheden voor tafel. Deze laatste kleine gaven bewaren beter het
oude karakter van de familiegeschenken: zij spreken duidelijk uit dat
de leden van 't geslacht, zooals ze bijdragen tot zijn lustratiemaal,
hem hunnen steun en bijstand voor de toekomst verzekeren en hem
erkennen. En in zekeren zin zal wellicht later hunne aanwezigheid
op dit feest hem van grooten dienst kunnen zijn. In eene stad waar
geen betrouwbaar register van den burgerlijken stand is, en ieder
kwaadwillige met eenige kans van slagen zijnen vijand in een proces
wegens onrechtmatige uitoefening der burgerrechten kan aanklagen,
redt wellicht den bedreigde de verklaring van neven of nichten dat
zij indertijd zijne Amphidromiën hebben meegevierd.
Nu is hij dan werkelijk zijn vaders zoon. Maar hoe zal hij heeten? Dit
wordt spoedig beslist; in ieder geval vóór of op den tienden
dag. Natuurlijk kan men Amphidromiën en naamgeving vereenigen; maar
een ouderwetsch en royaal Athener scheidt de beide dagen en gevoelt
waarschijnlijk op den tweeden dag meer dan op den eersten zijne
rechten als vader. Hem komt het recht toe--al kan hij goedgunstig
zijne vrouw raadplegen!--om zijnen zoon een' naam te geven. Wie
denken mocht dat dit eene zaak van niet zoo heel groot gewicht is,
kent de oude Grieken weinig. Het is niet uitsluitend familietrots
of liefde tot de eigene ouders, die daarin beslist. Wel is waar
heerschen ook hier gaandeweg gewoonte en traditie, die grootvaders
naam op de kleinkinderen doen overgaan. Ook een Grieksch vader heeft
dus de ontroering gekend, waarmede een onzer aan zijn hulpeloos klein
kind den naam toevertrouwt, die hem als zijns eigenen vaders naam
heilig is en dierbaar. Maar de oudste Grieken--en daarvan is altijd
iets gebleven--hechtten ook aan den naam om de beteekenis zelve. Hoe
zou een volk, dat in de namen zijner goden zulk eene diepte van
zin, van geloof, hoop en vrees legde, niet tot in het angstvallige
zorgvuldig zijn geweest in het benoemen zijner kinderen! In den
ouden tijd althans leidt hen daarbij de overtuiging dat in den naam
zelf eene kracht ligt, een magisch vermogen tot afweer van het kwade,
eene stellige belofte van zegen van de zijde der godheid wier naam in
den kindernaam wordt gevlochten. En ook als die voorstelling verzwakt,
blijft in den naam een erfelijk geschenk van den grootvader, den vorst,
den verwant, den vriend of beschermer, eens door dien zelfden naam
gesierd of gewapend. Zoo tint soms de naam een geheel geslacht, ook,
en niet het minst, in de gewijzigde opvatting zijner beteekenis en
macht. Namen, uitgaande op hippos (paard) oudtijds gekozen met stille,
half verheffende, half beangstigende herinnering aan de rossen van den
Doodsgod, Hades, soms ook met trots gedragen, omdat zij de herkomst
van het vorstelijke geslacht uit Pluto zelf verkondigden, wisselen van
kleur, als reeksen van riddergeslachten daarmee de toespeling op den
rijkdom hunner stoeterijen verbinden. Zoo ook namen als Pheidon, die
oudtijds in volleren vorm den vorst roemden die zijne kracht spaart
(Pheidocrates) of die zijn volk ontziet (Pheidileos), maar straks
in den boerenstand overgenomen de deugd der spaarzaamheid roemen,
welke de zoon eens zuinigen boers reeds door den naam alleen hoopt
op zijn kind over te brengen. En vaak tracht men den stamvorm van
een naam van vader op kind te bewaren: Sophilos noemt zijnen zoon
weer Sophocles. Zoo blijft de belofte der wijsheid (sophia) verzekerd.
Natuurlijk is ook in deze zaak allerlei onregelmatige willekeur. De
boer Strepsiades, in Aristophanes' Wolken had gaarne zijn zoontje
Pheidon genoemd of Pheidonides. Maar zijn vrouw, die eene voorname
dame is, dweept met een' naam waarin Hippos voorkomt, en zoo komt
het door transactie tot Pheidippides. Het feit dat dit een werkelijk
bestaande naam is zou, als wij het toch niet reeds van elders wisten,
al genoeg zijn om te bewijzen dat zulk eene samenvoeging van namen
uit twee families verre van zeldzaam was. Bovendien, ook afslijting en
sleur doen hier hun werk. Hoe zou anders zoo menigmaal een ongunstige
naam een' wijs en edel man hebben aangeduid! Aeschylus' naam is niets
anders dan een smalend verkleinwoord om een "leelijk mannetje" aan te
duiden, en zeer respectabele Grieken hebben een gelukkig leven geleid
onder namen als "de Roode", "Krombeen", de "Schele" enz. Ook heeft
plebeïsch welbehagen aan plastische, duidelijk stempelende namen in
menige familie waarschijnlijk door bijnamen de oude waardiger namen
verdreven. Er behoeft maar eens een vader te zijn die plaagziek aan
zijn kleinen jongen met den mopneus den naam Simos geeft of voor
een reeks van geslachten is die naam regel geworden: eerst Simos,
dan Simon, dan Simias of Simonides, straks Simylos: zooals grootvader
heet mag immers de kleinzoon ook heeten.
En zoo zal het in Athene's bloeitijd wel niet veel zijn gebeurd dat
met dezelfde onafhankelijkheid voor de verlangens van grootouders die
sommigen onzer beweegt hun kinderen Roderich of Isolde te noemen in
plaats van Jan naar den grootvader of Keetje naar de grootmoeder, een
Atheensch burger plotseling besloot zijn kind nu maar eens Diphilos
of Apollophanes te noemen en niet Simon of Mikkylos naar zijnen
grootvader. En zoo iets is voor den knaap volstrekt niet hinderlijk;
maar wel valt het te betwijfelen of Cimon, de zoon van Miltiades,
een heel grooten dienst aan zijn eigen zoon bewees toen hij hem,
als een hulde aan het bevriende Sparta, den naam van Lakedaimonios
gaf. Na Cimons dood, toen de betrekkingen tusschen Athene en Sparta
gaandeweg uiterst koel werden, zal de jonge man heel wat last van
zijn naam gehad hebben.--Dan is het beter een trouwen vriend of een
gestorven broeder te eeren door diens naam aan den jongen te geven.
De naamgevingsdag is een plechtige dag, dien men met een offer siert;
maar de jonge zoon moet ook erkend zijn als jong Athener. Ras breidt
zich, na het feest van den tienden dag, om den knaap de kring uit
die hem vereenigt met hen die van éénen stam met hem zijn. Hier
is een duidelijk verschil merkbaar tusschen onzen modernen staat
en den antieken. Oneindig gebrekkiger in hare organisatie dan
onze hedendaagsche gemeente, is toch de oude polis hechter door
de zorgvuldige wijze waarop zich hare concentrische cirkels ineen
voegen. De familie in het geslacht, het geslacht in de phratria. Het is
niet genoeg dus, dat naast den vader ook de ooms het knaapje gezien
en dus erkend hebben, ook het geslacht--zoo hij van adel is--en
de phratria moeten hem erkennen, of althans door zijne presentatie
aanzegging krijgen van het feit dat hij er is.
Met een enkel woord dient hier de beteekenis dier phratriën voor het
burgerschap van den jongen Athener in het licht te worden gesteld. De
phratriën zijn oude, op de vroegste stamindeelingen berustende
groepen van geslachten. Zij bewaren de traditie der samenvoeging van
den Atheenschen staat uit familiën, en ook later toen de onderlinge
verwantschap der phrateres door bloedsbetrekking reeds lang niet meer
naspeurlijk was, bleven de genooten van een en dezelfde phratria zich
beschouwen als allen te zamen afstammende van eenen stam-vader. Drie
phratriën te zamen vormden eene oude phyle (stam), vier phylen te zamen
waren het die het gansche echt-Atheensche volk in zijnen oudsten vorm
uitmaakten. Die traditie en die volksindeeling bleven zich in alles
wat met familierecht samenhing handhaven, ook toen in het laatst
der zesde eeuw eene geheel nieuwe politieke regeling het adellijke
en niet adellijke Athene op meer democratischen grondslag verdeelde,
geordend naar districten. Bij alle verklaring van antieke toestanden
is in het gebruik van moderne termen een zeker gevaar; maar denkt
men alle vrijheid van keuze, elk richtingsverschil in godsdienstzaken
dat onze kerkelijke gemeente kenmerkt weg, en legt men niet in alle
bijzonderheden nadruk op het religieuze element, dan zou men de
phratriën zeer wel met onze gemeenten kunnen vergelijken. Want de
phratrië heeft haren eeredienst van Zeus Herkeios en Apollo Patroïos,
zij heeft hare geregelde offerfeesten, heiligdommen en bezittingen
en ook hare vaste bijeenkomsten. Zonder eigenlijk politiek karakter
te bezitten vormt zij den band tusschen familiën en staat en sluit de
kleinere groepen der burgerij te zamen in kringen die eene zekere mate
van onderlinge belangstelling en onderlinge bekendheid waarborgen. Wie
trouwt, stelt onder feestelijke gebruiken zijne phrateres daarvan in
kennis, wie een zoon heeft gekregen doet evenzoo, terwijl hij later
die kennisgeving door een plechtig offer op den gemeentedag bevestigt
en eindelijk, als de zoon meerderjarig wordt, hem op solemneele wijze
bij de phratria zal inleiden, hetgeen eene eerste schrede zal zijn
voor de vervulling van de wettelijke formaliteiten die hem dan het
volkomen onbeperkte burgerrecht zullen verzekeren als lid van den
Atheenschen Staat.
Want vooreerst is de kleine jongen nog niet anders dan een
candidaat-lid, een ridder-expectant. Na de eerste voorloopige
kennisgeving in de phratria neemt noch deze noch ook de staat,
bij wien--in tegenstelling met het vaste gebruik in onze moderne
maatschappij--geenerlei aangifte van zijne geboorte is geschied,
veel notitie van hem. Zijn vaderland, zijn staat, is de kinderkamer,
dus in de meeste gevallen het vrouwenvertrek. Daar heerscht zijne
moeder als koningin, krachtig bijgestaan en ook wel eens overheerscht
door het ministerie van de slavin die eerst zijne min is geweest en
straks zijne kindermeid zal worden.
