staarde hij dezen een oogenblik verbijsterd aan, maar toen blies hij
snel de kaars uit, wierp zich op Hans en overmeesterde hem, voor de
jongen tijd had, zich te verweren. Maar Hans was sterk en Ranke had
zijn handen vol aan hem, vooral omdat hij hem met één hand den mond
moest dichthouden en met de andere bedwingen. Toch bleek de strooper de
sterkere. Hij bond Hans een vuilen doek om den mond en haalde daarop
een lang touw uit zijn zak, waarmede hij hem aan handen en voeten
bond! Toen sleurde hij den weerloozen knaap in hetzelfde turfhok,
waarin hij vroeger Barend had opgesloten, en deed er den grendel
voor. Daarop verdween hij ....
Dienzelfden avond las mijnheer Bergwoude, aan zijn schrijftafel
gezeten, het volgende bericht in het Handelsblad:
Men schrijft ons uit Utrecht:
Bij de overbrenging van twee gedetineerden uit de strafgevangenis
alhier naar het station, alwaar zij onder geleide van twee
marechaussees naar Leeuwarden zouden vertrekken, wist een hunner,
de beruchte strooper en inbreker R.--wonende te Lage Vuursche, aan
zijn geleider te ontsnappen. De arrestant vluchtte een openstaand
huis in en is vermoedelijk over de daken ontkomen. Het vervoer
van den anderen gevangene is nu uitgesteld, totdat de eerste
zal teruggevonden zijn. De politie stelt een streng onderzoek
in naar den vluchteling, die vermoedelijk nog wel binnen Utrecht
verblijf houdt.
Mijnheer Bergwoude las dit bericht met begrijpelijke verbazing en
spoedig was dat nieuwtje het onderwerp van dien avond geworden. Weinig
dacht de vader er aan, dat op ditzelfde oogenblik zijn zoon Hans in
handen van den gevreesden kerel gevallen was!
Intusschen had Ranke niet de bedoeling, den jongen ook in het minst
eenig leed te doen. Hij was alleen in zijn oude woning gekomen,
gebruik makende van het avonddonker, om er eenige kleedingstukken
te halen. Maar tot zijn groote verwondering had hij de hut totaal
leeg gevonden. De plotselinge verschijning van Hans had hem eerst
heelemaal van streek gebracht, maar de snel-opkomende gedachte, dat
de jongen zijn aanwezigheid alhier verraden zou, deed hem plotseling
op Hans toevliegen om hem onschadelijk te maken.
Ranke verschool zich in de bosschen en wachtte er een gunstige
gelegenheid af om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen.
Groote ongerustheid heerschte er op Sparrenheide!
Hans was nog steeds niet teruggekeerd, hoewel de klok reeds tien
uur wees!
Had de jongen het soms in zijn hoofd gekregen, om bij Barend te
overnachten?
Was hij verdwaald?
Maar neen, zoowel het een als het ander was ondenkbaar. Hans zou nooit
uitblijven zonder toestemming zijner ouders. En voor verdwalen bestond
ook weinig grond, in de eerste plaats was het vrij helder weer en in de
tweede plaats kende Hans den weg in de bosschen als in zijn eigen huis.
Toen het al later en later werd, stegen mijnheer Bergwoude en meester
Hooghuizen op de fiets en reden naar het huisje van vrouw Vorstman.
De oude vrouw was al naar bed, maar Barend zat nog te lezen.
"Is mijn zoon Hans hier?" vroeg mijnheer Bergwoude, toen hij met den
meester aangeklopt had.
"Hans?" riep Barend verbaasd uit. "Nu nog? Hij is hier den heelen
avond zelfs niet geweest!"
"Nièt geweest? Hij is toch om zeven uur al hierheen gegaan."
Barend schudde het hoofd.
"Dan zou ik hem toch moeten gezien hebben," zei hij beslist. Nu steeg
de ongerustheid van den vader tot angst.
Hij keerde weer naar Sparrenheide terug, in de hoop, dat Hans daar
inmiddels mocht aangekomen zijn, maar niemand had hem teruggezien!
Opnieuw werd er een leerling vermist, en ditmaal mijnheer Bergwoude's
eigen zoon!
Niemand der grooten sliep dien nacht.
De arme vader, de meester en Barend, zelfs de oude, doove Bosman,
zij allen gingen, gewapend met lantaarns, het bosch in.
Maar Hans werd niet gevonden.
