"Ik heb niets met je praatjes noodig! Maak oogenblikkelijk, dat ik

eruit kan! Jullie hebt Robert laten ontsnappen, en dat zal ik je

gloeiend betaald zetten!"

"Gloeiend zegt u, mijnheer Bunze?" plaagde Hans, "wel foei, dat is

niet netjes van u. Wij moeten voor u de deur openmaken en u wil ons

daar gloeiend voor behandelen? Neen, op die voorwaarde bewijzen wij

u geen dienst, mijnheer Bunze."

"Och loop naar de maan met je mijnheer Bunze," riep de veldwachter. "Ik

gelast jelui nu, oogenblikkelijk hier te komen en de deur te openen."

"O neen," zei Flip, "wij zijn geen hondjes."

"Juist," zei Hans, "maar wij willen u toch wel helpen, als u ons maar

belooft, stil onzen weg te laten gaan."

"Ik beloof niets!" riep Bunze.

"O nee, op die conditie doen we 't beslist niet. Dag mijnheer

Bunze. Wij gaan naar huis."

"Hallo, wacht even, jongens! Neen, loop nog niet weg. Je kunt voor mijn

part vrij naar huis gaan, doch help me eerst uit dit verwenschte hol!"

"Goed, ik kom!" riep Hans.

Een oogenblik later sneed Hans het touw door en was alweer verdwenen

voor Bunze tot de ontdekking kwam dat de uitgang vrij was. Men kan

zich voorstellen in welk een stemming hij naar huis ging!

ELFDE HOOFDSTUK.

WAAROM BAREND NIET OP SPARRENHEIDE KWAM.

Een uur nadat veldwachter Bunze de hut van vrouw Vorstman verlaten had,

was Barend er teruggekeerd.

Het vrouwtje had pret om den jongen, die zoo overhaast de vlucht

had genomen.

"Is-ie weg, moeder Vorstman?" vroeg Barend voorzichtig.

"Al een uur," lachte ze, "hij komt alweer haast terug!"

"Dat is toch niet waar?"

"Neen, wees maar stil. Maar waarom ging je toch zoo ineens op den

loop. Heb je weer kwaad gedaan?"

"Och, dat is nog van vroeger. Moet-ie mij dan niet hebben?"

"Jawel, hij kwam je zeggen, dat je vanavond bij mijnheer Bergwoude

op Sparrenheide moest komen."

"Moet ik daar komen? Owee, ik begrijp het al!"

"Wat dan?"

"Wel, ze zullen gemerkt hebben, dat Jacob Heintze elken avond laat

bij mij komt en daar krijg ik nou natuurlijk een leelijk standje voor."

"Kom, dat zal wel losloopen. Natuurlijk zal Jacob dat niet meer mogen

doen, maar ik denk er het mijne van."

"Wat denk je er dan van, moeder Vorstman."

"Hoor eens, Barend, laat dat woord Vorstman nou maar weg. Ik ben je

moeder voortaan, hoor. En wat ik er van denk, wel, meester Bergwoude

zal je wel willen voorthelpen."

"O, als dat eens waar was! Dan behoefde ik ook niet meer bang te zijn

voor veldwachter Buikie."

"Die zal jou geen kwaad doen, jongen. Je hebt zeker veel op je kerfstok

dat je hem zoo ontloopt?"

"Ja moeder. Maar ik heb nu geen zin meer om zoo te rooven en door

't bosch te loopen. Ik heb dikwijls genoeg de eieren uit Bunze's

kippenhok gestolen. Leelijk, hè? Ik zou 't ook niet meer willen

doen. Eens op een keer kwam Bunze net aanloopen. Hij was zóó dichtbij

dat ik haast geen raad wist. En om hem tegen te houden gooide ik

hem een ei pardoes tegen zijn gezicht. Hij zat van onder tot boven

vòl! Jacob vond dat erg leelijk van mij en ik heb hem ook beloofd,

nooit meer eieren weg te nemen."

"Dat is braaf van je, Barend. Ik zal je nu een nieuwe boterham geven,

want Bunze heeft de jouwe opgegeten."

"Wat een gulzigaard! Alsof hij thuis niet genoeg krijgt!"

