naar 't huisje van vrouw Vorstman. Jij doet alsof je nog alles gelooft
en ik volg op een afstand."
En toen fluisterde meester Hooghuizen den veldwachter nog iets in
het oor, waarop de laatste grinnikte en in de handen wreef.
De nieuwsgierige dorpsbewoners zeiden niets, toen de veldwachter
naderde. Deze deed, alsof hij de buren en de jongens niet zag, wendde
zijn gezicht naar het zoldervenster en riep:
"Geest van Ridder Rador! Hier ben ik! Spreek tot mij!"
Geen antwoord.
De buren vermaakten zich al kostelijk.
"Roep nog eens," zei Bram, die naast den veldwachter was gaan staan.
"Geest van ridder Rador! Spreek tot mij!" herhaalde Bunze.
Toen klonk daar opeens een holle stem vanuit de hoogte:
"Zijt gij daar, veldwachter Bunze?"
"Ja, hier ben ik!"
"Waarom zwaait gij niet met de pet? Zwaai!"
Bunze gehoorzaamde, maar al zwaaiende gaf hij Bram zulk een geweldigen
oorvijg, dat de jongen verschrikt achteruit vloog.
Nu gierden de buren het uit, en Bunze zelf had wel de meeste pret.
De veldwachter zei nu op zachten toon tot de omstanders, dat hij den
geest eens te voorschijn zou halen en daarop holde hij tot groote
verbazing der omstanders het huisje in en de trap op.
Hans, die bij 't zolderraam, gewapend met een oude kachelpijp, een
raagbol en een wit laken voor geest speelde, begreep niet, wie daar
zoo haastig naar boven kwam.
Een oogenblik later voelde hij zich bij den kraag gevat en met
krachtigen hand meegevoerd.
"Hou op, laat los!" riep hij. "Wie ben je?"
"Ik ben de geest van ridder Rador!" bromde Bunze met veranderde
stem. "Ik zal je leeren mij te bespotten!" Onwillekeurig huiverde
Hans, ofschoon hij zelf niet aan spoken geloofde.
Van schrik kon hij niet meer spreken. Maar beneden ontdekte hij,
wie op zijn beurt voor geestenridder speelde.
Toen Bunze met Hans naar buiten kwam, en hem daar "van dik hout zaagt
men planken" gaf, ging er een luid spotgelach op. Maar dat was niet
om den veldwachter, maar om 't verschrikte, bleeke gezicht van Hans.
En wie het luidst lachte, dat was meester Hooghuizen.
De grap was mislukt en dat was maar goed ook, want Hans had vergeten,
dat Bunze toch in elk geval de veldwachter was en ook.... dat men
zorgen moet, bij 't graven van een kuil voor een ander, er zelf niet
in te vallen!
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
VAN SCHOONE BLOUSES, EEN TAKKEBOS EN EEN VERDWAALD MEISJE.
Het onderwijs op Instituut Sparrenheide ging intusschen weer z'n
dagelijkschen gang en vooral de nieuwe leerlingen ondervonden er
den weldadigen invloed van. Zoolang Bram bijvoorbeeld hier was,
had hij nog geen hoofdpijn gehad. Het werk, dat hij te doen kreeg,
was heelemaal berekend naar zijn krachten en daarom behoefde hij er
zijn hoofd niet mee te breken. Vooral ook in den handen- en huisarbeid
had hij veel lust en zoo leidde hij hier een geheel nieuw leven. Hans,
Flip en Rob waren zijn beste vrienden en hij leefde geheel en al met
hen mee. Bram had al wat gelachen om de grappen van Hans en Flip,
en om het eigenaardige karakter van Rob.
Die Rob, wat was hij slordig! Zijn moeder zorgde, dat hij iederen dag
een schoone blouse kon aantrekken en dat was wel noodig ook, want
omdat Rob altijd naar kevers, vlinders en planten zocht en daarbij
in het geheel zijn kleeren niet ontzag, was hij dan ook elken avond
ontoonbaar.
Op zekeren dag was hij juist met een schoone, gestreepte blouse naar
buiten gegaan.