Na hetgeen hierboven reeds met een enkel woord is gezegd over de
afgesloten levenswijze der Grieksche, en bepaaldelijk der Atheensche
vrouwen, zal het niemand verwonderen dat op dat "koningschap der moeder
in het vrouwenvertrek" nog al eens iets is afgedongen. De vraag,
hoe eigenlijk de positie der getrouwde vrouw te Athene moet worden
beschouwd is te veel omvattend om die hier in hare geheele beteekenis
te behandelen. Zooveel echter als noodig is om ons eene voorstelling
er van te maken, wat eene moeder uit den beschaafden stand voor hare
kinderen kon zijn, mag hier wel in het midden worden gebracht.
Erkend moet worden dat de Staat als zoodanig te Athene ten opzichte
van de vrouw, met uitzondering van een zekere bescherming harer zeer
beperkte finantieele rechten, vrij wel alles verzuimd heeft, wat te
verzuimen viel. Voor een ietwat heftig feminist van onzen tijd is
er aanleiding uit zijne lectuur deze conclusie te trekken: "In de
beschaafdste stad van het antieke Griekenland laat de welgestelde
burger met goedvinden van overheid en medeburgers de moeder zijner
wettige kinderen een slavenleven leiden."
Die conclusie schijnt mij onjuist, maar zij laat zich begrijpen. Want
vooreerst is in politieke niet slechts, doch ook in juridische
zaken de positie der Atheensche huismoeder en vrouw die van wèl
omschrevene onmondigheid. De vrouw kan in een proces niet als getuige
worden gehoord, zij is niet bevoegd te beschikken over iets dat meer
waard is dan één schepel graan; en het is dan ook een van de eerste
répresaille-maatregelen die de vrouwen in Aristophanes' bekende comedie
"het Vrouwenparlement" tegen hare mannen nemen, dat zij deze laatste
wetsbepaling op de onttroonde heeren toepasselijk verklaren. Voorts
staat, omdat de vrouwengeest te zwak is tot zelfbestuur, de vrouw
levenslang onder voogdij: eerst van haar vader, dan, als deze sterft,
van haar naasten bloedverwant. Haar voogd is haar oom, haar broer,
haar neef; als ze trouwt, haar man, als zij weduwe is, haar zoon. Zij
stemt niet, zij legateert niet, ja zij erft niet anders dan om als
erfdochter het bevel te volgen van den naast-berechtigden bloedverwant,
zoo die haar huwen wil om of de eigendommen te winnen vastgehecht aan
haar persoon, of die over te brengen op de wettige zonen die uit dit
huwelijk zullen worden geboren.
De lijst dezer onbevoegdheden behoeft niet te worden uitgebreid. Zij
zijn alle uitvloeisels van eene in recht, staatkunde en oeconomische
verhouding streng gehandhaafde overtuiging: dat de man de volle en
onverdeelde heerschappij behoort te voeren, dat hij--zooals Plutarchus
het niet zonder zelfbehagen uitdrukt--"moet heerschen over de vrouw
gelijk de ziel heerscht over het lichaam."
Toch mogen wij bij den indruk van volstrekte inferioriteit der vrouw,
dien ons deze en dergelijke feiten geven, niet blijven staan, al
erkennen wij ook dat bij zulk eene verhouding, die de vrouw--ook
door hare onvoldoende opvoeding--in zooveel opzichten maakt tot
de mindere van haren echtgenoot, en haar zoo weinig in staat stelt
zijne ernstigste gedachten te verstaan, bezwaarlijk in het Atheensche
gezin die geest kan hebben geleefd, die wij in ons familieleven een
opvoedingselement van de hoogste waarde achten: onderlinge liefdevolle
toewijding, gegrondvest op volkomen sympathie in het hoogste. Maar
twee zaken mogen wij niet uit het oog verliezen. Vooreerst deze, dat
daargelaten alle politieke en sociale rechten, en daargelaten alle
theoretische bespiegeling de natuurlijke orde van zaken aan iedere
huisvrouw op haar eigen gebied, en dat is niet eng, toch steeds
eene macht verzekert, die de alleenheerschappij nabij komt. Tot
op zekere hoogte zal ook wel bij de Atheners de suprematie van den
Heer en Meester alleen in theorie hebben bestaan. In menig Atheensch
huisgezin zal wel gegolden hebben hetgeen eens Diophantus, de zoon van
Themistocles, aangaande zijne ouders getuigde: "Wat mij behaagt--zoo
verklaarde deze als jongen--dat accepteeren Athene's burgers in
hun volksvergadering. Want al wat ik wil, wil mijne moeder ook,
en wat mijne moeder wil dat wil mijn vader, en wat mijn vader wil,
dat willen alle Atheners".
"Maar--zal men zeggen--deze soort van heerschappij is niet anders
dan de tyrannie van een zorgzame huishoudster of eene talentvolle
keukenmeid; en Aristophanes' comedies doen ons de Atheensche
huisvrouwen niet veel anders zien, dan als huishoudsters en wel als
zulke, voor wie hare mannen--heerschers in de volksvergadering--een
heilzame vrees koesteren."
Ongetwijfeld, en nog erger! Maar de gechargeerde figuren van
Aristophanes' blijspelen, opzettelijk grof geteekende karikaturen
van vrouwen uit den kleinen burgerstand, behoeven de modellen niet
te zijn naar welke wij de moeders teekenen, die de eerste jeugd
van onze Atheensche knaapjes zullen hebben te leiden. Krachtig
waarschuwt ons tegen eenzijdigheid van voorstelling in dezen het
Attische drama. Indien waarlijk èn de positie der Atheensche vrouwen
zoo inférieur, èn hare zedelijke ontwikkeling zoo laag bij den grond
ware geweest als het uit Aristophanes' comedies zou kunnen schijnen,
nooit hadden de Atheners de fiere figuur eener Antigone, eener Electra,
de edele zelfopoffering eener Iphigenia, de trouwe liefde eener
Alcestis kunnen waardeeren. Het allerminst zeker deze laatste. De
samenleving van man en vrouw kan niet zoo uiterst elementair zijn
geweest, noch de gemoedsontwikkeling der laatste zoo heel gebrekkig
in eene wereld die de geboorte kon geven aan dit merkwaardige drama,
aan deze treffende vrouwenfiguur.
Alcestis den dood aanvaardende om haren echtgenoot te redden,
en toch zich ten volle bewust, hoe weinig de egoïst voor wien zij
het leven laat, eigenlijk zulk een offer waard is: ongetwijfeld,
ook de dichter heeft haar zoo gezien, en zijne toeschouwers hebben
haar zoo begrepen. Voor hen sprak Euripides geen onverstaanbare taal
toen hij dìt zeide: "Geen lavender troost is er in ramp en ziekte dan
het bijzijn eener vrouw. Zij verzacht de heftigheid van onzen toorn,
zij doet onze ziel opstaan uit de moedeloosheid".
De vraag, hoe dan de Atheensche moeders, zeggen wij de moeder van
Sophocles, of die van Plato, ongeveer kunnen zijn geweest, is zoo
belangrijk, dat naast deze onmiskenbaar uit het leven gegrepen
woorden van Euripides moet worden gesteld wat Xenophon--zeker, zoo
al een romanticus toch geen poëtisch dweper--in twee tafereelen
ter kenschetsing van zijne wenschen heeft geteekend. Xenophon,
een moralist, die voor de diepere wijsgeerige vraagstukken, in den
kring der Socratische school onderzocht, niet philosofisch genoeg
van aanleg was, heeft juist hierom een eigenaardige persoonlijke
beteekenis. Hij inventeert minder dan hij refereert. Hij geeft ons dus
door zijne schetsen een tamelijk betrouwbaar, en door de bevallige
gemakkelijkheid van zijn zuiveren stijl ook meestal een onopgesmukt
verslag van wat men in die Socratische kringen aangaande ethische
vraagpunten van den dag, en met name dan ook aangaande de beteekenis
en de waarde van het vrouwenleven ongeveer placht te overleggen.
Novellistisch heeft hij dat gedaan in de geschiedenis van Panthea,
eene episode in de Cyropaedie ingelascht, ten deele wel is waar om
ook door dit voorbeeld het ideaal van manlijke zelfbeheersching
en eerbiedige kuischheid in de persoon van den grooten Cyrus te
teekenen, ten deele voorts om door eene schertsende verdichting de
theoretici te bespotten, die beweerden dat men de liefde--als een'
teug wijn--naar willekeur kon aanvaarden of afwijzen; maar in hoofdzaak
toch belangrijk om de zeer treffende figuur van Panthea zelve. Wanneer
Cyrus de jonge vrouw, in afwezigheid van haren man buitgemaakt en
aan hem ten geschenke aangeboden, toevertrouwt aan Araspes, een' man
die zich zelven vrij en tegenover erotische aandoeningen gepantserd
acht dan geschiedt natuurlijk het onvermijdelijke; maar niet dit is
het opmerkelijke, belangrijk is dat het op, naar men meenen zou, zoo
weinig Grieksche wijze geschiedt. Natuurlijk: Araspes wordt verliefd;
maar Xenophon heeft al het mogelijke gedaan om aan die verliefdheid den
zinlijken grondslag te ontnemen. Hare schoonheid wekt niet dadelijk
zijn onstuimig begeeren. Eerst nadat hij dagen lang haar in de
lieftalligheid van haren stillen arbeid heeft waargenomen, die aan 't
geheele voorkomen van zijne tent zulk een geheel nieuwen gemoedelijken
glans verleent, eerst wanneer hij haren edelen aard heeft leeren
kennen die zich in de vindingrijkheid van honderd kleine zorgen voor
zijn gemak en voor zijn welvaren openbaart, wordt hem de hartstocht te
sterk en moet Panthea--tot zijne bittere beschaming!--de bescherming
van Cyrus tegen zijn geweld inroepen. Maar wanneer dan Cyrus met den
zachtsten takt den jongen lijder ontheven heeft van de taak die te
zwaar voor hem was gebleken, en het schrandere overleg van Panthea
heeft weten te bewerken dat haar man Abradatas de zijde der vijanden
verlaat om zich vrijwillig onder de vanen van Cyrus te plaatsen,
dan laat de schrijver met een voor die dagen verrassend talent van
romantische verbeelding het volle licht vallen op zijne heldin. Als
Abradatas aan 's konings zijde zal gaan strijden, verrast zij hem met
eene schitterende wapenrusting, heimelijk op zijne maat vervaardigd en
bekostigd uit haar eigen tooi. "Panthea", zegt Abradatas, "hebt gij
daartoe uw kostbaarste sieraden gebruikt?" "Niet mijn kostbaarste",
is haar antwoord, "mijn kostbaarste tooi zijt gij!"--Dan legt zij hem
de wapenrusting om, bij 't vastgespen haar tranen verbergend in een
zachten lach. En zij spoort hem aan tot dapperheid met dezen laatsten
eed: "Zoo waarlijk helpe mij God, Abradatas! liever wil ik onder de
aarde rusten aan uwe zijde, geëerd door den glans van uw moedigen
dood, dan ik zou wenschen met u in leven te blijven, geschandvlekt
door de herinnering aan uwe smadelijke redding!"
