in Barend een leerling, die alles deed wat de ander zei. Zij hadden
elkander nu meermalen in het bosch opgezocht, zonder dat iemand het
ooit te weten was gekomen. Zij deden dat niet met de bedoeling om
kwaad te doen, te stroopen of te stelen, maar integendeel om veel
goeds van elkaar te leeren. Jacob leerde den strooperszoon in de
eerste plaats netheid en orde, vervolgens begon hij hem les te geven
in lezen en schrijven.
Meester Hooghuizen hoorde dat alles in de grootste verbazing aan.
"En gebeurde dat altijd in den laten avond?"
"Ja, mijnheer," antwoordde Jacob. "Ik kon het op geen anderen tijd
ongemerkt doen. Niemand mocht het weten, want als u of mijnheer
Bergwoude daar iets van gemerkt had, zou het natuurlijk niet meer
mogen."
"Neen, dat spreekt van zelf. Maar hoor eens, Jacob! Jij bent een
brave jongen, en dat je den armen, verwaarloosden Barend van de Lage
Vuursche met zachtheid en vriendschap zoo langzamerhand tot een goed
mensch weet te veranderen vind ik prachtig! Zoo iets bevalt me! Maar
je moogt niet meer zoo 's avonds laat er op uit gaan. Je zoudt ziek
worden! Ik zie al kringen onder je oogen van dat late opblijven! Dus
dat mag niet meer. Met Barend zullen we verder zien, ik zal eens
probeeren, of ik wat voor hem doen kan."
"O mijnheer, als dat eens waar was!"
"We zullen zien, Jacob, we zullen zien. Maar nu, hemel, het is al
half één. Wil je wel eens als de drommel naar bed gaan?"
"Ik ga al," lachte Jacob. "Slaap wel, mijnheer."
"Bonsoir," zei meester. "Nu moet jij ook naar boven klimmen, hè? Nou,
tot morgen, hoor!"
Meester Hooghuizen sloot de tuindeuren, draaide het licht uit en ging
eveneens ter ruste. Hij droomde, dat al de jongens van Sparrenheide in
't donker de palen van 't balcon op en af klommen en al maar riepen:
hoofdpijn! hoofdpijn! En Barend sprong er als een kikker tusschen
door en sloeg iedereen met een kolossalen vulpenhouder, zoo groot
als een boomstam.
NEGENDE HOOFDSTUK.
VELDWACHTER BUIKJE.
"Ziezoo, vrouw Vorstman," zei Barend, toen hij van uit het tuintje
de hut van de arme weduwe binnentrad, "de tuin is in orde en het
schuurtje is schoongemaakt. Zal ik nu den klimop nog wat opbinden?"
De arme vrouw keek Barend glimlachend aan.
"Doe dat nu morgen maar, mijn jongen. Kom toch binnen, dan krijg je
een kom koffie en een boterham."
't Was Maandagmorgen. De zon brandde aan den hemel.
Het tuintje van vrouw Vorstman schitterde van bloemenkleuren in
't zonnegoud.
"Het huisje is nu mooi," zei Barend.
"Dat zal wel waar zijn" sprak zij, "maar dat komt ook, doordat ik
tegenwoordig zoo'n goeden tuinman heb."
"Ik heb er plezier in, vrouw Vorstman. En ik houd van u."
"Och ... je bent niet slecht, Barend, de menschen zeggen het wel,
maar ..."
"Het kan mij heelemaal niet meer schelen, wat ze van me zeggen. Ik
hoor alleen maar wat u zegt en wat Jacob zegt. En ik wou dat u mijn
moeder was, vrouw Vorstman."
"Goeie jongen ... zeg jij maar gerust, "moeder" tegen mij, hoor."
"Ja, dat is goed."
"Kom Barend, en nu de boterham en de koffie. Eet ze met smaak!"
Juist zou Barend beginnen, toen de deur van de kamer geopend werd
en de dikke gemeenteveldwachter verscheen. Plotseling sprong Barend
op en vloog als een razende door de achterdeur, den tuin in, sprong
daar over een heg en verdween in het bosch.
"Hei, hier! Barend! Hier zeg ik je!" riep de veldwachter. Maar Barend
liet hem roepen en was minstens al een paar honderd meter uit de buurt.