Het had heel den nacht geregend en de grond was overal nog nat.
De bladeren begonnen hier en daar al te vallen, teeken van den
naderenden herfst.
In een der boomen ontdekte Rob toevallig een geweldig groot web.
Het was gespannen tusschen twee verwijderde takken.
Waar zoo'n reuzenweb is, dacht Rob, is ook een reuzenspin. En dié
moet ik hebben voor mijn verzameling.
Maar de takken waren nog vrij hoog, zoodat Rob klimmen moest. Zonder
zich te bedenken omklemde hij den natten stam van den boom en klom
naar boven.
Langzaam naderde hij het reuzenweb.
Toen hij er was, haalde hij een glazen vangbuisje uit den zak en
hield dat in de eene hand.
Hij wachtte even en keek naar de bladeren.
Daar liep een langpoot-mug over een bladsteel. Rob pakte het insect
en zette het in het web, waar het wild aan de draden rukte, die
het vasthielden.
Als een havik op zijn prooi schoot een geweldige grijze spin uit haar
schuilhoek te voorschijn. Maar op zijn beurt was Rob op zijn post,
met een pijlsnelle beweging schepte hij als 't ware de spin uit haar
web in de glazen vangbuis op, waar zij niet ontsnappen kon.
Daarop liet Rob zich weer langs den stam naar beneden glijden en
spoedde zich naar huis.
"Maar jongen!" riep mevrouw Bergwoude verschrikt uit, toen zij Rob
van uit de tuinkamer zag.
"Wel moeder, wat is er dan?"
"Wat er is, vraagt hij! Kind, kijk je er eens uitzien! Het is meer
dan schande!"
Nu pas kwam Rob tot de ontdekking, hoe hij op jacht naar de reuzenspin
zijn blouse had toegetakeld! Die was van den boomstam totaal groen
geworden!
Och och, wat was Moeder boos. Want toevallig moesten Rob's overige
blouses dien dag gewasschen worden. Ja, er was er nog wel een,
maar die was eigenlijk voor den Zondag! Het was een splinternieuwe,
spierwitte matrozenkiel. Ten einde raad liet zijn moeder hem dien
in vredesnaam maar aandoen, en Rob beloofde, dat hij er dien dag
vrééselijk voorzichtig mee zou zijn.
Na het ontbijt ging Rob, piekfijn in het wit, den weg eens op en
neer. Hij floot een deuntje en keek naar een roodborstje, dat tusschen
de struiken hipte. De zon brak door een grauwe nevel heen en zette
den omtrek weer in goudschijn.
Daar kwam een stokoud moedertje aan. Rob kende haar wel, zij woonde in
een klein hutje, even buiten het bosch. Het was een oude stakker. Ze
sjouwde een grooten takkebos op haar gekromden rug en hijgde van
inspanning.
Rob had een medelijdend hart. Hij had deernis met het oude, ploeterende
tobbertje en sprak haar aan. "Dag moedertje. Een heele vracht hè?"
"Ja jongeheer. Een heele vracht. Vooral wanneer je tachtig jaar bent."
"Tachtig jaar? Asjeblieft. Ik ben twaalf."
"Twaalf is jong. U ziet er goed uit."
"Ja," zei Rob. "En ik ben erg sterk. Ik kan dien takkebos veel gauwer
naar je huis dragen."
"Och.... doet U dat maar niet, jongeheer."
"Waarom, niet? 't Is voor een kip, hoor. Kijk, zóó op mijn rug. Eén
... twee ... hoepla! Vooruit met de geit, moedertje!"
Nu kon het oudje ook vlugger vooruitkomen en het duurde niet lang,
of het huisje was bereikt.
"Nou, u wordt wel bedankt, hoor."
"Geen dank," zei Rob, "'t is de moeite niet waard."
"Maar nou wil ik toch, dat u een kopje koffie met mij drinkt."
Rob, gemoedelijk als altijd, zei:
"Nou, dat wil ik wel doen."
Hij ging zitten en 't vrouwtje, dat de koffie al lang had opstaan,
schonk er hem een groote kom van vol, zonder suiker en met 'n
scheutje melk.