Diep-ongelukkig keerde mijnheer Bergwoude naar huis terug, vond
er zijn vrouw weenende en wist weinig of niets te zeggen, dat haar
eenigen troost geven kon.
Barend had het zoeken het langst volgehouden. Toen het licht begon
te worden, liep hij nog van de eene boschlaan in de andere. Hij
was doodmoe.
Eindelijk gaf hij het op.
Hij keerde naar de woning van moeder Vorstman terug. En nu gebeurde
met hem bijna hetzelfde, wat den vorigen avond Hans overkwam.
Hij passeerde zijn oude hut.
En zag, dat de deur op een kier stond.
Dat was nu zoo heel vreemd niet, want die deur had niet eens meer
een behoorlijk slot en kon dus best opengewaaid zijn. Maar Barend was
teveel een natuurkind, dan dat hij niet dadelijk zich herinneren zou,
dat het heelemaal niet gewaaid had. Toch vermoedde hij niets bijzonders
en trad op de deur toe, om die te sluiten!
Even keek hij nog naar binnen, en...
Wat drommel hoorde hij nu? Was er iemand in?
Hij luisterde nog eens. Jawel! daar schopte iemand tegen een
deur. Barend kende dat geluid en had in een ondeelbaar oogenblik de
deur van het turfhok geopend.
"Hans!"
Met een kreet van vreugde begroette hij den verloren makker, bevrijdde
hem van doek en touwen en hoorde dan tot zijn grooten schrik, dat
zijn vader ontvlucht was!
Maar dadelijk gingen zij naar Sparrenheide.
Als met tooverslag veranderde daar de droefheid in groote vreugde!
Toen de telegrambesteller dien morgen den burgemeester het bericht
bracht, dat Ranke ontvlucht was, liep Bunze door het bosch en deed
er zijn gewone ronde. Bij de grot gekomen, bleef hij eensklaps staan.
Snurkte daar iemand? Hij trad op de teenen nader en ontdekte den
slapenden Ranke. Bunze dacht eerst weer met een geest te doen te
hebben, maar omdat hij daar niet meer aan geloofde, gaf hij ineens
gevolg aan een ingeving.
Hij haalde kalm zijn stalen handboeien tevoorschijn en schoof die
om de polsen van den rustig slapenden strooper. Vervolgens haalde
hij zijn revolver te voorschijn, waar hij nog nooit van zijn leven
mee geschoten had, omdat de gemeente hem doodeenvoudig geen patronen
verschafte en riep met daverende stem:
"Ranke! In naam van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden neem
ik U gevangen!"
De vluchteling sprong verschrikt overeind.
Hij voelde zich tot zijn groote verbazing stevig geboeid en zag den
loop van Bunze's revolver op zich gericht.
Tegenstand was nutteloos en de strooper liet zich gewillig door den
dikkerd meevoeren, die als een overste in den paradepas naast zijn
arrestant liep!
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
BESLUIT.
Nu alles zoo goed afgeloopen was, de goeden konden beloond worden en
de kwaden gestraft, was er ook geen bezwaar meer om het feest van den
eersten October zoo luisterrijk mogelijk te vieren. Gelukkig was het
prachtig weer.
Precies om acht uur des morgens werden onder het spelen van het
Wilhelmus de vlaggen uitgestoken van huis en schoolgebouw. Wat zag de
tuin, wat zag de weg er feestelijk uit! Overal slingers van oranje en
rood-wit-blauw, overal lampions. En aan den hoofdingang een magnifieke
eerepoort. Allen waren met de nationale kleuren getooid en reeds
dadelijk was er de rechte, feestelijke stemming in. Na het ontbijt
stelde de muziek zich aan het hoofd van den stoet jongens en meisjes,
die vlaggen, vaandels en schilden droegen. Het was allerleukst!
De een had op zijn oranje-schild het portret van mijnheer Bergwoude, de
ander droeg een vaandel met het opschrift: Leve Sparrenheide! Een derde
had er in 't geheim opgeplakt: Meester H. gaat nooit verloren! terwijl
zijn buurman heel nuchter er naast liep met een schild: Falderalderire!
De kleurige, fleurige stoet ging onder 't spelen van vroolijke
marschen, voorafgegaan door de gehuurde muzikanten naar het dorp. Daar
stelde veldwachter Buikje zich aan het hoofd van den optocht als
of hij een paar duizend menschen op zij moest houden! Hij werd met
algemeen gejuich begroet en werd dadelijk door mijnheer Bergwoude
uitgenoodigd, het feest op Sparrenheide te komen bijwonen. Ook Barend
en moeder Vorstman hadden zulk een uitnoodiging aan te nemen.