Het naspel van deze novelle, Panthea's stille zorg voor den
gesneuvelde, en hare voorbereiding tot den zelfmoord die haar met
hem zal vereenigen, moeten wij hier voorbij gaan. Het is genoeg,
even op de figuur dezer Panthea te wijzen, om de vraag te stellen en
daardoor tevens te beantwoorden: Zou Xenophon zóó eenvoudig en met zoo
volstrekte onthouding van alle effectbejag deze schets hebben kunnen
schrijven, indien hij niet ook in zijne eigene omgeving had gezien,
hoezeer ook bij geringe opvoeding het vrouwelijk gemoed door teeren
takt mannenverstand evenaart? De wonderlijke bekoring die uitgaat
van Panthea's woorden, zoo ongezocht vrouwelijk en zoo verrassend
in hunne kortheid, moet Xenophon toch wel elders dan in zijn eigen
verbeelding alleen hebben vernomen!
Maar de romantische schets van Panthea is op eigenaardige wijze door
Xenophon aangevuld door eene minder idealistische teekening. In een
van zijne kleine economische vertoogen laat hij zekeren Ischomachus
verhalen hoe hij zijne vrouw heeft opgevoed tot eene plaats, harer
waardig. "Zie--zegt Ischomachus--toen ik haar kreeg was ze nog geen
zestien jaar en had ze niets geleerd dan dit: zoo weinig mogelijk
te zien, te hooren en te vragen. En toen ik dus zeide dat ik haar
beter wilde onderrichten, had ik groote moeite om hare schuwheid te
overwinnen en haar te overtuigen, dat wij niet waren te zamen gebracht
door eenig toeval of eenige berekening, maar door mijne overtuiging
dat wij juist bijzonder voor elkaar geschikt waren en daarom het
best in staat zouden zijn samen te werken aan de welvaart van ons
huis, en straks van ons gezin.--Maar mijn jonge vrouw antwoordde
mij hoofdschuddend: ""Wat kan ik aan dit alles doen? Zedig en kuisch
zijn--ziedaar alles wat ik heb geleerd.""--Er was voor Ischomachus heel
wat takt noodig om in deze al te bescheidene dochter van Atheensche
ouders het geloof in de kracht der vrouw wakker te maken, en Xenophon
heeft van de daarbij gevolgde methode eene beschrijving gegeven,
die aan de fijne omzichtigheid van een' hedendaagsch romancier doet
denken. Kenmerkend echter voor het vraagstuk dat aanleiding geeft,
juist hier van Panthea en van Ischomachus' echtgenoote melding te
maken, is vooral het einde van het aangehaalde gesprek. "Voor ons
beiden", zegt Ischomachus, "heeft God eene schoone taak bestemd:
voor mij den krijg met zijne koude en zijne ontbering, het stadsleven
met zijne zorgen; want dat zijn de dingen die de geest van den man
begeert en die zijn lichaam verduurt. Maar aan u, vrouwen, gaf hij
het teedere geduld en de vindingrijke liefde, die voor de opvoeding
onzer jonge kinderen noodig zijn."
Reeds een menschenleeftijd vóór Xenophon had Euripides in verschillende
zijner tragediën juist ditzelfde vraagstuk aan de orde gesteld, en
niet slechts het verschil tusschen moederzorg en vaderliefde treffend
geteekend, doch vooral, zooals in zijne Medea, op de gevaren gewezen,
uit een door gebrek aan opvoeding en gelijkstelling stelsellooze
ontwikkeling van de vrouwelijke geestesgaven te verwachten. Zonder
twijfel was dus in de periode van snelle oeconomische ontwikkeling
en verandering, die met den Peloponnesischen oorlog parallel gaat,
ook ten opzichte van de positie der vrouw eene zekere evolutie
van inzichten aan het werk, en zoo ontleenen wij met recht aan de
schets die Xenophon hier geeft van een--zij het dan ook door hem
verdicht--huisgezin uit den eenvoudigen stand eenig vertrouwen in de
bekwaamheid en bevoegdheid der Atheensche moeders; welsprekender dan te
voren worden ons dan de fijn geteekende tafreelen op sommige Attische
vazen, waar wij naast eene zoogende moeder een ernstig schoon man
zien staan, leunend op zijn staf in die houding van waardige gratie,
die de vazenschilders zoo gaarne aan de basreliefs van het Parthenon
ontleenen. En opmerkzamer geworden, zien wij dan op den achtergrond
van menigen Platonischen dialoog en van menige oratie der Attische
redenaars het tafreel van een rustig binnenvertrek met eene geliefde
en geëerde huismoeder opkomen, al vergeten wij ook niet, dat er nog
eeuwen zullen verloopen vóór Plutarchus zal getuigen: "Dit is het
schoonste huwelijk, waarin de man het verstaat de onderwijzer zijner
vrouw te zijn in het edelste en schoonste wat hij zelf heeft geleerd."
Het heeft er allen schijn van, dat wij ter wille van de Atheensche
moeders de zoontjes vergeten en het bekende woord van Pericles
verwaarloozen, die zeide, dat "de roem eener brave vrouw hierin is
gelegen, dat zij zoo weinig mogelijk van zich doet spreken." De
uitvoerige toelichting van de wijze op welke door de dichters en
philosofen over de rechten en eigenschappen der getrouwde vrouw
wordt gesproken, was echter gewenscht om te voorkomen dat wij
hare rol als moeder al te veel van die onzer moeders verschillend
denken. Wederom: tusschen de kleine burgervrouwen uit Aristophanes'
comedies, rondsollend met hare zuigelingen overal waar ze maar eenige
aanleiding vinden om ongestraft buitenshuis te komen, en de moeder
van Nicias of van Pericles moeten wij onderscheid maken, maar toch
zijn zeker in de eerste levensjaren de ervaringen van beider soort
kinderen wel ongeveer gelijk geweest. Veel kunnen we als van zelf
sprekend voorbijgaan; het is langdradig werk den kleinen knaap van
dag tot dag te volgen. Een Atheensch jongetje heeft niet anders de
kunst van het loopen en van allerlei andere òf behoorlijke òf nuttige
zaken geleerd dan een jonge Hollander. De Grieksche moeders zijn
het evengoed als de moderne oneens geweest over de vraag, of men de
kinderen stijf of los moet inspelden; met dat vraagstuk van hygiëne
bemoeit zich zelfs de philosofie. Ook bewoog de twijfel omtrent
het juiste oogenblik om met vast voedsel te beginnen de antieke
moederwereld ernstig genoeg, al hadden zij practisch minder met de
vraag uit te staan, omdat, ondanks het protest van vele theoretici
over de opvoeding, de Atheensche dames, veel meer dan in onze wereld
pleegt te gebeuren, eene min in dienst namen. En er zijn daar zeker,
zoo goed als te Amsterdam of te Brussel, vaders die, omdat de moeder
niet veel naar 't kind omkijkt, de taak van de "droge min" moeten
vervullen. Strepsiades, de boer bij Aristophanes, de man die met een
dame boven zijn stand is getrouwd, kan getuigen hoe trouw hij met de
melkkroes kwam aanloopen als zijn jongen "bru" riep, dat blijkbaar bij
onderlinge overeenkomst tusschen vader en zoon drinken beteekende. Maar
in geregelde burgerhuishoudingen heeft men een slavin als min en òf
dezelfde òf eene andere als kindermeid. Daardoor blijft een groot
deel van de eerste opvoeding feitelijk in handen van slavinnen. De
verhouding, die tusschen deze trophoi en hare voedsterlingen in het
latere leven bleef bestaan, is merkwaardig. Wel idealiseert de Attische
tragedie die relatie, want de trophoi zijn steeds slavinnen en dus
meestentijds de minderen van de Atheensche moeders in beschaving. Maar
zij moeten toch wel iets méér dan onze bakers, iets anders dan onze
bonnes zijn geweest. In de rijke verzameling grafschriften, die ons
in de bloemlezingen der oudheid is bewaard gebleven, zijn enkele van
de innigste en teederste gedichten gewijd aan getrouwe voedsters. Ook
is het niet geheel zonder beteekenis, dat de Grieksche theoretici
de ouders van goeden huize zoo nadrukkelijk vermanen om toch bij de
keuze der trophos niet alleen te letten op eene zuivere uitspraak
van het Grieksch, doch ook hierop, dat de voedster de moeder moge
helpen om aan de kinderen beter voedsel te geven dan te vinden was
in de schadelijke logens van allerlei verdichte sprookjes.
Deze vermaning stelt de trophoi inderdaad min of meer naast de moeder
in het rijk van de kinderkamer. Voor het overige is in vele opzichten
de dampkring van die wereld eeuwenlang dezelfde gebleven: het is--ook
de vazenschilders en de dramatici leeren ons dit--de wereld van de
rammelaars en de kleppers, het is het rijk van de wiegeliedjes, waarin
zich zinledig gerijmel met den naieven weerklank van eeuwenoude mythen
vereenigt tot dat wonderbaar roerend gezang, dat ieder betoovert,
die ooit kind is geweest. In de Atheensche kinderkamer heeft, niet
minder dan bij ons, menig jong oog gestraald bij 't hooren van dat
onveranderlijke "daar was er eens". Door den Atheenschen hof heeft de
fabel haar weg genomen, op de lange reis die van Aesopus naar Phaedrus
en van Phaedrus naar Lafontaine voert. In de Atheensche kinderwereld
heeft het verhaal van den braven Hendrik zijn taak verricht, maar ook
de boeman, en "het paard dat stoute jongens bijt". Menig kinderoog
heeft daar angstig de duisternis ingestaard, wachtend of Gello ook
verschijnen zou, die na den dood harer eigene kinderen rondsluipt om
anderen kinderen het bloed uit te zuigen, of anders de vreeslijke
Lamia, die nooit slaapt, doch als ze moe is hare oogen een poos in
den zak steekt.
