Augustus brak aan met zijn vacantiedagen. Alle leerlingen gingen naar

hunnen ouders en de familie Bergwoude bracht dien tijd te Scheveningen

aan strand en zee door. Op twee September begonnen de lessen weer en

den dag tevoren keerden bijna alle leerlingen weer terug en kwamen

ook enkele nieuwelingen.

Die niet meer terugkeerden, dat waren de oudsten, die alle klassen

doorloopen hadden en degenen, die op Sparrenheide hersteld waren van

hun vroegeren ziekelijken toestand en nu weer het gewone onderwijs

in de stad konden volgen.

Dien eersten September was het dan ook een voortdurend af en aanrijden

van rijtuigen met koffers. Sommigen kwamen uit de richting Hilversum,

anderen weer uit de richting Baarn of Utrecht.

En allen werden door Mijnheer en Mevrouw Bergwoude van harte

verwelkomd. O, instituut Sparrenheide had heelemaal niets van een

gesticht of een kazerne, zooals zoovele kostscholen. Het was er

maar een groote familiekring en daarom waren er ook nooit meer dan

een dertig à vijf en dertig leerlingen. Mijnheer Bergwoude en zijn

vrouw beschouwden zich als vader en moeder van de aan hun zorgen

toevertrouwde jongens en meisjes en daarom werden de meeste maaltijden

ook aan één tafel gebruikt. Door dien maatregel voelden de kinderen

zich op Sparrenheide werkelijk thuis.

Toen Bram dien dag naar het instituut vertrok, was hij toch wel

eerst een beetje weemoedig gestemd. Hij was tot nog toe altijd bij

zijn ouders in huis geweest, had er zijn eigen kamer gehad en was

er door zijn lieve moeder verwend met al de talrijke lieve dingen,

die een goede moeder voor haar eenigen jongen doet.

Maar de ontvangst op Sparrenheide door het echtpaar Bergwoude en

de drie jolige broers was zóó hartelijk, dat Bram het eigenlijk

heelemaal niet meer verdrietig vond. Om hem te plezieren was er op

de kamer van Hans, Flip en Rob een vierde ledikant gezet voor hem,

zoodat hij als het ware heelemaal in het gezin werd opgenomen.

Hij had een grooten koffer met allerlei snuisterijen van zijn kamer

meegebracht, die de bewondering der broers wekten. Zij hielpen hem

bij het uitpakken en daarbij bleek, dat Bram voor ieder een cadeautje

had meegebracht.

Hans kreeg een prachtig inktstel, Flip een juweel van een verfdoos

en Rob een keurig plantenalbum.

Zóó deed Bram zijn intocht op de jongenskamer, waar hij zóó door

allerlei dingen in beslag genomen werd, dat hij geen tijd had om

treurig te zijn over de verandering in zijn leven.

Den volgenden morgen, waarop de lessen weer een aanvang zouden nemen,

was Flip het eerste wakker.

Hoewel het verplichte uur van opstaan pas om zeven uur was, waren

Hans en Flip meestal een uur te voren al op de been.

Rob niet. Rob stond geen minuut eerder op dan zeven uur, al gooiden

ze twintig kopjes water op zijn hoofd.

Maar met Bram was dat een ander geval.

Flip trok den slapenden makker even aan den neus.

"Hola, mijn roode broeder Arendsoog!" riep hij. "Het Groote licht staat

al hoog aan den hemel! De Mohikanen wachten u, dapper opperhoofd. Zij

hebben de strijdbijl opgegraven!"

Bram knorde eens en deed loom de oogen open.

"Wa ... wat kletsen jullie ... 'k heb zoo'n slaap."

"De bleekgezichten bestormen de wigwams, zij hebben een verbond

gesloten met de Comanchen," zei Hans.

"M'n zorg," bromde Bram en draaide zich om.

"Nee, om den drommel niet, Arendsoog!" zei Flip, "ben je heelemaal

besuikerpeerd, zóó zijn we niet getrouwd! Och Hans en Rob helpen

jullie eens even. We zullen het slaperige opperhoofd even met de

dekens en al op het balcon leggen.