Rob nam de kom, die niet zoo bijzonder warm was, in de handen en
proefde de koffie.
Groote genadigheid, was dat koffie? Loop rond, slootwater was
het. Moest hij dàt uitdrinken? Neen hoor, voor geen geld.
Opeens liet hij de kom tusschen zijn knieën door op den grond vallen
en schreeuwde:
"Au! Wat is die koffie heet!"
De kom viel in stukken op het leemen vloertje en verschrikt liet Rob
erop volgen:
"O... wat een ongeluk! Neemt u mij niet kwalijk, hoor. Ik hoef geen
koffie te hebben! Ik zal u den kom wel betalen." En hij legde vijf
centen op de tafel neer.
"Maar jongeheer, dat is niet noodig!" zei het oudje. "Daar koop ik
twee kommen voor!"
"Goed, koop er dan twee," zei Rob, "maar nu moet ik heusch terug."
En hij wendde zich naar de deur.
Maar opeens liet het vrouwtje een verschrikten kreet hooren!
"O jongeheer! Uw witte kiel! Heelemaal zwart op uw rug!"
O jee, dacht Rob, dat komt van den takkebos! Daar had ik heelemaal
niet aan gedacht!
"Och, och wat zal uw Moeder boos zijn!"
Dat kan net uitkomen, dacht Rob. Enfin, wie wat verdient moet wat
hebben.
Hij nam afscheid van het oude vrouwtje en werd door zijn moeder met
de grootste verbazing, maar ook met wanhoop ontvangen.
"Rob, wat ben je toch schandelijk slordig! Dat is nu binnen een uur
je tweede schoone kiel! Kind, waar zitten je hersens? Denk je, dat
ik hier een kleerenmagazijn voor jou apart er op nahoud? Nu trek je
je oudste pak aan en dan direct uit school op je kamer blijven."
Zoo geschiedde.
Om twaalf uur bleef Rob op zijn kamer.
De anderen vonden dit vreemd, want dat deed Rob nooit. En voor Rob
zou het heel eenvoudig geweest zijn, om dadelijk aan zijn moeder te
zeggen, dat hij het heusch niet helpen kon, want dat hij juist zoo'n
erg-goede daad had gedaan. Neen, Rob vond het veel te kinderachtig
om zich dáármee te verdedigen. Tweemaal met een vuil pak thuiskomen
en dan nog den braven Hendrik bij moeder uithangen, dat deed hij
niet! Daarvoor was hij veel te trotsch.
Hij verzweeg dus het geval met den takkebos en bleef stil op de kamer.
Maar Hans en Flip wilden er meer van weten.
"Biecht nou maar op, broer," zei Hans. "Waarom zit je hier met je
ouwe pak aan. Is er wat gebeurd?"
"Och, welnee."
"Kom Robbekop," zei Flip. "Wees nou niet zoo stug. Pak slaag gehad?"
"Nee."
Maar Hans wist hem aan 't praten te krijgen. Rob vertelde op een
beetje onverschilligen toon, wat er gebeurd was.
"Nou, 'k had dan al een kiel vuilgemaakt aan dien boom. Toen moest
'k voor moeder m'n nieuwe witte aantrekken. Ik loop daarmee op den
boschweg en daar komt dat ouwe vrouwtje uit de boschhut aanstappen. Ze
had een takkebos op d'r hoofd zoo groot als de Naald van Waterloo
en ze liep gewoonweg dubbelgevouwen, hè? Nou, wat doe je? Ik zeg:
goeiemorgen, grootmoeder, wil jij je wel 's schamen om zoo'n takkebos
op je rug naar huis te dragen? Dat zal ik wel voor je doen. Enfin,
ik neem de heele kattebak op m'n nek en... adjuus, schoone kiel."
"Maar domoor, dacht je daar dan niet aan?"