Behoudens kleine wijzigingen is deze kinderwereld in hoofdzaak wel
overal aan zich zelve gelijk. Het Atheensche binnenhuis onderscheidt
zich echter zeer bepaald van onze moderne woning door eene vereeniging
van eigenschappen die bij ons zich meer over verschillende standen
verdeelt. Eensdeels is de Grieksche vrouw natuurlijk door het feit, dat
alles of althans een groot deel van de kleeding voor haar en haar gezin
"homespun" is, veel regelmatiger aan den arbeid dan bij ons vrouwen van
den hoogeren stand; ook eischt de keuken met alle bijbehoorende zaken,
vooral de wijnkelder, in haar huis haar voortdurend toezicht. Zoo is
de uitdrukking, dat zij troont in haar vertrek, minder overdrachtelijk
dan het schijnt. Maar naast die arbeidzaamheid, onmisbare eigenschap
in eene maatschappij waar nog zooveel van de eigen zorg der meesteres
afhangt, heeft zij eene geduldige opmerkzaamheid voor haar toilet,
die in de oogen van menige ouderwetsche huismoeder, ook van onze
hoogere standen, zeer afkeurenswaardig zou zijn. Dit brengt nu
eenmaal de naar Oostersche zeden zweemende mode te Athene mede. Zorgen
voor een uitgewerkt kapsel, verzorgen van de huid met verschillende
schoonheidsmiddelen, uitermate vindingrijke attentie in het omleggen
en plooien van haar gewaad, dat zich niet door het maaksel maar bijna
uitsluitend door de kleurenkeus en door de schakeering en drapeering
van dat harer buurvrouw onderscheidt, ziedaar wat hare werkzaamheden
zijn en wat ook haar zoontje, zoolang zij hem nog toestaat zelfs
tot in haar toiletkamer achter haar aan te dribbelen, ijverig zal
kunnen waarnemen. Overigens, al is die vrouwenwoning voor hem in
zijn kinderjaren tot hij naar school gaat zijn vaste verblijf, ook
later zal zij tot op zekere hoogte zijne huiskamer blijven, waar hij
welkom is als hij thuis komt uit school--mits hij niet "overal met
zijne handen aanzit." Zoo gaat het althans Lysis, den levendigen
veertien- of vijftien-jarigen knaap naar wien Plato zijn dialoog
over de vriendschap heeft benoemd. "Als je thuis komt bij je moeder,
Lysis", zoo vraagt Socrates dezen, "dan laat je moeder je toch zeker,
om te maken dat je gelukkig ben, alles doen wat je wil? Als ze aan
't spinnen is of aan 't weven, dan mag je toch zeker met alle genoegen
de spoel of den kam of wat er verder van weefgedoe aanwezig is, in je
handen nemen?" Toen begon Lysis te lachen en hij zeide: "Dat lijkt
er niets naar, Socrates! Moeder verhindert mij dat niet slechts,
maar ik zou klappen krijgen, als ik die dingen aanraakte!" Maar
daarnaast stelt Socrates ons Lysis voor, als zijn vader en moeder
wat te lezen of te schrijven hebben: dan hebben ze hem noodig en ze
roepen hem. Zeker toch ook allicht in moeders kamer?
Deze tafreelen zou men kunnen vermeerderen. Maar daardoor zou hoogstens
worden bevestigd, dat in vele opzichten de wereld, waarin de Atheensche
knaap zijne eerste kinderjaren doorbrengt, van de onze niet veel
verschilt. Wie echter wat verder zoekt, vindt toch nog wel bijzondere
karaktertrekken. Denken wij aan de dagelijksche omgeving in welke deze
jonge Athener de indrukken zijner kinderjaren, beslissend voor zijn
leven, ontvangt, dan treden twee zaken duidelijk op den voorgrond:
èn zijn schoonheidsgevoel èn zijn religieuze vatbaarheid moeten in
dezen kring gemakkelijk zijn ontwikkeld en gevoed. De jongen behoeft
juist niet in een van die kleine paleizen te zijn opgevoed, die bij de
stijgende weelde van de vijfde en vierde eeuw binnen Athene begonnen
te verrijzen; de voorhof waarin hij het eerst heeft leeren loopen,
behoeft geen fontein in het midden, geene kostbare zuilenrijen in den
omtrek te hebben gehad, wat hij daar ziet van dag tot dag heeft zeker
niet nagelaten in de genoemde twee opzichten richting te geven aan
zijn gemoed en verstand: in het huis van zijn vader heerschen vaste
religieuze gewoonten, en daar heerscht Helleensche schoonheidszin.
De oud-grieksche goden vinden welbehagen in den eeredienst, hun
openlijk en van staatswege gebracht in de steeds rijker en kostbaarder
opgebouwde tempels, maar noch zij noch hunne vereerders vergeten het
daarom ooit, dat de eigenlijke plek van intieme aanbidding de huislijke
haard is, waar in geregelden offerdienst het trouw verbond tusschen het
geslacht en zijn beschermheer telkens wordt vernieuwd. Daar moet ook
de kleine Athener het eerst zijne goden leeren kennen. In de spitse
pyramide-vormige zuil of in het vierkante altaar, dat vóór het huis
op straat staat, leert zijne moeder hem alras Apollo te vereeren;
hij behoeft nog niet zoo heel oud te zijn om haar te verstaan, als zij
hem zegt dat Apollo de Afweerder van het booze is, en dat inderdaad,
indien dat altaar van ouden en vreemdsoortigen vorm daar niet stond,
het booze gemakkelijker binnen zou sluipen in huis. Dan zal zij hem
vertellen dat die krachtige god, Zoon van Zeus en blondgelokte trots
van zijne moeder Leto, ook hem beschermen wil, want dat hij zich
gaarne ziet aangeroepen als Voeder der knapen; maar dat hij ook de
Vaderen van zijn geslacht voor rampen heeft bewaard en daarom zijne
hulde zal vragen als hij groot is geworden, als zijnde de God die
Schutsheer is der Geslachten. Naast Apollo Patroïos leert zij hem
dan Zeus Herkeios, den Oppergod des gezins, kennen. Met den kleinen
jongen aan de hand staat zij er bij, wanneer de vader zijn dagelijksch
offer brengt op het altaar van Zeus Herkeios in den hof. Soms ziet hij
er wierook offeren, dan weer worden er vruchten gewijd; een enkelen
keer--maar dat is zeldzaam--is hij er getuige van dat er een dier wordt
geslacht. Hoe nauwkeurig prent hij zich dan, toeziende met het scherpe
waarnemingsvermogen van een kind, de streng in acht genomen ritueele
bijzonderheden van het brandoffer in het geheugen, hoe aandachtig
volgt hij den kok of zijnen vader in al hunne bewegingen. Zou hij
zich ook al in zijne naieveteit een beetje verbaasd hebben, dat
het beste den God onthouden wordt, en dat de groote Zeus zich laat
tevredenstellen met die gedeelten van het geslachte dier, die hem
zelf het minst begeerlijk schijnen: de schenkelbotten en wat vet?
Dat Prometheus het eerst de menschen heeft geleerd, aldus de goden
met een schijnportie tevreden te stellen, zal zijne moeder, al kent
zij de sage uit Hesiodus, hem waarschijnlijk vooreerst nog wel niet
vertellen. Maar overigens, als hij zijne oogen openhoudt en zijn
mond tot vragen bereid heeft, is het ongelooflijk hoe snel hij de
mythologie van zijn volk, die in de kunst en het maatschappelijk
leven van Hellas alle lagen van cultuur geheel doortrekt, kan
leeren verstaan. Onze verbeelding gaat te ver, wanneer we ons den
kleinen knaap voorstellen "aan moeders schoot luisterend naar de
gewijde geschiedenis"; minder nog is hier sprake van een soort van
catechetisch onderricht in bepaalde hetzij confessioneele hetzij
moderne richting; over een dergelijk onderwijs spreekt nooit een
van al die oude dichters, die in zoo treffende verzen den teederen
omgang der Grieksche moeders met hare kinderen gedenken. Maar Plato's
uitvoerige polemiek tegen het "poëtisch onderwijs" der kinderen toont
wel duidelijk, dat men daarin vrij ver placht te gaan. In een toon
van groote verbittering richt Plato zich tegen dat onderricht in de
kinderkamer. Hij erkent, dat het kinderlijk verstand, daar het immers
den stevigen kost der verstandelijke waarheid nog niet kan verdragen,
het licht verteerbare voedsel der verdichting noodig heeft. Maar dat
hiertoe de mythologie zooals de vaderen die hebben overgeleverd--eene
aaneenschakeling van verhalen vol logen en bedrog, vol echtbreuk,
doodslag en verraad--wordt gebruikt, dàt noemt hij verderflijk.
De nadrukkelijke wijze waarop Plato dezen strijd bij herhaling heeft
gevoerd, sluit allen twijfel aan zijne gegrondheid uit. Inderdaad,
ook wat in de fabelleer aanstootelijk was naar Plato's meening en
naar de onze, moet zoo'n kleine Athener al zeer vlug hebben leeren
kennen. De handspiegels in de zoo gaarne bezochte toiletkamer
van zijne moeder moeten hem van Aphrodite's hartsgeheimen, van de
geschiedenissen van Danaë en van Leda naar onzen smaak spoedig meer
dan genoeg hebben verteld. Men zou kunnen opmerken dat ook onze
kinderen jaren lang de Venus van Milo kunnen voorbijgaan zonder
te bemerken dat zij meer dan half naakt is. Maar het is hier de
menigte der voorstellingen die aandacht trekt! Telkens weer krijgt
hij een schotel, een kan, een drinkbeker of schaal in handen, die
hem met onomwonden duidelijkheid eene bladzijde uit de chronique
scandaleuse der Olympiërs verklaart! Zouden alle Atheners zoo wijs
zijn geweest dat ze--voor zich zelven en hunne eigene zedelijkheid
blijkens den overstelpenden overvloed van lichtzinnige voorstellingen
onbedacht--zorgvuldig uit de handen hunner kinderen hebben gehouden wat
de "zinnelijkheid der jeugd" kon prikkelen? Het valt te betwijfelen;
maar wie hierin--terecht--eene schaduwzijde van den mythologischen
kunstzin der Grieken ziet, die vergete toch niet, ook op de lichtzijde
te letten. Bij het dagelijks opmerkzaam bezien van al die beelden,
die voor hem staan als in een opengeslagen prentenboek van de hoogste
waarde, leert het oog van den kleinen medeburger van Phidias zich
gewennen aan de schoonheid die eene der levensvoorwaarden is van
het Atheensche volk: de sierlijke lijnen van het vrouwengewaad, in
steeds afwisselende bevalligheid gedrapeerd om de statige gestalte
van Demeter, den vluggen chiton golvend langs de slanke schouders
van Artemis, de door zoo eenvoudige middelen verkregen gratie,
de voorname, in majesteit getemperde handbewegingen der godinnen,
de edele wilskracht van een rustenden Zeus, de boeiende houding van
den citherspelenden Apollo, de lieftalligheid der zingende muzen,
kortom iedere actie van het leven, opgeheven tot eene daad van
Olympische schoonheid, iedere lijn van het menschelijk lichaam
gegrepen in de vlucht der bekoorlijkste beweging. Op de zalfdoos
zijner moeder herhaalt zich, als eene verheerlijking van die zorgen
waarvan hij, toen hij nog héél klein was, vaak getuige mocht zijn,
het toilet van Aphrodite, in de offerscènes op de drinkkannen en
schalen herkent hij in schoonen vorm de gestalte van zijnen in vroom
dankgebed plengenden vader, en gelijk zijne ouders waken dat slechts
zuiver Attische klanken zijn oor naderen, daar zij weten dat "leert
kreupelgaan al wie in 't huis van een manke woont", zoo heeft ook
hun schoonheidszin zorg gedragen dat zooveel mogelijk slechts het
schoone voor zijne oogen komt.
