Daar hoorde hij opeens wat. Voetstappen.

Stil ... kwam Flip weer naar binnen?

Neen ... de deur bleef dicht ... nu hoorde hij niets meer. Ja, daar

was het weer ... Flip liep zachtjes voorbij de deur van de slaapkamer.

"Wat was er toch aan de hand."

Nu nam Hans een kloek besluit. Hij wilde in elk geval weten, wat Flip

in den nacht op het balcon uitvoerde. Hij liet zich zoo zachtjes

mogelijk uit het bed glijden, liep op zijn teenen naar de deur,

pantoffels in de hand.

Voorzichtig opende hij de deur, stak zijn hoofd er buiten.

En nog net kon hij zien, hoe Flip over de balustrade van het balcon

klom en zich langs een der palen naar beneden liet glijden.

Drommels, dacht Hans, wat zullen we nu beleven? Ja ja, ik dacht wel,

dat er iets bijzonders aan de hand was. Maar ik mag geschoren worden

als ik er wat van begrijp. Wat zal ik doen? Hem achterna gaan? Dat

was in elk geval wel het beste om ineens het fijne van de zaak te

weten te komen. Komaan, de klimpartij langs balustrade en paal was

een kinderachtig kunstje en zoo duurde 't niet lang, of Hans volgde

Flip en Flip volgde den nachtelijken wandelaar, in wien hij ondanks

de duisternis al dadelijk Jacob Heintze herkend had.

Welke reden deze Jacob Heintze, die een der beste leerlingen was, van

Instituut "Sparrenheide," had om des nachts uit te breken, begreep

Flip evenmin als dat zijn broer Hans snapte, wat Flip in het bosch

te zoeken had.

De torenklok sloeg tien uur.

Flip volgde Jacob langs den grintweg, terwijl Jacob midden op den weg

liep en aldus zijn voetstappen duidelijk te hooren waren, volgde Flip

hem over het mos.

Daar was het voor Hans verbazend lastig om zijn broer in het oog te

houden, want tusschen de boomen was het stikdonker. Maar ondertusschen

werd het een vermakelijke geschiedenis. Want in de eerste plaats dacht

Jacob, dat hij alleen was, ten tweede was Flip in de meening, dat Hans

rustig was gaan slapen en dus niet wist, dat hij Jacob vervolgde,

en ten derde dacht Hans er in het minst niet aan, dat Flip juist

hetzelfde deed als hij: een ander volgen.

Nu mankeerde er nog maar aan, dat Rob er achteraan kwam.

Maar die sliep als een marmot en wist op dat oogenblik niet eens,

dat hij op de wereld was.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ALLEMAAL HOOFDPIJN.

Flip kende Jacob Heintze te goed om niet vooruit te kunnen weten, dat

de jongen zich niet met slechte en misdadige vrinden ophield. Maar

juist dat verergerde Flip's nieuwsgierigheid nog veel meer, want

daardoor begreep hij heelemaal niet, wat Jacob bezielde om in 't

donker het bosch in te gaan.

Hans dacht er precies zoo over, hij begreep evenmin wat Flip bezielde.

Intusschen was het Hans zoo goed als onmogelijk om Flip te volgen,

want deze was tusschen de boomstammen bijna onzichtbaar.

Halt, daar hoorde Hans voetstappen! Flip liep dus midden op den weg? Nu

even luisteren! Het geluid verwijderde zich. Op zijn beurt ging Hans

nu op het mos loopen, maar hij liep wat te haastig en daardoor bonsde

hij een paar maal tegen een boom aan. Dat was niet prettig en het kwam

hem ook heel slecht gelegen, want nu moest hij even blijven staan

om zich den neus te wrijven. Sapperloot, wat dat zeer deed! Zoo'n

boom gaf ook heelemaal niet mee! Maar... waar was Flip ondertusschen

gebleven? Hemeltje, daar was hij al bij den viersprong van 't bosch

van Drakenstein!

Welken weg was Flip ingeslagen?

Hij luisterde scherp.

Maar er heerschte doodsche stilte.

Op goed geluk sloeg hij een zijweg in, hopende, spoedig weer het geluid

van Flips voetstappen te hooren. Maar hoewel zijn eigen voetstappen

in het mulle zand van den zijweg geen geruisch maakten, hoorde hij

evenmin het loopen van een ander.

