"Zeg," zei Hans tegen zijn broer Flip, terwijl ze zich op hun

slaapkamer aan 't kleeden waren, "wat maft die Rob weer door!"

"Ja," antwoordde Flip, "ik heb hem al zesmaal geroepen, maar hij heeft

'r maling aan, hoor."

"Nou, hij is om negen uur naar bed gegaan, dus me dunkt, dat-ie lang

genoeg geslapen heeft."

"O zoo, maar als roepen niet helpt zal ik hem wel op een andere manier

wakker krijgen. Geef dat witte kopje eens aan, Hans."

"Wat ga je nou doen?"

"Zal je wel zien."

Flip schepte het kopje vol water uit zijn lampetkan en zette het toen

op de plank boven Rob's hoofd. Een draad garen bond hij om het oor

van het kopje.

Aan het andere einde knoopte hij een lus en schoof dien voorzichtig

om een vinger van Rob.

"Ziezoo," zei Flip, "zoo gauw als hij nou maar één beweging maakt,

is hij goed wakker ook."

Inderdaad liet het succes dezer nieuwe wek-methode niet lang op

zich wachten.

Rob draaide zich in zijn slaap nog eens om, maar door die beweging

trok hij het kopje water van de plank.

Pletsch!!

"Au, m'n hoofd!... brrr!!!" vloog Rob ineens overeind, "wat is

dat nou?"

"Goeiemorgen, Robbie," zei Flip lachend. "Is U Edele ontwaakt?"

"Wat een misselijke, kinderachtige streek, Flip," zei Rob. "Nou is

't heele bed nat."

"Loop heen, dat droogt met die warmte in twee tellen."

"Toch gemeen, al m'n goed is drijf."

"Ga maar even buiten in de zon hangen."

"Doe jij 't zelf maar."

"De kleine kop viel op de groote kop van Robbekop," plaagde Flip,

waarop Rob zijn kussen greep en dat naar Flip's "kop" gooide. 't

Kussen vloog weer terug en nu begon Hans ook mee te doen. Lakens,

dekens, kussens zeilden van den eenen hoek naar den anderen, een waar

beddengevecht. Ten slotte rolden ze alle drie met al 't beddegoed als

een kolossale bal door elkaar, gierend en schaterend van pret. En de

zon goot haar gouden ochtendstralen naar binnen en lachte mee.

De deur ging open en Jacob Heintze trad binnen.

"Zeg, wat maken jullie een reuzenherrie!"

"Wil je ook een beetje op je kop hebben?" inviteerde Flip.

"Jij bent ook vroeg present," zei Hans, die uit het kluwen van de

dekens en lakens kroop.

"O ja, 'k ben al meer dan een uur op," zei Jacob. "Ik had eigenlijk

nòg vroeger willen opstaan om even naar de Vuursche te gaan."

"Waarom?"

"Om Barend op te zoeken. Vragen, waarom-ie gisteravond niet gekomen

is."

"Ja," zei Hans, "daar hadden vader en moeder 't gisteren ook over."

"Zoo?"

"Ja, vader zei, dat er met Barend tóch niets goeds te beginnen was."

Jacob maakte zich driftig over die woorden.

"Dat is niet waar!" zei hij. "Als Barend niet gekomen is, dan had

hij daar goeie reden voor. Hij was veel te blij, dat-ie komen mocht."

"Nou, waarom kwam-die dan niet?"

"Dat--dat weet ik evenmin als jij. Maar ik zal aan je vader vragen,

of ik nog even naar vrouw Vorstman mag gaan."

Jacob Heintze kreeg van mijnheer Bergwoude verlof daar voor. Hij haalde

zijn fiets uit de bergplaats en snorde een oogenblik later den weg af.

De arme weduwe was al bedrijvig in de weer.

"Dag vrouw Vorstman!" riep Jacob haar toe, terwijl hij van zijn

fiets sprong.

"Zoo Jacob, al zoo vroeg hier? Mooi weer, hè?"

"Ja, vrouw Vorstman, maar ik wilde u eigenlijk vragen, of u ook weet,

waarom Barend gisteravond niet op Sparrenheide is gekomen."

"Wel heb ik ooit! Is hij niet gekomen?"