Natuurlijk is het aldus niet altijd en overal. Achteloosheid, gebrek
aan smaak en armoedige slordigheid zullen ook te Athene wel hebben
bestaan. Maar groote overdrijving ligt er toch niet in de hierboven
gegeven voorstelling. De ontzaglijke menigte scherven van voorwerpen
voor dagelijksch gebruik, ook de fragmenten van bronzen en koperen
huisraad, in de laatste halve eeuw uit Attica's bodem te voorschijn
gekomen, doen ons steeds levendiger beseffen, dat Pericles geen
woord te veel heeft gezegd toen hij de Atheners roemde, omdat zij "de
schoonheid in eenvoud betrachtten": dit is de groote kracht van dit
volk geweest--en niemand die de Atheensche musea met aandacht heeft
bestudeerd, zal zulks ontkennen--dat het in de kleine voorwerpen des
dagelijkschen levens, in die dingen die ook voor kleine beurzen te
bereiken waren, is bezield geworden door denzelfden kunstzin die hun
zekere gids was bij de groote scheppingen der Attische kunst.
Het kinderleven, hierboven in vluchtige trekken geschetst, was
inderdaad in hoofdzaak een leven "onder moeders vleugelen". Natuurlijk
bleef in de werkelijkheid de vader niet zoo op den achtergrond als
uit onze schets zou kunnen worden opgemaakt. Maar indien wij naar
hetgeen wij door de oude schrijvers van hem weten zijn verschijnen in
de kinderkamer zouden moeten teekenen--en alleen daarnaar--dan zou de
schilderij door theorie grauwer worden dan goed of juist is. We weten
natuurlijk uit de dichters (als men ook daarvoor bewijzen verlangt)
dat de Atheensche vaders hun jongens lief hadden. Lezen wij de
Grieksche wijsgeeren er op na, dan moest die liefde zijn eene "liefde
met verstand"; dan zijn de vaders het eens geweest met Isocrates,
dat van de opvoeding de vrucht zoet is, maar de wortel bitter, en
vinden zij dat de jongen zulks niet te vroeg merken kan. Zij komen
gaarne controleeren of de jongen al geleerd heeft pijn te verdragen,
of de eerbied, die het beginsel der wijsheid is, al goed bij hem
begint wortel te schieten, en overtuigd dat nooit zal kunnen bevelen
wie niet heeft geleerd te gehoorzamen, onderzoeken zij streng hoe
het met de gehoorzaamheid staat.
Zou de figuur van dezen vader wel geheel in de Grieksche kinderkamer
passen? Zij is samengevoegd uit de dogmatische uitspraken en door
verscheidene nieuwe beschrijvers van de Atheensche educatie met zorg
en nauwkeuriger dan hier geschied is, nageteekend. Maar ongetwijfeld
is zij te somber. Gestrengheid doet--althans later--in het leven van
dezen Atheenschen knaap hare rechten wel gelden, doch voorloopig mogen
wij vertrouwen op den indruk dien ons zijn kinderkamer gaf: een indruk
van intiemen eenvoud. Het leven in deze huislijke omgeving schijnt
juist op dien grond zeer geschikt om hem voor te bereiden voor eene
opvoeding, welker hoofddoel is de kalokagathia, d. i. de vatbaarheid
van den geest en het gemoed voor de waardeering van hetgeen schoon is
en goed. Daartoe nu rekenen de Grieksche theoretici over de opvoeding,
naast het onderwijs, zeer bepaald ook het spel.
Zochten wij in onze schets streng de grenslijnen te bewaren die èn
de leeftijden èn de spelen scheidt, dan behoorde in dit hoofdstuk
alleen over de spelen der kinderkamer te worden gesproken. Wij zouden
dan zeer kort kunnen zijn. Want de Grieksche literatuur, die zooveel
grooter aandacht aan de volwassenen dan aan de kinderen wijdt, zwijgt
bijkans aangaande het eerste kinderspel; en waren de vazen er niet,
men zou over de verknochtheid van Atheensche jongens aan een kapot
paardje, en de liefde der meisjes voor een pop zonder beenen, of de
vriendschap die een hondje aan zijnen jongen baas verbindt, alleen
naar analogie kunnen spreken. Of neen, om van de theoretici te zwijgen,
die over het nut van den hoepel en den tol philosofeeren, en terstond
de spelen zóó willen gekozen zien dat men bespeurt waartoe de knaap
aanleg heeft!--geheel gaat de literatuur die spelen niet voorbij. Het
is wederom de praatzieke Strepsiades, die van zijn bedorven jongen
weet te vertellen hoe knap hij was om huisjes van klei en paardjes
van klei te boetseeren. En dezelfde brave vader zegt later vol
verwijt tot zijn zoon: "Toen je nog zóó, zóó klein was, heb ik van
mijn presentiegeld je op de kermis een klein wagentje gekocht". Maar
deze uitspraak staat zoo zeer op zich zelf, dat ze als een unicum
van de eene beschrijving in de andere wordt overgenomen, en er geen
boek over Grieksche antiquiteiten wordt geschreven, of deze woorden
staan er in. Echter de plastische getuigenissen zijn iets minder
schaarsch, en op hunne autoriteit mogen wij dus verzekeren, dat,
zoo goed als onze kleine jongens paardje spelen, kermisje spelen,
begrafenis of kerkje spelen, ook de Atheensche kinderen in hun hof
of daarbuiten het leven der groote menschen hebben nagedaan.
Dat spreekt eigenlijk van zelf, vooral bij de Grieken, die gaarne
spelen en hun kinderen graag zien spelen. Als een jongen zich afzondert
en gaarne de eenzaamheid zoekt, dan schudden ook de Atheensche vaders
het hoofd. Themistocles maakte door zulk een in zich zelven gekeerd,
vroegrijp leven zijnen paedagoog dikwijls genoeg ongerust. Wat
wonder? Het was niet natuurlijk dat een jongen, in plaats van te
kaatsen of te knikkeren, enkele uitverkoren volgelingen in een hoekje
trok en aanklachten of verdedigingsredenen voor dit verbaasde publiek
improviseerde. Zoo iets is ook in Grieksche oogen ongewoon. Naar
Helleensche opvatting staat het spel onder de onmiddellijke bescherming
der Goden; dit bewijst o.a. het volgende korte verhaal van Plutarchus:
"Eens", zoo luidt het ongeveer, "bedreigde eene aardbeving de stad
Sparta. Onbewust van het naderend gevaar zijn de knapen aan het oefenen
in de palaestra, en de ouderen kijken toe bij hun spel. Daar verschijnt
op eens een verdwaalde haas in het perk, en zijne komst is het sein
voor een wedloop. Voort jagen de rappe jongens den zwerver achterna;
het perk door, het perk uit. Maar nauwlijks is met het haasje de
jongenstroep, flikkerend in het licht, uit de palaestra verdwenen,
of de aarde begint grommend te dreunen, de muren waggelen, 't gebouw
stort in; doch de spelende knapen, Gods gunstelingen, zijn gered."
Zoo is er dus alle reden om in onze beschrijving den knaap niet
dadelijk van de kinderkamer naar school te brengen. In het Grieksche
jongensleven--in hoofdzaak een openlucht-leven--wordt minstens
evenveel gespeeld als geleerd. Ook is het spel daar meer algemeen,
minder afgescheiden naar standen geweest, dan in onze steden, althans
nu, het geval is.
In de kinderjaren zal de moeder toch niet altijd angstvallig gewaakt
hebben dat haar zoontje niet met de kinderen der slavinnen, zelfs
niet met die van zijne voedster in aanraking kwam? De verhouding der
Atheners tot hun dienstpersoneel maakt dat onaannemelijk. De slaven
en slavinnen, althans die niet aangekocht doch in huis geboren
zijn, en die door deelname aan het huislijke offer inderdaad tot
het familieverband behooren, staan daartoe met hun heeren in een te
nauwe relatie, en de slavinnen werken dagelijks aan 't spinnewiel of
't weefgetouw met haar meesteres: hoe kon het dan anders dan dat ook
de kinderen samen speelden? Ook wanneer de knapen ouder geworden
zijn teekent zich het standsverschil nog niet dadelijk zoo scherp
af. Natuurlijk heeft de eene jongen fijner chiton en beter gekleurd
himation aan dan de ander; maar tot op een vrij geringen vermogenstrap
blijven al deze kinderen vrije Atheensche burgers, zich aan elkaar
gelijk gevoelend. De grond van die gelijkheid is dat ze meerendeels
vaders hebben die geen handwerk verrichten. De Atheners en in het
algemeen de Grieken zien met eenige geringschatting neer op die
medeburgers, die van het schoenmaken een gebogen rug of van ander
"zittend werk" een enge borst krijgen; een fabriek te hebben--zooals
de vader van Lysias--is al minder erg: dan laat men zijn slaven voor
zich werken. Maar zelf schoenmaker of timmerman te worden, of een
winkel te gaan houden, waar men zelf en niet door slaven nering deed,
dat zou zeker beteekenen een slagboom te leggen tusschen zijn eigene
kinderen en die van anderen.
Het is waarschijnlijk, dat--nog daargelaten het verschil van
"fatsoenlijkheid" ook bij ons nog tusschen het eene handwerk en
het andere, of den eenen winkel en den anderen gevoeld--ook hierin
de Atheners in 't laatst der vijfde eeuw niet allen meer gelijk
dachten. Herodotus zegt, als hij meedeelt dat ook de Aegyptenaars
de krijgerskaste zooveel hooger stellen dan de handwerkers-kaste,
dat wellicht de Grieken ook dit inzicht van de Aegyptenaren hebben
overgenomen. Blijkbaar vindt hij dus de opvatting zelve niet de
natuurlijkste zaak van de wereld; en te Athene zelf moet wel de
democratie wijziging der publieke opinie hebben te weeg gebracht,
toen eenmaal de presentiegelden voor de volksvergadering het aan
alle handwerkslieden en winkeliers mogelijk hadden gemaakt aan 't
geheele staatsbedrijf deel te nemen zonder financieele schade voor hun
eigen bedrijf. In ieder geval maakte het slavenbezit, al hief dit het
standsverschil niet op, het minder noodzakelijk dat de armere jongens
dadelijk voor het ambacht werden opgeleid; en zoo kunnen wij gerust,
zonder aan de historische waarschijnlijkheid te kort te doen, ons de
jongensspeelplaats vrij "gemengd" voorstellen.
Ook in den manlijken leeftijd bleef het spel algemeen. Bewegingsspel
gold ten allen tijde bij de Atheners als een zeer aanbevelenswaardige
uitspanning, op hygiënische gronden niet alleen, maar ook uit moreele
aanleiding. De overtuiging was bij hen levendig, dat een strijdbaar
volk, om weerbaar te blijven, zijne agiliteit, zoo onmisbaar in
de taktiek der oude infanteriegevechten, steeds moet oefenen;
en die oefening werd te Athene vergemakkelijkt door het groote
aantal der van staatswege onderhouden speelplaatsen en openbare
baden. Aristophanes ziet er dan ook Socrates weinig vriendelijk om
aan, dat hij, in plaats van met de jonge Atheners in hun gymnasium
te balslaan, hen op eene bank in de schaduw lokt om met hen--nog
wel te vergeefs--al debatteerend een antwoord te zoeken op de vraag:
wat nu eigenlijk die ingetogenheid is, die geldt als het hoofddoel
van hunne opvoeding. Ja zoozeer denkt zich de Griek het spel zelfs
bij volwassen mannen als zeer begeerlijk deel van eene natuurlijke
levenswijze, dat ook de dichter die zich droomend verdiept in de
geneugten der Elyseesche velden en de vazenschilder, die eerbiedig
de oorden der eeuwige vreugde afbeeldt in zijne kleine tafereelen,
hun schilderij vullen met spelende mannen.
Wat aangaande die spelen verdient te worden verteld, heeft op
de kinderjaren maar weinig betrekking. Wij hebben natuurlijk het
recht, wanneer de schrijvers zwijgen, ook hier aan onze verbeelding
eenigermate vrij spel te laten. De Atheensche knaapjes--ook al zijn het
jonge Heeren--behoeven wij niet zoo angstvallig alsof het meisjes waren
opgesloten te houden binnenshuis. Zij hebben ook wel met jongens "uit
de buurt" gespeeld, koninkje b.v., zooals in het altijd weer boeiend
verhaal van Herodotus de kleine Cyrus als herdersknaap dat deed met
de jongens van zijn dorp. En de kleine jongens, die wij op vazen even
of oneven zien spelen met noten in de hand, of die zich opwinden met
het raadspelletje dat de Italianen Morra noemen, spelen toch zeker
een straatspelletje. Maar speciaal Atheensch is dit alles niet: die
spelen zijn altijd hetzelfde geweest. Wie zoekt naar echt-Grieksche
spelen vindt voorzeker nergens zooveel verscheidenheid als in het
balspel. Den onuitputtelijken rijkdom van bevallige bewegingen aan
het balwerpen en balvangen eigen, hebben de Grieken nooit opgehouden
te bezingen, sinds Homerus de scène schiep die eeuwig zal bekoren:
Nausicaa met hare gespelen aan 't strand van Scheria. Welk een beeld
van levensblijheid rijst voor onze oogen, als we den jongen Sophocles
ons voorstellen, zelf in zijn drama Nausicaa de hoofdrol vervullend
en aan duizenden zijner medeburgers de vaardigheid van zijn spel,
tegelijk met de voorname slankheid van zijn jonge lichaam, openbarend!
In groote afwisseling, van kinderlijk balkaatsen af tot woest foot-ball
toe, leeren nu de Atheensche jongens de verschillende balspelen en zij
blijven die beoefenen hun heele leven door, in lichteren of zwaarderen
vorm naar gelang van leeftijd en lichaamskrachten. De Staat bevordert
en steunt die oefeningen, en zij behooren tot de opvoeding. De
Atheensche gymnastiekscholen of palaestra's hebben vaak afzonderlijke
sphaeristeria (balplaatsen), en zelfs op de tamelijk enge ruimte van
de Acropolis is een afzonderlijke sphaeristra afgemuurd voor de jonge
meisjes van voornamen huize, uitgekozen tot de eervolle functie van
Errhephoren bij de godin Athena. Wat ons uit de beschrijvingen het best
bekend is, ziet meestal op samenspel van jonge mannen of jongelingen
en komt, zooals begrijpelijk is, in vele opzichten overeen met onze
moderne spelen. Van deze balspelen voor een geheel troepje tezamen,
zijn de meest bekende het spel op de krijtstreep en het grijpbal
(phaininda). Het eerste is zeer geschikt om door kinderen te worden
gespeeld en werd--immers het heet ook allegaar--wellicht door jongens
en meisjes te zamen gespeeld; het tweede is een levendig, soms woest,
spel voor groote jongens, of jonge mannen.
Het spel op de krijtstreep heeft in zijn aanleg iets van lawntennis. Op
het speelveld trekt men in 't midden eene krijtstreep en op deze
wordt de bal--een niet te kleine, helder en levendig gekleurde en
met paardehaar gestopte bal--neergelegd. Achter de beide partijen, in
welke zich de medespelers hebben verdeeld, die zich nu aan weerszijden
van de middenstreep scharen, trekt men daarop ter afsluiting van
de beide "kasteelen" twee lijnen parallel met de middenstreep, en
't spel kan beginnen. De voorspeler van de partij die het eerst aan
de beurt is, neemt den bal van de streep en tracht dien zoo over de
hoofden van de tegenspelers heen te werpen dat hij neerkomt aan gene
zijde van de achtergrens, terwijl dezen er op uit zijn den bal op te
vangen, in zijne vaart te stuiten en zoo ver mogelijk op de andere
zijde van de middenstreep tegen den grond te jagen. Wie gaarne bij
de beschrijving van een oud spel denkt aan iets wat hij zelf heeft
medegespeeld noemt hier beurtelings de namen van kastie, kaatsspel,
lawntennis--maar, om achtereenvolgens ieder van die vergelijkingen
weer op te geven. Want een scherp onderscheid tusschen het antieke
spel en de genoemde of soortgelijke nieuwe spelen is gelegen in
den sloteisch: al vangend en werpend de tegenspeler zoowel als den
bal over de achtergrens van de tegenpartij te drijven. Niet alleen
verliest dus die partij één punt, die den bal over haar hoofd laat
vliegen, zoodat hij over de achterlijn neerkomt, doch ook degene die,
om hem te grijpen, achter de grenslijn moet terugwijken. En om hierin
de taak eenigszins gelijkmatig te verdeelen, zal men den bal wel niet
al te licht hebben gemaakt; hoe gemakkelijk zou het anders geweest
zijn om aan de tegenpartij den strijd en de overwinning onmogelijk
te maken door den bal hemelhoog te gooien.
Op allerlei wijze brachten de Grieksche jongens afwisseling in dit
spel. Soms waren ze ieder bij beurten op de rij balwerper, soms lieten
zij het aan het toeval over, wie den bal zou grijpen en daarmee het
noodige doen. Men kon voorts bij 't begin het lot laten beslissen wie
't eerst zou mogen werpen, of ook deze beslissing laten afhangen van
een voorafgaanden wedloop naar de middenstreep. En zoo kunnen we ons
nog vele variaties denken, mits we maar in het oog houden, dat er
onderscheid moet worden gemaakt tusschen het spel van de streep en
het Grijpbal, dat naar den aanvang van een zijner vormen ook wel heet
"Laat den bal eens kijken".
Dit spel zou men, eer dan het vorige, met ons voetbal kunnen
vergelijken, indien het niet wat dwaas was aan het voetbal te
herinneren bij een spel dat geheel met de handen en volstrekt niet
met de voeten werd gespeeld. Dit zeer levendige spel begint aldus,
dat een der spelers (die zonder twijfel bij dit spel ook in twee
partijen waren verdeeld) een schijnworp doet, "den bal laat kijken"
aan een van de tegenpartij, d.i. den schijn aanneemt als of hij
hem aan dezen zal toewerpen en hem dan daarop snel naar een ander
(of misschien ook wel eens juist om de verwarring te vermeerderen
naar dezen) werpt. Het zal na een paar gelukkige herhalingen van deze
inleiding niet lang hebben geduurd, of de bal raakte den grond. En dan
wordt het een jagen en rennen, een stooten en grijpen en ravotten dat
aan het onstuimigste Rugby herinnert. In een fragment van een verloren
blijspel staan eenige regels ter beschrijving van de levendigheid
waarmee dit spel werd gespeeld: "Hij nam den bal--zoo heet het daar
ongeveer--en had er pleizier in, dien aan den een te presenteeren,
doch den ander te ontwijken... één drukt hij weg, een ander beurt hij
overeind. En luid klinken de commando's: "Buiten om; den langen weg;
langs hem heen; over zijn hoofd; beneden langs; naar boven; sla kort
terug; weer op je plaats"".
Deze reeks van bevelen is juist duidelijk genoeg om ons te doen
gevoelen dat we ook van dit spel de finesses niet kennen; doch zooveel
zien we er althans wel uit, dat het niet een taak voor kleine jongens
was worstelend mee te tasten naar den bal, die--zooals een Grieksch
schrijver het uitdrukte--"gelijk een wilde deern huppelt van den
een naar den anderen man, zonder één oogenblik op de zelfde plaats
te blijven". Dit balspel is mannenwerk. Mij dunkt, als Alexander de
Groote in zijn legerkamp den krijgsmantel aflegde en zich liet zalven
om met zijne edelknapen aan 't balslaan te gaan, dan gold het zulk een
"grijpbal".
Maar naast deze forsche oefeningen stonden verscheiden balspelen
die meer vroegen naar bevallige behendigheid dan naar kracht. Van
dien aard waren de spelen door de luchthartige Phaeaken ter eere
van hun gast Odysseus uitgevoerd. Toen vorst Alkinoos aan Halios en
Laodamas opdroeg eene proeve van hunne danskunst te geven--zoo verhaalt
Homerus--"namen zij den schoonen purperen bal, een kunstwerk van den
vaardigen Polybos. Toen wierp de een, den nek achterwaarts buigend,
den bal hoog naar de schauwige wolken, en de ander hoog opspringend
greep dien, aleer nog zijne voeten den grond weer hadden bereikt".
Geen Athener kon deze boeiende beschrijving lezen, geen Atheensche
jongen haar voor het eerst door een ouderen vriend hooren voorlezen,
als op het tafereeltje ons in eene schoone drinkschaal bewaard, of hij
voelde dat hier zijn "luchtbal" (ourania) werd beschreven. Vooral dat
"achterwaarts buigen van den nek" is hem zeer familiaar. Hij heeft dit
spel van zijn eerste jeugd af gespeeld, soms met twee, soms met drie
of meerderen. Maar dit is een van die spelen die tevens leeren zijn,
en nooit hebben zijne leermeesters verzuimd er op te letten dat hij
het hoofd bevallig wenden zou en den hals sierlijk buigen onder het
werpen, dat hij springen zou met slanke gratie en neerkomen licht en
veerkrachtig. Het ouraniaspel kan men op iederen leeftijd spelen,
maar voor de naakte jongenslichamen is het een van de geschiktste
oefeningen in bevallige vlugheid.