"Wel heb je nou toch ooit!" zei Veldwachter Bunze, die met deze warmte
een hoofd had als een reuzentomaat.
"Wat moet je van hem?" vroeg vrouw Vorstman.
"Wel, de schooier moet op "Sparrenheide" komen. De directeur van
't Instituut moet hem spreken. En nou gaat de schelm aan den haal!"
Veldwachter Bunze was niet bemind bij de dorpsbewoners, en daarom was
het volstrekt niet te verwonderen, dat vrouw Vorstman hem antwoordde:
"Wat een wonder, Bunze, dat zou iedere jongen voor jou toch doen?"
"Zoo, je bent wel vriendelijk."
"Ben jij het dan, Bunze? Je weet heel goed, dat ik de eenige ben op
het dorp, bij wie je af en toe nog eens kunt komen praten, maar de
anderen bedanken ervoor."
"Zoo, ja; dat heb je me nou al zoo dikwijls verteld, dat weet ik
nou wel. In elk geval vraag ik er niemand om. Ik ben hier niet in de
gemeente aangesteld om koffiepraatjes te houden bij jan en alleman,
maar om de orde te handhaven."
"Och kom."
"Natuurlijk! Wat zou er van de veiligheid op den weg en in het bosch
overblijven, als ik er niet was? Het is hier een rooversnest, dàt zeg
ik. En ik bewaak de eigendommen. En zoolang ik hier ben, en zoolang
ik hier de baas ben ..."
"Wel wel, jij hier de baas? En de burgemeester dan ...?"
"De burgemeester is het hoofd der gemeente. Ik ben de uitvoerende
macht. Dat is staatsinstelling, dat staat in de grondwet."
"Ach man, zit niet te huilen," lachte het spotzieke vrouwtje. "Drink
de koffie maar op, de jongen komt toch voorloopig niet terug."
Dat liet Bunze zich geen tweemaal zeggen. Hij was een man van ruim
veertig jaar en buitengewoon dik. Zóó dik, dat hij haast niet meer
voortkon. Dat was niet zoo heel erg, omdat er in het kleine gehucht
nooit iets gebeurde, waarbij de veldwachter hard moest loopen. Die
geweldige buik had hem den bijnaam "Veldwachter Buikje" bezorgd. Ook
op Sparrenheide was hij onder dien naam bekend. Zooals het meer
met menschen gaat, die weinig of niets te doen hebben, verbeeldde
Bunze zich, dat hij het verbazend druk had en dat hij onmisbaar
was. Hij was zeer trotsch op zijn vak en meende, dat er geen grooter
autoriteit in heel den omtrek was dan hij, sprak graag over zijn eigen
gewichtigheid en gebruikte woorden, die hij zelf niet begreep. Daarbij
schold hij altijd en op iedereen, noemde zijn dorp een rooversnest
en een dievenhol en alle bewoners waren in zijn oogen misdadigers,
die hij in de gaten moest houden.
Zijn hoofd was kogelrond. Het weinige haar, dat hij bezat, was boven
zijn voorhoofd tot een hoogopstaande kuif bijeengekamd. Wel drukte
de uniformpet die mooie kuif onverbiddellijk omlaag, maar zoodra hij
de pet afzette, streek hij haar met de vingers al draaiend weer omhoog.
Terwijl vrouw Vorstman nu met haar huishoudelijke bezigheden voortging,
dronk Bunze zwijgend de koffie van Barend op en nam tevens de vrijheid,
diens dikke boterham met kaas naar binnen te werken. Hij begreep wel,
dat dit niet de bedoeling van vrouw Vorstman was, en daarom stapte
hij maar op, toen de boterham naar binnen was.
"Komaan, vrouw Vorstman, wel bedankt voor de koffie. Ik stap nou maar
op en zal eens zien, of ik den schooier vinden kan."
"Welken schooier?"
"Wel, dien stroopersjongen. Op Sparrenheide moet-ie komen. Wat-ie
daar uitvoeren moet kan je wel begrijpen. Hij heeft natuurlijk weer
een of andere streek uitgehaald. Ik begrijp niet, waarom ze dien
dagdief niet allang naar de tuchtschool hebben gestuurd."
"Dat zal anders nu wel gauw uit zijn, Bunze."
"Waarom?"