"Neen."

"En ik heb het nog zóó gezegd. Hij was ook heel blij, dat-ie komen

mocht. Hij hoopte, dat mijnheer Bergwoude hem wat voorthelpen zou."

"Ja dat zou-die ook wel doen, maar ..."

Een derde persoon verscheen aan 't huisje van vrouw Vorstman,

veldwachter Bunze.

Hij scheen verbazend in zijn schik te zijn, want zijn rond en

bol gezicht stond zoo vroolijk, alsof hij pas een erfenis had

gekregen. Zonder goeienmorgen te zeggen begon hij:

"Nou, vrouw Vorstman, wat heb ik je gezegd? Schooiersvolk is het,

gespuis, waar niets mee te beginnen is!"

"Man, waar heb je het over?"

"Nee, je weet er natuurlijk nog niets van, hè? Maar ik wel. D'r is

al een brigadier uit Baarn op de fiets bij mij geweest, en die heeft

mij de orders gebracht."

"Maar wat is er dan toch?"

De veldwachter scheen er bijzonder plezier in te hebben, de menschen

zoo nieuwsgierig en ongeduldig te maken, als maar mogelijk was.

"Wel," zei-die, "ik moest immers gisteren aan dat galgenaas van een

Barend de boodschap brengen, dat-ie op Sparrenheide komen moest?"

"Ja--en ..."

"Inplaats van het te doen, is de schavuit gisteravond met zijn vader

en Klaas Pos naar Baarn gegaan om daar in te breken!"

"Dat kan niet!" riep Jacob verschrikt.

Veldwachter Buikje keek den jongen met een minachtenden blik aan. Zoo'n

ventje durfde hem tegenspreken?

Vrouw Vorstman sloeg van verbazing de handen in elkaar.

"Om in te breken!" herhaalde Bunze met welgevallen. "De oude strooper

Ranke en zijn kameraad Pos zijn beiden gevangen genomen, Barend net

zoo goed, en alle drie zijn ze in preventieve hechtenis genomen. Nou

zie-je zelf, vrouw Vorstman, wat voor volk je in je huis haalt! Geef

jij den jongen maar koffie en dikke boterhammen, vandaag of morgen

steelt-ie het beetje nog dat je in huis hebt!"

Jacob Heintze keek verslagen naar den grond. Hoe was dat nu

mogelijk! Barend, die in een paar weken al zoo vooruitgegaan was,

die nu misschien door mijnheer Bergwoude zelf verder geholpen zou

zijn, was in de gevangenis gezet, medeplichtig aan inbraak. Opeens

ging hem een licht op!

"Ja! zoo is het!" riep hij uit.

"Wat is zoo?" vroeg Bunze.

"Wel geloof maar niet, dat Barend uit zichzelf is meegegaan. Zijn

vader en Klaas Pos hebben hem gedwongen. Zij hadden hem noodig."

"Wat zou dat dan nog!" vroeg veldwachter Buikje. "Het doet er trouwens

ook weinig toe, hoe en waarom de jongen is meegegaan om op den uitkijk

te staan, in elk geval staat vast, dat hij het heeft gedaan, en dat

is voor ons, gerechtsdienaren, voldoende!"

"En bij wie is er ingebroken," vroeg vrouw Vorstman.

"Bij notaris Verhallen. Nou moet-je weten, de jongeheer Verhallen

was nog heel laat wakker en hoorde wat in 't kantoor. Wat doet de

slimmerd! Hij trekt wat kleeren en z'n pantoffels aan en loopt om het

huis heen. Daar ziet-ie iemand op den uitkijk staan en dus begreep-ie

dadelijk, dat er wel een paar kornuiten in 't kantoor aan den slag

waren. Hij loopt de dorpsstraat in en komt toevallig twee agenten

tegen. Die gingen dadelijk mee en de jongeheer Verhallen loopt weer

hard terug op zijn pantoffels en slaat zóó maar den uitkijk tegen

den grond. Hij gaf geen kik, want ze hielden zijn mond stijf toe,

dat verzeker ik je. Nou, en de agenten op de loer, dat begrijp je. 't

Duurde een heel poosje, toen kwamen allebei de sinjeurs naar buiten

om te zien, of alles in orde was.