"Net zoo. Maar zeg eens, Barend, je moet wat netter wezen op het pak,

dat Jacob je gegeven heeft! Je hebt er zeker mee in 't bosch op den

grond gelegen. Kom hier, dan zal ik je wat afborstelen. En als je nu

vanavond naar mijnheer Bergwoude gaat, moet je eerst bij mij komen om

te laten zien, of je er wel netjes uitziet. Als jij bij mij woonde,

zou ik daar beter op kunnen letten."

"Ik wou, dat het waar was, moeder V ...

"Nu wie weet. Komaan, eet de boterham op. En hier is nog een glas

melk."

Nadat Barend de boterham en de melk op had, haalde hij nog een paar

boodschappen voor zijn goede stiefmoeder en ging naar huis.

Daar trof hij zijn vader aan in gezelschap van een kerel, dien

hij nooit gezien had. Maar de man zag er allesbehalve aangenaam of

vriendelijk uit.

"Kijk," zei Ranke, op Barend wijzend, "daar heb je nou mijn

zoon. Flinke jongen, niet? Kom eens hier jij, ik heb je weer in geen

drie dagen gezien. En wat een spullen heb je daar aan. Ben je daar

wel eerlijk aangekomen? Nou, mij 'n zorg, wat zeg jij, Klaas Pos?" De

aldus genoemde vreemde man grijnsde eens, en Barend schrikte van het

terugstootende gezicht.

"Nou," vervolgde Ranke, "ik zal het hem dan maar vertellen, hij moet

er toch van weten, anders lukt de zaak niet. Hoor jongen, je vader

heeft tot nog toe niets aan je gehad en je toch te eten moeten geven,

dus nou wordt het tijd, dat je daarvoor wat doet. Je bent er nou voor

in de gelegenheid en ik zal je zeggen, wat je doen moet."

"Dat ligt er aan, wat het is," zei Barend, die nooit ook maar

eenigszins beleefd was tegen den man, die nimmer een vader voor hem

was geweest.

"Zoo, dat zullen we dan wel eens zien!" zei Ranke. "We zullen je in

elk geval wel weten te dwingen."

"Dat zit nog," zei Barend. "Ik wil er heelemaal niets van weten en

ik blijf hier ook niet langer in huis. Ik ga weg."

"Hahaha!" spotte Ranke, "de jongeheer gaat weg. Jawel. Ik zal je eens

wat zeggen, Barend. Je moet vanavond met ons mee. We willen in Baarn

een villa met een bezoek vereeren. Jawel, wij zijn uitgenoodigd,

nietwaar Klaas? Hahaha! En jij moet mee, jongen. Je moet uitkijken,

of er misschien ook iemand voorbijkomt, die de zaak verraden kan."

"Ik doe 't niet," zei Barend.

"Flink gesproken," spotte zijn vader. "Maar ik spreek nog veel flinker,

en nog duidelijker ook. Hier! Trek uit die kleeren, gauw wat! Wacht,

ik zal je een handje helpen!"

En met ruw geweld trok de woeste strooper zijn zoon de kleeren van

het lijf. Hij wierp hem daarop zijn oude, havelooze plunje toe,

die Barend aantrok, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken.

"Ziezoo," sprak Ranke. "Nu worden we verstandig. Nu zie-je er weer

als vanouds uit. En zal je vanavond meegaan, ja of neen?"

"Neen!" zei Barend op beslisten toon.

Pats! daar kreeg hij een slag tegen het hoofd, dat hij tegen den

grond viel.

"Zal je meegaan?"

"Nooit!"

Woede beving den gewetenloozen man, die vader moest heeten van zoo'n

flinken jongen. Hij ging naar hem toe en trapte hem, terwijl Barend

zich in allerlei bochten wrong. De jongen gaf echter geen kik en

bleef eindelijk doodstil liggen.

"Nou, je hebt hem een goeie portie gegeven, geloof ik," zei Klaas Pos.

"Natuurlijk en nou zal je eens zien, hoe netjes hij met ons meegaat. En

om te voorkomen, dat-ie wegloopt, zal ik hem netjes opbergen."

Daarop opende Ranke een deur, waarachter zich een kolen- en turfhok

bevond. Hij nam Barend op en wierp hem met geweld naar binnen. Toen

deed hij een hangslot op de deur en verliet met Klaas Pos het

huisje. In het turfhok lag Barend op den grond. Met het hoofd op

den arm snikte hij en dacht aan het uur, waarop mijnheer Bergwoude

hem verwachtte.

Wat zou hij doen?