De drie broers sjouwden Bram met dek en al naar buiten. Maar Bram trok

zich daar bitter weinig van aan en sliep rustig door. Maar toen Hans

en Flip een soort Indiaansche oorlogsdans om hem heen uitvoerden en

hij bij die bewegingen nog al eens in aanraking met hun voeten kwam,

werd het hem toch al te bar. Hij sprong ineens overeind en trok ze

allebei op den grond, rolde langs het heele balcon met hen over den

vloer en maakte een spektakel, dat alle deuren opengingen en de pas

ontwaakte jongens met verbazing keken naar die gekke vertooning!

Bram was onder die bedrijven geheel wakker geworden. Toen hij zich

gewasschen en gekleed had, ging hij met Hans en Flip eens den tuin

in. Daar liep ook een andere nieuweling, die Gerard Beker heette.

Flip, de eeuwige clown, had dadelijk weer een nieuwe grap in 't hoofd.

"Zeg," sprak hij tot Bram, "dat is ook een nieuwe jongen. Hij is

stokdoof. Als je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen."

"Zoo," zei Bram, "ik zal er aan denken."

Tien minuten later--Bram liep met Hans in 't aangrenzende bosch--zag

Flip Gerard Beker op een andere plaats in den tuin.

"Die nieuwe jongen van daarnet heet Bram Verhallen," zei hij, "als

je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen, want hij is stokdoof."

En Flip verdween, maakte een omweg en zorgde, dat Bram weer in de

buurt van Gerard kwam. Daarop ging hij met Hans weg, doch zorgde wel,

in de buurt te blijven.

Bram keek Gerard eens aan en glimlachte.

Gerard glimlachte uit beleefdheid terug.

"Goeienmorgen!!!" schreeuwde Bram, "heb je goed geslapen!!!"

"Jáááá!!" gilde Gerard terug. "Jij óóóóók??!!"

Achter een denneboschje knepen Hans en Flip zich de neuzen dicht van

het lachen.

"Ik heet Verhallen!!" brulde Bram weer, die verbaasd was, dat de

ander zoo schreeuwde.

"En ik heet Bééééker!!!" loeide Gerard, die 't evenmin snapte, waarom

Bram ook zoo hard riep.

"Je hoeft niet zoo hard te schreeuwen!!" gilde Bram.

"Jij ook niet! Ik ben niet dóóf!!!"

Toen was er aan beide kanten enorme verbazing.

"Die is goed!" zei Bram op gewonen toon. "Ik dacht, dat je stokdoof

was!"

"Ben jij het dan niet?" vroeg Gerard.

"Net zoo min als jij," zei Bram. "Dat heeft Flip ons gelapt! Ik zal

het hem betaald zetten!"

Daar kwam Bosman, de oude, doove huisknecht.

"Hebben de jongeheeren al ontbeten?" vroeg hij.

"Neen," antwoordde Gerard, "waar moeten wij zijn?"

"Wijn? Neen, u krijgt geen wijn," zei Bosman, die natuurlijk weer

verkeerd had verstaan.

"Dat zeg ik niet," lachte Gerard, "ik vraag, wáár moeten wij zijn?"

"Foei, ben ik een zwijn? Mag u dat zeggen?"

"Die schijnt ook al doof te zijn," sprak Gerard tot Bram.

Bram lachte.

"Ja, maar Bosman is het heusch! Kom maar mee, ik weet hier den

weg wel."

In de eetzaal zag het er gezellig uit. Er waren twee tafels. Eén

voor de meisjes, één voor de jongens. Daar tusschen in de heer en

mevrouw Bergwoude.

Mijnheer Bergwoude verwelkomde de leerlingen op dezen eersten morgen

van den nieuwen cursus. In het bijzonder de nieuwelingen. Hij hoopte,

dat zij spoedig zich op Sparrenheide zouden thuisvoelen. En het beste

middel daartoe was, om in de eerste plaats zooveel mogelijk te eten

en altijd een prettig gezicht te zetten. De rest kwam vanzelf wel.

Na het ontbijt nog even rondwandelen en om negen uur begon de school.

Bram kwam in dezelfde klasse van Hans. Zij kwamen naast elkander

te zitten.

