"Och, jongeheer," zei ze snikkend, "ik weet geen raad. Mijn

In de Vacantie

Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.

Serie A Jongensboeken. Deel 13.

INSTITUUT SPARRENHEIDE

door

CHR. VAN ABKOUDE

Geïllustreerd door O. Geerling

Tweede Druk

ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN.

1917

EERSTE HOOFDSTUK.

OORLOGSPLANNEN.

Midden in een groot dennenbosch tusschen Baarn en de Vuursche lag op

een heuveltje, geheel verscholen in het groen, een aardige, houten

villa. Er liep een balcon rond het heele huis en daardoor leek het veel

op een Zwitsersche woning. Alleen het dak stak boven de boomen uit, en

wanneer je uit het dakraam keek, had je een verrukkelijk gezicht over

heel den omtrek. Je zag dan duidelijk de torens van Amersfoort, Soest,

Bunschoten en meer omringende dorpen. Je zag er heel mooi het Witte

Paleis van Koningin Emma en wat naar rechts de Naald van Waterloo.

In dat hooggelegen huis woonde mijnheer Bergwoude, hoofdonderwijzer

van de kostschool "Sparrenheide." Als mijnheer Bergwoude naar school

ging, behoefde hij alleen maar het heuveltje af te dalen, waarop zijn

huis gebouwd was en den boschweg over te steken, want het schoolgebouw

stond juist aan den overkant.

Dat schoollokaal was niet groot, het bestond maar uit twee klassen

en een gymnastieklokaal. Maar het was ook geen gewone school. Op

"Sparrenheide" kwamen alleen kinderen, die niet zoo vlug konden

leeren als andere jongens en meisjes. Sommigen, omdat ze thuis altijd

ziekelijk waren, anderen omdat ze zenuwachtig waren of vroeger de

een of andere ziekte hadden gehad, waardoor ze later niet meer zoo

goed onthouden konden.

En waarom ze nu op een gewone school niet, en op "Sparrenheide"

wèl konden leeren, dat zullen we in dit boek wel bemerken.

Mijnheer en Mevrouw Bergwoude waren alleraardigste menschen, die

beiden verbazend veel van kinderen hielden. Zij hadden drie kinderen,

allen jongens. Op het oogenblik, dat dit verhaal een aanvang neemt, was

juist de Zaterdagmorgen-schooltijd geëindigd en begaven de jongens en

meisjes zich, voor zoover zij niet bij mijnheer Bergwoude in "pension"

waren, naar huis.

Ook de drie zoons van den hoofdonderwijzer, Hans, Flip en Rob. Hans

was dertien jaar, een flinke, sterke jongen met breede schouders en

een paar armen als een athleet. Voor zijn leeftijd was hij een boom

van een kerel en wat hij met zijn zwarte oogen niet gedaan kreeg,

dat maakte hij verder in orde met zijn gespierde vuisten.

Flip telde twaalf jaar, hij was eveneens een door en door gezonde

boy, maar niet zoo struisch en stevig als Hans, Flip was een rechte

pretmaker, hij hield verbazend veel van grapjes en wist ook vaak

allerlei aardige dingen te zeggen, waarom een ieder moest lachen. De

tienjarige Robert, doorgaans genoemd Rob, was een rare snuiter. Je

kon eigenlijk niet uit hem wijs worden. Hij was wat stil; hij hield

veel van zijn ouders en zijn broers, maar misschien nog meer van

de bosschen en de hei met de planten en de dieren. Hij maakte er

een heele studie van en bijna altijd was hij in zijn vrije uren met

zijn botaniseer-trommel en plantenschopje in het bosch te vinden, of

rangschikte zijn verzamelde planten en insecten op zijn kamer. Maar

dat nam niet weg, dat hij toch hetzelfde vroolijke humeur van zijn

broers had, al was hij dan ook wat minder luidruchtig en druk. Hij

kon evengoed meedoen aan hun grappen en spelen als andere jongens,

maar bleef altijd kalm. En waarom hij nu een rare snuiter was? Wel,

in de eerste plaats was hij vreeselijk slordig op alles. Niet alleen

op zijn kleeren en boeken, zijn planten en dieren, maar ook verbazend

onverschillig voor andere dingen. Het kon hem bijvoorbeeld heelemaal

niet schelen, een uur te laat op school of aan tafel te komen. Alle

standjes, straffen en vermaningen hielpen weinig of niets. Soms nam

hij zich voor, opeens vreeselijk netjes te worden, maar maakte het

dan weer zóó erg, dat hij op zijn kousen liep om zijn schoenen niet

vuil te maken. Daarbij was hij erg vergeetachtig. Alles en alles bij

elkaar genomen had Rob aanleg om professor te worden.

Ziezoo, nu zijn de drie vroolijke broers voorgesteld. Zooals gezegd,

zij hadden zoo juist de school verlaten en gingen naar huis. Door den

tuin, die op de helling van den heuvel was aangelegd, kwamen zij in de

huiskamer, waarvan de breede tuindeuren wijd open stonden. Zij vonden

hun moeder bezig met het klaarzetten van de koffietafel en volgens

trouwe gewoonte werd zij allereerst eens stevig gepakt door haar drie

jongens. Dat deden zij alle drie met kracht en klem. Vervolgens keken

zij met verlangende oogen naar de stapels boterhammen en zei Flip op

vertrouwelijken toon:

"Help ons gauw weg, moedertje, we hebben reusachtig haast!"

"Ja," voegde Hans erbij, "we hebben nog zooveel te doen en moeten er

vroeg bij zijn."

"Ik hoef niet eens te eten," zei Rob.

"Wat zullen we nu weer beleven?" vroeg moeder, "waarom zoo gehaast? En

waarom zonder eten weg? Dat gebeurt niet, hoor! Wat is er dan aan

de hand?"

"Dat zijn groote geheimen, moeder," zei Flip.

"Staatsgeheimen," vond Hans.

"Och kom," pleitte Rob voor zijn moeder, "wij kunnen het moeder

best vertellen."

Op dit oogenblik kwam hun vader binnen. De heer Bergwoude was een man

met een vriendelijk voorkomen, hij droeg een langen, blonden baard

en blond waren ook zijn haren. In tegenstelling met hem waren zij

drie zoons zwart, net als hun moeder.

"Zoo, zoo," sprak mijnheer, terwijl hij een stapel schoolschriften op

een tafeltje legde, "en wat zijn dat voor staatsgeheimen, die jullie

best aan moeder kunt vertellen? En dan mag ik ze zeker ook wel hooren?"

De gebroeders keken elkander eens aan en toen zei Hans:

"We gaan oorlog voeren!"

Flip en Rob knikten. Vader en moeder keken elkaar aan.

"Oorlogvoeren?" vroeg Vader verwonderd. "Wat moet dat beteekenen?"

"Wel," verklaarde Hans, "het is maar een spel. Onze vrinden van de

Baarnsche school komen vanmiddag door het Overbosch naar "Sparrenheide"

om onze school te bestormen en in te nemen. En nu moeten we er vlug

bij zijn om ze op een afstand te houden."

De heer en mevrouw Bergwoude lachten.

"Komaan," sprak de eerste, "dus vanmiddag wordt mijn school

formeel bestormd? Wel wel, ik denk, dat ik maar naar Amersfoort zal

telegrafeeren om een detachement soldaten en huzaren. En hoe laat

zal dat gebeuren?"

"Ja, dat weten we juist niet, vader," zei Hans.

"Dat zeggen ze natuurlijk niet," sprak Flip.

"Neen, dat zeggen ze niet," herhaalde Rob wijsgeerig.

"Ik hoop niet, dat de andere jongens van onze school zich teveel

bij dat spel zullen opwinden," zei mijnheer Bergwoude, "want dan is

er vanavond geen huis met hen te houden. Zij zitten nu rustig hun

twaalf-uurtje te gebruiken in de eetzaal."

"Ja, wat 'n wonder," zei Flip leuk. "Die weten er nog niets van."

"Doen ze dan niet mee?" vroeg vader.

"O jawel, maar we zeggen het straks pas, als we naar 't bosch

gaan. Want zoo gaat het bij het groote leger ook," zei Hans. "De

soldaten weten nooit van te voren wat er gebeuren zal."

"Maar hoe zit het plan dan in elkaar?"

"Niet zeggen," zei Flip.

"Dat is een geheim, Vader, een geheim," sprak Hans.

"Een geheim, ja, een geheim," herhaalde Rob weer.

En hoe Vader en Moeder ook probeerden, meer van dat geheim te weten

te komen, de drie gebroeders lieten niets los, zoodat de ouders zich

tevreden moesten stellen met de mededeeling, dat het schoolgebouw

dien middag door den vijand bestormd zou worden.

En toch, zij gaven maar toe en maakten geen bezwaren tegen het

vroolijke spel der jongens. Die wisten ook telkens wat nieuws te

verzinnen en speelden in de bosschen, alsof die hun eigendom waren

inplaats van Kroondomein. Met welwillende medewerking van Vader en

Moeder was de koffietafel dan ook gauwer afgeloopen dan anders en

holden de jongens naar hun kamer.

Hans haalde een wandelkaart van de bosschen te voorschijn en spreidde

die op tafel uit.

"Dit is onze stafkaart," zei hij lachend. "Ik ben de generaal, Flip

en Albert de Hooge zijn mijn officieren."

"En ik dan?"

"Jij bent niet oud genoeg voor officier, maar ik heb toch een mooi

baantje voor je. Omdat jij zoo goed met alle hoekjes en gaatjes van

de bosschen bekend bent, wordt jij mijn verkenner."

"Dat is best," vond Rob.

"Kijk eens hier," zei Hans, die als een veldheer zijn plan ging

uitleggen. "Ik heb met Bram Verhallen uit Baarn afgesproken, dat hij

om twee uur met zijn troep het dorp uittrekt bij de Pekinglaan, die

je hier op de kaart ziet. Zij gaan dan door het sparrenbosch onder

de tunneltjes van de spoorbanen door het Baarnsche bosch in. Zie

je wel," vervolgde hij en wees met zijn vinger de wegen aan op de

groene kaart, "dan gaan ze hier door de Borlaan langs de Groote Kom

naar den Eemnesser Straatweg. Daar steken ze schuin over naar den

weg langs het Boterbergje. En vandaar komen ze door het Overbosch op

onze school aan. Nou weet ik natuurlijk niet, welken weg ze nemen,

want dat heeft Bram mij niet verteld."

"Moeten wij alleen de school verdedigen?" vroeg Flip. "Ik schiet ze

met mijn houten sabel een partij bruine boonen in hun neusgaten en

slinger ze terug, dat ze van hier naar Baarn rollen."

"Hou nou op met je onzin!" zei Hans ongeduldig, "we kunnen onzen tijd

wel beter gebruiken. Ja, we moeten alleen de school verdedigen, maar

we laten ze niet dadelijk zoo dichtbij komen. Hier op de kaart ligt

onze school. Wij hebben twintig jongens. Vijf moeten bij de school

blijven om die te bewaken. Daar nemen we natuurlijk niet de grootsten

voor. Vijftien gaan er met mij mee. Ik weet een mooie plek om Bram

en zijn troep tegen te houden."

"Het is nu half één," zei Rob. "Ik denk, dat ik mijn botaniseertrommel

meeneem."

"Ben je vierkant gebakken?" vroeg Flip, "er is van middag niets te

botaniseeren, botaniseer jij Bram Verhallen maar op zijn gezicht!"

"Neen, niets meenemen dan een paar goeie oogen en een hoop slimheid,"

zei Hans.

Flip ging opeens ijverig in de lade van de tafel zoeken.

"Wat doe je," vroeg Rob.

"Ik zoek een hoop slimmigheid," zei Flip, "want ik ben bang dat ik

er te weinig van in mijn kersepit heb."

"Als jij vanmiddag in 't bosch zoo loopt te kletsen als je nou doet,"

zei Hans, "dan stuur je alles in de war. En hoor eens: De school is een

fort, dat door Europeanen wordt bewoond. Bram en zijn jongens zijn een

wilde Indianenstam, de Mohikanen en Bram is Arendsoog, hun opperhoofd."

"Dan wil ik Soepoog zijn," zei Flip.

"Een blauw oog kan je dadelijk wel van me krijgen," bromde Hans,

die één en al ernst en vuur was. "Met jouw flauwiteiten schieten we

heelemaal niet op. Ziezoo, en nou gaan we de anderen waarschuwen."

De drie broers begaven zich naar de kamers der kostjongens om hen

van de zaak op de hoogte te stellen.

Natuurlijk wilden ze allemaal graag meedoen, maar Hans koos de flinkste

jongens uit om mee te gaan, de overigen konden de school bewaken.

"Ik zou ook wel Indiaan willen zijn," mompelde Flip bij

zichzelven. "Akibakki kikkerbokki, de taal ken ik al! Ha, gij

driedubbele gepofte honden van bleekgezichten, ik, de dappere Soepoog,

zal u met mijn tomohawk tot gruttenpap met rozijnen en groene zeep

hakken. Wee u, gij grutteneuzen!"

TWEEDE HOOFDSTUK.

INDIANEN EN BLEEKGEZICHTEN.

Op het Brinkplein bij de Baarnsche kerk verzamelde Bram Verhallen

zijn mannetjes. Bram Verhallen was van denzelfden leeftijd als Hans

Bergwoude, even sterk, even slim, even stevig gebouwd. Alleen was

hij lichtblond en had zachte, bijna droomerige oogen. Hij was een

lobbes van een jongen, maar liet zich toch niet de kaas van het

brood eten. Hans Bergwoude was een zijner beste vrienden en als zij

niet zoo ver van elkaar gewoond hadden, zouden zij veel meer bij

elkaar geweest zijn. Bram was de eenige zoon van notaris Verhallen;

hoewel uit een deftig gezin afkomstig was hij toch vrij van alle

gemaaktheid of aanstellerij. Hij was op school een ijverig leerling,

maar moest nogal blokken om bij te blijven. Hij leefde op als hij

met zijn kameraden kon ravotten.

Intusschen kwamen meer en meer jongens opdagen en allen waren

zenuwachtig van ongeduld om het heerlijke spel te beginnen. Toen zijn

strijders, ongeveer twintig in getal, compleet waren, stelde Bram

zich aan het hoofd ervan en marcheerde naar de Torenlaan, waar hij

rechtsaf sloeg, het Sparrenbosch in. Daar hield hij even halt, liet

de jongens in een kring om hem heen staan en ging het spel uitleggen.

"Jullie weet al zoo'n beetje," vertelde hij, "wat we gaan doen,

maar het fijne van de zaak zal je nu pas hooren. Wij zijn Indianen

van den stam der Mohikanen."

"Hoera, hoera, Indianen!" schreeuwde er al een paar.

"Stil toch!" vermaande Toon Sprits, een groote jongen en een der

klassegenooten Van Bram. "Mooie Indianenmanieren om in het bosch zoo

te schreeuwen!"

"Ja," zei Bram, "als je zooveel spektakel maakt, dan hooren de

"Sparheiders" al direct, waar we zitten. Dus jongens, houdt je

doodstil. Jullie hebben allemaal genoeg Indianenboeken gelezen en

daarom weet je ook best, hoe Indianen in hun bosschen doen. Ik ben

Arendsoog, en jullie kiezen maar een naam voor jezelf uit."

"Tijgerklauw heet ik!" zei de een.

"Witte Buffel!" riep een tweede.

"Vuurstraal!"

"Edelhart!"

"Apestaart! Oliebol! Kokosvet!" 't Werd weer een geschreeuw door

elkaar van je welste. Op die manier kwam er van de heele onderneming

niets terecht.

"Stilte!" commandeerde Bram. "Wie niet gehoorzaamt en weer schreeuwt

of leven maakt, kan naar huis gaan."

Dat hielp. Bram was wel een goeie jongen, maar als hij boos werd,

begonnen zijn gespierde armen een woordje mee te spreken en daar

hadden de jongens respect voor! Het werd dus stil en Bram vervolgde:

"Ik ben Arendsoog en jullie opperhoofd. Toon Sprits en Jan v.d. Zee

zijn mijn verspieders. De school van Bergwoude in het Overbosch is

een fort, waar blanken wonen. Dat fort wordt door ons bestormd. Maar

het wordt verdedigd door de Sparheiders, dat zijn Hans Bergwoude met

zijn broers en de kostjongens. Zij weten, dat wij uit de richting

van het Boterbergje komen.

"Alle Sparheiders hebben een witten band om den arm, en voor ons heb

ik roode banden meegebracht. Hier zijn ze. Bind ze om den rechterarm!"

Dat was gauw gebeurd en daarop deelde Bram zijn troep in.

Voorop ging de spits, Jan v.d. Zee met twee jongens. Jan midden op

den weg, de twee jongens achter de boomen, daarachter een voortroepje

van drie man op den weg, vervolgens een troep van tien man en vijftig

meters daarachter een achterhoede als dekking van vier jongens.

Elk gedeelte moest zorgen met de anderen in verbinding te blijven. En

verder deelde Bram zijn strijders alles mede, wat ze voor dezen middag

te weten hadden.

Had de blijdschap bij het vernemen van dit prettige spel de jongens

eenige oogenblikken luidruchtig gemaakt, nu begrepen ze, dat ze

doodstil moesten zijn. Zij speelden elke week in de bosschen en kenden

er evengoed den weg als in hun eigen huis.

Nadat Bram zijn troep had opgesteld, ging het in de genoemde volgorde

voorwaarts, de bosschen in.

Hans Bergwoude, de generaal der Sparheiders, die het fort der blanken

te verdedigen had, zat intusschen ook niet stil. Vijf verdedigers had

hij in een wijden kring om het schoolgebouw doen postvatten en met

vijftien man trok hij de aanvallers tegemoet. Dat wil zeggen, hij

verdeelde ze eerst in drie partijen. Vijf jongens onder aanvoering

van zijn broer Flip trokken door de Sophialaan den vijand tegen,

vijf onder commando van Albert de Hooge door de Hooilaan en vijf

onder hemzelven door de Koninginnelaan, dus in het midden van de

beide andere troepen. Elke troep moest één der jongens tusschen de

boomen laten loopen, om berichten of teekens van links of rechts over

te brengen. Aan het eind van elke laan zouden de troepen halt houden

en daar den toegang voor den vijand afsluiten. Er waren nog wel meer

wegen, die naar Sparrenheide leidden, maar die vormden zulke groote

omwegen, dat er voor de tegenpartij te veel tijd zou verloren gaan

om die te volgen.

Hans wist dit ook wel, daarom had hij de voornaamste wegen naar

Sparrenheide bezet.

Het was stil in 't bosch.

Wandelaars waren er bijna niet te zien, die kwamen zelden zoo vér en

bleven meestal in de nabijheid van het dorp. De zon scheen vroolijk

op dezen mooien Julidag en in het bosch was het heerlijk zoel onder de

boomen. In de toppen van de beuken en linden zongen merels en lijsters,

ginds sprongen een paar eekhoorntjes tusschen de sparretakken, maar

overigens was het doodstil. Schooner plekjes dan waar de jongens zich

door het bosch bewogen kan men zich moeilijk voorstellen. Naar alle

kanten slingerden zich de grijs bruine paden en verdwenen dan in het

duizendtintige boschgroen. Het lichte bladgroen der linden prijkte

naast de bruine beuken, donkere sparren en dennen daartusschen en

opeens weer een groep zachtgroene eiken, 't was voortdurend weer

'n andere tint van boomenloof. Soms weken de boomen vaneen en

omringden een open plek, waar dan 'n vijver gevormd was. Een vijver

van helder water, waarin je salamandertjes en slangen zag en mooie

waterinsecten. De bodem was er bedekt met millioenen bladeren, die

voor de vijverbewoners prachtige nesten vormden.

Ook de jongens genoten thans wel van die heerlijke boschpracht,

maar voor 't oogenblik waren ze toch meer vervuld van het spel van

dezen middag.

Zonder onnoodig geruisch te maken gingen de drie troepen voorwaarts

door de lanen. Generaal Hans begreep, dat hij niet tegenover

gewone soldaten stond, maar met Indianen te doen had, die op èchte

Indianenmanier plotseling van achter boomen en struiken te voorschijn

konden komen. Daarom had hij ook den voorzorgsmaatregel genomen,

eenigen van zijn mannetjes niet op de paden, maar tusschen de boomen

door te laten loopen.

Eindelijk hadden de drie troepen het eindpunt van de genoemde lanen

bereikt en stelden zich daar verdekt op, dat wil zeggen, zij verscholen

zich tusschen het kreupelhout en zetten een schildwacht achter een

boom op den uitkijk. Elke troep moest op zijn plaats blijven en daar

voorloopig bivak houden.

Generaal Hans wou nu wel eens weten, hoe het met den vijand gesteld

was en daarom riep hij zijn verkenner Rob bij zich.

"Hoor eens, Rob," sprak hij, "jij moet eens het bosch verder ingaan

naar den kant van het Boterbergje en zien, of er iets van de Indianen

te merken is. Maar kijk goed uit je doppen, hoor, en bemoei je nou

eens niet met allerlei slakken en kevers en aardvlooien en weet ik

veel wat voor ongedierte meer! Denk er aan, dat zoo'n Indiaan op je

loert en voor je 't weet ben je gebrajen. En zorg dat je zoowat over

een half uur terug bent. Kan je roepen als een kraai?"

"Beter dan jij."

"Dat zit nog. Als er wat aan de hand is, laat je een kraaienschreeuw

hooren. Dan komen we. Zoo, ga nou maar."

Rob ging het bosch in en was weldra tusschen het geboomte verdwenen.

Hans ging van den eenen troep naar den anderen langs de

verbindingslaan. Hij lette er op, dat de schildwachten op hun post

waren. Maar hij had al gauw gezien, dat die ijverig hun plicht deden,

omdat ze veel te bang waren, onverhoeds door de Indianen overvallen te

worden. Hij besloot daarom kalm de lanen bezet te houden en alvorens

verder te gaan, de terugkomst van Rob af te wachten en te hooren,

wat die van de tegenpartij gezien had.

De Indianentroep was voorzichtig voortgegaan door het bosch. Jan

v.d. Zee, die aan de spits ging, met een makker aan iederen kant

tusschen de boomen, meende op den viersprong van de Boslaan voorbij de

Groote Kom onraad te bespeuren. Hij wenkte zijn nevenmannen en stak

den arm omhoog wat door de achter hem aankomenden gezien werd. Die

gaven het teeken door en opeens hielden alle Indianen halt en wierpen

zich plat op den grond, zooveel mogelijk gedekt tusschen de struiken.

Jan, die zich met den geweldigen naam Tijgerklauw als een echt Indiaan

deed kennen, zag tusschen het kreupelhout recht voor zich uit eenige

jongens bewegen. Zouden de verdedigers van Sparrenheide reeds zoovèr

doorgedrongen zijn? Was het een voorpost? Maar tevergeefs zocht

Tijgerklauw naar den witten band, dien de tegenpartij om den arm

moest dragen. Ook schenen de jongens met een heel ander spel bezig

te zijn. En terwijl Tijgerklauw de vreemde gedaanten tusschen het

geboomte bespiedde, wachtte Arendsoog, het dappere opperhoofd der

Mohikanen, op een tweede teeken.

"Zou Tijgerklauw de bleekgezichten al zien?" fluisterde Arendsoog

Toon Sprits in 't oor, die nu "Vuurstraal" heette.

"Vuurstraal weet het evenmin als het dappere opperhoofd, maar

Arendsoog kan mijlen ver zien, hij kan naar voren gaan en zien,

waarom Tijgerklauw niet verder gaat."

"Mijn broeder spreekt verstandig. Ik zal gaan. Hugh! daar geeft

Tijgerklauw weer het teeken: voorwaarts."

Inderdaad zwaaide Tijgerklauw zijn arm naar voren, de vreemden waren

geen vijanden geweest, en de Indianen slopen weer geruischloos langs

de paden.

Zoo bereikten zij het Boterbergje.

Het Boterbergje is een heuveltje, gelegen aan een zijpad van den

Eemnesser straatweg. Het is omringd door twee rijen boomen, aan

drie zijden daarachter strekt zich over een grooten afstand dicht

kreupelhout uit, alleen de kant van den weg was open. Boven op het

bergje stond een bultige, knoestige lindenboom.

Arendsoog legerde zijn Indiaansche krijgers in het dichtbegroeide

terrein om het Boterbergje, zoodat er geen tip van hun neus te zien

was. Hij zelf kroop naar boven en klom in een boom. Maar veel kon hij

niet zien, 't was alles bosch en nog eens bosch. Alleen kon hij naar

het Noord-oosten een klein stukje van den straatweg zien. Hij wilde dan

ook juist weer uit den boom klimmen, toen hij de struiken zag bewegen

op een plaats, waar zijn Indianen niet gelegerd waren. Arendsoog hield

den adem in en hield zijn scherpen arendsblik gericht op de struiken.

In 't volgende oogenblik zag hij een arm tevoorschijn komen, en om

dien arm ... een witte band!

Een vijand dus!

Maar was hij wel alleen? Was het niet een sterke afdeeling die

vooruitgezonden was om Arendsoog tegen te houden? Neen, dat was niet

waarschijnlijk, Sparrenheide lag nog op te verren afstand.

Het zou dus wel een verkenner zijn!

Maar dan zou Arendsoog ook wel zorgen, dat het bleekgezicht niet bij

zijn generaal terugkeerde!

Stil... daar kwam een hoofd tusschen het groen te voorschijn, maar de

verkenner was nog te ver om zijn gezicht te kunnen onderscheiden. Hij

keek om zich heen. Toen dook hij weer weg in het groen.

Arendsoog liet zich geruischloos uit den boom glijden. Hij sloop

langs den heuvel naar beneden en wenkte zijn strijders Tijgerklauw en

Vuurstraal. Een enkel fluisterend woord was voldoende om deze twee

op de hoogte te brengen, en plotseling vlogen de drie Indianen het

kreupelhout in om den spion gevangen te nemen. Zij hadden hem gauw

genoeg bemerkt en nu ontstond er een jacht door het eikengewas. Vijftig

meter verder lag het dennenbosch, als de vluchteling daarin zocht te

ontkomen was hij verloren.

De Indianen vlogen door het moeilijk begaanbare terrein, zij zagen het

bleekgezicht Rob Bergwoude het bosch steeds meer en meer naderen....

Daar rende hij er in!

Ziezoo, de tallooze, dicht op elkaar groeiende stammen zouden hem

het snelle voortgaan wel beletten.

En, wat kalmer, volgden de roodhuiden den vluchteling. Ook zij

bereikten nu het dennenbosch.

Maar.... waar was het bleekgezicht?

Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal keken verbaasd om zich heen. Zij

keken naar de toppen der stammen, zij schopten de dennetakken van

den grond.

Niets!

Rob Bergwoude was spoorloos verdwenen!

DERDE HOOFDSTUK.

IN GEVECHT MET DE ROODHUIDEN.

Rob, die door zijn broer Hans op verkenning werd uitgezonden, was door

de Koninginnelaan het bosch ingetrokken. De jonge natuurliefhebber was

juist geschikt voor dit werk, omdat hij alle wegen en schuilhoeken zoo

door en door kende. Hij stapte regelmatig door tot aan de Jagerskom,

ook al een boschvijver. Daar zag hij op een bank bij het water een

stumperig oud moedertje zitten, dat bitter weende.

Rob had een weekhartig gemoed en vond het zóó ontzettend naar, dat

hij dit oude vrouwtje huilen zag, dat hij het niet over zijn hart

verkrijgen kon, door te loopen.

Misschien had zij iets in het water laten vallen?

Rob kwam nog wat nader en toen pas scheen het oudje hem te bemerken.

"Is... is u soms wat verloren?"

Het arme moedertje veegde de tranen uit haar oogen en knikte.

"Och, jongeheer," zei ze snikkend, "ik weet geen raad. Mijn zoon

had geld gestuurd, tien gulden. En nu was ik naar Baarn gegaan, om

wat boodschappen te doen.... en nu heb ik 't briefje verloren. Ik

heb zoo gezocht, zoo gezocht. Maar ik kan het niet meer vinden. Och,

och, wat zal mijn jongen wel zeggen! Hij heeft het voor zijn moeder

overgespaard. Vier weken had ik er mee moeten rondkomen. Tien gulden,

ach, en het is zoo'n lange weg naar De Vuursche."

"Woont u daar?" vroeg Rob deelnemend.

"Ja, jongeheer. Ik zal maar weer naar huis gaan. En onderweg nog eens

goed zoeken. Och, och, wat ben ik toch ongelukkig..."

Opeens kreeg Rob een goed idee.

"Wij zullen wel helpen zoeken," sprak hij. "Bij het begin van de

Sophialaan staat een troep jongens. Wij zijn aan het spelen. Wij zijn

bleekgezichten, weet u."

"Bleekgezichten, jongeheer? U ziet er anders heelemaal niet bleek

uit. U hebt een gezonde kleur. Als melk en bloed."

"Ja," zei Rob lachend, "maar zoo meen ik het ook niet. De Indianen

noemen ons bleekgezichten. De jongens van Baarn zijn de Indianen. Hebt

u ze niet gezien?"

De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd.

"Nou maar," vervolgde Rob, "als u nou bij die jongens daar vraagt

naar Hans, dat is mijn broer, dan moet u hem maar eens vertellen,

dat ik gezegd heb, dat ze u moeten helpen zoeken. De jongens hebben

allemaal witte banden om den arm."

't Vrouwtje knikte hem dankbaar toe voor de aangeboden hulp en

strompelde terug.

Rob zette zijn weg voort tot hij kwam aan de Reigers laan, in de

nabijheid van het Boterbergje. Daar drong hij het kreupelhout in tot op

tweehonderd meters afstand van het heuveltje. Hij hield zich doodstil

tusschen de struiken en bespionneerde den top van het bergje. Neen,

de Roodhuiden zouden wel niet zoo dom zijn, om zich boven op den top

te legeren... of waren zij nog niet tot hier gevorderd?

Rob loerde en loerde, maar de dichte eikebladeren beletten hem het

uitzicht. Hij duwde met den arm de takken terzijde en stak zijn hoofd

boven het groen uit.

Op dit oogenblik bemerkte Arendsoog hem.

Maar toen deze met Tijgerklauw en Vuurstraal op hem afkwam, had Rob

toch gauw gezien, dat hij ontdekt was. Hij rende, zoo gauw als de

struiken dit toelieten, naar het achter hem gelegen dennenbosch, maar

onder die vlucht bedacht hij, dat de dicht op elkaar staande stammen

hem teveel zouden tegenhouden. En daarom besloot hij van een list

gebruik te maken. Hij zou net doen alsof hij in het bosch vluchtte,

en ook werkelijk een paar stappen tusschen de eerste stammen doen,

zoodat zijn vervolgers, die nog wel een dertig meters achter hem waren,

hem duidelijk konden zien.

Zoo deed hij.

Maar na een paar stappen gedaan te hebben, liet hij zich plotseling

vallen en kroop snel terug naar het kreupelhout, waar hij een

uitstekende schuilplaats vond.

Toen Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal eenige oogenblikken later

den rand van het bosch bereikten, was er van den vluchteling geen

spoor meer te ontdekken.

"Hugh!" zei Arendsoog tot zijn makkers, "is het bleekgezicht dan een

geest, die in de lucht verdwijnt?"

"Of heeft de witte man tooverkruiden ingenomen, waarmede hij zich

onzichtbaar maakt?" vroeg Tijgerklauw.

"Mijn roode broeders dwalen," zei Vuurstraal, "het bleekgezicht heeft

geen tooverkruiden en is ook geen geest, maar hij heeft verstand. Zie,

het woud is dicht en ondoordringbaar. De slang en de wolf loeren op

hun prooi. Daarom is de blanke verspieder niet in het bosch gegaan."

"Arendsoog hééft hem het woud zien betreden," sprak het opperhoofd

op deftigen toon, "en het oog van den arend vergist zich nimmer."

"Het opperhoofd der Mohikanen spreekt als een man," zei Tijgerklauw,

"maar onze broeder heeft gelijk. De vluchteling is niet verder het

woud ingegaan dan wij."

"Hugh! Waar is hij dan?"

"Vuurstraal weet het niet, maar begrijpt het. Het bleekgezicht verbergt

zich voor de roode krijgers in het struikgewas."

En met deze woorden ijlde de jonge Indiaan het kreupelhout in, waar

opeens beweging en leven in kwam. Opnieuw werd het wild opgejaagd en

nu precies in de richting van de plek, waar de Mohikanenstam gelegerd

was. Het duurde dan ook niet lang, of Rob liep als het ware in de

armen zijner vijanden.

Tegen zulk een overmacht was hij niet bestand en ondanks al zijn

rukken en worstelen werd hij gevangen genomen. Maar hoe de Indianen

hem ook dreigden te scalpeeren, hij wilde volstrekt niet zeggen,

waar zijn kameraden waren.

De roodhuiden hielden krijgsraad. Zij zaten in een kring gehurkt en

keken naar Arendsoog, die met bezorgd gelaat om zich heen staarde.

"Het bleekgezicht is een verspieder," sprak hij. "Hij wil zijn mannen

gaan zeggen, dat de Roodhuiden den Boterberg bezet hebben. Maar

Arendsoog is een wijs opperhoofd. Als het bleekgezicht hem zeggen wil,

hoe groot het aantal zijner witte broeders is, zal de Mohikaan genade

voor recht laten gelden. Dat de gevangene spreke!"

Maar Rob aan handen en voeten gebonden met een lasso, weigerde eenige

inlichting te geven.

"Het jonge bleekgezicht is wel moedig, maar niet verstandig,"

zei Arendsoog.

Daar klonk opeens het geschreeuw van een kraai door het bosch!

"Kàrr... Kàrr!!"

En eer de roodhuiden het verhinderen konden, gaf de gevangene het

antwoord:

"Kàrr... Karr... Kàrr!"

"Verraad!" schreeuwde Tijgerklauw.

"Voorwaarts, dappere krijgers!" riep Arendsoog, "daarginds is de

vijand! Dood aan de bleekgezichten!"

En de woeste Indianenhorde stormde het bosch in naar den kant vanwaar

het signaal gekomen was.

"Ik begrijp er niets van," zei Generaal Hans tot zijn broer

Flip. "Rob is al meer dan een half uur weg en wij zien hier nog geen

Indiaan. Zouden ze hem te pakken hebben?"

"Misschien zit-ie heel kalm ergens een bloem te determineeren,"

zei Flip.

"Dat geloof ik niet, want ik heb hem juist nog goed op het hart

gedrukt, om dat nu maar eens over te slaan en alleen uit te kijken

naar de roodhuiden."

"Ik wou, dat ze maar kwamen," zei Flip, "dan kregen we tenminste wat

te doen. Ik verveel mij een aap."

"Met jouzelf meegerekend zijn dat dan twéé apen."

"Zoo, baviaan. Maar je moest er mij eens op uitsturen, om Robberdebob

op te snorren. Wie weet, waar dat heerschap zit."

"Als hij maar niet gevangengenomen is. Weet je wat? Ik moet natuurlijk

hier blijven. Een generaal kan zijn leger niet in den steek laten. Maar

ik zal je twee soldaten meegeven en je gaat Rob zoeken. Dat is dan

een patrouille."

Een oogenblik later was commandant Flip met twee man Rob achterna

gegaan. Daar het bosch maar heel weinig betreden wordt, konden

de jongens heel duidelijk de versche voetsporen van hun voorganger

volgen. Maar toen die voetstappen bij den viersprong van de Reigerslaan

opeens in het kreupelhout verdwenen, was het spoor van Rob niet meer

te volgen.

"Ik ben een citroenschil als ik weet, hoe we Rob nou moeten vinden,"

zei Flip.

"En we zitten hier natuurlijk vlak bij de Roodhuiden," waarschuwde

Hein Veere, een der Sparheiders.

"Kan je niet 's roepen?" opperde de ander, die Piet Broeser heette.

"Daar zeg je zoowat," zei Flip. "Ik zal een kraaienschreeuw

geven.--Kàrr... kàrr!!"

En daar klonk het wat verder: "Karr--karr--karr!"

"Stil!" sprak Hein, "ik hoor het geschreeuw van de Indianen. Zij

komen hierheen!"

Het geluid van vele voetstappen kwam snel nader. Flip en zijn twee

mannen kropen in 't dichtste deel van het kreupelhout.

Een oogenblik later holde een woeste Indianentroep van wel twintig

man voorbij de plek, waar de bleekgezichten verscholen lagen. Deze

hielden zich doodstil, want men kon nooit weten of niet meerdere zouden

volgen. Maar er kwam niemand meer. De Indianen waren blijkbaar in de

meening, dat de vijanden veel verder verwijderd waren dan inderdaad

het geval was. Maar--waar bleef Rob?

Flip waagde zich aan den rand van het kreupelhout. Aan het einde van

de laan stonden de Roodhuiden besluiteloos te kijken. Nu moest een

poging gewaagd worden om zijn broer te verlossen!

"Kom mee!" zei Flip, en gedekt door de struiken ijlden zij naar

het Boterbergje.

In de algemeene opwinding was Rob door de Roodhuiden aan zijn

lot overgelaten. Het plotselinge signaal der bleekgezichten had

hen in den waan gebracht, dat zij door een sterke macht bedreigd

werden. Ondertusschen lag Rob aan handen en voeten gebonden aan den

voet van het Boterbergje. Zoo vond zijn broeder hem.

"Vlug, vlug!" zei Flip, terwijl hij de lasso doorsneed, waarmee Rob

geboeid was. "We moeten gauw hier vandaan, want de Roodhuiden zullen

in een oogenblik weer hier zijn!"

Dat behoefde hij Rob geen tweemaal te zeggen.

De jongens maakten, dat zij wegkwamen, maar nauwelijks hadden zij

den viersprong bereikt en wilden dien passeeren, toen een der daar

dwalende Indianen hen bemerkte.

De Roodhuid liet een doordringenden kreet hooren.

En onmiddellijk daarop stormde de heele bende voorwaarts, de

bleekgezichten achterna. Arendsoog voorop, onmiddellijk gevolgd

door Tijgerklauw en Vuurstraal, zaten ze weldra de vluchtelingen op

de hielen.

Maar generaal Hans had het rumoer in 't bosch gehoord. Snel als de

wind verzamelde hij zijn soldaten en snelde de Roodhuiden tegemoet om

zijn makkers te ontzetten. Nog één oogenblik... en de drie verkenners

waren met den bevrijden Rob weer veilig tusschen de kameraden.

De Indianen kwamen aanstormen, het werd een gevecht van man tegen

man. Maar de bleekgezichten telden maar vijftien man, terwijl de

Roodhuiden over ruim twintig te beschikken hadden. Al worstelende

en vechtende werden de blanken achterwaarts gedrongen, steeds meer

en meer teruggedreven. De aanvallen der woeste Mohikanen waren zóó

onweerstaanbaar hevig, dat van tegenhouden bijna geen sprake was.

De blanken werden teruggedreven tot onder de muren van het fort

Sparrenheide.

Daar kregen ze opeens versterking van de jonge garde, die het fort

bewaakte. Met deze nieuwe krachten ondernamen ze nu een uitval, die

de Roodhuiden niet verwacht hadden en waardoor deze een flink eind

teruggedreven werden.

Nu omsingelden de Indianen de school, die als fort dienst deed en

het beleg begon.

Arendsoog bond zijn zakdoek aan een stok en trad naar voren.

Generaal Hans deed hetzelfde.

Daar stonden de twee machtige opperhoofden tegenover elkaar.

"Hugh!" zei de Indiaan. "De dappere Arendsoog is gekomen om met het

opperhoofd der bleekgezichten te spreken."

"En wat verlangt mijn roode broeder?" vroeg de generaal op denzelfden

deftigen toon.

"De Mohikanen zijn een vreedzaam volk," sprak Arendsoog, "zij jagen

in de bosschen en rooken den vredespijp. Maar de bleekgezichten zijn

gekomen en hebben den rooden man uit zijn bosschen verjaagd, om die

in bezit te nemen. Onze dapperste krijgers hebben zij gedood met hun

vuurwapens. Waar is de Witte Bison? Waar is de Koningstijger? Waar

is de Prairie duivel? Het bleekgezicht heeft ze doodgeschoten. Maar

Arendsoog is het hoofd van den stam der oude helden, Arendsoog zal

de gevallen krijgers wreken. De witte man moet zijn steenen huis aan

de Mohikanen overgeven."

Generaal Hans keek den Indiaan ernstig aan.

"Arendsoog wil den oorlog," sprak hij, "maar de witte mannen willen

dien niet. Zij willen in vrede leven met die oude krijgers der

Mohikanen. Het fort behoort aan ons. Wij zullen het verdedigen als

de roode mannen het ons ontnemen willen."

"Hugh!" riep Arendsoog op minachtenden toon, "de roode krijgers zullen

komen. En vóór het groote licht verduisterd wordt, zullen zij het

bleekgezicht verdreven hebben."

En met een trotsch gebaar keerde het opperhoofd naar zijn krijgers

terug.

Bijna oogenblikkelijk daarop werd de aanval door de Roodhuiden met

buitengewone hevigheid ondernomen. Maar met niet minder dapperheid

streden de Sparheiders. De Indianen wonnen geen duimbreed grond,

werden zelfs af en toe teruggedreven.

Het werd inmiddels al later en later en de vechtenden werden

vermoeid. Vooral de Indianen, die zich buitengewoon hadden ingespannen

waren nauwelijks meer tot aanvallen in staat.

Generaal Hans zag dat zeer goed. Hij verzamelde al zijn soldaten op

één punt en joeg er zóó verbazend snel op de Roodhuiden in, dat deze

niet langer konden standhouden en onder het triomfeerend "hoera!" der

Sparheiders op de vlucht werden gedreven.

Toen klonk opeens een mannestem:

"Bravo jongens! Het fort is prachtig verdedigd! Komt nu allemaal

hier! Hans, Flip, Rob, Hein! En de Roodhuiden ook!"

Het was de heer Bergwoude, die het laatste deel van het spel had

bijgewoond en nu de dappere strijders bij zich riep.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN PRETTIG BESLUIT EN EEN VROOLIJKE VERTELLING.

"Allemaal hierheen, jongens!"

En mijnheer Bergwoude opende de deur van de gymnastiekzaal, die achter

de school gelegen was. In een oogenblik waren de veertig jongens in

de zaal bijeen. Mijnheer ging op een bankje staan, zijn gelaat stond

vroolijk, want hij had schik in de spelen der jongens. Mevrouw was

op het krijgsrumoer al komen toeloopen om te zien, wat er toch wel

aan de hand mocht zijn. Maar nu keek zij toch ook met een lachend

gezicht naar die vroolijke knapen.

"Hoor eens, jongens!" sprak Mijnheer, en dadelijk daarop werd het stil,

"ik moet eens even wat zeggen. Jullie hebt vanmiddag een mooi spel

gespeeld! Het was wel een oorlogsspel, maar er zijn geen slachtoffers

gevallen. Het was een spel, waarbij je oogen en ooren goed den kost

moest geven. Jullie hebt je oplettendheid en scherpzinnigheid vanmiddag

kunnen oefenen. Bij het gevecht zijn geen stokken of steenen gebruikt,

bij ieder kwam het op eigen lichaamskracht aan. Dat is ferm, dat is

gezond. Er is niemand mishandeld, ik heb gezien, dat de zwakkere

alleen maar door den sterkere werd teruggedreven. En wie er bij

ongeluk al eens een buil of een schram heeft opgeloopen, die moet

dat dan maar beschouwen als een teeken van heldenmoed. Jullie hebt

je allen kranig gedragen, en ik moet den Roodhuiden mijn compliment

maken, dat zij het nog zoo lang tegen de overmacht hebben uitgehouden!"

"Hoera!" klonk het dreunend door de zaal.

"Bravo!" zei Mijnheer Bergwoude. "En nu, jongens, wie wat verdient,

moet wat hebben. Hans, geef jij die groote, ronde doos eens aan,

die daar staat!"

Hans keek naar den kant, dien zijn vader aanwees en bemerkte nu pas

een kolossale ronde taartjesdoos. Hij gaf die aan zijn vader en deze

toonde haar geopend aan de jongens.

"Hoera, taartjes!" klonk het.

"Vooruit jongens, kiest er de heerlijkste maar uit. Ik trakteer de

beide oorlogvoerende partijen," zei Mijnheer lachend en om het goede

voorbeeld te geven, stak hij zelf een roomhoorn in den mond, waarmee

hij vervolgens allerlei gekke gezichten trok, zoodat de jongens het

uitgierden van pret. Zij lieten zich ondertusschen de onverwachte

tractatie heerlijk smaken en rustten op stoelen en banken uit van de

vermoeienissen des oorlogs.

Toen zei Mijnheer Bergwoude:

"Ik vind het toch zoo prettig, dat de leerlingen van "Sparrenheide"

zooveel vrienden hebben. En de Baarnsche jongens zijn hun beste

vrienden. Ieder weet wel, dat de jongens van Sparrenheide niet den

heelen dag met den neus in de boeken ziften en dan 's avonds nog

urenlang blokken om 's morgens weer opnieuw te beginnen. Neen, wij

studeeren wat kalmer aan en gaan af en toe eens het bosch in. Wij

timmeren en plakken en cartonneeren allerlei mooie en nuttige dingen,

wij zingen en maken muziek, maar vergeten daarom toch de leervakken

niet. Als wij dag in, dag uit studeerden en al maar blokten en

ploeterden, zouden al onze leerlingen heel gauw zenuwpatiëntjes

worden en heelemaal niets meer kunnen leeren. Nu zijn het ferme,

frissche jongens, met rozen op de volle wangen. En daarom kunnen ze

ook ferm meespelen met hun Baarnsche makkers. Frisch op, Roodhuiden,

en een hartelijk hoera voor de Sparheiders!"

"Leve de Sparheiders! Hoera!" riepen de Baarnsche knapen.

"All right, jongens," besloot mijnheer. "Het klokje van gehoorzaamheid

slaat. Nu afscheid nemen van elkaar, de Sparheiders naar hun kamers

en de Roodhuiden op marsch naar Baarn!"

Dat bevel werd opgevolgd en een oogenblik later verkeerde het bedreigde

fort der bleekgezichten weer in veilige rust.

De slaapkamers der Sparheiders waren op de bovenverdieping, en hadden

alle een deur, die op het balcon uitkwam. Een van die kamers behoorde

aan Hans, Flip en Rob. De drie broers hadden zich wat verfrischt en

rustten nu even uit in hun heiligdom.

"Zeg," vroeg Flip aan Rob, "hoe kwam jij toch zoo'n stakker om je

door de Indianen te laten inpakken?"

"Dat was niet stakkerig, dat was..."

"Slim toch ook niet, Robbekop."

"Och, jij met je kletspraat," mopperde Rob. "Denk-je, dat het nou zoo

aardig is, om Robbekop tegen mij te zeggen? 'n Kunst! Ik kan ook wel

zeggen: Flip, 'n kikker op je lip."

"Die naar binnen glipt," voegde Hans er bij.

"Heel mooi gezegd," plaagde Flip. "Maar toch had ik me niet zoo

één-twee-drie laten inmaken. Hoe is dat toch gebeurd?"

"Ik heb heelemaal geen zin om dat jou te vertellen," zei Rob. "Als

ik die oude vrouw niet gezien had, dan..."

"Welke oude vrouw?" vroeg Hans.

"O, dat is waar ook," herinnerde Rob zich. "Is ze niet bij je geweest,

toen je aan 't eind van de Koninginnelaan lag?"

"Bij mij?" vroeg Hans weer. "Neen, ik heb niemand gezien."

"Hee, en ik heb haar nog gezegd, dat ze naar jou moest vragen. Ze kwam

van de Vuursche door het bosch en had onderweg een briefje van tien

gulden verloren. De arme stakker zat te huilen aan de Jagerskom. Ik kon

natuurlijk niet gaan zoeken. Maar ik heb haar naar jou toe gestuurd."

"Niets gezien," herhaalde Hans. "Ik denk, dat ze 't geld weer gevonden

heeft en toen maar verder is gegaan."

"Ja, dat kan wel," vond Rob. En verder werd er over die zaak niet

gesproken.

Maar een oogenblik later kwam de oude huisknecht aan Hans vertellen,

dat er een arme vrouw was, die naar hem vroeg. De huisknecht was een

stokdoove oud-gediende, die Bosman heette. Men moest altijd verbazend

hard roepen om hem iets verstaanbaar te maken en dan nog verstond

hij het meestal heelemaal verkeerd.

"Hoe heet die vrouw?" riep Hans aan Bosman's oor.

"Met haar mond, denk ik," zei Bosman.

"Ach neen, ik vraag niet hoe zij eet, maar hoe zij héét!"

"Dat weet ik niet"

"O," zei Rob, "dat is ze bepaald. Wacht Hans, ik ga mee." Hans en Rob

holden naar beneden en Rob herkende dadelijk het arme vrouwtje. Ook

nu had zij nog de tranen in de oogen.

"Och jongeheer," snikte ze. "Ik was eerst zoo blij. Ik vond de

portemonnaie terug. Maar alles is eruit gehaald! O, ik weet geen

raad. En nu kwam ik vragen, of misschien ... o, ik durf het haast

niet zeggen."

"Zeg 't maar gerust," moedigde Hans aan.

"Ach, u moet niet boos worden, als ik 't zeg. Maar een kind is maar een

kind. Het zou toch wel kunnen, dat een van de jongens ... 't gevonden

had ... en 't eruit genomen heeft. Die denkt daar niet altijd kwaad

bij. Maar ik ben een arme, oude vrouw en kan 't niet missen."

"Welneen," zei Hans. "Zooiets doen ónze jongens niet. Daar hoeft u

niet aan te denken. Maar wij willen het wel eens vragen."

Op dit oogenblik kwam mijnheer Bergwoude uit de tuinkamer naar de

voordeur.

"Wat gebeurt er, jongens, en waarom huilt dat vrouwtje?" Rob vertelde

zijn vader met een paar woorden, wat er gebeurd was.

"Wel dat is een ongelukkige geschiedenis," sprak mijnheer Bergwoude.

"Maar ik kan je de verzekering geven, vrouwtje, dat geen der jongens

van onze school zoo slecht is geweest om het geld uit de portemonnaie

te nemen. Waar hebt ge die weer teruggevonden?"

"Op den Hulpweg bij 't Hondenbosch," zei de oude.

"Zijn jullie in 't Hondenbosch geweest?" vroeg mijnheer Bergwoude

aan Hans en Rob.

"Neen vader," zei Hans, "dat lag heelemaal uit onze richting. Van

onze troep kan er dus niemand geweest zijn."

"Zoo. En de andere jongens zijn evenmin hier vandaan geweest. 't

Eenige zou dus zijn, dat een der meisjes ... maar dat zou toch al

heel vreemd zijn. Wacht, ik wil het voor uw zekerheid toch even aan

de onderwijzeres vragen."

Maar een oogenblik later was de heer Bergwoude al weer terug met de

boodschap, dat de juffrouw dien middag met de meisjes had getennist

en niet in 't Hondenbosch was geweest.

"Het moet dus een vreemde zijn," vervolgde de hoofdonderwijzer,

"maar daarom zullen we u toch helpen de zaak te onderzoeken. Hoe heet

ge en waar kunnen we u vinden?"

"Ik ben de weduwe Vorstman, mijnheer, ik woon in de dorpstraat van

de Vuursche."

"Komaan. Zeg jongens, gaan jullie maar weer naar boven," sprak hun

vader, "ik zal 't wel verder met vrouw Vorstman in orde maken."

De broers gingen naar boven en mijnheer Bergwoude sprak nog even

met de weduwe. Zij scheen getroost heen te gaan en niet meer over

haar verlies te treuren, want zij lachte nu door haar tranen heen en

stapte heel wat vroolijker naar huis terug.

Om zes uur werd er gedineerd in de groote eetzaal. Mijnheer en Mevrouw

zaten aan 't hoofd van de tafel, dan de onderwijzeres en de onderwijzer

en vervolgens de jongens en meisjes. Die middagtafel was altijd heel

gezellig. En na afloop ging men op mooie zomeravonden nog wat voor

het huis in het gras zitten of een klein wandelingetje maken rond

den heuvel.

Tegen acht uur, als het zoowat donker werd, bracht de meid een

petroleumlamp buiten, waarvan het licht getemperd werd door een roode

kap. Om de tafel zaten mijnheer en mevrouw Bergwoude met meester

Hooghuizen en juffrouw Wieler. En zoolang het nog geen bedtijd was,

lagen daaromheen de jongens en meisjes van Sparheide. Dat was het

heerlijke verteluurtje, dat om beurten door meester Hooghuizen en de

juffrouw of mijnheer Bergwoude werd gehouden. De zachte schemering,

het omringende bosch met hoog daarboven de aarzelend naar voren komende

sterren, de gezellige kindergroep voor het huis, zacht beschenen door

het tooverroode lamplicht, dat alles werkte mee om een romantische

sprookjesstemming over allen te brengen.

En 't was vaak, of bij zoo 'n mooi verhaal de sparren en beuken

en dennen stil te luisteren stonden en niet slapen wilden gaan

voordat het uit was. En ieder der vertellers had zoo zijn eigen soort

verhalen. Meester Hooghuizen wist altijd mooie geschiedenissen uit de

vele boeken, die hij las. Juffrouw Wieler vertelde meestal sprookjes

van kabouters en toovergodinnen en nimfen. Dat kon ze wàt mooi, maar

de juffrouw was zelf ook schrijfster en had al heel wat prachtige

sprookjesboeken geschreven.

Maar als mijnheer Bergwoude aan de beurt was, dan werd er gelachen

om de gekke dingen, die hij vertelde, dat je de tranen van pret over

de wangen rolden.

Vanavond was hij juist weer aan de beurt van vertellen en de jongens

en meisjes keken hem al verlangend aan. Zij zaten en lagen rondom de

tafel in het gras, mevrouw en juffrouw Wieler hadden een haakwerkje

ter hand genomen en meester Hooghuizen lag in een gemakkelijken stoel

een sigaar te rooken.

Mijnheer Bergwoude had juist zijn lange goudsche pijp opnieuw gestopt

en aangestoken en scheen wel van plan, iets te gaan vertellen. Daarbij

knipte zijn eene oog ondeugend, alsof hij zeggen wou: Nu zullen jullie

weer wat moois komen te hooren.

"Ik weet eigenlijk voor vanavond geen nieuw verhaal," sprak hij,

"maar ik zal mijn beurt wel moeten waarnemen en daarom zal ik je eens

iets vertellen uit de allereerste kinderjaren van Hans, Flip en Rob."

De drie broers werden van alle kanten lachend aangekeken, maar zij

waren ondertusschen zèlf nieuwsgierig naar hetgeen hun Vader daarvan

vertellen zou.

"Ik woonde hier pas een paar jaar," begon mijnheer, "en de drie

jongens waren nog maar heel klein. En nu zal je hooren, hoe de drie

kleuters op een goeden dag met een hofrijtuig van de Koningin Moeder

werden thuisgebracht. Op den dag, dat mijn verhaal een aanvang neemt,

was Hans, de oudste, vier jaar. Daarop volgde Flip, die 3 jaar was

en dan had je Robert, bijgenaamd Bobbie, die pas 1 jaar telde, maar

niettegenstaande dat de grootste ondeugd was van heel "Sparrenheide."

Hans en Flip waren wilde rakkers en toch niet zoo ondeugend als

Bobbie. Deze éénjarige jongeheer was véél kalmer, een heel stil

ventje, maar buitengewoon lastig. Je kwam nooit met hem uitgepraat,

hij liet je niet los, als je met hem begon te praten. Hij was een

lief en aardig kereltje, o zeker, maar de dreumes maakte in stilte

plannen en voerde ze dan uit ook, dingen, die den menschen een heelen

hoop last bezorgden. Hij vond allerlei ondeugende streken uit, maar

lachte er nooit zelf om.

Bobbie was altijd ernstig.

Hij hield veel van eten, van vechten, van honden en van vogels. Maar

het meest hield hij van zijn vader en moeder.

Instituut Sparrenheide · 第 1 / 9 段