Des morgens om 10 uur vertrok een clubje jongens per auto, die ook
al met vlaggen beplant werd, naar het station te Baarn, om daar de
oudleerlingen af te halen. Tegen twaalf uur was het heele feestvierende
gezelschap present en nu kon de algemeene vreugde eigenlijk pas een
aanvang nemen.
Toen allen aan den feestdisch bijeenzaten, stond mijnheer Bergwoude
op en zei:
"Vrienden! Wat is het vandaag een heerlijke dag! Ik zie rondom mij
niets dan vroolijke gezichten en dat is geen wonder. Bijna allen,
die hier bijeen zijn, hebben meer of minder jaren op Sparrenheide
door gebracht en kennen het leven hier. En allen verheugen zich er in,
dat zij thans het feest van het vijfjarig bestaan onzer school mogen
meevieren! En nu is het niet mijn bedoeling, om lang en breed over
ons werk te praten, want we zijn hier om feest te vieren. Maar ik wil
er alleen op wijzen, dat we vandaag dubbel en dwars reden hebben tot
feestvieren! Een paar dagen geleden, misschien hebt ge er vandaag al
met een enkel woord over hooren spreken, verkeerden we in angst en
droefheid. Eerst werd er een onzer meisjes vermist, die tijdens een
onschuldig spelletje in het bosch verdwaald was. Gedurende een hevig
onweer hebben meester Hooghuizen en een paar flinke jongens haar in 't
stikdonkere bosch weten te vinden en haar veilig onder dak gebracht. En
kort daarop werd onze beste Hans door een ontvluchten gevangene
overrompeld en opgesloten. Op zijn beurt is Hans gevonden door Barend,
terwijl onze dappere gemeenteveldwachter Bunze den gevangene weer wist
te kerkeren. Al deze gebeurtenissen geven de viering van ons feest
een blijder glans. Dus, vrienden, viert vroolijk feest, geniet zooveel
mogelijk en roept allen met mij een driewerf hoera voor Sparrenheide!"
Daverend gejuich klonk omhoog. Daarna mocht ieder toasten. Flip kwam
met zijn onzin-gedicht voor den dag en daar werd me wat om gelachen!
Meester Hooghuizen had een feestlied gedicht op de wijze van "In
naam van Oranje." Het werd aan allen uitgedeeld. Mevrouw speelde op
de piano en daar klonk het uit wel honderd kelen:
Zeg jongens, hoe leuk is het hier toch vandaag!
Wat vieren we vroolijk toch feest!
En d'oud Sparrenheiders, ze kwamen wat graag,
Ze zijn ook zoo lang hier geweest!
Wij allen zijn vroolijk, wij allen zijn blij,
Omdat wij zoo houden, geloof het maar vrij,
Omdat wij zoo houden van Sparrenhei,
Van 't jarige Sparrenhei!
Wie wil nog eens hooren van wat hier gebeurt,
Van 't leuke, gezellige werk?
Hier wordt niet gekniesd en hier wordt niet getreurd,
Hier worden we knap en ook sterk.
We zitten niet steeds bij de schoolboeken neer,
Dan spelen, boetseeren, tuinieren we weer,
We zijn hier steeds leuk aan den gang (bis).
En timmeren vinden we ook altijd fijn,
Dat uurtje is om, voor men 't merkt,
Dan hamert en schaaft om het hardst groot en klein,
Dan wordt er steeds duchtig gewerkt.
Maar als het voorbij is neemt ieder toch graag
Zijn fransch of zijn meetkundesom bij den kraag.
Zoo wisselt het werk hier steeds af. (bis).
Geen uur van den dag is bij ons onbezet,
We werken zooveel als 't maar moet.
Maar 's middags, dan vindt ge ons allen te bed,
Dat valt na het eten zoo goed.
Een uurtje gemaft en dan weer aan den gang,
Zoo valt ons het werken ook nimmer te lang
En daarom: Hoera voor ons Sparrenhei!
Voor Sparrenhei, hiep hiep hoera!
Dat lied werd duchtig gezongen en de dichter, meester Hooghuizen,
er eens extra voor toegejuicht.
Na den feestdisch trad de goochelaar op.
Wat had die een succès! Wat een pret de toeschouwers!