""Waar is de jongen?" vroeg de een. "Die zal wat verderop staan,"

zei de ander. "Laten we eerst zelf eens kijken, of de weg veilig is,

voordat we den buit naar buiten halen." Ze liepen toen allebei het

tuintje door en: kip ik heb je! sprongen de agenten uit hun hoek. In

een oogenblik hadden de schurken de ijzeren polsmofjes aan en gingen

mee. Ik ben blij toe, dat me dat stelletje goed en wel achter de

tralies zit. Nou zie je toch, vrouw Vorstman, wat je met dien jongen

in huis had gehaald. Wees maar blij, dat-ie opgeborgen is. En nou zal

ik je groeten, want ik moet de zaak nog verder onderzoeken en rapport

uitbrengen." En met een zelfbewuste en trotsche houding stapte de

veldwachter den weg op.

Vrouw Vorstman en Jacob waren door dit verhaal geheel uit het veld

geslagen. Het leek Jacob, of de mooie zonnedag opeens een donkere

nacht geworden was. Was dat nu alles wel waar? Was Barend werkelijk

tot zóó iets in staat? Het was bijna onmogelijk!

"Neen, vrouw Vorstman," zie hij, "ik kàn het niet gelooven! En als

het tòch waar is, dan heeft Ranke hem gedwòngen om mee te gaan!"

"Ik geloof het ook, jongeheer," zei ze verdrietig. "Och, och, die

arme Barend in de gevangenis!"

Wanneer het Jacob's eigen broer geweest was, kon hij niet verdrietiger

geweest zijn dan hij nu was. In een zeer treurige stemming verliet

hij vrouw Vorstman en reed naar Sparrenheide terug, waar hij mijnheer

Bergwoude en Hans vertelde, wat er gebeurd was.

Het gebeurde van dien nacht had Bram's zenuwen geducht geschokt. Toen

alles afgeloopen was en Ranke met Pos en Barend door de agenten waren

weggeleid, zat Bram bevend bij zijn inmiddels gewekte ouders in de

kamer. Hij begreep zelf niet, hoe hij zoo kalm was gebleven, hoe hij

niet één oogenblik bang was geweest om den vreemden schildwacht neer

te leggen. Barend Ranke, de boschjongen! Hoe was het mogelijk? Zoo

jong nog en dan al een dief!

De heer en mevrouw Verhallen prezen hun jongen, maar Bram glimlachte

flauwtjes. Zijn moeder maakte zich echter steeds meer bezorgd en

eindelijk begon ook zijn vader langzamerhand tot het inzicht te komen,

dat het met Bram toch niet heelemaal in orde was.

Er werd dien nacht lang niet rustig meer geslapen en 's morgens

had Bram zulk een bonzende hoofdpijn, dat hij niet kon opstaan. Met

den besten wil niet. De dokter werd gehaald en dadelijk luidde zijn

meening:

"Zenuw-overspanning. Absolute rust houden. Zachte slaappoeders

innemen."

De dokter schreef Bram's toestand enkel en alleen aan de nachtelijke

gebeurtenis toe, hij meende, dat Bram ten gevolge van een grooten

schrik ziek was geworden.

Maar mevrouw Verhallen wist wel beter.

Den volgenden dag sprak zij er eens met den dokter over.

"Ik vond het beter, om het u eens te zeggen," begon ze. "Ik maakte

mij al sinds eenigen tijd zoo ongerust over onzen jongen, 't is niet

vanwege dien inbraak, ziet u. Bram zit avond aan avond, soms wel

tot na tien uur, huiswerk te maken en te leeren, en meestal begint

hij daar al om zes uur aan. Ik vind dat veel te erg, mijn man denkt

er anders over, maar ik verzeker u, dokter, de jongen kan dat niet

volhouden. Hij is niet dom, maar er wordt te veel van hem gevergd. Hij

gaat er steeds betrokkener uitzien, slaapt te weinig en speelt maar

eens een heel enkele keer met andere jongens."

De dokter knikte. Hij begreep het volkomen.