En dadelijk al bemerkte Bram, dat het leeren hier veel lichter

en gemakkelijker ging dan op zijn vorige school. Het ging wel

heel langzaam, maar hij begreep alles veel beter en dat vond

hij prettig. De les duurde tot 11 uur en toen gingen ze een uur

in het bosch spelen. Van 12-1 was er weer les en daarna werd het

middagmaal gebruikt. Wie er lust in had, mocht ook om 11 uur in het

pauze-uurtje iets gebruiken. Toen het eten was afgeloopen, werd er

tot 3 uur liggend gerust. Bram kreeg een hangmat en bond die aan twee

boomen. Dat rustuurtje vond hij heerlijk en hij sliep, eer hij het

wist. Dat kwam van de boschlucht.

En na dat slaapje, dat tot 3 uur duurde, kwam er iets aardigs. Bram

werd ingedeeld bij een clubje jongens, die handenarbeid gingen doen,

en wel het leeren timmeren van houten voorwerpen.

Meester Hooghuizen was in het slöjdwerk zeer bedreven. In de zaal,

waar de jongens timmeren konden, waren tal van aardige dingen

tentoongesteld, die de leerlingen vroeger al hadden gemaakt.

Dat was iets nieuws voor Bram. Hij vond het zeer prettig en deed zijn

best, alles goed te onthouden. En wat de leerlingen vervaardigden,

mochten zij zelf behouden of het aan hunne ouders sturen.

Dat timmerwerk duurde ook al weer een uur en daarna ging het groepje

in den tuin werken.

Wéér iets nieuws voor Bram, thuis had hij altijd met veel genoegen in

den tuin gewandeld of gezeten, maar die werd steeds in orde gehouden

door een vasten tuinman, en Bram had nog nooit een boompje geplant

of een zaadje uitgestrooid.

Nu hij dat zelf allemaal doen mocht, vond hij het plantenrijk nog

veel aardiger en leerde hij de boomen en de bloemen liefhebben en ze

verzorgen als hulpbehoevende kindertjes.

Na den tuinarbeid mocht hij wat gaan lezen in een boek, dat mijnheer

Bergwoude hem gaf. En als huiswerk had hij op zijn kamer twee sommen

te maken. Dat was alles.

Om zeven uur werd het avondeten gebruikt. Vroeger at men het

middagmaal om zes uur, maar met den nieuwen cursus had de directeur

daarin verandering gebracht. Men at om 1 uur en om 7 uur werd de

avondboterham gebruikt. Evenals in de morgenrust konden de leerlingen

ook tusschen 3-5 uur iets gebruiken, als zij daar trek in hadden,

wat bij de meesten dan ook steeds het geval was.

Om acht uur kwamen ze buiten het huis in den tuin bijeen voor het

gewone verteluurtje. Meester Hooghuizen begon dien avond met een

prachtige vertelling.

En toen Bram na dien eersten kostschooldag in bed stapte, moest hij

erkennen, dat alles even prettig was geweest. De schoolles zoowel

als de handenarbeid en het tuinwerk, de gezellige maaltijden, en het

heerlijke verteluurtje! En met het heerlijke, rustige gevoel, dat

hij nu eens niet zoo zenuwachtig-hard behoefde te blokken, maar toch

kalm voortleeren kon, sliep hij in met een glimlach van tevredenheid

om den mond.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

WAT HANS VAN PLAN WAS.

Bram ontwaakte den tweeden morgen veel vroeger nog dan Hans en

Flip. Nadat hij zich gewasschen en gekleed had, ging hij een brief

aan zijn ouders schrijven.

Deze luidde aldus:

Instituut Sparrenheide

3 September 19..

Lieve Vader en Moeder,

Ofschoon ik pas twee dagen hier ben, kan ik toch niet nalaten

U beiden eens even te vertellen, hoe prettig ik het hier

vind. Iedereen is even aardig en vriendelijk voor mij en de

eerste werkdag is voor mij een plezierdag geweest. Wel is er nog

veel nieuw voor me en ongewoon, maar het zal wel gauw wennen. Ik

ben op dezelfde kamer met Hans, Flip en Rob en terwijl ik dit

schrijf liggen zij alle drie nog te snurken. Ik mis U beiden

wel en telkens verlang ik toch zoo naar U, maar ik kom elken

Zondag naar U toe en zoo zie ik U toch elke week. Je leert hier

zoo van alles en dat is heel prettig. Gisteren heb ik les gehad

in timmeren en ook hebben we tuinarbeid gehad. Op het oogenblik

weet ik niet meer. Nu dag beste vader, dag lieve moeder, ik hoop

U Zondag veel te kunnen vertellen.