De handige kunstenaar haalde iedereen guldens en rijksdaalders uit den
neus, Flip vooral scheen veel zilvergeld in zijn neus te hebben. Hij
probeerde nu zelf ook om er een ris guldens uit te halen, maar er
kwam er niet een meer, al trok hij ook nog zoo hard. De goochelaar
had ze er allemaal uitgehaald! De man vertoonde wel twintig toeren,
die haast allemaal even mooi waren.
Na twee uur werd er een uur gerust. Daarvan week men op Sparrenheide
nooit af.
Om drie uur begonnen de wedstrijden en gymnastiekuitvoeringen. Wat
ging dat alles netjes en correct! En al die jongens en meisjes, die
vroeger op hun oude scholen slechte en achterlijke leerlingen waren,
zenuwachtig en ziekelijk, wat toonden zij nu hier volkomen genezen
te zijn! Want hier werden zij niet geestelijk afgemat door veel te
moeilijke vraagstukken en opgaven, hier werden zij niet overladen
met stapels en stapels werk, waaraan bijna iedere vrije minuut moest
opgeofferd worden.
En daarom waren zij hier ook zoo flink en gezond en sterk geworden
en konden daarom evengoed hun fransch en rekenen als hun vrienden op
de gewone scholen, al leerden zij het dan ook wat kalmer aan!
Half vier werden ouders en belangstellenden verwacht. Die kwamen in
auto's en rijtuigen. In de gymnastiekzaal maakte juffrouw Wieler zich
met de meisjes gereed tot het opvoeren der speelliedjes. Wat zongen
die lief-aangekleede meisjes keurig en wat maakten zij hun danspassen
daarbij stipt in de maat. Ze werden dan ook hartelijk toegejuicht. En
zoo volgde het eene nummer van het programma op het andere. Er scheen
geen einde aan den feestdag te komen! Maar het mooist werd het toch
tegen den avond. Dank zij het zachte, zoele weer kon de verlichting
à la giorno uitstekend doorgaan. Alle lampions werden ontstoken en ze
schitterden als vurige ballons in het donkerblauwe avondduister. Het
was een fantastisch tafereel!
En temidden der feestvierenden bewogen zich zij, die de hoofdpersonen
van dit verhaal zijn geweest: Mijnheer en Mevrouw Bergwoude, de
goeddoende, liefhebbende vader en moeder van heel deez' gelukkige
kinderschare, Meester Hooghuizen en juffrouw Wieler, die hen trouw
bijstonden in den moeitevollen, maar dankbaren arbeid, Hans, Flip en
Rob, de drie jolige broers, van wie een ieder hield, Jacob Heintze,
die den vroeger zoo verwilderden en verwaarloosden Barend allereerst
de beginselen van fatsoen en netheid geleerd had! Vervolgens Bram,
voor wien Sparrenheide een uitredding was geweest, maar dan was
er ook veldwachter Bunze, die vandaag menig plagerijtje over zijn
zwaarlijvigheid hooren moest, en moeder Vorstman, die zoo herhaaldelijk
met de verschillende personen uit dit boek in aanraking kwam.
Aan het slot van den avond stak Hans zijn vuurwerk af. Knetterend
schoten de vuurpijlen omhoog, sissend draaiden de gouden en zilveren
zonnen, daverend ontploften de knalpotten.
Ten slotte zette hij 't heele feestterrein in rooden en groenen
Bengaalschen gloed. En uit honderden monden klonk het nog eens bij
't afscheid nemen:
Leve Sparrenheide!
Hoera!
INHOUD.
Hoofdst. Bladz.
I. Oorlogsplannen 5
II. Indianen en Bleekgezichten 13
III. In gevecht met de Roodhuiden 23
IV. Een prettig besluit en een vroolijke vertelling 34
V. In den nacht 49
VI. Barend van de Lage Vuursche. Nachtelijke vervolging 53
VII. Allemaal hoofdpijn 63
VIII. Het raadsel wordt opgelost 72
IX. Veldwachter Buikje 82
X. Veldwachter Buikje en de drie jolige broers 90
XI. Waarom Barend niet op Sparrenheide kwam 101
XII. In den nacht 111
XIII. Wat Jacob van veldwachter Buikje hoorde 120
XIV. Veldwachter Buikje en de boschgeesten 129
XV. Bram als leerling op Sparrenheide 139
XVI. Wat Hans van plan was 147
XVII. Hans graaft een kuil voor Bunze, doch valt er zelf in 155
XVIII. Van schoone blouses, een takkebos en een verdwaald
meisje 162
XIX. Feestelijke plannen en angstige uren 174
XX. Besluit 183
End of Project Gutenberg's Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude