hij het dier bij den staart, slingerde poes een paar maal in het rond
en gooide haar dan van zich af. Met de dienstmeiden was hij meestal op
voet van oorlog. Dat kwam, omdat hij, als hij er den kans toe had, de
halve keuken naar buiten sleepte en dan met een hamer alles stuksloeg.
Alles, in de gangen en in de kamers, dat niet vaststond, nam hij
mee naar buiten. En daar ging het dan onder den hamer. Vader had het
hem al honderdmaal verboden, moeder al wel duizendmaal. Maar Bobbie
scheen erg vergeetachtig en was den volgenden dag opnieuw met zijn
hamer in de weer. Soms viel hij overdag, als hij in den tuin of het
bosch speelde, in slaap. Dat was heelemaal niet erg, maar daarbij had
hij de gewoonte, 's nachts urenlang wakker te liggen en dan allerlei
zonderlinge geluiden te maken.
Dat was voor de slapenden niet prettig, erg lastig.
Bobbie sprak maar vier woorden: vajie en moejie, leja en akiboekie.
Dit Bokkenspaansch beteekende: Vader en moeder, lekker en
leelijk. Alles wat Bobbie mooi vond of graag lustte, was "leja" en wat
niet naar den jongenheer z'n smaak was, noemde hij "akiboekie." Meer
woorden zei hij nooit en wilde hij ook niet zeggen. Want met de
genoemde vier woorden kon hij best terecht. De rest deed hij met
gebaren. Een kus van moeder was "leja" maar een kus van vader met z'n
baard was "akiboekie." Verder maakte Bobbie zich nooit boos of driftig,
hij huilde alleen maar als de dokter in huis kwam, anders nooit, en als
hij niet lief en aardig was, dan was hij lastig, alleen maar lastig!
Hans en Flip geleken in bijna alles op elkaar, maar verschilden ook
samen in alles evenveel als Bobbie.
Zij waren beiden even wild, even uitgelaten-vroolijk, even vlug in 't
hardloopen en lachten om 't hardst om alle dwaze dingen van Bob. Zij
bemoeiden zich echter maar weinig met hem, want Bobbie voelde zich vèr
boven zijn broers verheven en wilde zich liefst maar alléén vermaken.
Tusschen Hans en Flip bestond een soort bondgenootschap, maar tusschen
hen beiden en Bobbie was 't meestal oorlog.
Omdat zij alle drie nog te jong waren, gingen zij niet op school. Er
was te Baarn wel een bewaarschool, maar ik liet mijn kinderen liever
in het bosch spelen, dat was veel gezonder voor hen. Bovendien moesten
zij alle middagen een uurtje slapen. Dat slapen ging met Hans en Flip
niet zoo gemakkelijk als met Bobbie. Bob kon om zoo te zeggen slapen
als hij wou, dat kwam misschien wel, doordat hij zooveel at en zoo
dik was. Maar Hans en Flip waren heel niet slaperig uitgevallen en
't kostte moeder heel wat moeite, die twee des middags een uurtje te
laten rusten.
Op een dag, dat de leerlingen met hun onderwijzer voor een uur
de schoolbanken verlaten hadden om in het bosch wat te spelen,
stapte kleine Bobbie het huis uit, wandelde den heuvel af en stak
den straatweg over, die dwars door het bosch liep. Toen sloeg hij het
grintpad in, dat naar de school leidde en trad binnen. Hij deed dat zoo
kalm en zoo zeker, alsof iemand hem gezegd had, dat hij dit moest doen.
In 't eerste lokaal bleef hij staan en stak zijn vinger in den
inktpot. Dat zijn vingertje toen heelemaal zwart was, vond hij
vreeselijk pràchtig.
Daarop stak hij den vinger in zijn mond, hij wilde eens proeven,
of dat zwarte goedje ook lekker smaakte. Maar dat viel niet mee. Hij
trok een leelijk gezicht en zei: "Akiboekie."
Toen scheen de gedachte in zijn kleine hersentjes op te komen,
dat de andere kinderen dit zwarte drankje maar liever niet moesten
drinken. En daarom wipte de kleuter den inktpot er uit en goot dien
leeg op den grond.
Zoo deed hij met alle inktpotten.
Na dit zware werk verricht te hebben, wandelde hij doodbedaard door
de inktplassen en gleed uit.
Hij viel met zijn neus in den morsboel. Zijn witte boezelaar zag er nu
bijzonder mooi uit, vond hij. Hij smeerde ook zijn bloote beentjes
er mee vol en stapte aldus toegetakeld weer naar buiten. Bobbie
vond dat hij nu in school genoeg geleerd had en ging eens op den
straatweg kijken.
Daar kuierde een groote tor over de steenen. Bobbie ging erbij zitten
om eens te zien, of de tor niet op zijn schoot wilde zitten. Toen
kwam er in de verte in razende vaart een automobiel aan. De heer,
die de auto bestuurde, zag het kleintje midden op den weg zitten.
Hij toeterde uit alle macht.
Bobbie was verdiept in 't beschouwen van de zwarte tor.
De auto toeterde, de heer zwaaide met zijn arm.
Bobbie zag de auto wel, en den mijnheer, die zoo tegen hem zwaaide,
zag hij ook wel. Maar hij vond het heelemaal niet noodig, een eindje
op zij te gaan. De heer in de auto rèmde, zwaaide nogmaals zijn arm.
En Bobbie zwaaide vriendelijk terug.
Toen schoot de vreemde heer in een lach. Hij liet de automobiel
stilstaan, stapte er uit en droeg Bobbie, dat zwartgezicht naar een
kant van den weg. En daarna reed hij weer verder.
Kleine Bob had ondertusschen de zwarte tor uit het oog verloren, maar
scheen zich opeens te herinneren, dat hij vandaag nog geen bezoek
had gebracht aan de keuken. Hij had vandaag nog niets stukgeslagen,
en daarom werd het hoog tijd eens wat op te zoeken, dat erg mooi in
stukken kon vliegen.
Met dit goede voornemen klom hij het heuvelpad weer op, dat naar
zijn huis leidde, toen opeens Hans en Flip in vliegende vaart op hun
rolwagentje van boven kwamen aanrijden.
Er was geen haar op Bobbie z'n hoofd, dat er aan dacht, ook maar
één stap op zij te gaan. En nu kwam het rolwagentje recht op hem af,
zoodat het tegen hem aanbonsde en omsloeg.
Er rolden nu vier dingen den heuvel af: het rolwagentje, Hans, Flip
en Bobbie.
Dat heele stelletje ging holderdebolder naar beneden en toen er niets
meer te rollen was, omdat de weg beneden weer effen was, kropen ze
allemaal overeind, behalve het rolwagentje. De vierjarige Hans vond
het niemendal mooi van Bobbie, om expres midden in den weg te gaan
staan en hun mooie rutschbaan te bederven.
Hans was spin-nijdig.
En de driejarige Flip gaf zijn éénjarige broertje een klap. Maar
Bobbie was ook niet van gisteren, die zette zijn tien nagels in Flip's
gezicht en zei: Leja!
Flip werd daardoor buiten gevecht gesteld en Hans vond dat per slot van
rekening zóó kranig van zijn jongsten broer, dat hij weer vriendschap
sloot. Hij zette den rolwagen weer overeind en zei tot Bobbie:
"Ga d'r maar in zitten!"
Ja, dat vond Bobbie aardig en zelfs Flip hielp mee, den kleinen dikzak
in het wagentje te hijschen. Hij en Hans trokken de equipage voort
over den boschweg, wat zeer naar genoegen was van den kleinen schelm,
die maar aanhoudend "Leja, Leja!" riep. De kinderen dwaalden al verder
het bosch in, hielden af en toe eens halt en raapten dan allerlei
schoone dingen op. Vooral spar-appels en plakjes mos. Die vonden zij
altijd verbazend mooi: Bobbie probeerde of hij spar-appels kon opeten,
maar dat beviel hem al heel slecht en hij zei: "Akiboekie." Ook een
paar torren en rupsen werden in den wagen geladen, waar de beestjes
aldra lustig rondkropen over het mos en Bobbie's beenen.
Zoo scharrelden de drie broers al verder en verder, en eindelijk
hadden ze de Koninginnelaan bereikt. Hoe of het nu precies gegaan
is, zou ik je onmogelijk kunnen zeggen, maar in elk geval schijnt
de rolwagen omgeslagen te zijn. Dat Bob er uitgevallen is, zal wel
zoo klaar als koffiedik zijn. Ze zijn toen met hun drieën tusschen
de boomen gaan spelen. Nu reed er toevallig door het bosch een
rijtuig van het paleis. Als de Koningin niet uitreed, moesten toch
de paarden hun dagelijkschen wandelrit maken, en juist bij den hoek
van de Koninginnelaan gingen de wielen van het rijtuig over het
rolwagentje heen.
De koetsier hield stil en raad eens, wat hij deed? Hij vond het wat
heel hard om de drie peuters met hun gebroken wagentje aan hun lot
over te laten en stopte toen 't heele gevalletje in het rijtuig.
Stel je nu onze verbazing voor, toen me daar een hofrijtuig kwam
aanrijden met drie kwajongens er in! Dat wij den koetsier hartelijk
bedankt hebben voor het terugbrengen van de drie zwervers, behoef
ik jullie niet eens te zeggen. Ziezoo, en dit heb ik je nu maar eens
verteld, omdat ik voor vanavond geen ander verhaal wist.
Er was heel wat gelachen door de jongens en meisjes, en de drie
jolige broers werden van verschillende kanten geplaagd met die
avonturen. Vooral Robert. Er werd al door de meisjes besloten, om
hem voortaan Bobbie te noemen.
Bobbie, Bobbie! klonk het uit den meisjes hoek. Maar Rob wierp ze
een vernietigenden blik toen en zei: "Stumpers!"
"Allons, jongelui!" besloot mijnheer Bergwoude, "de klok slaat negen
uur. Naar bed, naar bed!"
De jongens en meisjes gingen naar hun kamers, om morgen vroeg weer
den heerlijken Zondag te kunnen genieten. De overigen bleven nog wat
praten voor het huis.
En weldra heerschte er rust en stilte op Sparrenheide.
VIJFDE HOOFDSTUK.
IN DEN NACHT.
Hans, Flip en Rob sliepen op één kamer. Tegen drie van de vier muren
stond een ledikant, de vierde wand had glazen deuren, die naar het
balcon leidden.
Het was een verrukkelijke zomernacht geen windje suisde door het bosch,
geen blaadje bewoog.
Flip sliep onrustig. Hij had de dekens van zich afgeworpen en draaide
zich van de eene zijde op de andere.
Opeens schrok hij wakker en kwam overeind. Hij wreef zijn oogen
eens uit en keek de kamer rond. De broers sliepen als marmotten,
't was doodstil.
"Ben ik nou wakker of slaap ik?" mompelde Flip in zichzelven, "ik ben
een olienoot als ik het weet. Hè ... is me dat schrikken! Maar ik zou
wel eens willen weten, waarvan ik eigenlijk geschrokken ben! Ik heb
bepaald gedroomd, dat ik uit een vliegmachine viel en op de punt van de
Gedenknaald terecht kwam. Enfin, ik geloof wel, dat ik nou wakker ben."
Flip had altijd de gewoonte met zichzelven heele gesprekken te
voeren. Hij deed dan precies of hij tegen een ander sprak en gaf
zichzelf dan ook steeds antwoord.
"Komaan," zei hij, "ik geloof, dat ik een beetje hoofdpijn heb. Het
is dan ook verbazend warm in bed. Het zal een prachtige nacht zijn,
weet je wat, ik ga een luchtje happen op het balcon, dan zal de
hoofdpijn ook wel zakken."
Daarop trok hij wat kleeren aan, stak zijn voeten in pantoffels en
opende zoo zacht mogelijk de balcondeuren.
Inktzwart lag het bosch voor hem, wat lichter boven de boomen was de
hemel met de flonkersterren als diamanten op fluweel. Doodsche stilte
hing over heel de omgeving. Flip hoorde hier het tikken van de Friesche
hangklok, beneden in de gang. Hij leunde een poosje over de balustrade
van het balcon en genoot van den heerlijken zomernacht. Toen wandelde
hij eens om het huis heen, wat gemakkelijk ging, daar het balcon de
woning geheel omringde. Overal sliepen de kostleerlingen, overal was
't geheel donker, alleen op de kamer van juffrouw Wieler sputterde
een nachtlichtje. Van de jongenskamers stond één deur op een kier.
"Die hebben 't ook bepaald warm," mompelde Flip en wandelde onhoorbaar
verder. Toen kwam hij weer bij zijn eigen kamer en bleef daar nog even
naar de sterren kijken. Wat was dat toch een prachtig gezicht. Jammer
dat de maan er vannacht niet was. Dan zou...
Er kraakten takken in het bosch, dichtbij het huis.
Wat nu?
Flip luisterde scherp.
Het kwam van de andere zijde van 't huis.
Weer gekraak... toen voetstappen van iemand die voorzichtig over het
grint van den tuin liep, om geen onnoodig leven te maken.
Maar in den stillen nacht toch duidelijk te hooren.
Flip was niet bang uitgevallen, om den drommel niet, en hij stond
zijn man als 't op een eerlijke vechtpartij aankwam. Maar in
dit nachtelijk uur maakte het zonderlinge geluid hem toch wel wat
zenuwachtig. Niettemin besloot hij voorzichtig te gaan zien, wie daar
in den tuin wandelde.
Een andere gedachte stelde hem weer gerust. Wel, evengoed als hij kon
toch ook iemand anders uit het huis de buitenlucht opgezocht hebben,
omdat het binnen te benauwd was? Och wel ja, zoo zou 't wel zijn.
Om den hoek van 't balcon bleef hij staan en keek over de balustrade
in den tuin.
Wat hij dáár zag, verschrikte hem opnieuw.
Het balcon werd door houten palen ondersteund. En nu klom er iemand
tegen een der palen omhoog.
Flip kon maar ternauwernood in 't duister de donkere gedaante
onderscheiden.
Een hand greep de leuning, er verscheen een hoofd... en langzamerhand
heesch de donkere gedaante zich over de balustrade.
Het was een jongen.
Maar een vreemde jongen was het niet, hoewel Flip door de duisternis
en den afstand onmogelijk kon onderscheiden, wiè het was. De jongen
opende voorzichtig de balcondeur, die op een kier stond, en verdween
in zijn slaapkamer, waarna hij de deur geheel sloot.
Daarna werd het weer doodstil.
Zonderlinge gevoelens en gedachten bekropen Flip.
Wat had dat te beteekenen? Waarom kwam die jongen zoo midden in den
nacht op zulk een steelsche wijze het huis in?
En wie was het?
Flip wist maar niet, wat hij ervan denken moest. Tallooze vragen
drongen zich herhaaldelijk aan hem op. Maar het eenigste, wat hij wist,
was dat een der jongens van kamer No. 9, dit had hij goed gezien, in
den nacht het huis binnenklom en er dus ook wel op dezelfde manier
uitgegaan zou zijn. Nu was de vraag: deed hij dat elken nacht of
was het slechts voor dezen éénen keer? Of gebeurde dat alleen des
Zaterdags? Flip besloot om er voorloopig maar niets van te zeggen en
liever eerst eens uit te kijken, of de jongen dat ook meer deed. Hij
wachtte nog eenige minuten of misschien nog iets gebeuren zou, maar
toen alles stil bleef en hij weer behoefte aan slaap begon te voelen,
ging hij zijn slaapkamer binnen en strekte zich in zijn bed uit.
Nog even dacht hij over het gebeurde na, maar zijn jonge lichaam had
nog te veel slaap noodig en het duurde niet lang, of hij snurkte weer
even hard als zijn broers en droomde van Indianen en bleekgezichten
en hofrijtuigen dat het een aard had.
ZESDE HOOFDSTUK.
BAREND VAN DE LAGE VUURSCHE. NACHTELIJKE VERVOLGING.
Wanneer je van Instituut "Sparrenheide" een kwartiertje den
grintweg volgde in Westelijke richting, dan kwam je van zelf in de
uitgestrekte bosschen van het kasteel Groot Drakenstein in de gemeente
De Vuursche. 't Was daar nog een echte wildernis met verborgen holen en
spelonken, vijvertjes en beekjes, onderaardsche gangen en geheimzinnige
hoekjes. Werden de Baarnsche bosschen angstvallig-netjes onderhouden,
boompjes gesnoeid, de paden zelfs bijgeveegd of 't kamervloeren
waren, in de bosschen van de Vuursche ging de natuur haar eigen
gang en tooverde er de meest romantische plekjes. Voor de jongens en
meisjes van Sparrenheide was dan ook het bosch van Drakenstein een
paradijs van genot! Want je had er behalve de reeds genoemde heerlijke
dingen nog een oeroude kapel, de Hermitage, die er ongeveer 1650 werd
neergezet. Dit steenen gebouwtje staat zóó diep in het groen verborgen,
dat men wel precies den weg moet weten, om het te vinden. Het ligt
aan den vijver, die geheel met kroos is bedekt en omringd is door
oude beuken en sparren. De achterzijde komt op dat vijvertje uit. Van
dien kant gezien lijkt de kapel een eeuwenoude ruïne, terwijl aan de
voorzijde de gevel nog vrijwel in zijn geheel staat. En je had er de
Grot, een gemetseld gewelf, waarin vroeger een kluizenaar moet gewoond
hebben, die echter nooit door iemand is gezien, voorts een prachtige
echo, een vischkom en tal van donkere, begroeide slingerpaden.
Kon er heerlijker omgeving zijn voor een troep vroolijke jongens en
meisjes? Waar kon men mooier spelletjes verzinnen dan temidden van
al die heerlijkheden?
Jammer, dat er bij al dat moois toch nog iets leelijks was, of liever
gezegd, iets, dat er maar beter gemist had kunnen worden. Aan den
dorpsweg van de Vuursche, een groep eenvoudige woningen met een kerk,
een school en een logement er tusschen, stond een klein huisje,
waarin een veertigjarig man met zijn zoon woonde.
Die man heette Ranke en was een zeer berucht strooper. In de bosschen
van Drakenstein vindt men tallooze konijnen, zelfs wat herten, maar het
spreekt wel vanzelf, dat die er niet waren om door stroopers geschoten
en verkocht te worden. De veertienjarige zoon heette Barend en beloofde
het waardig evenbeeld zijns vaders te zullen worden. Nauwelijks zes
jaar oud, was hij overgelaten aan de zorgen van zijn vader, maar die
keek ternauwernood naar zijn zoontje om. De kleine Barend was al
blij, als hij het overschot van vaders brood mocht opeten en geen
slaag kreeg. En Ranke vond, dat hij al bijzonder goed en vaderlijk
het kind behandelde, door hem 's morgens een stuk brood te geven met
af en toe een pak slaag.
Deze vreemde manier van opvoeden had tengevolge, dat Barend meer
buiten- dan binnenshuis te vinden was. Zomer en winter, bij regen en
ontij zwierf hij door de bosschen en langs de woningen. Hier en daar
deed hij dan wel eens een boterham of een bord warm eten op en als hij
's avonds niet thuiskwam, dan sliep hij wel ergens in een stal of in
een hooiberg. Hij werd een rechte wildeman, hoewel hij werkelijk geen
slecht karakter had. Het ongeregelde leven, dat hij leidde, was er de
schuld van, dat hij heelemaal verwilderde. Bovendien was het gezelschap,
dat zijn vader vaak meebracht in de kleine woning, ook niet bijzonder
geschikt om Barend wat fatsoen en netheid te leeren. Want de vrienden
van Ranke waren eveneens geduchte stroopers, die er tevens van hielden,
sterken drank te drinken en om geld te spelen.
De dorpsbewoners hadden er den vader al meermalen opgewezen, dat hij
den jongen naar school moest zenden. En inderdaad had Ranke zijn zoon
op zekeren dag erheen gebracht. Maar de meester kon weinig of niets
beginnen met het wilde boschkind.