Waartoe de reeks uit te putten? Er zijn nog zoovele balspelen die men
noemen kan. Jongens en meisjes--vooral meisjes--kaatsen gaarne met den
bal tegen den grond of ze werpen dien tegen den muur; en zij kunnen dat
zoo noodig in hun eentje doen. Maar Grieksche kinderen vinden ook een
spel eerst echt, als er een element van wedijver in is. En zoo geldt
bij vele dezer spelen: wie 't wint is Koning. En wie 't verliest? Die
is Ezel. Hem mag de koning bevelen wat hij wil; en dìt is zoo goed als
zeker, dat de reeks van bevelen zal eindigen met een lastgeving aan
den Ezel om zijn Koning op den rug te nemen en rond te rijden. Legt
hij daarbij zijnen Ezel de handen op de oogen, dan ontwikkelt zich
daaruit een van de tallooze blindemanspelletjes, die de Atheensche
kinderen kennen. Aan werkelijke blindemanspelletjes zoowel als aan
zulke, waarbij het blinddoeken of oogensluiten alleen tot inleiding
voor een ander spel dient, zijn de Grieken zeer rijk. Kenmerkend
onderscheiden zich die spelen eigenlijk voornamelijk alleen hierdoor,
dat het karakter van openluchtspelen er duidelijker bij op den
voorgrond treedt. Bij het eigenlijke blindemanspelletje "de Vlieg"
(mosca ceca zeggen de Italianen) laat men niet--zooals binnenskamers
bij ons--den geblinddoekte vrij ronddwalen. De Grieksche kinderen
omgeven den blindeman in een kring. Zoodra hij geblinddoekt is, begint
hij te zingen: "ik ga op vliegen jagen" en steekt de handen uit om een
uit den kring te pakken. Maar de anderen zingen terug: "wel jagen;
maar niet vangen", en ze slaan hem--als plagende bromvliegen--met
hunne riempjes, tot hij een van hen grijpt.
Dit is een gewoon blindemanspel, maar de Atheensche kinderen kennen
eene reeks van spelletjes, die met blinddoeken beginnen, doch
waarbij het spel na die inleiding verandert. Grootendeels zijn dit
spelen waarbij het op handigheid van beweging, scherp opletten, vlug
raden aankomt. Maar van de meeste dier spelen zijn ons beschrijvingen
overgebleven zóó duister... alsof een van de Atheensche jongens zelf,
met de bekende ongeschiktheid van kleine spelers om hun spel uit te
leggen, die beschrijving had opgesteld. Die allen te ontwarren, is niet
de taak van deze schets. We noemen er enkele, die van onze moderne
spelen zich min of meer onderscheiden. Merkwaardig is bijvoorbeeld
het spel dat de Grieken "de Pot" noemen. Waarschijnlijk werd dit aldus
gespeeld. Een zit in 't midden: hij heet "de Pot". Snel in een kring
om hem heen rondloopend, trekken de anderen hem aan zijn haar en zijne
kleeren, zij geven hem een tik of knijpen hem, maar zij blijven in
snelle beweging rondgaan, want hij, dien de middenman, ronddraaiend
op zijn plaats als een pot op de schijf van den pottebakker, grijpt,
die moet in diens plaats gaan zitten.
Ook dit spel heeft weer zijne variaties. Soms b. v. is er een
wezenlijke pot in 't spel. De jongen die daarop moet passen houdt den
pot aan den rand vast, terwijl hij daarbij rondloopt. De anderen draven
in een kring om hem heen en geven hem klappen, terwijl zij roepen:
"Wie past op den pot?"--"Ik, Midas", antwoordt hij en tracht wie hem
slaat, met den voet aan te raken; wat natuurlijk niet heel gemakkelijk
is, omdat hij den pot niet mag loslaten.
Dit Potspel zal wel onder de spelen voor kleine jongens behooren. Het
is een vrij kalm vermaak, en vooral Pot of potbeschermer te zijn was
een zoet, wel wat vervelend werkje. Natuurlijk kunnen ook grooteren
het daarom wel gespeeld hebben; want het heeft veel van het door
iederen leeftijd gespeelde kollabisme, een soort van blindeman,
waarbij de jongens den geblinddoekte slaan en hem daarna laten raden
("profeteeren"), wie het is die hem geslagen heeft.
Terloops zij hier opgemerkt dat, juist als in onzen tijd, klappen
geven bij al deze kinderspelen schering en inslag was. Zoo bijv. ook
bij de oud-Grieksche manier van ons "zakdoekje-leggen". Niet alleen
toch moet de jongen die niet heeft bemerkt dat het "eindje touw"
bij hem is neergeworpen, op zijne beurt het touwtje leggen; maar hij
moet eerst den kring rond en krijgt bij die gelegenheid van elk der
spelers een tik. Merkt hij het wel, dan springt hij op en loopt den
legger achterna om dien, zoo hij hem grijpen kan een klap te geven. En
ook in die aftikmethoden hebben ze weer allerlei afwisseling.
Oud zijn natuurlijk al deze spelen, niet in de laatste plaats diegene
waarbij òf een naam wordt genoemd òf een deuntje wordt gezongen,
voor de kinderen zelf niet recht meer begrijpelijk. Waarom zij den
potbeschermer Midas noemden--toch zeker wel een andere Midas dan de
koning met zijn ezelsooren--dat wisten zij geen van allen. En of de
pot, dien Midas moest beschermen, iets te maken had met de schildpad
(chelone) in de meisjes-editie van dit zelfde spel, was hun zeker
evenmin bekend als ons. "Ongeveer gelijk aan 't chytra (pot) spel"
heet bij de Grieksche geleerden dat meisjesspel. Meer weten wij er dus
niet van, maar aan ons fantaseerend gissen van oude herkomst opent
het een ruim veld, alleen reeds omdat het een van die eigenaardig
geheimzinnige refreinspelen is. De meisjes huppelen om de eene die in
't midden zit heen en roepen op zingenden toon haar toe:
Zeg, schille-schildpad, wat doe jij in 't midden daar?
Deze antwoordt:
Ik wikkel wollen garen en Milesisch draad.
Dan de anderen weer:
Wat heeft je zoon misdreven, dat hij 't leven liet?
En zij:
Hij heeft zich op een sneeuwwit paard in zee gestort.
Sneeuwwit--leukos--zoo heet ook de rots, de Leukadische, van welke
zich, in de legende der dichters, Sappho, verteerd door ongelukkige
liefde voor den schoonen Phaon in de zee stortte. Wie zal zeggen
welke banden die legende met het meisjesspel der Atheensche kinderen
vereenigde? Oude cultusgebruiken en ritueele dansen schuilen niet
zelden in zulk een kinderspel weg.
De spelencatalogus die nog zou te bespreken zijn, is lang, want
de Grieksche kinderen hebben in de bewegingsspelen eene groote
vindingrijkheid gehad, vooral in die combinatie van blindemanspel
met krijgertje en verstoppertje, die naast de handigheid de vlugheid
oefenen. Men mag zonder twijfel in dezen rijkdom ook wel de leidende
hand van ouders of paedagogen erkennen; het spel is een onderwerp
van studie, voor philosofen zelfs als Plato en Aristoteles, en het
was te verwachten dat vele hunner hoorders in eigen kring toepasten
wat ze van hen over goed spel hadden gehoord.
Of die philosophische waardeering van het spel naar zijnen physieken
of ethischen invloed aan de jongens zelf de meest aanbevelenswaardige
methode scheen, mag misschien betwijfeld worden. Zeker zijn bij
de jongens sommige spelen in eere juist omdat zij kracht of moed of
karakter eischen, en wanneer Plato zegt, dat er een aantal spelen zijn
die jongens overal van zelf beginnen te spelen zoodra ze bij elkaar
zijn, dan heeft hij waarschijnlijk ook wel aan zulke soorten van
spel gedacht. Probeeren wie de sterkste is in zijne handen of in zijn
nek is daartoe een begin; eene waardeering van hoogere eigenschappen
ligt er aan ten grondslag, als de jongens probeeren wie het langst
onder allerlei plaagzieke of pijnlijke aanvallen stil kan blijven
staan. Al deze spelen dragen met elkander een karakter van oefening
en inspanning, waardoor ze ook bij ouders en voogden in aanzien zijn:
ze gelden als opvoedend.
Maar als Plato spreekt van "natuurlijk opkomende" spelen, dan is
daarbij die reeks van "spelletjes" niet te vergeten die met den
winlust, met het hazard samenhangen. "De Lydiërs", zegt Herodotus
ergens, "beweren dat de Grieken van hen de meeste hunner spelen hebben
geleerd, het bikkelspel, het balspel en andere dergelijke. Zij hadden
namelijk zelf die spelen uitgevonden bij een hongersnood, om zoodoende
zich zelven er toe te brengen slechts om den anderen dag te eten. Bij
't spel--hoopten ze--zouden zij den maaltijd wel vergeten. Maar
onder deze uitvindingen rekenen de Lydiërs het dobbelspel niet. De
dobbelsteenen aanvaarden zij niet als Lydisch".--Het is niet
onwaarschijnlijk dat de Lydische zegslieden van Herodotus--of ook
de historicus zelf--door deze laatste zinsnede een vonnis over de
dobbelsteenen heeft willen vellen. De meeste Grieken denken over de
teerling niet zoo streng, en rekenen het eene verdienste van Palamedes
dat hij zulk een voortreflijk uitspanningsmiddel voor matrozen, die
òp zijn van 't roeien, heeft uitgedacht. Maar--de dobbelsteen is voor
den man; de knaap mag met koten spelen.
Van de koten, de astragaloi zou men, als een Grieksche jongen gekleed
was gelijk een Hollandsche, kunnen zeggen dat hij ze altijd in zijn zak
had. In elk geval kennen wij de Grieken niet zonder bikkels, en kent
geen onzer die Homerus gelezen heeft ze niet. Wie denkt niet aan de
nachtelijke verschijning van den gestorven Patroclus? Naast Achilles'
leger aan 't zeestrand staat de schim, smeekend om de begrafenis, opdat
niet langer de dooden haar weren uit de plaats der eeuwige rust. En
dan zegt de doode: "Geef mij uw hand, Achilles, en zweer me--want ook
uw dood is nabij--dat gij zorg zult dragen, dat uw gebeente en het
mijne in ééne lijkbus rusten. Wij willen in den dood vereenigd zijn
zooals wij dat waren in het leven. Van jongs af! Weet gij het nog,
hoe mijn vader Menoitios mij bracht aan het hof van uw vader Peleus,
ter bescherming omdat ik had moeten vluchten? Immers ik had een
anderen knaap dood geslagen in mijne woede, "driftig over de koten."