"Wel, heb je dan niet gemerkt, dat hij zijn leven betert? Wat heeft-ie
al niet van jongenheer Heintze geleerd! Het zou mij niets verwonderen,
als de meester van Sparrenheide hem wou voorthelpen."
"De directeur van het jongenheeren-instituut?" stoof Bunze op. "Denk
je dat die zich bemoeit met zulk gespuis, met zulk tuig, met zulke
struikroovers? Maar dan ben ik er ook nog, ik zal mijnheer Bergwoude
wel eens inlichten."
"Ja, doe dat," spotte het vrouwtje, "dan kan meneer Bergwoude ook
nog eens lachen."
Maar Bunze antwoordde niet, in booze stemming liep hij weg. En als
hij boos was, dan zocht hij altijd het een of ander, om er zijn woede
aan te koelen. Het eerste het beste wat hem dan in den weg kwam,
moest het ontgelden. De kippen van den smid liepen rustig over den
weg. En de haan stapte parmantig, heelemaal niet schuw, juist voor
de voeten van den opgewonden, dikken veldwachter heen.
Uit woede gaf hij het fraaie dier een schop, dat het luid kakelend
over den weg vloog.
Maar die haan was ook niet voor de poes.
Het woedende dier vloog plotseling klapwiekend op Bunze aan, en
hakte met zijn scherpen snavel op diens gezicht, dat de veldwachter
het uitschreeuwde.
Hij zwaaide met zijn korte, dikke armen en sloeg eindelijk den haan
van zich af.
Met de verwondingen liep het, gelukkig voor hem, nog al los, ofschoon
het bloed hem uit een gaatje in de wang liep.
Maar nu was ook zijn woede ten top gestegen!
Hij trok zijn sabel en wilde er opnieuw den haan mee te lijf gaan,
toen opeens de smid naar buiten kwam en hem, proestend van het lachen,
toeriep:
"Hei hei, Bunze, het is hier geen hoenderslachterij!"
"Houdt dien haan vast!" schreeuwde Bunze, en wees met uitgestoken
sabel op het dier, dat niet van plan scheen, voor den dikkerd aan
den haal te gaan.
Maar de smid deed niets dan lachen. Er kwamen nog wat buren bij en
toen werd het een relletje.
"Ik zal proces-verbaal opmaken tegen jouw haan!"
De menschen schaterden het uit.
Nu raakte Bunze heelemaal de kluts kwijt. Hij maakte zich hoe langer
hoe driftiger, wat met het oog op de warmte niet goed voor hem was. En
hij wist ternauwernood meer wat hij zei.
"Houdt je mond als je tegen me spreekt!" schreeuwde hij de lachende
omstanders toe en die dwaze uitroep had een orkaan van gelach ten
gevolge.
Dat deed de woede van den dikzak ten top stijgen en hij zou bepaald
de menschen met zijn sabel te lijf zijn gegaan, wanneer niet toevallig
de burgemeester in zijn auto was voorbijgekomen.
De auto stopte en de burgemeester kwam er uit.
De dorpelingen groetten hem, maar Bunze vergat dit. Hij hield nog
altijd den getrokken sabel in de hand en liep er den burgemeester
mee tegemoet.
"Burgemeester!" riep hij op hoogen toon, "ik constateer hier
insubordinatie!"
De burgemeester zei niets, maar hij gaf eerst den omstanders een wenk,
dat zij naar huis zouden gaan, wat allen ook onmiddellijk deden,
en aan Bunze een teeken, dat hij zijn moordwapen zou opbergen. Toen
liep hij met den veldwachter een eindje den weg op, zoodat niemand
anders hem kon verstaan en zei:
"Hoor eens Bunze, ik verzoek je nu uitdrukkelijk en voor den laatsten
keer je niet zoo belachelijk aan te stellen zooals nu, door b.v. met
getrokken sabel tusschen rustige dorpelingen te staan. Wat was er
nu weer?"
Bunze kroop heelemaal in zijn schulp, want nu de burgemeester hem
zoo kalm naar het gebeurde vroeg, voelde hijzelf, dat het toch niet
heelemaal in orde was met dien haan.
Hij antwoordde niet dadelijk, want hij vond het toch wel wat al te gek,
om te zeggen, dat-ie den haan als voetbal had gebruikt.
Toen keek de burgemeester hem eens aandachtig aan en zei:
"Wat is dat? Je bloedt! Wie heeft dat gedaan?"
"Dat ... dat heeft--de haan van den smid gedaan, burgemeester."
"De--háán Bunze, houd je me nu voor den gek?"
"Neen burgemeester. De brutaliteit van dat beest..."
"Brutaal--die haan? Wat zei-die dan tegen je?"
"Wat-ie zei, burgemeester? Wel, hij zei niets. Hij vloog op me aan en
maakte zich schuldig aan een ernstige mishandeling van een ambtenaar
in functie!"
Nu schoot de burgervader in een hartelijken lach, en wie van de
dorpsbewoners dat om een hoek van verre hoorde en zag, lachte in
stilte mee.
Maar de burgemeester bracht den dikken veldwachter aan het verstand,
dat hij zich toch weer buitengewoon dwaas had aangesteld en dat hij
kans had, om door een kalmer collega vervangen te worden, als die
tooneeltjes niet ophielden. En na die laatste waarschuwing stapte de
burgemeester weer in zijn auto en reed verder.
Het verloop van die geschiedenis had Bunze's humeur er niet beter op
gemaakt. Hij was echter zoo verstandig, zich voorloopig niet weer in
het dorp te vertoonen en ging naar huis.
Maar met dat al had hij zijn boodschap aan Barend nog niet
overgebracht, en de jongen moest toch zoo spoedig mogelijk op
Sparrenheide komen, dat had mijnheer Bergwoude gezegd. Maar hij
hoopte den "struikroover" des middags, wel te vinden, hij zou hem in
't bosch zoeken en desnoods bij de haren naar de school sleepen!
En veldwachter Buikje stapte zijn huisje binnen, waar hij met zijn
zuster woonde. Hij bromde eerst nog wat, maar ging dan nijdig in zijn
stoel bij het raam zitten, zwijgend. Hij beet van innerlijke woede zijn
pijp stuk en wierp die toen uit het raam waar ze op Pluto, den hond,
neerkwam, die in 't zonnetje te slapen lag. Daarna at hij zonder een
woord te spreken en ging naar het bosch, op zoek naar Barend.
TIENDE HOOFDSTUK.
VELDWACHTER BUIKJE EN DE DRIE JOLIGE BROERS.
Dienzelfden middag gingen Hans, Flip en Rob het bosch in, de laatste
gewapend met zijn onafscheidelijken botaniseertrommel.
Er was dien middag weinig te doen, bovendien was het verschrikkelijk
warm en alleen in 't bosch nog tamelijk uit te houden.
Hans had nog den moed gehad met deze zomerhitte een boek mee te nemen,
waarin de geschiedenis van het Gooi- en Eemland werd beschreven, wat
volgens zijn broer Flip "klinkklare idiotieke nonsensika" was. Loop
rond, je mocht al blij zijn, als je je oogen kon openhouden. De drie
trouwe broers wandelden tot aan het kasteel Drakenstein en gingen
daar wat in de schaduw der beuken liggen.
Hans sloeg dadelijk zijn boek op en las, dat op diezelfde plek,
waar nu het slot stond, omstreeks de 12e eeuw een huis gebouwd was,
omgeven door een zeer diepe gracht en schier ontoegankelijk. Daar
woonden twee broeders, Wer en Ner, geweldenaars en roovers van hoogen
stand. En naar die twee broeders heeft men later de Wernershoeve,
die in de nabijheid staat, genoemd. En Hans las heele hoofdstukken
over families, die vroeger het slot bewoond hadden en van Warnaer
van Drakenbosch, die het gebouwd had. Hans vond dat allemaal heel
interessant, want hij hield verbazend veel van geschiedenis en oudheid,
maar Flip moest daar heelemaal niets van hebben. Terwijl Hans in zijn
boek verdiept was en Flip met de armen onder het hoofd op den rug lag,
ging Rob op excursie naar een varensoort, die wel in zijn plantenboek
stond, maar die hij tot op heden nog niet gevonden had.
"Zeg," zei Hans opeens, "dat is toch wel mooi, jò. Luister eens:
"Prins Frederik Hendrik, de stadhouder, als Graaf van Buren, beleende
Heer Ernst van Reede met de hooge en lage jurisdictie en heerlijkheid
van De Vuursche, mitsgaders de hooge heerlijkheid en ridderhofstad
van Draakstein. Zeg, luister je nou? Hee, Flip!"