"Nee, ik dacht alleen maar aan die arme, ouwe stakker. Nou moet je
hooren. Toen we d'r waren, wou ze mij met alle geweld 'n kopje koffie
schenken. Ik denk: nou, voor de gezelligheid dan. Maar daar schenkt
me dat mensch een kom baggersloot-limonade in, die ik niet lustte,
hoor. Maar hoe kom ik eraf? Ik laat ineens de kom uit mijn vingers
vallen en roep: "Au, verdikkie, is me die koffie heet!" Voor vijf
centen was ik van de koffie af. Nou, blij toe. Maar dat weet moeder
allemaal niet. Denk je nou, dat ik aan moeder vertellen ga, dat ik
die zwarte kiel gekregen heb, omdat ik voor dat oude mensch een bosje
takken gesjouwd heb? Kan je net denken!"
Flip lachtte zich onderste boven bij 't vertellen van Rob.
En een oogenblik later wist moeder 't wèl. Daar had Hans voor gezorgd.
En moeder, blij dat er ditmaal een goede reden was voor Rob's
verregaande slordigheid, gaf hem nog een kus op den koop toe en
ontsloeg hem van zijn kamerarrest.
Een paar dagen later, het was ongeveer half September geworden,
verzamelde de heer Bergwoude zijn leerlingen des avonds in de eetzaal
om hen een nieuwtje mede te deelen. Allen waren tegenwoordig en
wachtten op juffrouw Wieler, die met drie meisjes aan 't wandelen
was en ieder oogenblik kon terugkeeren. Wachten duurt altijd lang en
daarom besloot de heer Bergwoude, alvast maar te beginnen.
"Jongelui," begon hij, "ik heb jullie vanavond hier bijeen geroepen,
om je een prettige tijding mede te deelen. Zooals de meesten van jullie
wel weten, bestaat Instituut Sparrenheide den eersten October a.s. vijf
jaar. Wij hebben besloten, dien dag feestelijk te vieren. Daar hebben
jullie zeker niets op tegen?"
"Neen mijnheer!" klonk het lachend.
"Dus niemand heeft daar bezwaar tegen, dat is prettig. En nu ...."
Plotseling werd de deur geopend en kwam juffrouw Wieler, de
onderwijzeres, met ontsteld gezicht binnen.
"Mijnheer," zei ze gejaagd, "wij kunnen nergens meer Mina Drijvers
vinden. Ze is bepaald in het bosch verdwaald."
Mijnheer Bergwoude schrikte van die onverwachte tijding.
"In het bosch verdwaald?" vroeg hij. "Hoe is het mogelijk! Was u dan
niet bij haar?"
"Jawel, ik was met de drie meisjes. Wij speelden verstoppertje en
toen Mina Drijvers zoeken moest, hebben wij haar niet weergezien,"
Mijnheer Bergwoude stelde de verdere bespreking der feestplannen
dadelijk uit en commandeerde de grootste jongens op voor een
onderzoekingstocht door het bosch. Hijzelf zou medegaan en meester
Hooghuizen ook. Mevrouw Bergwoude en juffrouw Wieler zouden bij de
andere kinderen blijven.
Meester Hooghuizen trok het bosch in met Hans, Bram en nog twee
andere jongens, mijnheer Bergwoude met Flip, Jacob Heintze en drie
anderen. In twee verschillende richtingen, doch beide naar den kant
van kasteel Drakenstein, zou het bosch doorzocht worden. Allen droegen
een brandende lampion aan een stok, wat een zeer fantastisch gezicht
opleverde. Het werd al donker en een beetje verlichting der paden
was wel noodig.
Hans liep met meester Hooghuizen voorop. Hun lichtende lampions
beschenen het pad en den onderkant der boomstammen met een rossen
gloed.
Het begon wat te waaien, hoewel men daarvan in het dichte bosch weinig
last had, alleen de toppen der boomen begonnen luider te ruischen en
bogen door den wind.
"'t Zal me niets verwonderen, als er een onweer komt opzetten,"
zei Hans.
"Daar zou je wel eens gelijk aan kunnen hebben, Hans," zei meester
Hooghuizen. "Het is vandaag aardig broeierig geweest en de lucht
begon vanmiddag al te werken."
En die twee hadden het zoo ver niet mis.