"Mevrouw," sprak hij, "wanneer jongens in hun schooljaren goed hun

best doen en hard werken, zal hun dat later ten goede komen. In

den tegenwoordigen tijd moet een mensch nu eenmaal meer weten dan

vroeger, de examens worden al zwaarder en zwaarder en de eischen,

die de maatschappij stelt, eveneens. Maar of we nu daarom de kinderen

al hun vrijen tijd moeten ontnemen en hen volstampen met allerlei

boekengeleerdheid, dat is een vraag, waarop ik zeer sterk: neen,

antwoord. Intusschen zijn er leerlingen, die dat overmatige werken en

leeren onmogelijk kunnen volhouden en u doet er zeer verstandig aan,

mij op dat geval met uwen zoon te wijzen. We mogen in geen geval

van zoo'n flinken, gezonden jongen een zenuwlijder maken. Laat hem

voorloopig maar eens rust houden en dan zullen we zien, wat we verder

met hem doen zullen."

Mevrouw dacht over Instituut Sparrenheide.

Zij sprak er met mijnheer Verhallen over.

Ook de dokter vond dat besluit zeer verstandig en ten slotte gaf de

notaris toe.

Na de groote vacantie zou Bram naar Sparrenheide gaan, zeker wel

tot groote vreugde van hemzelf en van Hans, Flip en Rob, de drie

jolige broers!

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

VELDWACHTER BUIKJE EN DE BOSCHGEESTEN.

We zullen niet in bijzonderheden nagaan, wat er in de eerstvolgende

weken gebeurde met Barend, Ranke en Pos.

Het was te danken aan de voorspraak van mijnheer Bergwoude, Jacob

Heintze en moeder Vorstman, dat Barend spoedig in vrijheid werd

gesteld. Er was bij het onderzoek gebleken, dat Barend door zijn vader

gedwongen was mede te gaan, maar er was ook nog een oude historie aan

het licht gekomen! Ranke, de strooper, had verschillende gereedschappen

en werktuigen gekocht en Pos had aan den rechter verteld, dat Ranke

het geld, waarmede hij die dingen betaald had, eenigen tijd geleden

in het bosch gevonden had. Het was een biljet van tien gulden en het

zat in een oude portemonnaie. De portemonnaie had Ranke weer op den

grond geworpen.

De twee stroopers en dieven werden tot verscheidene jaren

gevangenisstraf veroordeeld. Barend werd als tuinmansjongen op

Sparrenheide aan het werk gezet en kwam bij moeder Vorstman in huis.

Allen waren zeer tevreden met den goeden afloop der gebeurtenissen

en niet het minst Jacob Heintze, die nooit aan de goede trouw van

Barend had getwijfeld.

Maar één was er, die zich bij dat alles eenigszins anders gedroeg. En

dat was Bunze, veldwachter Buikje! De dikzak was heelemaal niet

ingenomen met het feit, dat Barend zoo voortgeholpen werd. Het speet

hem verbazend, dat hij in het minst geen deel genomen had aan de

arrestatie der inbrekers, maar hij vertelde toch aan iedereen, die

het hooren wilde, dat hij voortaan met nog veel meer gestrengheid

optreden zou, om de veiligheid en de rust in de omgeving te bewaren.

Speciaal lette hij nu op de jongens van Sparrenheide, die vaak in

"zijn" bosschen kwamen spelen. Hij liet het minste of geringste niet

meer toe en stelde zich aan als een tiran. Dat begon deze jongens

te vervelen. Als zij zich maar even in het bosch van Drakenstein

vertoonden, zagen zij het dikke gezicht van Buikje al op hen loeren.

Daarom hielden de jongens op zekeren dag krijgsraad. Ze waren met

hun tienen bij de Echo verzameld en zaten of lagen op den boschgrond.

"Waar zullen we hem eens een poets mee bakken?" vroeg Rob, die zich

wel het meest aan den veldwachter ergerde.

Ja, dat was een moeilijke kwestie. 't Was in elk geval de veldwachter

zie je, en al hadden de jongens nu meer ontzag voor den man z'n jas

met de blinkende knoopen en de pet met den gouden bies dan om Bunze

zelf, je moest er voorzichtig mee zijn.

Maar juist dàt maakte de zaak nog interessanter.

"We zullen hem een kistje klapsigaren thuis sturen," zei de een.

"Neen daar hebben wij niets aan. We moeten er zelf ook plezier van

hebben."

"Stop hem dan een kikker onder zijn pet."

"Of spijker de blinden van zijn ramen vast."

"Doe een ons peper in zijn snuifdoos."

Zoo wist ieder wat. Als de veldwachter al deze folteringen had moeten

doorstaan, dan had het er treurig met den man uitgezien.

"Neen jongens," zei Hans, "daar hebben we allemaal niets aan. Ik

geloof dat ik een beter plannetje weet. Luister eens, je moet dan

weten, dat Buikje verbazend bijgeloovig is, zooals de meeste menschen

op de Vuursche. Daarom gaan er ook allerlei dwaze verhalen uit het

bosch hier bij de lui rond. Jullie hebt er natuurlijk wel eens een

paar van gehoord."

"Neen, ik niet, ik niet," klonk het hier en daar.

"Nou, we zitten hier toch zoo gezellig bij elkaar ... wil ik er eens

een vertellen?"

"Ja, ja, vertellen!" riepen ze allemaal.

"Goed dan," zei Hans, "de legende, die ik je vertellen zal heet

"De geschiedenis van de drie Boschgeesten."

Het was ten tijde, dat Karel de Groote over Holland regeerde. Het bosch

van Drakenstein bestond toen ook al, maar was veel uitgestrekter. Nu

zijn er groote stukken bosch verdwenen, maar in dien tijd was 't

één en al woud. Je moet niet denken, dat er, net als nu, alleen

maar wat vogeltjes en konijnen en een paar herten te vinden waren,

neen, je had er nog wilde zwijnen, wolven, vossen en slangen in

overvloed. Het kasteel Drakenstein bestond nog niet, maar wel was er

op diezelfde plaats een hoeve, die bewoond werd door de gebroeders

Wer en Ner. Dat waren zoogenaamde roofridders, die zelf niets bezaten

en alleen leefden, van hetgeen zij anderen ontstalen------

Opeens riep Flip: "Daar komt de veldwachter!"

Inderdaad! daar kwam Bunze aan.

De jongens waren teleurgesteld, maar Hans zei:

"Zitten blijven, jongens. Ik vertel toch."

"Wat voeren jullie hier uit?" vroeg Bunze op barschen toon.

"Wij vertellen verhalen, mijnheer Bunze," zei Hans beleefd.

"Zoo, vertel maar. Ik wil dat moois ook wel eens hooren."

"Heel goed, mijnheer Bunze. Nou jongens, ik zei dan, dat de broeders

Wer en Ner alleen van roof leefden, en de bewoners waren grootendeels

heidenen, die er hun eigen goden op na hielden. Je weet wel, dat Wotan

of Wodan een van die goden was. Toen nu de roofridders Wer en Ner niet

ophielden met het uitrooven en uitplunderen van den geheelen omtrek,

riepen de hier wonende volksstammen hunne goden aan en smeekten Wodan,

hen te beveiligen tegen de woeste, onmeedoogende roofridders. Wodan

verhoorde het smeeken der volksstammen en zond een reusachtige,

vurige draak naar deze bosschen, die de broeders Wer en Ner zou

verslinden. Maar inplaats dat de draak de roofridders verslond,

begon het geweldige dier van honger heele bosschen achter elkaar te

verslinden, vandaar de vele groote heideplekken in den omtrek. En als

't ware om den toestand nog erger te maken verscheen een nieuwe roover

en brandstichter in deze streken, genaamd Rador. De broeders Wer en

Ner bemerkten nu het gevaar, waarin zij verkeerden. Zij hadden nu

twee machtige vijanden, Rador en de draak. De draak scheen ten slotte

begrepen te hebben, dat hij hier niet was aangesteld als boomenhakker

en boschontginner, maar om een einde te maken aan de geweldenarijen van

Wer en Ner. Daarom ging de draak op zekeren dag naar de hoeve om de

broeders te dooden. Het geweldige dier, dat boven de boomen uitstak,

naderde met veel geweld en passeerde onderweg de grot, waarin Rador

verblijf hield. Rador kwam naar buiten, om te zien, wat daar toch zulk

een ontzaglijk gedruisch in het bosch veroorzaakte. Maar nauwelijks

kwam hij buiten de grot of de draak sloeg hem met een geweldigen slag

neer en verslond hem met huid en haar.

"De broeders Wer en Ner hadden al meermalen gehoord van den

ontzettenden draak, die hier in den omtrek verblijf hield. Nu

zij hem echter op de hoeve zagen afkomen, verzamelden zij al hun

krijgsknechten om zich heen en trokken het monster te gemoet. Wer

en Ner gingen aan het hoofd van den troep, maar er was geen vechten

tegen het reusachtige dier. Wer en Ner werden beiden door den draak

doodgeslagen en verslonden. Vreemd genoeg liet het monster de overige

mannen ongedeerd, die in de grootste ontsteltenis en verwarring naar

alle zijden de vlucht namen.

"Ook de hoeve van de roofridders werd door den draak, die vlammen

braakte, totaal vernietigd en daarna heeft niemand ooit iets meer

gezien, van het dier, dat Wodan op aarde gezonden had. Maar wel

werd het bosch sinds dat oogenblik bewoond door drie geesten, de

boschgeesten. Dat zijn de broeders Wer en Ner en Rador. Elken avond

met de schemering komen zij uit de Grot te voorschijn en zoeken naar

den draak, om zich op hem te wreken. Wie een van die geesten ontmoet,

moet zeer voorzichtig zijn. Hem dreigt gevaar van alle kanten. Ziezoo,

en dit is nu de geschiedenis van de drie boschgeesten."

Ze vonden 't allemaal mooi en de veldwachter was er heelemaal van

onder den indruk gekomen.

"Is dat heusch waar?" vroeg hij aan Hans.

"Beslist waar," zei Hans met een stalen gezicht. Maar de bengel

vertelde er niet bij, dat hij met opzet het laatste deel van de

geschiedenis er maar bij gemaakt had. De andere jongens begrepen dat

wel, want Hans had hen een knipoogje gegeven.

"Ik heb wel eens hooren vertellen van geesten, die in het bosch

wonen," zei Bunze, "maar van deze heb ik nooit gehoord. Je kunt

anders geheimzinnige geschiedenissen beleven in het bosch. Zoo kan

het bijvoorbeeld 's avonds in de kapel leelijk spoken."

"Och kom, Bui -- -- Bunze," versprak Flip zich.

"Er bestaan immers geen spoken!" zei Rob.

Maar Hans gaf Rob een knipoogje en zei:

"Wat, bestaan er geen spoken? Je kunt er 's avonds genoeg zien,

nietwaar Bunze?"

"Nou, nou ... genòeg is wat erg... maar dàt ze bestaan ... is zoo

zeker als dat mijn naam Bunze is!"

"Willen wij morgen avond de drie boschgeesten eens gaan zien, jongens?"

"Ja, ja, dat is goed."

Bunze aarzelde even, hij was wat griezelig van die avonturen, maar

ten laatste zei hij:

"Wees maar voorzichtig, jongens. Met geesten valt niet te spotten. Ik

zal er bij wezen om jullie te beschermen."

"Ja, Bunze, doe dat!" zei Hans. "Dan behoeven wij ook niet bang te

zijn. Wij komen morgen avond om acht uur bij de grot."

"Goed, goed," hernam de dikke veldwachter, "en ik zal er zijn en mijn

karabijn meebrengen. Men kan nooit weten."

Daarop vertrok Bunze.

Maar nauwelijks was hij uit de buurt, of de tien jongens rolden met

de beenen omhoog over den grond van het lachen, knepen elkander in

de beenen en trokken aan elkanders haren.

"Zeg lui, is-die prachtig?"

"O, die veldwachter Buik, ik lach me een pruik!" zei Flip.

"Wat toevallig, dat-ie net 't verhaal hooren kon!"

"Maar wat doen we morgen nou, Hans?"

"Dat zal ik je vertellen! Luistert allemaal."

En daarop zette hij zijn kameraden een plannetje uiteen, dat dienen

moest om veldwachter Bunze een poets te bakken.