Barend, ofschoon toen nog pas acht jaar, was zóó ongemanierd en ruw,
dat hij inderdaad een gevaar voor de andere leerlingen werd.
Hij spuwde tegen het bord, waarop de meester nieuwe sommen had
geschreven, hij trok zijn buurman de haren uit het hoofd en sloeg hem
half dood. Hij schopte de papiermand door de klas en schold den meester
uit voor alles, wat leelijk was. Maar dan greep de meester hem stevig
beet en zette hem buiten de school. Een oogenblik later werd er een
ruit ingegooid of een hoop modder door 't open raam geslingerd. En
telkens weer opnieuw had de meester het met hem geprobeerd.
Totdat het op een keer te erg was geworden.
Toen de meester even zijn klasse had verlaten en één der grootste
jongens ervóor had gezet om toe te zien, was Barend opeens uit zijn
bank gesprongen. Hij gaf den jongen, die met een griffel en een lei in
de hand voor de klasse stond, een schop, dat-ie wel over zes banken
tegelijk heenvloog en ging toen zelf op de voorste bank staan. Met
meesters dikken stok stond hij dreigend voor de kinderen en schreeuwde:
"Nou allemaal naar huis! Vooruit, het is vacantie!"
Maar de kinderen durfden natuurlijk niet uit hun banken gaan.
"Vooruit! Opgerukt!" schreeuwde Barend en hij begon er zóó geweldig
met den stok op los te timmeren, dat hij binnen vijf minuten de heele
klas de deur uitgeslagen had! Dat was al te erg geweest en na dien
tijd had Barend geen voet meer in school mogen zetten.
Het gevolg daarvan was, dat het er met zijn geleerdheid droevig
uitzag. Hij kon in het geheel niet lezen of schrijven. Omdat Barend
zoo vreeselijk dom was, kon hij ook niet slecht zijn. Hij was, wat
zijn vader en het wilde leven van hem hadden gemaakt.
Want Barend hoorde vaak van de andere dorpsjongens, dat zij mooie
boeken konden lezen en brieven schrijven, dat zij konden rekenen met
groote getallen en allerlei mooie en nuttige dingen kenden. Als Barend
dan alleen in het bosch dwaalde of heel gemoedelijk met een hert te
praten zat, dat hem al jaren kende en in het geheel niet schuw was,
dan verlangde hij ernaar, ook te kunnen lezen en schrijven.
Maar de meester wilde er niets meer van weten en niemand op het heele
dorp geloofde dan ook, dat er in Barend nog iets anders zat, dan
ruwheid en slechtheid. Intusschen leefde Barend maar dag in dag uit in
de bosschen. Hij kon met de vogels meefluiten, door langdurige oefening
deed hij hen zóó precies na, dat zij hem voor een collega hielden; hij
lokte de eekhoorntjes naar zich toe en floot de woudduiven, de herten
gaf hij namen en als hij riep, kwamen ze van verre aangeloopen. Dan
gaf hij ze een korst brood en liefkoosde ze.
Dat waren zoo zijn alledaagsche, maar ook zijn éénige vrienden.
In den laatsten tijd bemerkten de bewoners van de Vuursche iets
bijzonders aan den jongen.
Men zag hem 's avonds nooit meer ergens inkruipen om er te slapen
en het leek wel--hoe was het mogelijk--dat de wildeman een beetje
fatsoenlijker begon te worden. Eerst had iemand hem door het bosch
zien gaan met een gewasschen gezicht en gekamde haren!
Het heele dorp had ervan overeind gestaan.
Toen had een ander hem ontmoet met een behoorlijk pak kleeren aan... en
kousen en schoenen!
Wat gebeurde er toch met den wilden jongen en wie had hem zoo
onverwachts al dat goede geleerd?
Heel de omgeving sprak erover.
Maar niemand wist het.
Zooals Flip zich had voorgenomen, had hij ook gedaan. Tegen niemand
dus had hij iets gezegd, want hij wist in de eerste plaats niet, wat
er eigenlijk gebeurde, wiè de uit- en inklimmer was en bovendien hield
hij er heelemaal niet van, om een ander te verraden, zonder te weten,
wat deze nu wel eigenlijk had misdaan.