De wind nam toe en zwarte kopwolken kwamen aanzetten. Het werd steeds
donkerder en donkerder in het bosch en wanneer de doorzoekers geen
lampions bij zich gehad hadden, zouden zij evenmin den weg geweten
hebben als het verdwaalde meisje.
Mina Drijvers was een allerliefst meisje van twaalf jaar. Zij was een
nieuwelinge, uit Amsterdam afkomstig en ze wist in het geheel den
weg niet in de bosschen. Toen zij met juffrouw Wieler en de andere
meisjes een spelletje in het bosch deed en de anderen zoeken moest,
had zij niemand gevonden.
Er waren dan ook prachtige schuilplaatsen. Mina vond het eerst wel
aardig, dat zij zoo zoeken moest. Maar zij dwaalde al verder en verder
en zag nog geen tipje van een jurk der anderen.
Een poosje later hoorde zij de juffrouw roepen en ook de twee andere
meisjes. Zij was op het geluid afgegaan, doch scheen zich vergist
te hebben. Eindelijk kwam ze op een plek, waar een houten stellage
getimmerd was. Zij klom op het trapje en riep:
"Juffrouw! Hier."
Tot haar groote verbazing klonk het van verre zeer duidelijk:
"Juffrouw, hier!"
Dat was de echo! Mina vond het mooi en herhaalde haar geroep nog een
paar keeren. Maar intusschen werd ze toch ongerust, want nu hoorde zij
heelemaal niets meer. Zij dwaalde van het eene punt in het bosch naar
het andere, kwam nu eens uit bij het kasteel, dan weer bij de grot,
de kapel en ten slotte werd het door het naderende onweer zóó donker,
dat zij de boomen niet meer kon onderscheiden en snikkende op den
grond neerviel.
Een wit-blauwe bliksemstraal vloog over 't bosch ... een hevige slag
daverde er bijna onmiddellijk op ....
De wind joeg de bladeren van de boomen, zwiepte de takken der hoogste
boomen als riethalmpjes heen en weer.
"Hierheen, jongens! Bij elkaar blijven!" riep meester Hooghuizen. "Af
en toe nog maar eens roepen."
Hans zocht even een zijpaadje af, terwijl de anderen wachtten.
"Mina!" riep hij, "Mina Drijvers!"
Een felle lichtstraal schoot sissend over 't bosch, ratelend viel
de slag ... dat was 't eenige antwoord op het roepen. Een geweldige
plasregen barstte los.
"Hans! Hans!" riep meester Hooghuizen, "kom hier."
Hans keerde haastig terug.
De lampions regenden uit, nu stonden ze in het stikdonkere bosch,
midden in een geweldige donderbui.
Mijnheer Bergwoude keerde zoo snel mogelijk naar Sparrenheide terug,
er waren nu toch vijf menschen aan het zoeken naar het verloren
meisje en hij vond het beter om naar de overige kinderen te gaan,
die aan de hoede van mevrouw en juffrouw Wieler waren toevertrouwd.
Intusschen zocht het troepje van meester Hooghuizen dapper voort. Wel
was het gevaar groot, wel hadden zij licht een schuilplaats kunnen
zoeken in de Grot, maar de gedachte aan het arme meisje, dat toch
ook in dit ontzettende weer hier of daar door het bosch dwaalde,
deed hen regen en onweer trotseeren.
Heviger ratelden de donderslagen, vlogen de bliksemstralen door
't zware, zwarte zwerk, schril verlichtend het duistere boschpad.
De jongens liepen nu dicht bijeen, ze hielden elkaar bij de hand,
want in dit noodweer konden ze elkander spoedig kwijtraken. Ze waren
doornat, maar daar gaven zij nu weinig om, zij dachten alleen maar
aan het doel van hun tocht.
Zij kwamen nu bij 't kasteel en sloegen weer een anderen weg in,
opnieuw door 't inktzwarte bosch.
En weer vloog een schitterende bliksem boven de boomen ... barstte
de slag als een kanonnade los .... toen Hans opeens een schreeuw gaf.
Bij 't felle bliksemlicht had hij iets wits gezien onder een boom. Hij
schoot er snel op toe en ....
"Hier ligt ze!" riep hij zegevierend.
Dadelijk snelden de anderen toe.
Meester Hooghuizen nam het meisje op en droeg haar naar het eerste het
beste huisje, dat van veldwachter Bunze.
Deze en zijn zuster waren niet weinig verbaasd over het vreemde,
onverwachte gezelschap, dat eensklaps voor hun woning stond. Maar de
goede vrouw was dadelijk tot helpen bereid, ze legde Mina Drijvers in
haar eigen bed en zeide, dat het met het meisje best zou losloopen. Ze
moest echter dien nacht maar bij haar blijven, wat meester Hooghuizen
uitstekend vond. Veldwachter Bunze bewonderde den moed der knapen,
die in dit verschrikkelijke weer niet geaarzeld hadden, het verloren
meisje op te sporen.
En de dikbuik trok Hans aan een oor en zei:
"Als je niet zoo'n moedige, flinke jongen was, zou ik een heel ander
woordje met je spreken, kameraad. Intusschen hebben wij nog een
appeltje met elkaar te schillen, maar dat zal ik nu maar voor een
anderen keer bewaren. Je hebt nu vanavond al genoeg doorstaan!"
Gelukkig dreef het onweer langzamerhand af. Meester Hooghuizen en
zijn jongens konden nu de geruststellende tijding op Sparrenheide
brengen, dat het verdwaalde meisje gevonden en in goede handen was. En
daar verheugden allen zich over, want men had den grootsten angst
uitgestaan, zoowel om Mina als om haar redders.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
FEESTELIJKE PLANNEN EN ANGSTIGE UREN.
Den volgenden dag was Mina weer terug en spoedig geheel en al
van den schrik hersteld. Alles was nu weer in orde en daarom kon
mijnheer Bergwoude gerust opnieuw met zijn prettige plannen omtrent de
feestelijke viering van het 5-jarig bestaan van Sparrenheide voor den
dag komen. Hij wachtte daar dan ook niet lang mede en deelde aan allen
mede, dat den heelen dag van den 1en October zou gefuifd worden. Er
moesten muzikanten komen, er zou een uitvoering worden gegeven, waar
ieder wat mocht ten beste geven, er zou een goochelaar komen en verder
zouden er vanzelf wel allerlei plannetjes onder leiding van meester
Hooghuizen en juffrouw Wieler tot stand komen. Intusschen moest
het onderwijs zijn gewonen gang gaan en mocht er alleen na drie uur
's middags aan de voorbereidingen van het feest gewerkt worden.
Mijnheer Bergwoude had gezegd, dat ook de oudleerlingen en vorige
onderwijzers van Sparrenheide uitgenoodigd zouden worden, zoodat er
allicht een 100-tal feestvierenden tezamen zouden zijn.
En nu werd er eventjes met liefhebberij gewerkt aan de
feest-voorbereidingen. Ieder deed het zijne. Meester Hooghuizen had
de leiding van het geheel. Hij liet de jongens van latten een groote
eerepoort timmeren aan den hoofdingang, de meisjes moesten slingers
maken van dennegroen en linten. Juffrouw Wieler studeerde met een paar
meisjes Speelliedjes van Dalcroze in, terwijl anderen weer aardige
voordrachten leerden. Er zouden verschillende wedstrijden gehouden
worden en een vlaggenoptocht door het bosch en het dorp kwam ook al op
het programma. Het was ook niet te verwonderen, dat Hans, Flip en Rob,
de drie jolige broers, in de allereerste plaats zich weerden, om het
feest zoo goed mogelijk te doen slagen! Flip, de grappenmaker, zette
zelf een koddig vers in elkaar, dat van onzin aan elkaar hing. Maar
er werd toch flink den lof van Sparrenheide in gezongen en dat was
de hoofdzaak. Flip had er urenlang op zitten broeden en er wel vijf
penhouders op stuk gebeten, maar eindelijk had hij toch ongeveer het
volgende vers uit die houtjes gekauwd:
Dames en heeren, het is van daag feest,
Zooals er nog nooit op Sparrenhei is geweest!