Flip was allang te voren ingedommeld en keek nu suf op.
"Wat is 'r nou weer?"
Hans lachte.
"'k Heb je voorgelezen van Drakenstein."
"M'n zorg."
"Nou, vin-je dat dan niet interessant?"
"'n Gloeiende pook in je hand," rijmde Flip en geeuwde.
Hans haalde zijn schouders op en las verder de geschiedenis van het
oude landgoed, dat al in 1359 bestond en van "die grote bomen, die
daerinne staen." Flip tukte stevig door. Zoo was ongeveer een uur in
stilte voorbijgegaan toen Hans er opeens aan dacht, dat Rob zich dien
tijd niet had laten zien. Natuurlijk zou de kleine natuurkundige wat
dieper nog het bosch zijn ingegaan, maar nu bleef hij toch wel wat
heel lang weg. Hans keek eens naar den rustig slapenden Flip en trok
hem aan een oor.
"Hei, Flip. Wor 's wakker!"
"Arendsoog is een dapper krijger, maar de scalp van het bleekgezicht
zal zijn wigwam niet sieren," mompelde Flip in zijn droom.
"Héél mooi gezegd, broeder!" lachte Hans. "Maar daar vraag ik je nou
niet naar. Sta op, dan gaan we Rob zoeken."
"Hè, wat is 'r dan met Rob?"
"Weet ik het, kom mee, we gaan hem zoeken."
"O, jawel, dat is goed. Zeg jò, 'k heb zoo fijn gedroomd!"
Ze stapten op en kwamen bij de oude kapel, die achter heuveltjes in
't groen verscholen lag.
Opeens greep Hans zijn broer bij den arm.
"Stil," zei hij, "daar roept iemand."
Zij luisterden scherp.
Op korten afstand klonk een gedempte stem:
"Hans! Flip! Hierheen!"
"'t Is Rob!" zei Flip. "Maar waar zit hij?"
Ze stonden voor den ingang van de kapel.
Het slot was van de deur verdwenen, door de ijzeren krammen was een
touw gestrikt.
En nogmaals klonk het geroep.
"Hij zit in de kapel!" zei Hans. "Ze hebben hem opgesloten!"
Toen Rob zijn broers had alleen gelaten, was hij langs smalle paden,
dichtbegroeid met beuken en sparren, het bosch in gegaan. Eerst had
hij een mossoort gevonden, die hij tot nog toe nog niet had gezien, en
verheugd had hij een gedeelte daarvan in den trommel meegenomen. Hij
zou thuis wel eens onderzoeken, hoe de naam ervan was. Toen was
hij aan 't dwalen gegaan, zoekende naar een kleine varensoort. Zoo
ronddolende was hij eindelijk bij de kapel gekomen. Ofschoon hij het
oude gebouwtje al vaak genoeg gezien had, vond hij het toch altijd
opnieuw weer aardig om er even naar te kijken. Het was omgeven door
een prikkeldraad-versperring en de deur was altijd gesloten met
een hangslot.
Maar nu merkte Rob tot zijn verwondering op, dat het oude, verroeste
hangslot van de deur verdwenen was en deze inplaats daarvan met een
touw was dichtgebonden. Die ontdekking verheugde hem zeer, want nu
kon hij gemakkelijk genoeg eens een kijkje nemen in de kapel.
Hij klom over het prikkeldraad, waarbij zijn broek en kousen groot
gevaar liepen en stapte op het oude deurtje toe, toen hij onverwachts
de door hem gezochte varens ontdekte. Met zijn plantenschopje groef
hij er een paar uit en bergde ze in zijn trommel. Daarop maakte hij
het touw van de deur los en trad de kapel binnen.
Terwijl Rob zoo aan het graven was, kwam de dikke veldwachter Bunze
over den mosgrond aangestapt. Met groote verbazing en verontwaardiging
aanschouwde hij de vernieling van zijn bosschen, maar hij wachtte
nog even om te zien, wat Rob wel verder zou doen.
Toen de jongen nu in de kapel was, klom Bunze met buitengewone
krachtsinspanning over het prikkeldraad en plaatste zich in de
deuropening.