Maar in stilte had Flip toch het plan gemaakt, om vanavond eens op den
uitkijk te gaan zitten en te zien, wie van kamer negen die nachtelijke
uitstapjes maakte. Hij had heel den dag al de drie kamerbewoners,
Hein Veere, Piet Broeser en Jacob Heintze goed in het oog gehouden,
maar niets bijzonders opgemerkt.
Alle drie waren uitstekend oppassende jongens en geen van hen zag er
naar uit, of hij iets verborg, dat anderen niet mochten weten.
Inplaats van naar bed te gaan, zei Flip aan Hans en Rob, dat hij nog
wat op het balcon bleef, hij had weer een beetje hoofdpijn. De broers
wenschten hem beterschap en gingen rustig slapen.
Terwijl Flip in een donkeren hoek van het balcon gedoken zat,
totaal onzichtbaar in de duisternis, hield hij de oogen gericht op
de balcondeur van kamer negen.
Maar de uren verstreken en er gebeurde niets.
Dus ... de jongen ging toch niet elken avond er op uit?
Flip vond, dat hij voor ditmaal lang genoeg had gewacht en ging
onverrichterzake naar bed met het voornemen, den volgenden avond weer
op wacht te gaan.
Den tweeden avond ging hij dus weer en zei nu aan de broers, dat
hij toch de eerste uren maar wakker lag en dus liever nog wat in de
frissche lucht bleef.
"Ga je nou weer op 't balcon staan," vroeg Hans verbaasd, "wat vind
ik dat gek."
"Voor mijn part vind-je 't krankjorum," zei Flip, "maar daarom doe
ik het toch."
"Hij wil sterrekundige worden," zei Rob.
"Nou, weet je wat," zei Hans. "Ik blijf je voor de gezelligheid een
beetje gezelschap houden."
"Neen, neen," zei Flip, "dat is heelemaal niet noodig. Ik kan je
niet gebruiken."
"O, moet mijnheer alléén zijn? Mag ik er niet bijwezen?"
"Liever niet."
"Zoo. Maar wat gebeurt er dan 's avonds op het balcon?"
"Gebeuren? Wel, niets. Gebeurde er maar wat. Het is doodstil en nog
al vervelend."
"Ga dan ook naar bed."
"Merci, ik slaap tòch niet. En zanik nou asjeblieft niet langer en
kruip in je mandje."
"Boe-boe, wat een drukte. Nou blijf ik lekker op," zei Hans.
"Je doe maar," zei Flip. "Maar dan ga ik in den tuin."
"Hoor eens, je bent een geheimzinnig stuk mensch. Enfin, wat kan 't
mij ook schelen. Ga mijnentwege den heelen nacht op 't dak zitten! Wel
te rusten, ik ga slapen."
Een oogenblik later zat Flip weer op zijn post en was 't in de
slaapkamer stil geworden.
Toch sliep Hans niet.
Het zonderlinge gedrag van Flip gaf hem veel te denken. Wat drommel zoo
gek deed Flip nooit, wat mankeerde zijn broer opeens? En wat voerde
hij daar toch uit op het balcon? Een luchtje scheppen? Larie hoor,
ze schepten hier den heelen dag lucht, o hee, boeren-wagens vòl. Nee,
daar zou wel iets achter zitten. Weet-je wat, nou niet gaan slapen
en goed luisteren, of er soms van buiten af iets te hooren was. En
ondertusschen gauw wat kleeren aantrekken, maar zachtjes, opdat Rob
niet wakker wordt!
Hans greep zijn kousen en zijn kleeren en deed die, in bed zittend,
weer aan. Hij verliet echter het bed niet, om bij een onverwachte
binnenkomst van Flip dadelijk onder de dekens te kunnen schieten.
Zoo wachtte hij wel meer dan een half uur zonder dat hij ook maar
het minste geluid vernam.
Zou Flip soms in slaap gevallen zijn?
Het was bijna niet denkbaar, dat iemand zich zonder bijzondere reden
zoo doodstil hield.