Zijn vader verraden, overleveren aan de politie.... of... hem

gehoorzamen en zelf opnieuw een dief worden?

Na het avondeten zat de familie Bergwoude als gewoonlijk nog een

uurtje in den tuin en juffrouw Wieler had een splinternieuw sprookje

verteld. Allen hadden aandachtig geluisterd naar het verhaal van

den woesten, roofzuchtigen reus, die het rijk der kabouters wilde

vernietigen en toch met al zijn kracht en ruwheid niet bestand was

tegen het leger der kleine mannetjes. Allen, ja, behalve Jacob Heintze.

Want wat weerga, waarom kwam Barend Ranke nu niet? Mijnheer Bergwoude

had hem toch de boodschap laten brengen door veldwachter Bunze,

dat-ie vanavond op Sparrenheide komen moest? Er zou bepaald een heel

ernstige reden voor Barend moeten zijn, om nu niet te komen. Of ging

hij nu weer bederven, wat met zooveel moeite was verkregen?

Mijnheer Bergwoude had er in het eerst vreemd van opgekeken, dat Jacob

met den verwaarloosden strooperszoon, den schrik van de omgeving,

had vriendschap gesloten! En die nachtelijke bezoeken, al waren

ze dan ook om Barend wat nuttigs te leeren, had hij zeer streng

afgekeurd. Mijnheer Bergwoude meende, dat er toch niets aan zoo'n

verwilderden, onopgevoeden knaap te verbeteren viel. Maar Jacob had

het voor Barend opgenomen en verteld, hoe de jongen langzamerhand

veranderde. En ten slotte had mijnheer Bergwoude dan beloofd, dat

hij Barend eens zou laten komen en zien, wat hij er aan doen kon,

om hem nog wat beter op streek te helpen.

Hoe later het werd, hoe meer Jacob's onrust toenam.

Waar bleef Barend nu?

Om half negen, toen allen naar binnen gingen, was hij er nog niet.

Mijnheer Bergwoude nam Jacob even terzijde:

"Je vriend Barend is, zooals je ziet, niet gekomen, Jacob. Dat had

ik van te voren wel gedacht. Heusch, geloof me, daar is toch niets

mee te beginnen. Besteed, er aan, wat je wilt, 't zijn paarlen voor

de zwijnen geworpen."

Maar Jacob schudde het hoofd.

"Barend zou veel te graag gekomen zijn, mijnheer!" antwoordde hij,

"dat weet ik zeker. Maar misschien heeft Bunze hem niet kunnen

vinden. Of zijn vader houdt hem tegen."

Mijnheer Bergwoude haalde ongeloovig de schouders op, hij dacht er

het zijne van. En daarop ging hij de huiskamer binnen. Hans, Flip en

Rob bleven nog een oogenblik met hun vader en moeder praten.

De meid bracht brieven en couranten binnen, door de avondpost zoo

juist bezorgd.

"Voor jou ook een brief, Hans," zei mijnheer Bergwoude, "van je vriend

Bram Verhallen."

Hans nam den brief, opende het couvert en las:

Baarn, 12 Juli.

Beste Hans!

Vind-je het goed, als ik Zondagmiddag naar je toe kom? Wij eten

vroeg, net als jullie. Ik kom dan tegen 3 uur en kan wel tot een

uur of zeven blijven. Zaterdagmiddag kan ik niet komen, want we

hebben deze week zoo razend veel huiswerk, dat we er bijna niet

doorkomen! Och kerel, dat huiswerk! Als ik 's middags half vijf

thuis kom, moet ik maar liefst zoo gauw mogelijk eten, want we

krijgen wel voor drie urenlang huiswerk mee. We hebben dan ook zoo

ontzettend veel te leeren, jò. Zoo moet ik vanavond 2 blz. Fransch

vertalen, 1 blz. Cours Pratique leeren, 3 meetkundesommen maken, de

Duitsche rivieren leeren en een opstel maken. Ik weet heusch niet,

hoe ik dat allemaal àfkrijg. Ik heb elken dag hoofdpijn en ik ben

toch goed gezond. En voor den vrijen Zaterdagmiddag hebben we nog

meer huiswerk. Dus je begrijpt dat er van spelen niets komen kan.

Schrijf me even of het goed is, dat ik Zondag kom. Groeten aan

allemaal. Dag bleekgezicht, gegroet van je rooden broer Arendsoog,

Bram Verhallen.

"Bram komt Zondagmiddag," zei Hans, den brief aan zijn vader

overreikend.

Mijnheer Bergwoude las den brief door en schudde het hoofd.

"Wat zullen we toch een verschrikkelijk geleerd nageslacht krijgen,"

zei hij, "de jongens en meisjes worden tegenwoordig zóó met huiswerk

overladen, dat ze nauwelijks tijd hebben om te eten. Wat zullen dat

allemaal een professoren worden! Maar wat een zenuwlijdertjes zullen

erbij zijn!"

"Schrijft Bram daarover?" vroeg mevrouw.

"Och neen, de jongen schrijft alleen, dat ze 's avonds wel voor drie

uren huiswerk meekrijgen en dat-ie Zaterdagmiddag niet spelen kan,

omdat-ie te veel werk heeft."

"Is dat niet een beetje al te erg, man?"

"Ja zeker, het is méér dan overdreven. En 't mooiste is nog, dat van al

de kinderen, die zulke massa's huiswerk avond aan avond moeten maken,

maar een paar werkelijk knap worden en daar wat aan hebben. Bram,

een flinke, gezonde, sterke jongen, heeft elken dag hoofdpijn van

't leeren. Kan daar iets goeds uit groeien?"

"Maar zonder huiswerk komen ze er niet, man."

"Denk je dat, vrouw? Eenig huiswerk kan geen kwaad, het geeft bezigheid

in huis en de jongens kunnen nog eens repeteeren, wat er op school

geleerd is. Maar om de jongelui een berg werk mee naar huis te geven,

waar ze bijna niet doorheen komen, dat is overdreven. En wat hebben de

meesten er aan? De een wordt kantoorbediende en vergeet 9/10 van wat

hij geleerd heeft, de ander architect, tuinbouwkundige, onderwijzer,

enz. Dat alles hadden ze evengoed kunnen worden zonder al die dwaasheid

in hun jonge jaren te leeren. De ernstige, werkelijk gezonde studie

komt pas later. En daar hebben ze pas wat aan."

"Toch schijnt men er ook anders over te denken," zei mevrouw.

"O, ik kan het natuurlijk mis hebben," vervolgde mijnheer Bergwoude,

"maar ik vind, als een jongen tot zijn dertiende jaar het lager

onderwijs goed gevolgd heeft en dat dóór en dóór kent, dan heeft hij

nog tijd genoeg, om àlles te worden, wat hij wil. Dat is mijn meening."

Er werd nog even over dat onderwerp gesproken en daarna gingen de

drie broers naar bed.

"Zeg," zei mijnheer, "die Barend is toch maar niet gekomen, hè? Zie

je wel, dat er met zulke jongens toch niets goeds is aan te vangen?"

"Hij zal niet gedurfd hebben, vader," zei Hans.

"Och wat, gedurfd? Hij bedankt er eenvoudig voor, om onder de plak

te zitten. Neen, ik weet wel, dat hij liever als een wildeman in de

bosschen rondzwerft en allerlei kattekwaad uithaalt. Dat is hij van

jongsaf gewend en dat zal hij wel blijven doen ook!"

Och, als mijnheer Bergwoude eens geweten had, dat Barend op dit

oogenblik te snikken lag van droefheid en teleurstelling, opgesloten

door zijn harteloozen vader in een donker hok!

TWAALFDE HOOFDSTUK.

IN DEN NACHT.

In den loop van den avond was Ranke, de strooper, met Klaas Pos in

zijn woning teruggekeerd.

Zij zetten zich aan de tafel om hun plan nog eens nader te

bespreken. Zij dachten er niet eens aan, om Barend uit zijn

gevangenschap te verlossen en hem iets te eten te geven.

"We moeten de zaak goèd doen of heelemaal niet doen," zei Ranke. "En

ik zal je nog eens haarfijn vertellen, hoe we 't zullen aanpakken. Ik

ben vanmorgen op het kantoor van Verhallen geweest en weet daardoor

precies, hoe de toestand daar is. Ja, ik heb mijn oogen goed den kost

gegeven. Ik heb den notaris zelf te spreken gevraagd, natuurlijk

maar met een onbeduidend praatje. Maar ondertusschen heb ik goed

rondgekeken. De voorkant van het woonhuis is aan de Prinsenlaan,

maar de ingang van 't kantoor is in een achterstraatje. Je loopt een

steenen paadje op en komt aan een hek. Dan een klein tuintje door en

je staat voor de kantoordeur. In de gang heb je weer twee deuren, op

de eene staat: Binnen zonder kloppen, op de andere Privé. Die laatste

moeten we hebben. Daar staat de brandkast van den notaris en als ik

me niet vergist heb, zal het voor ons niet zoo'n heksenwerk zijn om

die groote spaarpot open te maken."

Daarop vertelde Ranke aan Pos, van welk fabrikaat de brandkast was

en toonde de werktuigen, waarmede hij die dacht te openen.

"Terwijl wij binnen aan het werk zijn," sprak hij, "moet Barend op

den uitkijk staan."

"Kunnen we hem wel vertrouwen?" vroeg Pos.

"Daar kan je verzekerd van zijn. Bovendien zal ik hem wel weten

te dwingen. Kijk, hier heb je nota bene boeken en schriften van

hem. Inplaats van een vet konijn op den kop te tikken, zit hij te

suffen met zijn neus in de boeken. Waar hij die vandaan heeft, mag

de drommel weten. Hij had ze onder zijn bed verstopt. Ik wist niet,

dat mijn zoon een geleerde was. Enfin, wij zullen hem eens voor den

dag halen."

"Wij deelen toch samen?" vroeg Klaas Pos.

"Dat is te zeggen: ieder krijgt zijn deel. Ik geloof wel, dat ik twee

derden van het gevaarlijke werk te doen zal hebben, dus neem ik ook

zooveel van den buit. Ieder het zijne. Als je 't niet goed vindt,

kan ik 't misschien ook wel alleen af."

"Ik zal 't maar goedvinden," zei de ander.

"Zooals je wilt. En nou zullen we den jongen eens hier halen."

Met deze woorden begaf Ranke zich naar het turfhok, waar Barend in

slaap gevallen was.

"Barend!" riep zijn vader, "kom er uit, jongen, het wordt zoo

langzamerhand tijd."

Barend ontwaakte en keek door de geopende deur in het kamertje, waar

hij Klaas Pos bij de petroleumlamp aan tafel zag zitten. Onmiddellijk

weer herinnerde hij zich het gebeurde en tevens ook, wat zijn vader

van hem verlangde. En evenals te voren besloot hij om in geen geval

met beide mannen mee te gaan.

Ranke trok hem in de kamer.

"Je hebt over de zaak kunnen nadenken, Barend," sprak hij, "en ik

geloof wel, dat je nu zoo verstandig geworden bent, om je vader

eindelijk eens te gehoorzamen. Voor alles wat ik aan je besteed

heb ..."

"Je hebt niets aan mij besteed!" viel Barend opeens uit. "Je hebt me

niet eens te eten gegeven. De paar korsten brood en droge aardappels,

die je zelf niet meer lustte, liet je voor mij op tafel liggen."

"Wel, hoor me zoo'n ondankbare jongen eens aan!" riep Ranke, die

aan Pos verteld had, dat hij altijd den meesten zorg aan zijn zoon

had besteed, maar dat Barend een door en door slechte jongen was,

die al het goede, wat zijn vader voor hem deed, met ondank beloonde.

"Wel, hoor me nu zoo'n ondankbare jongen eens aan! Dat is de school

uitgejaagd om al zijn baldadige streken en durft nog zijn vader

beschuldigen! Wacht, kameraad, nu zullen we eens een ander wijsje

zingen. Je gaat nu direct met ons mee, en ..."

"Ik denk er niet over," zei Barend. "Ik ga toch niet."

"Dat zullen we wel eens zien! Hier, deze boeken, zijn die van jou?"

Met grooten schrik bemerkte Barend, dat zijn gewetenloozen vader

zijn boeken en schriften, waar hij met Jacob Heintze uit geleerd had,

gevonden had.

"Geef hier vader!" riep hij, "dat is mijn werk!"

"Zoo, is dat jouw werk? Neen vrind, ik zal jou eens zeggen, wat je

werk is. Om je vader te gehoorzamen en hem te helpen. En nu zal je

dat om te beginnen vanavond doen en als je weigert, scheur ik al je

boeken en schriften één voor één kapot!"

"Vader!!" schreeuwde Barend, "dat doe je niet!"

"Dat zal je zien!"

En Ranke greep een boek, dat Jacob aan Barend gegeven had. Hij nam

het in beide handen om het doormidden te scheuren.

"Vader, vader!!" gilde Barend. "Niet doen ... ik zal wel meegaan!"

"Ha zoo, dat dacht ik wel. En nu zal ik je nog eens vertellen, wat

je te doen hebt. We gaan door het bosch naar Baarn. In het huis waar

we zijn moeten, is veel geld. Het zal nogal tijd en moeite kosten

om het te krijgen. Zoolang wij binnen aan het werk zijn, houdt jij

buiten de wacht. En als er onraad is, kraai je als een haan. Ik weet,

dat je dat zoo goed kunt, dat iedereen denkt, een werkelijken haan

te hooren. Komt er iemand toevallig voorbij, dan kruip je weg in de

struiken van den tuin. Pos, hebben we de gereedschappen en den zak? De

lantaarn heb ik hier. Ziezoo, alles is klaar. De lamp uit en op pad!"

De torenklok sloeg elf uur.

En een oogenblik later gingen drie donkere figuren door het bosch,

dat inktzwart zich voor hen uitstrekte.

"Ik maak mij werkelijk ernstig bezorgd over Bram," zei mevrouw

Verhallen tot haar man, den notaris, toen zij des avonds naar boven

was geweest. "Het is nu al over tienen en nog zit de jongen aan zijn

schoolwerk. Voor een jongen van dertien jaar is dat toch te laat,

vader."

"Och laat den jongen studeeren," sprak notaris Verhallen, "nu is hij

immers nog in de gelegenheid om goed te leeren, later gaat het zoo

vlug niet meer. En als hij daar nu plezier in heeft?..."

"Plezier in heeft?"

"Wel ja, anders zou hij het toch niet doen?"

"Denk je, dat Bram voor zijn plezier avond aan avond zit te

blokken? Dat hij voor zijn plezier elken dag over hoofdpijn klaagt? De

jongen overwerkt zich, dat zeg ik. Hij begint er slecht uit te zien."

"Kom, kom, nu overdrijf je toch," zei de ander. Hij was zelf een zeer

werkzaam man en vond het heel best, dat zijn dertienjarige zoon elken

avond stapels schoolwerk maakte. Natuurlijk in den tegenwoordigen

tijd moest de jeugd nu eenmaal hard studeeren.

Dat wist Mevrouw ook wel, maar zóóveel huiswerk als de kinderen

tegenwoordig van den meester meekregen, vond ze toch wat heel erg.

"Neen, ik overdrijf volstrekt niet," hernam zij, "de jongen zal er

nog heelemaal door van streek raken. Al is zijn lichaam gezond, dat

wil volstrekt niet zeggen, dat hij daarom een hoofd om veel te leeren

heeft. Ik zou veel liever zien, dat hij wat vroeger naar bed ging."

Mijnheer Verhallen haalde zijn schouders op en frommelde eens

ongeduldig met de courant, die hij in de handen hield. Hij zag

volstrekt geen bezwaar in het late opblijven en studeeren van zijn

zoon. Hoe knapper Bram werd, hoe liever hij het had. Van leeren werd

je niet ziek en de meesters wisten toch ook wel, wat kòn en wat nièt?

Mevrouw zweeg nu maar, doch in stilte dacht ze met bezorgdheid aan

haar jongen.

Op zijn kamertje zat Bram ijverig te pennen.

De klok wees kwart over tien.

Bram had juist de laatste rekenopgave af. Gelukkig, eindelijk was

hij weer zoover, dat hij morgen met behoorlijk afgemaakt werk bij

den meester komen kon. O, er waren jongens genoeg, die om zeven uur

aan d'r huiswerk begonnen en vóór achten alweer buiten waren, maar je

moest dan niet vragen, hoe dat werk er uit zag. Bram behoorde niet tot

de vlugsten, maar juist daarom wilde hij zijn werk zoo goed mogelijk

doen. Het leeren viel hem niet gemakkelijk, maar meester was streng

en papa liet niet met zich spotten! Dus kostte het Bram buitengewone

inspanning om met de andere jongens van zijn klasse gelijk te blijven.

Met een tevreden lachje bergde hij zijn boeken en schriften in de

kast. Het was meer dan bedtijd. Zijn bed stond in een hoek van 't

kamertje. Met langzame bewegingen kleedde hij zich uit. Slaap had

hij bijna niet, hij was over zijn slaap heen; in zijn rond, gezond

jongensgezicht stonden de oogen dof en mat. Hij voelde zich doodmoe en

had toch geen slaap. In bed lag hij te kijken naar een paar sterren,

die hij juist door 't bovenraam kon zien. En onderwijl dacht hij

maar voortdurend, zonder het te willen, aan die laatste som, die zoo

moeilijk was. Toen probeerde hij te slapen, maar dat lukte niet. Zijn

lichaam rustte uit, maar hij bleef klaarwakker. Hee, dacht hij,

wat beef ik nu toch vreemd? Het is toch heelemaal niet koud. Och,

't zal wel over gaan. Kom, ik zal me maar weer eens omdraaien. En

dan dacht hij weer aan de lesuren van morgen. Eerst taal, de les

over de vervoeging der werkwoorden. En dan Fransch, Cours Gradué,

2 théma's opzeggen, 2 nieuwe inleveren. Die had-ie ook af. En dan

rekenen. Zouën z'n sommen goed zijn? Meester had dikwijls aanmerkingen

op z'n foute sommen, en deed-ie niet heusch zijn best? Als ze nou

maar goed waren! Kom, nou slapen. Nou niet meer aan leeren denken. De

andere jongens sliepen ook allemaal ... de klok sloeg elf. Bram was

nog even wakker als om tien uur. Half twaalf. Bram zat rechtop in

bed, z'n hoofd klopte. Hij stond op, stak zijn hoofd door het open

raam. De lucht was helder, om hem heen waren tuinen met dicht geboomte,

zware dennegeur trok het kamertje in. De nachtkoelte deed hem goed,

de hoofdpijn zakte wat.

Weet je wat, hij ging een beetje in den gemakkelijken stoel bij het

raam zitten, van slapen kwam toch voorloopig niets.

Bram trok een jas aan en strekte zich op z'n gemak in den stoel

uit. Zoo zat-ie lekker. En nou naar de sterren kijken. Dààr had je de

Groote Beer en dan ... één... twee ... drie ... vier ... vijf ... zes

... zeven ... de Poolster ... en dáár ... en dáár....

Bram, oververmoeid, dommelde in.

Ruim een uur later schrok-ie wakker.

Hè, wat? Lag-ie niet in bed? Zat-ie in 'n stoel? Hee ja, dat was waar

ook. Brrr, hij was koud geworden, gauw maar 't bed in. De jas hing

hij over den stoel, stapte dan met z'n eene been in bed.

Maar opeens bleef-ie zoo staan.

Stil ...

Wat was dat beneden?

Was pa nog op?... Even luisteren....

Sssst ... daar hoorde hij 't weer.

Zoo'n gek geluid.... net of 'r iemand op pa's kantoor was. Nou,

dat was onzin, hè? Pa sliep natuurlijk.... en....

Nou viel d'r wat....

't Volgend oogenblik trok Bram kousen en pantoffels aan en wat kleeren.

Op z'n teenen ging-ie de trap af, opende geruischloos de buitendeur;

over de grasperken liep hij den tuin uit, 't straatje om naar den

kantooringang.

Stil... daar stond een jongen, vlak bij den lantaarn.

Bram begréép 't..., die stond op den uitkijk!!

Dadelijk keerde Bram terug.... de vilten pantoffels maakten z'n

voetstappen onhoorbaar, en snel als de wind vloog-ie de Laanstraat in,

waar twee politieagenten surveilleerden. Die gingen onmiddellijk met

hem mee.

Bram liep ze vlug vooruit, zag den jongen nog staan. En 'n plotseling

opkomende gedachte dadelijk ten uitvoer brengend, wierp hij zich

onverwachts op den schildwacht en drukte met één hand diens mond toe.

Daarna stelden zij zich in een donkeren hoek in hinderlaag op.

Bij het licht van de lantaarn had Bram den jongen herkend. En

verschrikt fluisterde hij de agenten toe:

"Barend van de Lage Vuursche!"

DERTIENDE HOOFDSTUK.

WAT JACOB VAN VELDWACHTER BUIKJE HOORDE.

Volgende morgen, zes uur.

De zon stond al hoog aan den hemel, 't beloofde weer een echt warme,

zomersche dag te worden.

Instituut Sparrenheide · 第 5 / 9 段