't Bleef stil om hem heen en hij kwam weldra tot de overtuiging,

dat hij de verkeerde richting was ingeslagen. Hij keerde dus terug

naar den viersprong en probeerde het langs een anderen weg. Deze

bracht hem in 't dichtste gedeelte van het bosch. Daar hoorde hij

weer duidelijk iemand loopen!

Ha! daar ging Flip dus!

Hans haastte zich in die richting, vanwaar het geluid der voetstappen

kwam.

Toen kwam er opeens een man met een geweer van achter een der boomen

te voorschijn en riep hem toe:

"Duivelsche jongen, wil je wel eens maken, dat je wegkomt!"

Hans schrikte verbazend en deed, wat alle jongens in dat geval zouden

gedaan hebben: hij liep wat hij loopen kon!

Het was Ranke, de strooper.

Waar was Flip intusschen gebleven?

Die had Jacob weten te volgen tot dichtbij het dorp de Vuursche, maar

ook al door de dikke duisternis, die er in de bosschen heerschte, had

hij hem daar geheel en al uit het oog verloren. Dat was erg jammer,

want nu was al zijn moeite tevergeefsch geweest en wanneer hij het

al nòg eens probeerde, kon hij toch wederom Jacob door de duisternis

uit het oog verliezen en zoo kwam hij geen stap verder. Misschien was

het ten slotte nog maar het beste, om aan Jacob onder vier oogen te

vragen, wat hij toch des nachts in het bosch uitvoerde. Jacob zou

hem dan natuurlijk alles moeten vertellen en dat was per slot van

rekening de eenvoudigste manier. Komaan, langer zoeken in 't donkere

bosch leidde toch tot niets en hij mocht al blij wezen, wanneer hij

zonder te verdwalen weer veilig op Sparrenheide aankwam.

Flip ging dus onverrichter zake terug en was weldra weer op den

grintweg, die langs "Sparrenheide" liep.

Op dat oogenblik had Hans juist weer den tuin bereikt en trad door

het hek naar binnen, toen hij tot zijn grooten schrik bemerkte, dat

Meester Hooghuizen, die een vergadering te Hilversum had bezocht,

zoo juist per fiets was teruggekeerd en nu in zijn kamer, die in den

tuin uitkwam, nog wat te lezen zat.

Groote goden, hoe kwam hij nu veilig en ongemerkt op zijn slaapkamer?

Dat was me nu ook een leelijke kink in den kabel! Hans hield

onwillekeurig den adem in en keek in de gezellige studeerkamer.

Meester Hooghuizen zat in zijn leuningstoel en rookte een pijp. Een

boek hield hij in de hand, maar op het oogenblik las hij daarin

niet. Het lamplicht straalde naar buiten en verlichtte nog een deel

van den tuin.

Hans hoopte maar, dat meneer daar niet lang zou blijven. Het was

immers zóó doodstil, dat hij het minste geluid dadelijk zou hooren?

Maar de onderwijzer scheen nog niet aan slapen-gaan te denken.

Toen kreeg Hans een ingeving.

Komaan, dacht hij. Laat ik net doen of ik een beetje in den tuin

wandel. Daar kan niets bijzonders in zijn. Bovendien heb ik mijn

pantoffels aan, dus dat is al zoo huiselijk, als 't maar kan.

En Hans stapte langzaam, alsof hij maar 'n loopje had gemaakt, den

tuin in.

Het volgende oogenblik hief meester Hooghuizen luisterend het hoofd

op. Toen stond hij op en kwam in de geopende deuren staan, keek in

't donker van den tuin.

"Wie daar?" vroeg hij.

"Ik meester, ik ben 't, Hans."

"O, ben jij 't? Je bent ook laat, zeg. Heelemaal geen slaap?"

"Neen meneer, 'k had het nogal warm. En zoo'n hoofdpijn. Daarom ben

ik wat naar buiten gegaan."

"Zoo. En is 't nu wat gezakt?"

"Gelukkig wel! Kom, nu ga 'k maar slapen. Wel te rusten, meneer."

"Good night, Hans! Is de deur wel open?"

"Neen meneer, die is op slot. Maar ik klim wel in den paal."

"Nee, doe dat niet. Ik heb den sleutel en zal je wel even binnen

brengen. Nou, slaap lekker, Hans."