Het heeft vandaag al vijf jaren bestaan,
En het gaat nog in lang niet naar de maan,
Als de zon schijnt is het hier mooi weer,
Dikwijls gaan we wandelen met mijnheer,
We hebben hier geen last van ratten of muizen,
Hier zit juffrouw Wieler en dáár meester Hooghuizen.
Sparrenhei is de allerbeste school.
Je eet er havermout, grutten en roodekool,
Dus roept mij nu allen na:
Lang leve Sparrenhei! Hiep hiep hoera!
Hans maakte zich op een ander gebied verdienstelijk.
Hij kocht in Utrecht vuurwerk en verborg dat op een plaats, die alleen
aan hem bekend was. En Rob deed hard mee aan àlles waarvoor zijn hulp
gevraagd werd.
Zoo werkte een ieder aan het welslagen van den grooten feestdag,
toen er opeens iets gebeurde, dat aller aandacht voor een poos van
den 1en Octoberdag afleidde, ja, dat zelfs een groot deel van de
aanstaande feestvreugde dreigde te verstoren!
Barend, die zich zoo uitstekend gedroeg, sinds mijnheer Bergwoude
hem onder zijn bescherming genomen had, woonde nu bij moeder Vorstman
in. De jongen verdiende als tuinman op Sparrenheide vier gulden per
week, die hij aan zijn nieuwe moeder gaf. De arme vrouw, die alleen
leefde van hetgeen haar eigen zoon, die in Amsterdam werkte, haar zond
en van hetgeen haar moestuintje opleverde, was met de komst van Barend
in haar hutje er veel beter aan toe. Want Barend deed veel werk voor
haar, dat haar niet meer zoo gemakkelijk afging als vroeger. Daarbij
at de jongen altijd in de keuken op Sparrenheide en kreeg vaak genoeg
een pak kleeren, zoodat hij haar al heel weinig kostte.
Het arme, tevreden vrouwtje had met dit eenvoudige, sobere leven nog
een rustigen, onbezorgden, ouden dag, vooral waar Barend haar beloofd
had, steeds voor haar te zullen zorgen.
Des morgens was Barend al vroeg op en zette koffie en brood voor
haar en zichzelf gereed. Dan ruimde hij het kamertje op en ging het
moestuintje nazien. Vervolgens begaf hij zich naar Sparrenheide en
bleef daar tot den avond. Dan hielp hij zijn "moeder" weer en las
haar voor.
Het oude huisje, waarin strooper Ranke met zijn zoon had geleefd,
stond thans ledig. Er was nog geen liefhebber voor komen opdagen. De
weinige, armoedige meubelen waren door Barend eruit gehaald; wat nog
bruikbaar was, had hij aan moeder Vorstman gegeven, de rest had hij
tot brandhout gehakt.
Op zekeren avond begaf Hans zich naar Barend, om met hem een aardig
plannetje voor het feest te bespreken. Misschien had Hans dit evengoed
overdag op Sparrenheide kunnen doen, maar in elk geval werd hij daar
door te veel oogen op de vingers gekeken en daarom vond hij het beter,
om zijn plannetje rustig met Barend bij moeder Vorstman te bespreken.
In het dorpje gekomen, passeerde Hans de verlaten woning van Ranke. Tot
zijn groote verwondering meende hij daarin een zwak lichtje te zien
branden, hoewel hij toch zeker wist, dat de hut ledig en onbewoond
was. Hij zag, dat het licht heen en weer ging, alsof iemand met een
kaars door het vertrek ging.
Hij begreep dadelijk, dat het niemand anders dan Barend kon zijn,
die misschien nog het een of ander in de oude woning zocht. En omdat
het hem juist om Barend te doen was, duwde hij de deur van het huisje
open en trad het ledige vertrek binnen. Maar inplaats dat hij Barend
daar aantrof, staarde hij opeens in het schurkachtige gezicht van
diens vader. Het was Ranke, de strooper, van wien iedereen dacht,
dat hij in de gevangenis te Utrecht zat!
Inplaats dat Hans dadelijk vluchtte, bleef hij als aan den grond
genageld staan.