Allen keurden het goed en niemand zou er iets van aan de anderen

zeggen. En het mooiste was, dat ze allemaal wat te doen zouden hebben

bij de uitvoering van het plannetje. Hans had dat zoo gewild, het

zou voor allen veel leuker zijn. En wat een pret, om dien veldwachter

Buikje, die altijd zoo voornaam en gewichtig en gewèldig deed alsof hij

de Keizer van de Lage Vuursche was, een toontje lager te hooren zingen!

Den volgenden avond om zeven uur al trok ons tiental, de drie jolige

broers aan het hoofd, er op uit. Hans, Flip en Rob droegen ieder een

pakje onder den arm, de andere jongens hadden de meest vreemdsoortige

en uiteenloopende voorwerpen en muziekinstrumentjes bij zich. Een

torpedo-fluitje en een klappertjes-pistool, een eind ijzeren ketting

en een kinderrateltje, een paar blikken deksels en zelfs had een der

jongens zijn viool meegenomen.

Om half acht waren de jongens bij de grot.

Hans gaf ieder der jongens een plaats tusschen struiken en

boomen. Daarop reikte hij het pakje, dat hij onder den arm had,

aan Albert de Hooge over en fluisterde hem nog een paar woorden

toe. Toen ieder zijn plaats had en Albert in de Grot was gegaan,

wandelde Hans wat op en neer en drukte allen nogmaals op het hart,

zeer stil te zijn. Om acht uur werd het al aardig duister in het bosch,

hoewel het op de heide nog vrij licht was.

Hans wachtte, wachtte, en eindelijk zag hij Bunze aankomen.

"Goeienavond, Bunze," riep Hans hem reeds op een afstand toe, zoo

dat nu tevens alle samenzweerders wisten, dat de veldwachter er was.

"Ben je maar alléén?" vroeg Bunze.

"Ja, er was geen denken aan, dat de anderen méé mochten. Mijn vader

wilde het niet hebben. Maar ik mocht wel eens gaan kijken naar de

drie boschgeesten. Vader heeft mij echter gezegd, dat ik heel erg

voorzichtig moest zijn. Als men maar niet omkijkt en steeds rechtdoor

loopt, kunnen zij geen kwaad doen. Maar wanneer men omkijkt is men

voor goed verloren. Dat zei Vader."

Hans draaide zijn hoofd naar een anderen kant, terwijl hij dit zeide,

want hij stikte haast van het lachen.

"Zoo, heeft uw vader dat gezegd," zei Bunze. "Dan zullen wij ook op

onze hoede zijn en niet omkijken."

"Wàt er ook gebeure!" zei Hans.

"Ja, wat er ook gebeure!"

Zij stonden nu voor de grot.

"Wil ik er eens ingaan?" vroeg Hans.

"O, doe dat niet, Hans, doe dat niet!"

"Och, waarom niet. Kijk eens, Bunze, je moet namelijk weten, ik geloof

heelemaal niet aan spoken."

"Ach Hans, hoe kan je zoo spreken," zei veldwachter Bunze, die door de

raadgevingen van Hans' vader heelemaal van de wijs was gebracht. "Denk

toch eens, wat je vader gezegd heeft."

"Nu ja, ik zal ook wel voorzichtig zijn," antwoordde Hans en

tegelijkertijd schoot hij de grot in. In een hoek daarvan zat Albert

met een wit laken bij zich.

"Sssst," fluisterde Hans, "hier is de electrische zaklantaarn, je

weet er alles van."

En Hans kwam er haastig weer uit.

"Ik heb hooren zuchten!" zei hij tot den veldwachter.

Deze keek in de pikdonkere grot, waar opeens een schitterend licht

een witte gedaante bescheen.

"De geest van Rador!" riep de veldwachter en ging al aan de haal. Bleek

als een stukje kinderzeep vloog hij naar het dorp om daar aan zijn

zuster en allen, die het hooren wilden, te vertellen, dat het bosch

van Drakenstein vanavond weer wemelde van geesten en spoken, brrr...

De jongens hadden het pistool, de viool en de verdere

spookbenoodigdheden wel thuis kunnen laten. Hoeveel pret zij ook

gehad hadden, zij vergaten, dat wie het laatste lacht, toch altijd

nog het beste lacht, zooals we dat later zullen zien.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

BRAM ALS LEERLING OP SPARRENHEIDE.

Instituut Sparrenheide · 第 6 / 9 段