Leuke jongen, dacht hij, flink type die Hans. Ik mag hem wel. Kom,

nu nog even de krant lezen.

Terwijl meester de krant ter hand nam, ging Hans naar boven en

bereikte veilig zijn slaapkamer. Maar hij dacht er nog niet over,

om naar bed te gaan. De teleurstelling, die hij had ondervonden,

nu Flip hem in de duisternis ontsnapt was, had hem een beetje boos

gestemd. Wat duivelkater, hij mòest en zou dan tóch wel te weten komen,

wat Flip uitvoerde! Wacht, hij zou zijn carbidlantaarn nemen en Flipje

even bijlichten, wanneer broertjelief dacht weer netjes in het donker

te zullen binnenglippen.

En Hans maakte in stilte zijn lantaarn in orde en kroop ermee in een

donkeren hoek van het balcon, het licht zorgvuldig bedekt houdende.

Het duurde niet lang, of meester Hooghuizen, die het zijne in de

courant had gelezen, hoorde opnieuw voetstappen in den tuin. Denkende,

dat Hans nog niet naar bed was gegaan, riep hij naar buiten:

"Ben je daar alweer, Hans?"

Maar tot zijn verbazing hoorde hij de stem van Flip:

"Neen meneer, ik ben het."

"Zoo Flip, ben je ook nog zoo laat op?"

"Ja meneer, ik had zoo'n hoofdpijn, en daarom ben ik maar weer

opgestaan."

"Hm, zoo zoo. Enne... nu weer beter?"

"Ja, gelukkig wel, meneer. Nu, dag meneer. Wel te rusten."

"Dag Flip."

Meester Hooghuizen keek hem na. Hij blies een groote rookwolk den tuin

in. Merkwaardig, dacht hij, eerst Hans en nu Flip. Als daar maar niets

achter schuilt. Ik moet die twee daar morgen eens naar vragen. Daarop

wandelde hij zijn kamer op en neer, bleef voor de boekenkast staan

en nam er een band uit. Hij bladerde even in het boekje en zette het

toen weer op zijn plaats. Dan nam hij een ander, bekeek het even,

deed het open, sloeg het weer dicht en zette ook dàt weer tusschen de

andere. Hij dacht aan heel andere dingen dan aan boeken. Die Hans en

Flip toch! Wat beteekende toch dat wandelen in den nacht? Waren ze

't bosch in geweest? Hadden ze werkelijk allebei hoofdpijn? Of was

dat maar een leugentje geweest? Dat zou wel 't akeligste van alles

zijn, als de jongens hèm leugens wijsmaakten! Daarvoor ging hij veel

te vriendschappelijk met al de jongens om! Ze konden hem gerust

hun grootste geheimen toevertrouwen, hij zou er nooit iemand iets

van gezegd hebben! En terwijl meester Hooghuizen daarover nadacht,

hoorde hij voor de derde maal voetstappen in den tuin.

Wel groote hemel, wie was dat nou weer? Wrevelig liep hij naar den

tuin en riep daar:

"Zeg nachtpit, kom eens als de drommel hier!"

Meester dacht, dat er nu wel weer een jongen zou te voorschijn komen,

maar tot zijn groote verbazing en schrik was het mijnheer Bergwoude

zèlf.

"Goeienavond, Hooghuizen," sprak deze lachend, "hier is de nachtpit."

"Pardon, 'k vraag beleefd excuus," zei de onderwijzer, "ik dacht,

dat er een jongen in den tuin liep."

"Ah, zoo, nu, ik neem het je volstrekt niet kwalijk. Ik ben anders

nooit zoo laat op, dat weet je wel, maar vanavond had ik zoo'n

ontzettenden hoofdpijn, dat ik het niet in huis kon uithouden."

"U--u--ook al!?"

"Wat?"

Meester Hooghuizen wist niet, hoe hij het had. Hield men hem vanavond

voor den gek of was dat alles toeval? Had de heele familie Bergwoude

vanavond dan hoofdpijn?

"Wat bedoelt ge toch?" vroeg mijnheer Bergwoude, die vol verbazing naar

het niet minder verbaasde gezicht van meester Hooghuizen keek. Maar

deze bedacht zich snel, hij wilde tóch Hans en Flip nog niet verraden.

"Ik bedoel,.. dat ik vanavond ... al meer menschen heb ontmoet... die

hoofdpijn hadden. 't Schijnt bepaald in de lucht te zitten."

Meester zuchtte van verlichting. Daarop sprak hij met den

hoofdonderwijzer over hetgeen er op de vergadering gesproken was en

daardoor dacht hij spoedig niet meer over menschen met hoofdpijn.

De beide heeren bleven nog eenigen tijd praten en na verloop van een

half uur vertrok de heer Bergwoude weer naar zijn eigen kamers.

Meester Hooghuizen ging zijn kamer sluiten.

Hij liep naar de tuindeuren, en.......

Daar hoorde hij voor den vierden keer iemand loopen!

"Wel alle goden van Olympus!" zei hij, "ik ben een bolvormige driehoek

als dat Rob niet is! Of anders mevrouw Bergwoude! De heele familie

maakt vanavond hoofdpijnwandelingen!"

Maar het was plotseling stil geworden in den tuin, meester Hooghuizen

hoorde niets meer. Nu vertrouwde hij het zaakje in het geheel niet

meer en daarom stapte hij vlug den tuin in.

"Wie is daar?"

Geen antwoord.

Maar de meester zag iets tusschen de struiken bewegen.

Hij liep er snel heen en trok een jongen bij den arm te voorschijn.

"Hallo, wie is dat nou weer? Kom, doe je mond eens open en geef

antwoord! Ah, ik zie het al! Jacob Heintze! Kom jij eens in mijn

kamer, vriend!"

Jacob volgde den meester.

"Zeg eens," sprak deze, "je kunt een stoel nemen en gaan zitten. En

als ik je nu vraag, wat je nog zoo laat in den tuin doet, behoef je me

niet te vertellen, dat het je boven te warm was en dat je hoofdpijn

had, want daar geloof ik toch niets van. Jullie denkt bepaald, dat

ik mij met een leugentje laat afschepen, maar ik zal je vertellen,

dat ik nu eens weten wil, wat er vanavond hier gebeurt. Wie komen er

nà jou nog binnen?"

Jacob Heintze begreep er niets van.

"Na mij meester? Dat weet ik niet. Ik denk, niemand."

"Dus jullie waart met z'n drieën?"

"Met--z'n drieën?"

"Ja natuurlijk, eerst is Hans binnengekomen, 'n uur geleden,

toen Flip 'n kwartier later en nou jij. Je ziet, dat ik alles

weet. Verzwijg nu maar niet langer de waarheid en zeg me, wat jullie in

't bosch deedt! Toe Jacob, wees niet kinderachtig. Hebben jullie een

roovershol? Wordt er soms een grap uitgehaald? Wordt er een gefopt? Als

't iets aardigs is, doe ik graag mee. Of is 't om mij te doen?"

Jacob schudde het hoofd.

"Ik weet niet, wat Hans en Flip gedaan hebben, mijnheer, ik heb

daarmee niets te maken."

"Maar wat voerde jij dan uit in den tuin?"

"Och--zoomaar."

"Kletspraatjes. Zóó maar! Als ik je niet vóór was geweest, had je

mij natuurlijk ook verteld, dat je hoofdpijn had! Dus je wilt het

mij niet zeggen?"

"Ik kan het u niet zeggen, mijnheer."

"Zooals je wilt. Misschien vind-je het prettiger, morgen alles aan

mijnheer Bergwoude te vertellen? Want nu zeg ik hem natuurlijk,

dat je klokke twaalf in den nacht bent thuisgekomen."

"Mijnheer!" riep Jacob "neen ... doet u dat asjeblieft niet!"

"Ah zoo, dus dàt liever niet? Welnu, zeg dan alles aan mij, en ik

zal zien, dat niemand het te weten komt."

Toen keek Jacob even peinzend naar den grond, hij moest een besluit

nemen. Welnu, hij zou meester Hooghuizen àlles zeggen!

ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET RAADSEL WORDT OPGELOST.

"Ziezoo," dacht Hans, terwijl hij in zijn donkeren balconhoek

verscholen zat en Flip naar boven hoorde klauteren, "daar komt sinjeur

terug! Wat zal hij raar opkijken als hij merkt, dat-ie gesnapt is! Stil

... daar is-ie!"

Juist aan den tegenovergestelden hoek van Hans klom Flip over de

balustrade.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij weer op z'n beenen stond, schoot

Hans, de lantaarn recht voor zich uit houdend, uit zijn schuilplaats

te voorschijn en riep hem toe:

"Waar ben jij naar toe geweest?"

Flip schrikte zoo ontzettend van dit plotseling op hem gerichte

verblindende licht, dat hij een luiden schreeuw gaf en de handen voor

de oogen sloeg.

Zelfs Hans ontstelde van den weeromstuit.

Hij wendde dadelijk het licht van Flip af en zei, met zenuwachtig

bevende stem:

"Flip ... jò ... schrik je zoo? Ik ben 't maar, hoor ..."

Toen sloeg hij zijn arm om Flips schouders en nam hem mee naar de

slaapkamer, waar hij de lantaarn op een tafel zette. Flip zat te

beven op een stoel, maar scheen toch langzamerhand zijn kalmte terug

te krijgen.

"Hans," sprak hij, en zijn lippen trilden, "wat gemeen, wat in-gemeen

... om me zoo te laten schrikken... ik dacht, dat ik mij half dood

schrok ..."

"Ja, 't is geweldig stom van me," bekende Hans, "hier Flip, drink

eens. Ik heb 't heusch zóó niet bedoeld, kerel. Wat vind ik dat nou

misselijk ellendig, zeg, dat jij daarvan zoo geschrokken bent."

Flip dronk wat. De schrik zakte al.

"Waarom dee-je dat nou, Hans?"

"Ach jó, 't is eigenlijk voor de helft je eigen schuld. Waarom zei

je niet dadelijk tegen mij, dat je 't bosch in ging? Je vertelde

ons maar een leugentje, toen je zei, dat je op 't balcon bleef,

omdat het binnen zoo warm was.

"Hoe weet je dat?"

"Ik heb je naar beneden zien klimmen."

"Maar hoe weet je nou of ik in 't bosch ben geweest?"

"Ik ben je achterna gegaan, maar in 't donker ben ik je kwijtgeraakt."

"Net goed. Maar zeg heb jij 'm niet gezien?"

"Meester Hooghuizen bedoel je? Ja zeker. Hij vroeg, wat ik zoo laat

in den tuin deed. Toen zei 'k maar, dat ik hoofdpijn had."

"Hè, wat? Heb jij dat gezegd?"

"Ja, wat zou dat?"

"O heerekrentenbaard, die is goed! Dat heb ik óók gezegd!"

Hans en Flip rolden van 't lachen tegen een stoel aan, die omviel.

Ze waren eerst bang, dat Rob er wakker van zou worden, maar dit

jongmensch sliep zoo vast, dat ze hem uit zijn bed op het balcon

hadden kunnen leggen, zonder dat hij wakker werd.

"Zeg," zei Flip, "maar ik bedoelde meester Hooghuizen niet."

"Wie dan?"

"Wel--Jacob Heintze natuurlijk!"

"Jacob Heintze? Wat heeft die er nu mee te maken?"

"Wel droomer, snap je dat niet? Ik ging Jacob na."

"Ik verklaar er geen zier van te begrijpen," zei Hans.

"Dus je wou alleen maar eens zien, waar ik bleef. En je hebt Jacob

heelemaal niet gezien?"

"Ik heb Jacob vanavond net zoo min gezien als Jan Klaassen."

"Nou, dan zal ik je de zaak uitleggen. Ik had al eens gemerkt,

dat Jacob 's nachts langs den paal naar boven klom. Dat vond ik erg

vreemd. Daarom ging ik gisteren avond op den uitkijk zitten, maar

toen kwam hij niet. En nou snap je wel, waarom ik jou vanavond niet

bij me wou hebben. Enfin, toen ik eindelijk lang genoeg gewacht had,

kwam Jacob voor den dag en klom naar beneden. Ik hem achterna. Hij

liep wel tot aan de Vuursche toe, zeg."

"Zoo. En ik toen jou achterna. Wat een stel! Maar wat voerde hij

daar uit?"

"Ja, als je dat mij zegt, dan weet ik het ook."

Op dit oogenblik ontwaakte Rob.

"Zeg ... houën jullie je snaters, ik kan heelemaal niet slapen,"

mopperde hij.

"Stil maar, broer, we gaan al slapen."

"Zijn jullie nog niet naar bed geweest?"

"Nee."

"Wat heb je dan gedaan?"

"Niks."

"Zeg het nou, flauwerikken."

-- -- -- --

"O, laten jullie me maar kletsen?"

-- -- -- --

"Nou, loopen jullie dan voor mijn part naar de hei!"

"Merci Robbekop, pas geweest! Wel te rusten hoor!"

Jacob Heintze was de eenige zoon van een rijk grondeigenaar in

Gelderland. Zijn vader had hem op het instituut van den heer Bergwoude

geplaatst, omdat Jacob vroeger steeds met ziekte had te kampen gehad

en daardoor niet zoo goed het gewone schoolonderwijs kon volgen. Niet

álleen, dat Jacob met zijn kennis van rekenen en taal ten achter was

bij andere jongens van zijn leeftijd, maar hij kon er ook volstrekt

niet tegen een heelen dag tusschen vier muren te zitten en hard te

leeren. Er zijn honderden jongens en meisjes, die daar eigenlijk

ook niet tegen kunnen, maar ze moeten wel met de anderen mee, omdat

hun ouders niet in de gelegenheid zijn, hen op zoo'n school als

"Sparrenheide" te plaatsen, of omdat er geen in de buurt is.

Wie een helder hoofd en een vlug verstand heeft, och, voor dien is

het geen kunst, de lessen prompt te leeren en alles te begrijpen, wat

de meesters zeggen. En behoor je toevallig tot degenen, die niet zoo

vlot kunnen leeren en onthouden, die niet zoo vlug van begrip zijn,

en zit je op een gewone school, waar geen tijd is om op je te wachten,

wanneer je niet zoo hard meekunt, wat gebeurt er dan? Je gaat al gauw

tot de "dommen" behooren en de vrinden kijken je er op aan. En als je

't dan nog treft, dat je 's avonds voor een berg huiswerk zit, waar

je haast niet doorheen komt, dan is 't te begrijpen, dat je zenuwen

op het laatst van streek raken.

En zoo gaat het met een massa jongens en meisjes. "Sparrenheide"

was juist daarom zoo'n prachtige school, omdat niet dag in dag uit

werd doorgebracht met rekenen, taal, aardrijkskunde, geschiedenis,

algebra, meetkunde, enz. enz. enz., maar wanneer er van 's morgens 9-1

uur met een uur pauze in school gewerkt was en daarna het middagmaal

was gebruikt, gingen de jongelui van 2 tot 3 rusten in den tuin en het

bosch. Ieder had zijn eigen hangmat. Na 3 uur ging de eene afdeeling

cartonneeren of timmeren, de andere teekenen of den tuin verzorgen,

een derde baden, turnen of iets anders doen. En wie dan nog wat

geholpen moest worden bij zijn werk vond in mijnheer Bergwoude of in

meester Hooghuizen en juffrouw Wieler altijd een bereidwillig helper.

Daarbij werkte de heerlijke, gezonde boschomgeving zoo uitstekend mee,

dat zelfs het zwakste kind op Sparrenheide aanmerkelijk vooruitging

en tóch nog wat leerde ook. Om al die redenen had de vader van Jacob

Heintze zijn zoon naar Sparrenheide gezonden. En Jacob, die vroeger in

Tiel altijd gesukkeld had met de gezondheid, was gedurende het jaar,

dat hij reeds op Sparrenheide had doorgebracht, een flinke, stevige

jongen geworden, die nu goed zijn best deed bij het leeren en van

geen sukkelen meer wist. Natuurlijk ging dat leeren zachtjesaan en

heel kalm, maar op die manier kwamen Jacob en zijn medeleerlingen toch

heel wat beter vooruit dan wanneer ze het alledaagsche schoolonderwijs

hadden moeten volgen.

Jacob was een goede jongen, een lobbes. Hij was bijzonder gul en gaf

desnoods het beste weg, wat hij bezat, om iemand maar een genoegen

te kunnen doen.

En het was juist door zijn zachten aard en zijn goedhartigheid, dat

meester Hooghuizen zich te meer verbaasde, dat Jacob in den nacht

uit het bosch kwam, alsof hij aan het stroopen was geweest. Maar

toen de jongen dan eindelijk besloten had, om alles maar te zeggen,

keek de meester weer wat gemoedelijker en zei:

"Vooruit dan, Jacob, voor den dag ermee!"

En toen deed Jacob een verhaal, waarvan mijnheer Hooghuizen verwonderd

opkeek!

Een paar weken geleden had Jacob namelijk met de jongens in het

bosch gespeeld nabij de Vuursche en was daar een oogenblik van de

anderen afgedwaald.

Het was juist bij de Vischkom, dat hij even uitrustte. Terwijl hij

zich over het water boog om naar een waterspin te kijken, rolde zijn

zilveren potlood uit zijn borstzak in den vijver. Toevallig kwam daar

Barend Ranke voorbij. Hij zag, hoe Jacob met een hand op den bodem

van den vijver zocht.

"Wat zoek je daar?" vroeg hij. Maar Jacob was een beetje bang van

den wilden boschjongen en gaf geen antwoord.

"Ben je bang van me?" vroeg Barend spottend. "Wil ik je eens opnemen

en midden in de kom gooien? Wat zouden je mooie kleertjes nat worden."

Maar Jacob had geen zin om ruzie te maken met den zoon van den

beruchten strooper.

Hij wou probeeren den jongen om te koopen, dat zou hem allicht wat

vriendschappelijker stemmen.

Maar Jacob had geen geld bij zich, en 't eenige wat hij op het

oogenblik had, wat als geschenk kon dienen, was een prachtige

vulpenhouder met een gouden pen.

Hij haalde dat pronkjuweel uit den zak en toonde het Barend.

"Kijk eens, wil je dat hebben?"

"Dat zwarte ding? Wat heb ik daaraan?"

"Kijk maar. Ik schroef het open. Wat zit er in? Een gouden pen. Nu

zet ik dit stuk weer op den anderen kant en kijk, nu schrijf ik je

naam in mijn zakboekje."

Barends oogen glinsterden van begeerte.

"En--waar is de inkt dan?" vroeg hij.

"Wel, die zit er in."

"In de penhouder?"

"Ja--."

"En staat daar nou: Barend?"

"Precies."

De anders zoo ruwe, ongemanierde jongen was één en al verbazing. Je

schroefde een zwart houtje los en dan kwam er een gouden pen te

voorschijn en je kon schrijven zonder een inktpot noodig te hebben!

"En----en mag ik dat nou hebben?"

"Ja, als je mij tenminste niet in het water gooit."

"Neen, dat zal ik niet doen. Jij bent een goeie jongen. Jij scheldt

me niet uit, zooals de anderen allemaal doen. Maar ik ben ook veel

grooter dan jij. Ik zou je wel kunnen doodslaan."

"Asjeblieft niet," zei Jacob lachend.

"Neen, wees maar niet bang. Laat nog eens kijken in dat boekje? Staat

daar nou heusch: Barend?"

"Ja zeker."

"Ik wou, dat ik ook schrijven kon. Maar ik mag niet meer op school

komen."

"Waarom niet?"

"Meester wil 't niet meer. Meester is bang van me."

"Hoe komt dat zoo?"

"O, dat weet ik niet meer. Ik heb, geloof ik, op een keer den heelen

boel kapot geslagen. En ik gooide altijd steenen door de ramen in

school. Wat moet ik nou met die gouwe pen doen? Ik kan toch niet

schrijven. Zeg, heb jij boeken?"

"Genoeg," zei Jacob.

"Met van die mooie platen er in? Beesten en soldaten en een oorlog?"

"Ja, ik geloof het wel. Wou je graag zoo'n boek hebben?"

"Nou, dat zal waar zijn. Wanneer krijg ik het dan?"

"Vanavond."

En zoo pratende gebeurde er iets vreemds met beide jongens. Jacob

Heintze, het keurige, nette zoontje van den rijken grondbezitter

voelde zich langzamerhand aangetrokken tot deze verwilderde, ruwe,

onbeschaafde jongen, die de schrik van den omtrek was ... en Barend

vond in Jacob een vriend, zooals hij nooit had ontmoet. Een gouden pen

had hij hem gegeven en een mooi boek beloofd, dat-ie vanavond kreeg!

Barend was dien avond in de nabijheid van Sparrenheide gekomen en

Jacob had hem ongemerkt een zijner oude prentenboeken weten te brengen.

Niemand mocht natuurlijk weten, dat Jacob met den verachten boschjongen

sprak.

Maar van het een was het ander gekomen.

Instituut Sparrenheide · 第 3 / 9 段