"Wat voer jij daaruit?!" riep hij met barsche stem.
Rob, die daarop in het geheel niet verdacht was, wendde zich verschrikt
om en zei:
"O Bunze, wat laat je mij schrikken. Ik kwam hier maar eens even
kijken, zie je."
"Zoo, en van wien heb je daarvoor permissie? Had je mij dat niet
eerst behooren te vragen?"
"Ik wist niet, dat deze kapel van u was, Bunze."
"Wat, Bunze, Bunze! Jij brutale aap van een jongen! Mijnheer Bunze
dan toch, hé?"
Rob kende den veldwachter wel zoo'n beetje, maar dit was nu toch wel
wat al te dwaas.
"Mijnheer Bunze?" vroeg hij. "Nu mij best, mijnheer Bunze dan."
"Juist, zoo is 't beter."
"Jawel mijnheer Bunze."
"Wat heb je daar in die bus?"
"Planten, mijnheer Bunze."
"Hoe kom je daaraan!"
"Uit het bosch, mijnheer Bunze."
"Wat! Uit mijn bosch! Heb ik je daar permissie voor gegeven? Wacht,
jou boschvernieler, jou plantendief, ik zal je leeren mijn bosschen
te plunderen. Opsluiten zal ik je en ik verzeker je, dat ik den
burgemeester ga waarschuwen!"
En de daad bij het woord voegende, sloeg de dikkerd de deur dicht en
bond ze met het touw weer vast.
Daarop klom hij weer over het prikkeldraad en liep naar den
burgemeester, trotsch als een beroemd detective, die een gevaarlijken
misdadiger achter slot en grendel heeft doen brengen.
"Dat is ook wat moois," mopperde Rob, "nou zet die dikzak mij
gevangen. Hij zal den burgemeester waarschuwen. Och kom, die zal er
zich weinig van aantrekken, denk ik. Maar ik wou er toch maar liever
weer uit! Het is lang niet gezellig hier."
Rob probeerde de deur open te duwen, maar het touw was dik en sterk.
De achterzijde van de kapel was open en alleen afgezet door een
hekje. Rob zag den groenen vijver en de omringende boomen. Het was
romantisch-mooi, maar Rob dacht op het oogenblik heelemaal niet aan
romantische dingen, hij dacht er alleen maar over, op welke manier hij
het spoedigst hier vandaan kwam. Maar er was geen kans tot ontsnappen.
Toen bedacht hij, dat Hans en Flip niet zoo heel ver hier vandaan
konden zijn en misschien zijn roepen wel konden hooren.
Het eerste kwartier leverde dat roepen ook al niet veel resultaat op,
maar eindelijk toch meende hij de stemmen van zijn broers te hooren.
En nu schreeuwde hij zoo hard hij kon:
"Hierheen, jongens! In de kapel!"
Hans en Flip vlogen over het prikkeldraad en hadden in een wip het
touw van de deur losgemaakt.
"Hier ben ik!" juichte Rob.
"Wel alle bisschoppen!" riep Flip. "Speel je kluizenaartje?"
"Ken je begrijpen," zei Rob. "Buikje heeft me hier gevangen gezet."
"De veldwachter? Wat heb je dan uitgevoerd? En het is hier toch
geen gevangenis?"
"Och, ik had gezien, dat er geen slot op de deur was en toen ben ik
maar eens naar binnen gegaan. Daar komt me ineens veldwachter Buikie
en roept: Wat voer je daar uit?"
"En jij schrok natuurlijk," zei Flip.
"Nou, dat snap je. Enfin, ik mocht hier niet in, ik mocht geen planten
in het bosch zoeken, ik was een boschvernieler, een plantendief en
hij zou alles aan den burgemeester vertellen."
"Toe maar, nog meer?"
"Nee, anders niet. Alleen moest ik voortaan mijnheer Bunze zeggen."
"Hahaha, dat is 't mooiste nog!" lachte Hans, "mijnheer Bunze."
"Vooruit jongens," zei Rob. "Nou kunnen we een grap beleven. We
sluiten de deur weer netjes met het touw en stellen ons achter 't
heuveltje op. Straks komt Buikje terug en dan zal je wat moois zien!"
"Ja, dat is goed," zei Hans. "En dan zal ik er nog een veel grooter
grap op laten volgen."
Een kwartiertje daarna kwam de veldwachter terug. Hij had den
burgemeester niet gezien. Den jongen in de kapel opgesloten te houden
ging ook niet, dus ging hij dan maar den gevangene na een geduchte
vermaning in vrijheid stellen.
Hans, Flip en Rob lagen achter het heuveltje, op ongeveer tien pas
afstand van den ingang der kapel.
Veldwachter Buikje, wiens slechte stemming aanmerkelijk verbeterd was,
sinds hij een gevangene had, klom weer over het prikkeldraad heen.
Hij grinnikte en sprak overluid.
"Haha, mannetje. Zit je er nog? Wacht maar, we zullen elkander eens
even nader spreken. Ja, denk nou maar niet, dat je er zoo makkelijk
afkomt, er zit wat voor je op. En ik zal je leeren mijn bosschen
te beschadigen."
Met deze woorden maakte hij het touw los en opende de deur.
"Ziezoo jongeheer, kom nou maar eens hier."
De drie jongens knepen hun neus dicht om het niet van lachen uit
te proesten.
Er kwam natuurlijk geen antwoord vanuit de kapel.
"Kom je haast voor den dag, deugniet!" riep Bunze.
't Bleef stil.
Wat drommel dacht de veldwachter, is de arrestant in slaap gevallen
of hoe heb ik het nu?
Hij bleef echter zorgvuldig de deuropening bewaken en riep nu nog eens:
"Kom hier zeg ik je, onmiddellijk!"
Maar geen geluid werd vernomen.
"Je weigert dus te komen?" riep Bunze, "goed, ik zal je wel weten
te vinden."
En kordaat stapte hij de kapel binnen, maar trok toch de deur
voorzichtigheidshalve wat dicht.
Op dat oogenblik sprong opeens Hans te voorschijn en wenkte zijn
broers, hem vlug te volgen.
Snel als de wind wierp hij de deur toe, Flip en Rob zetten er de
voeten tegen aan en in een oogenblik had Hans het touw door de
krammen geknoopt.
Maar daar begon Bunze me eventjes op te spelen!
"Doe open! Doe dadelijk open! In naam der wet! In naam der Koningin! Ik
ben het, Wouterse, ik ben het, de veldwachter!"
Bunze was in de meening, dat Wouterse, de timmerman van het kasteel
Drakenstein een nieuw slot op de deur deed. Doch nu kwam er evenmin
antwoord.
"Wouterse!" riep Bunze, "ben jij het? Doe dadelijk weer open, want
ik ben er nog in!"
De drie broers verwijderden zich. "Kom mee," zei Hans, "nu komt het
mooiste nog."
Zij liepen achter het heuveltje om den vijver heen, Rob moest zich
schuil houden, terwijl Hans en Flip tegenover de opening aan de
achterzijde van de kapel stonden, alsof ze die voor het eerst bekeken.
"Hallo, jongens daar!"
"Hee, zit u in de kapel, mijnheer Bunze?" riep Hans in de hoogste
verbazing. "Is zij dan niet op slot?"
"Ja," riep de dikzak, "ze is op slot en nou kan ik er niet uit!"
"Blijf er dan maar een jaar in!" wou Flip terugroepen maar hij was
gelukkig zoo verstandig, om dit niet te doen.
"Op slot?" riep Hans, "wie heeft dat dan gedaan?"
"Dat weet ik niet. Wacht, ik zal eens hooren."
Bunze liep naar de deur van de kapel en duwde daartegen met alle
kracht. Daardoor rekte het touw wat, dat hij duidelijk door den kier
kon zien. En nu kwam hij pas tot de overtuiging dat de arrestant
gevlogen was. Geholpen natuurlijk door zijn broers, die nu aan den
overkant dolle pret hadden, nu zij hem zoo netjes ingesloten hadden.
Maar daar zouden ze van lusten.
En Bunze, inplaats van zich kalm te houden, en zich de deur weer voor
de jongens te laten ontsluiten, vloog weer naar het hek en brulde,
dat het over het water daverde:
"Willen jullie wel 's als de duivel die deur losmaken!"
"Hoe zegt u, mijnheer Bunze?" antwoordde Hans. "Als de duivel? Hoe
maakt die dan een deur los?"