Weest hartelijk gegroet van Uw éénen jongen

Bram.

Toen de brief klaar was, deed Bram hem in een enveloppe en schreef

het adres er op. Daarna ging hij den tuin eens in. Hij hoorde, dat

iemand aan het harken was. Dat zou wel een tuinman zijn en hij besloot,

eens een praatje met hem te maken.

Het was echter geen man, maar een jongen.

Bram wist eerst niet, wie zijn oogen daar zagen!

En toch--het wàs zoo!

Barend van de Lage Vuursche!

Nu keek ook deze op.

De twee jongens zagen elkander een oogenblik aan. Bram had er niet

eens meer aan gedacht, dat hij Barend hier zou ontmoeten.

"Dag Barend," zei Bram, toen hij wat over zijn eerste verbazing

heen was.

"Dag ... Bram."

Ze waren verlegen met elkander.

"Ben je ... ben je aan 't harken?" vroeg Bram nogal onnoozel.

"Ja."

"Bevalt het je hier goed?"

"O ja ... ik ... ik woon bij moeder Vorstman."

"Dat heb ik gehoord. Willen we vrienden wezen, Barend?"

De tuinmansjongen keek Bram eerst ongeloovig aan, toen stak hij beide

handen uit en zei: "Graag!"

Daarop vertelde Barend, dat mijnheer Bergwoude hem nu les gaf en dat

hij landbouwkundige wou worden. Bram vond hem een flinken vent en

zei, dat-ie maar goed op moest passen. Toen kwamen daar juist Hans

en Flip aan.

"Je moet bepaald eens op de Vuursche komen," zei Barend tot Hans. "De

veldwachter heeft het al wekenlang over je."

"Over mij?" vroeg Hans verbaasd.

Hij wist niet, dat hij iets met Bunze aan den stok had.

"Ja," vervolgde Barend. "En dan vertelt-ie van boschgeesten bij

Drakenstein en zegt, dat je ze ook gezien en gehoord hebt."

Nu begon Hans hartelijk te lachen.

"Die domme Bunze!" riep hij vroolijk uit. "O, o, wat laat die man

zich toch beetnemen!"

"Is dat niet veldwachter Buikje?" vroeg Bram. "Ik heb hem tenminste

zoo wel eens hooren noemen."

"Ja," zei Hans, "het is een type." En hij vertelde Bram de avonturen

van Bunze en de boschgeesten.

"Bunze is buitengewoon bijgeloovig," besloot hij "en vooral oude

legenden en vertellingen kun je hem wijsmaken, zoo gek als je ze zelf

maar verzinnen kunt. Hij is een geweldige dienstdoener. Maar zeg eens,

Barend, wat vertelt Buikje toch van me?"

"O," zei Barend, "het is om je ziek te lachen. In het bosch zijn drie

geesten, zegt hij, de geesten van drie roofridders, die in de Grot

wonen. Hij heeft ze zelf gezien toen hij met je in het bosch was. En

hij vertelt dat aan iedereen en als je in 't dorp komt, zal hij je

tot getuige nemen."

"En gelooven de menschen dat?"

"Niet allemaal. Maar de meesten wel. Ik lach er om. Bunze moet trouwens

heelemaal niets van mij hebben. Hij is mijn vriend niet en ik wou,

dat de burgemeester een ander nam. Hij behandelt mij nog precies

eender als vroeger en spreekt tot iedereen kwaad van me."

"Ik zou ook wel eens zoo'n grap willen bijwonen," zei Bram. "Maar

zijn jullie niet bang, het is toch een veldwachter?"

"Och kom," zei Hans, "het is volstrekt geen kwade kerel, al kijkt

hij wat leelijk. Maar ik kan 't nou eenmaal niet laten, om hem af

en toe eens te plagen. En dat kwaadspreken van Barend zullen wij hem

wel eens afleeren."

"Hoe wou je dat doen?"

"Dat is mijn geheim. Vanavond zal het gebeuren. Heb je zin om mee te

gaan, Bram?"

"Asjeblieft, wàt graag!"

"Goed, afgesproken. Ik zal aan Vader vragen, of we een half uurtje

later mogen thuiskomen. Stil, daar heb je de andere jongens. Niets

zeggen, hoor!"

Dien middag sprong Hans op de fiets en reed naar het dorp. Hij

wilde Bunze wel eens spreken. Maar de veldwachter was daar niet,

deed waarschijnlijk een rondwandeling door zijn bosschen.

Daarom nam Hans de fiets bij de hand en kuierde er het bosch mee

in. Het duurde niet lang of hij bemerkte Bunze op eenigen afstand. Hij

sprak hardop tot zichzelf en scheen nogal opgewonden.

Daar vloog Hans een klein vliegje in den neus en "Hatsjie!!!" niesde

hij opeens.

Veldwachter Bunze vloog overeind.

"Alle duivels, wie waagt het ... O Hans, ben jij het! Wat laat je

mij schrikken!"

"Goeienmiddag, mijnheer Bunze," zei Hans lachend, "ik ..."

"Hoor eens Hans," zei de veldwachter. "Laat dat, "mijnheer" nu maar

weg. Dat behoef jij niet tegen mij te zeggen."

"O, erg prettig, dank-je wel," zei Hans. "Maar ik moest je even

spreken, Bunze. Laten wij hier even gaan zitten."

De veldwachter stelde onbepaald vertrouwen in Hans, die zooveel wist

van oude geschiedenissen van het slot.

"De geest van Rador is bij mij geweest," zei Hans ernstig.

Bunze zette groote oogen op.

"Gisteravond acht uur zat ik in een stil hoekje van den tuin,"

fantaseerde Hans, en onder het vertellen kreeg hij een prachtig

idee voor zijn plan, "toen ik opeens een witte gedaante op mij af

zag komen. Ik schrikte eerst wel een beetje, maar toen hoorde ik een

stem: "Wees niet bang, jongmensch, ik ben Rador, de roofridder." Je

begrijpt, Bunze, hoe interessant ik dat vond en ik zeide: "Goed, ik

zal niet bang zijn." "Luister dan," zei de geest. "Ga morgenmiddag naar

veldwachter Bunze van de Lage Vuursche en zeg, dat hij mijn vriend is.""

"Zei de geest dat?" vroeg Bunze aangenaam gestreeld.

"Ja, dat zei hij. "Veldwachter Bunze is mijn vriend," sprak hij

verder. "Ik zal hem gelukkig maken, maar hij moet precies doen, wat ik

hem gebieden zal. Ik weet, dat hij graag burgemeester wil worden. Goed,

zeg hem, dat hij dit worden zal, als hij mij gehoorzaamt." Luister,

Bunze. Toen zei de geest van Rador: "zeg aan veldwachter Bui--Bunze,

dat hij vanavond om acht uur moet zijn vóór het huis van de weduwe

Vorstman. Daar mag hij mij roepen.""

"En--en hoe zal ik hem roepen?" vroeg Bunze, die het begon te gelooven.

"Ja, dat is juist het moeilijke," zei Hans, "dat is zoo heel

gemakkelijk niet. Kunt gij hard schreeuwen, Bunze?"

"Dat zal wel gaan, denk ik."

"Mooi, dan moet ge zoo hard mogelijk roepen: "Geest van ridder Rador,

hier ben ik!"

Hans bleef nog eenigen tijd met Bunze praten en maakte hem allerlei

onzinnige boschverhalen wijs, die de veldwachter volstrekt niet in

twijfel trok, integendeel, hij vond ze zeer mooi en vertelde aan Hans,

dat hij "spiritus" was.

"Spiritist zal je bedoelen," zei Hans lachend.

"Ja juist."

Kort daarna stapte Hans verder. Hij drukte den veldwachter op het hart,

toch vooral op tijd te zijn en zich stipt aan de order van den geest

van ridder Rador te houden.

Buiten het bosch stapte Hans op de fiets en reed naar vrouw Vorstman,

die op een bank vóór haar huisje te breien zat. Na de eerste begroeting

vertelde Hans haar, welke grap hij met den veldwachter wilde hebben.

"Kijk eens hier, vrouw Vorstman," sprak hij, "Barend past tegenwoordig

uitstekend op, nietwaar, hij doet goed zijn best. Maar Bunze beschouwt

hem nog altijd als den wilden ondeugenden boschjongen, die tot niets

goeds in staat is en alleen maar allerlei kattekwaad uithaalt."

"Daar weet ik van mee te praten," zei vrouw Vorstman. "Bunze komt

zoo af en toe wel eens hier, maar hij heeft nooit een goed woord voor

Barend. Altijd schelden en razen op hem. En hem verwijten, dat zijn

vader in de gevangenis zit. Daar doet Bunze heel leelijk aan."

"Juist," zei Hans, "en dat willen wij hem nu eens afleeren."

"Nu moet ge met Barend alvast maar eens aan de menschen gaan zeggen,

wat er vanavond gebeurt. Maar zeg er bij, dat ze vooral stil moeten

zijn en zich moeten houden, alsof ze ook gelooven dat het allemaal

waar is. Ik speel voor den geest van Rador en kruip op uw vliering

voor het raampje, vrouw Vorstman. Ge zult er wat van beleven!"

"Och och," lachte vrouw Vorstman, "hoe is het toch mogelijk, dat zoo'n

groote kerel zich zóó laat beetnemen. En gelooft hij dat nu allemaal?"

"Of hij het gelooft?" riep Hans uit. "Zeg hem maar niet, dat het maar

onzin is, want hij vindt het zelf veel te mooi om het niet als wáár

en echt aan te nemen. Maar denk er om, vrouw Vorstman, dat ge zelf

óók doet, of het zoo is. Ge moet voor vanavond ook maar eens aan de

boschgeesten gelooven."

"Ik zal mijn best doen," zei het vrouwtje. "Ik ben toch benieuwd,

hoe dit afloopt, jongeheer Hans. Pas maar op, dat Bunze jullie toch

niet te slim af is."

"O, dat zullen we wel zien."

Daarop nam Hans afscheid van vrouw Vorstman en peddelde naar

Sparrenheide terug, om er Bram verder met zijn plannen op de hoogte

te stellen.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

HANS GRAAFT EEN KUIL VOOR BUNZE, DOCH VALT ER ZELF IN.

Dien avond gingen vijf jongens van Sparrenheide naar het dorp. Het

waren Hans, Flip, Rob, Bram en Barend.

Hans installeerde zich op de vliering bij het dakraampje, dat aan

den voorkant van het huis was. Hij scharrelde daar wat ouden rommel

op, onder andere een stuk kachelpijp, wat losse turven en wat oude

aardappelen en legde dat alles bij elkaar onder het raampje. Hij

plaatste zich nu zóó, dat hij goed kon zien, wat er buiten voorviel,

maar dat van buiten af niemand hem zien kon. Daarna gaf hij Bram,

die met Flip en Rob in de buurt bleef en ook het zijne er toe moest

bijdragen om de grap zoo goed mogelijk te doen slagen, nog eenige

aanwijzingen. De buren, die wel zoo iets gehoord hadden van wat er

gebeuren zou, zaten voor de deuren hunner woningen en lachten al

bij voorbaat.

Het werd acht uur, vijf, ... tien minuten over achten, maar wie ten

tooneele verscheen, de veldwachter niet.

Zou hij niet komen?

Kwart over acht ... de menschen werden ongeduldig en de jongens

dachten reeds, dat Bunze inmiddels wijzer geworden was ... daar kwam

de veldwachter eindelijk aan!

Ieder hield zich van den domme en deed, of er niets bijzonders op

til was.

Toen veldwachter Bunze op het punt stond, zijn woning te verlaten,

passeerde daar juist meester Hooghuizen.

Meester Hooghuizen was dien avond na het eten het bosch in

gewandeld. Hij hield veel van de bosschen en bracht er zijn

meeste vrije uren door om er te wandelen of te lezen. Soms ging

hij in gezelschap van een paar jongens. Dan luisterde hij naar hun

gesprekken en deed vaak met hen de dolste spelletjes. De jongens

hielden dan ook veel van hem, hij was meer hun groote vertrouwde

vriend dan hun meester. Dat wil nu ook weer volstrekt niet zeggen,

dat zij daarom maar alles met hem konden doen, wat zij wilden. Wel

hield meester Hooghuizen van een grapje, maar het mocht niet te

ver gaan. De jongens kwamen bij hem met al hun groote en kleine

geheimpjes en verdrietjes, en hij wist hen altijd troost te brengen

of hun zaken in orde te maken. En dezen avond zou hem die vriendschap

voor de jongens uitstekend van pas komen. De heer Hooghuizen liep even

het huisje van den veldwachter binnen en keek niet weinig verbaasd,

toen hij Bunze in groot tenue gereed zag om uit te gaan.

"Wat nu, Bunze, feest vanavond?"

"Neen meester, ik ga naar ... ik zal maar zeggen naar ridder Rador."

De zuster van Bunze, een bejaarde, maar zeer verstandige vrouw,

begon te lachen.

Meester Hooghuizen was een en al verbazing.

"Ridder Rador?" vroeg hij. "Waar woont-die?"

Bunze's zuster tikte op haar voorhoofd.

"Rador behoort bij de boschgeesten," zei Bunze, "weet u dat dan niet?"

"Hoor eens Bunze," zei de onderwijzer, "ik ben een eekhoorn als

ik er wat van begrijp. Wie is ridder Rador? En wat praat je toch

van geesten?"

"U hebt toch wel eens gehoord van de drie geesten uit het bosch van

Drakenstein?"

"Neen, nooit. Zijn die daar misschien pas losgelaten?"

"Losgelaten? Het zijn geen wilde beesten!" zei Bunze.

Meester Hooghuizen lachte, zoowel om den veldwachter als om diens

zuster, want die wees weer met den vinger op haar voorhoofd en zei:

"Waarachtig waar, meneer Hooghuizen, als je niet beter wist, zou je

zeggen, dat mijn broer niet wijs was. Zeg ù nou eens, meneer, is dat

nou geen onzin met die geesten in 't bosch? Eerst hebben we dat grappie

'n week of wat geleden gehad. Toen had-ie de boschgeesten gezien!"

"Ach jij," mopperde Bunze, die het niet velen kon, dat zijn zuster

hem nog als een stoute jongen beknorde.

Meester Hooghuizen verkneuterde zich in 't geval en had pret voor zes.

"Nou afijn," vervolgde juffrouw Bunze, "stel u nou voor, meneer,

dat-ie vanavond z'n Zondagsche uniform aangedaan heeft en z'n witte

handschoenen! Ik zeg, waar moet dat heen? Naar de boschgeesten,

zeit-ie, want die zullen vanavond verschijnen."

"Maar wat moet er dan toch gebeuren?"

"Laat mij nu verder vertellen, Mie," zei Bunze, "want daar weet jij

niks van. Nou dan, meneer, Hans had me gezegd, dat de geest van Ridder

Rador me moest spreken."

Meester Hooghuizen nam gauw zijn zakdoek en begon zijn neus te snuiten,

maar in werkelijkheid wist hij geen raad van het lachen. Hij begreep

direct, dat Hans hier weer aardig aan den gang was geweest.

En daarop verhaalde Bunze, wat er voor het huisje van vrouw Vorstman

moest gebeuren.

"Nou, daar heit u nou 't heele paskwil," lachte zus Mie, "is dat nou

niet treurig, meneer, dat die man dat nou allemaal gelooft? Die Hans

heit je te pakken gehad, broer. En leelijk ook."

De meester vond het een onbetaalbare grap, doch vond tevens, dat het

nu genoeg was en hij er maar eens een einde aan moest maken.

"Hoor eens, Bunze," sprak hij, "die Hans is een geduchte grappenmaker."

"Maar ..."

"Heb je vroeger wel eens boschgeesten gezien?"

"Neen .... gezien niet, maar daarom bestonden zij toch wel!"

"Heelemaal niet. En hoe heb je ze 't eerste gezien? Wie heeft je

verteld, dat ze te zien waren?"

"Wel, Hans. Die zat aan een groepje jongens een verhaal te vertellen

van de broeders Wer en Ner en den roofridder Rador die door een draak

verslonden werd."

"Onzin. De broeders Wer en Ner zullen wel bestaan hebben, vandaar dat

je hier nog de Wernershoeve hebt. Maar dat van dien draak en ridder

Rador zal wel jongensverzinsel zijn. Trouwens, ik heb indertijd van

die grap gehoord, maar ik dacht niet, Bunze, dat je zóó vreeselijk

bijgeloovig zoudt zijn, om al die dwaasheid te gelooven!"

De veldwachter zag zijn geloof in de boschgeesten als een ruïne

in puin vallen en zijn verbazing daarover maakte al spoedig plaats

voor woede. Wat, die kwajongens durfden hem zóó belachelijk maken,

zóó bespotten? Neen maar, hij zou ze dat eens afleeren!

Instituut Sparrenheide · 第 7 / 9 段