Het is een droevig tafreel dat bovenaan staat in de geschiedenis
van het bikkelspel bij de Grieken, en wie het leest kan nooit laten
zich weer af te vragen: Wat zou hij gespeeld hebben met "den zoon
van Amphidamas", die arme Patroclus, wiens geheele houding van
ernst tegenover Achilles door deze geschiedenis zoo treffend wordt
toegelicht? Zou hij geraden hebben (geknobeld)? En zouden ze het
toen over "even of oneven" oneens zijn geworden? Of zouden ze gewoon
hebben gebikkeld? Het tweede spel is meer waard dan het eerste en
geeft zeker niet minder aanleiding tot heftigen twist.
De Atheensche jongens en ook de meisjes spelen dit kotenspel bijzonder
graag. Ze werpen de koten uit de hand, juist als bij ons de kinderen
plachten, maar zij gebruiken er naar 't schijnt geen stuiter bij,
zooals onze meisjes doen. De koten hebben natuurlijk zeker waarde
naar de wijze waarop zij vallen: iedere zij, de platte vlakken,
het bolle en het holle zijvlak hebben hun eigen getal, en al is de
getallencombinatie, daar de smalle zijden van zelf niet meerekenen,
minder groot dan bij den dobbelsteen, afwisseling is er genoeg in het
spel, dat uit den aard op verschillende wijze kan worden gespeeld en,
veel meer dan het dobbelen, ook voor kinderen geoorloofd wordt geacht.
Zoowel dat dobbelspel als de andere hiermee verwante spelen der
Atheensche jongens hebben zoo groote overeenkomst met onze spelen,
dat het volkomen overbodig is er lang bij stil te staan. Maar wel
moet iets worden gezegd over het schervenspel.
Met scherven spelen de Atheensche jongens op allerlei manier, en ze
houden dat lang na den kinderleeftijd vol. Ze vinden zich niet licht
te deftig om platte "zeilsteentjes" zoo over het water te keilen dat
ze drie of vier malen opspringen; noch zijn ze lang in hun eigen
schatting te jong om mee te doen, als de scherven "in 't kuiltje"
moeten worden gegooid. De allerjongsten zijn van zelf uitgesloten,
als er geld bij te pas komt; dan wordt echter de variëteit zelve van
't spel levendiger. Want er is precisie en behendigheid toe noodig
om een muntstukje, dat in een kring is gelegd, juist zóó met de
geworpen scherf te raken dat het kantelt en op zijne keerzij komt
te liggen, en dan weer een andermaal het zoo te treffen dat het uit
den cirkel wijkt. Mannen spelen dat en groote jongens--men denke
alleen maar aan het benoodigde kapitaal in koper!--Maar op iederen
leeftijd kan men opgooien met scherfjes of met bikkels. Hoe gaarne
teekenen de vazenschilders de gracieuze Attische meisjes bezig met dat
spel. Bevallig is de slanke arm uitgestoken, met de fijne handpalm. Met
eene vlugge beweging zijn de drie of zelfs vijf kleine steentjes uit
het holle der hand opgeworpen en nu is de kunst "alle vijf" te vangen
op den rug der hand. Tollen met de munt op den nagel van den duim is
daarnaast een geliefd kunstje, en niet minder het eigenlijke tolspel.
Terecht is daarbij meer dan de bedaarde en eentonige priktol de
drijftol in eere. De lustige drijftol was reeds voor de vorsten, voor
welke Homerus zong, een familiaar speeltuig. Hoe zou anders de oude
zanger er toe gekomen zijn van Hector te verhalen dat hij, getroffen
door een steen, "ronddraaide als een drijftol?"--De vergelijking is
drastisch en zij vond navolging. Callimachus maakt er van gebruik,
terwijl hij de jongens met hun drijftol laat spelen "op den breeden
driesprong"; maar Vergilius teekent in een van die keurig verzorgde
pericopen waarin hij de oude homerische beeldspraken uitwerkt tot
tafreeltjes van de meest verzorgde détailkunst, de jongens met hun
vliegenden drijftol "in de ruime atria". Onze Atheensche knapen
zullen wel niet zooveel "ruime atria" tot hunne beschikking hebben
gehad als de voorname senatorenzonen die aan Vergilius voor oogen
stonden. Het Atheensche tolspel denken we ons waarschijnlijk te recht
grootendeels op straat, zoo goed als het "bok, bok, sta vast" en het
lijntje trekken.
Het zal ook wel meestentijds in de open ruimte van een marktplein
zijn geweest, dat de Atheensche knapen zich samenschikten voor hunne
wedkampen van kwartels en hanen, imitatie van de speelwoede hunner
vaders en oudere broers. Een lievelingskwartel te fokken ergens
thuis in een hoekje van de binnenplaats, welk Atheensch vader zou
het zijn zoontje niet hebben vergund, even goed als hij hem den
kleinen keffenden spits gunde die op zoovele Atheensche reliëfs,
zelfs op grafmonumenten, de metgezel der knapen en jongelingen
is.--Maar meestal is het een Atheenschen jongen niet genoeg een'
vogel op te kweeken of enkele tamme kunstjes te leeren. Zijn ideaal
is hem te dresseeren dat het een goede vechtvogel wordt; dan draagt
hij hem rond en toont hem aan zijne vrienden en hij houdt hem bij
zich onder zijn overkleed. Alcibiades droeg zijn lievelingsvogel
nog bij zich, toen hij al volwassen was en zich reeds mengde in de
politiek; hij kwam er mee in de volksvergadering. En toen hij eens,
bij een voorstel om eene vrijwillige oorlogsbelasting te heffen,
zijne royale instemming wilde betuigen en onder den luiden uitroep
"ik doe ook mee" zijne beide armen omhoog hief, vergat hij dat
hij een kwartel onder zijn kleed had, en de vogel vloog weg. Toen
vergat het souvereine volk van Athene zijne staatsbeslommeringen,
allen stoven den lieveling van hun lieveling achterna. En de man
die den vogel greep en aan Alcibiades terug bracht, heeft daardoor
een naam in de wereldgeschiedenis gekregen: hij heette Antiochus,
en Alcibiades heeft altijd goed voor hem gezorgd.
Deze anecdote, door Plutarchus verhaald om te bewijzen hoe verzot
de Atheners op Alcibiades waren, kan tevens ten bewijze strekken
hoezeer zij van kwartels en kemphanen hielden. En hoe zouden zij
niet! Van staatswege werden er immers wel hanegevechten gehouden,
en de eere-zetel van den Dionysospriester in het groote theater van
Athene, de hoogste eereplaats in den geheelen schouwburg, is op den
zijwand versierd met een zeer geestig gebeeldhouwde afbeelding van
een paar vechtlustige kemphanen. Zoo zullen dus Atheensche vaders
er minder bezwaar tegen gehad hebben dan bij moderne ouders het
geval zou zijn, dat hun jongens kwartelwedstrijden houden. Eerst
gaat dat vrij eenvoudig. De concurrenten trekken een kring op den
grond, zetten daar hunne kwartels in, en nu begint de wedstrijd:
elk der beide jongens mag, natuurlijk met inachtneming van zekere
stipt voorgeschreven wetten, met zijn middenvinger den kwartel van de
tegenpartij op den kop tikken, ja zelfs hem plukharen, en de kwartel
die dan het eerst met den kop in de veeren wegwijkt uit den cirkel
heeft het verloren en wisselt van eigenaar. Maar dit spel is voor
vogels en jongens beiden niet meer dan eene inleiding. Knapen van
meer ervaring en vogels van meer training hebben prikkelender spel
noodig. Dan vechten de kwartels zelf met elkaar, aangehitst door het
schreeuwen en drijven hunner meesters, en als de vogels, wild door
't gesis en geschreeuw, elkaar de vederen uitrukken, ja misschien
de oogen uitpikken--wel dan geniet het Atheensche jongenspubliek
met even groot enthousiasme als in het Dionysostheater hunne vaders
wanneer de hanen vechten "met echte sporen".
Ook bij de Atheners rees wel eens twijfel of zulke hanengevechten
wel zoo heel heilzaam voor hun jongens waren. Maar als een of
ander zedemeester hen kwam vragen, of dit nu een schouwspel was,
Marathonstrijders en hun kleinzoons waardig, dan hadden zij toch
hun antwoord klaar. "Wanneer mijn jongen--zoo zeiden ze dan--die
kleine vogels ziet plukken en bijten om de overwinning, tot ze er
half dood bij neertuimelen, dan zal hij duidelijk leeren gevoelen,
hoe schandelijk het wezen zou minder te zijn dan zoo'n kleine kwartel,
en ooit een strijd op te geven omdat men een paar onnoozele wonden
heeft opgeloopen.
Niet alleen vaders uit de oudheid denken er zoo over. Maar in de
Atheensche beschouwing valt bijzondere nadruk op het denkbeeld van
den wedijver. Dat al die spelen voor grooter en kleiner jongens de
eerzucht prikkelen is onmiskenbaar en den Atheenschen ouders is dat
zeer naar den zin. Want in het spel zien zij gaarne eene inleiding
voor de schoolopvoeding. Het kinderspel moet de aandacht wekken, de
leden rap maken, de wilskracht stalen. Vangt daarmede het spelende
kind aan, de jongen zal het voortzetten; de Atheensche scholier zal
alleen de kalokagathia die den Attischen burger stempelt bereiken,
als met de oefening van zijnen geest die van het lichaam gepaard gaat.
Zoo voert iedere spelbeschrijving, die niet uitsluitend aan den hier
herhaaldelijk genoemden grammatischen catalogus van kinderspelen is
ontleend, doch ook steunt op hetgeen de schrijvers er ons over zeggen,
ons weer terug naar de theorie. Bij alle onthouding van staatswege zijn
de Grieken toch altijd zeer vasthoudende opvoeders geweest; ook het
spel bespreken zij bijna nooit anders dan als een van de middelen tot
educatie. Onze schets heeft dat niet gedaan; wij hebben voornamelijk
gevraagd: "waarmede hielden de jongens zich bezig?" en daarbij geene
volledigheid gezocht. Stelde niet de leeftijd, dien wij bespraken,
grenzen aan de beschrijving, dan zou hier naast een enkel woord over
triktrak en damspel ook nog met eenige uitvoerigheid van het beroemde
kottabosspel moeten worden gewag gemaakt. Maar een tafelspel, hierin
bestaande dat de gasten wedijveren wie uit beker of schaal met de
meeste vaardigheid en gratie door eene rappe polsbeweging (niet met
een plompen zwaai) een klein restje wijn--niet een plas!--zóó kan
opwerpen naar een hooger opgesteld bekken, dat met een voorgeschreven
welluidenden klank de wijn in het metalen bekken valt--zoo'n spel is
opwindend en pleizierig--wie zal het tegenspreken?--maar geen spel voor
jongens. Hoogstens zullen dezen zich in mik-zekerheid kunnen oefenen
door voorbereidende exercitiën met water. Daar ze geen symposion
houden en dus geen bekers, nemen zij een teug water in den mond, en
passen zoo een vorm van kottabos toe, die nog altijd--ook bij onze
straatjongens--in de mode is.