Met onze kachels en haarden, dichte muren en dikke gordijnen, weten we
ons binnenshuis een zomersch gevoel te bezorgen, al vriest het buiten
ook, dat het kraakt. Geen wonder, dat verscheiden dieren daarvan mee
profiteeren; ik verzeker u, dat uw huis in den winter meer gasten
herbergt, dan ge wel denkt.
Muizen, ratten, bunsings vestigen zich in schuren en stallen. Ook komt
menig vogeltje ’s avonds binnensluipen, vooral roodborstjes en
winterkoninkjes. En in de huiskamer en den kelder overwintert menig
insect.
Meestal zitten die stil in een hoekje, maar van tijd tot tijd, als ’t
niet te warm en niet te droog in huis is, dan worden ze wakker en dan
zie je opeens rondom het licht een enkele groote bromvlieg (110 en 109)
rondzweven, wat traag in zijn bewegingen, maar toch volkomen levendig.
Je zoudt er zelfs een verzameling van kunnen aanleggen, want er zijn er
van verschillende soorten, blauwe en groene en weer andere, die
dambordachtig gekleurd zijn met grijze en blauwe vlekken.
Veel kwaad doen ze op ’t oogenblik niet, maar er zijn er onder, die ons
in den komenden zomer veel last kunnen veroorzaken.
De weinige muggen (41), die nu in huis vertoeven, kunnen ons verbazend
hinderen. We hadden onlangs een muziekavondje, nogal van belang, want
er waren vreemde gasten bij, Engelschen. Bovendien zou ik dirigeeren,
een instrument bespelen, waar ik niet aan gewend was en in een sleutel
lezen, die ik amper kende. Ik had dus al mijn tegenwoordigheid van
geest noodig.
Het ging boven verwachting nogal tamelijk behoorlijk en toen kwam daar
juist middenin een mug bovenop mijn hoofd zitten. Hij boorde mij
terdege aan. Ik verzeker u, dat ’t geen geringe beproeving was: ik
moest mijn aandacht bepalen bij ’t toch reeds zoo moeilijke werk en dan
nog dat geprik verdragen, wetende hoe gevaarlijk zoo’n muggebeet soms
wezen kan.
Het applaudissement was dan ook nog in vollen gang, toen ik hem al door
een vluggen tik vermorseld had. Gelukkig was het geen malaria-mug, maar
een ringelmug (114), zoo’n mooie met lange zwart-met-witte pooten. Deze
kan door zijn steek wel niet zooals de andere de malaria-ziekte
veroorzaken, doch soms geeft hij aanleiding tot bloedvergiftiging. De
malaria-mug heeft geen gevlekte pooten, wel gevlekte vleugels, terwijl
de gewone steekmug ongevlekte pooten en ongevlekte vleugels heeft.
Al deze muggen overwinteren in huizen, kelders, stallen en schuren en
indien alle menschen nu van de gelegenheid gebruik maakten, om ze daar
te dooden, dan zouden we ’s zomers minder last en nadeel ondervinden.
’t Is wel niet gastvrij, maar een volkomen gerechtvaardigde maatregel
tot zelfverdediging.
Op koude plekken in huis, zolders en kamertjes waar niet gestookt
wordt, overwinteren soms mooie vlinders: dagpauwoogen, kleine en groote
vossen, atalanta’s, citroentjes, al de vlinders van het vroege
voorjaar.
Die kunt ge ook buiten vinden in de altijd groene heesters of in holle
boomen, takkebossen en rommel. Zoo’n vlinder zit dan den heelen winter
onbeweeglijk met saamgevouwen vleugels, bevriest en ontdooit
waarschijnlijk verscheidene malen en gaat in Februari of Maart weer
echt leven.
De rupsen van de eikenbladvlinder (106) zitten langs de takken en zijn
er als het ware geheel mee saamgegroeid, zoodat ze tenminste uit de
verte niet gemakkelijk gezien kunnen worden.
Sommige kevertjes van de familie van de goudhaantjes (126) verbergen
zich in de schorsspleten van boomen en weven zich een fijn wit
gordijntje, waarachter ze voor verdrogende winden beveiligd zijn.
Maar ze zijn niet beveiligd voor de onderzoekende tong van de specht of
voor het scherpe oog der meesjes. Als die vogeltjes eens konden
vertellen, wat zouden we dan een massa aardige dingen kunnen vernemen
omtrent de insecten.
Zooals zij een boom bekijken en afwerken, moesten wij ’t ook doen. Hier
vinden ze wat spinner-rupsen, ginds wat eierkringen van de ringelrups
(123), dan weer een partijtje eieren van de witvlakvlinder (121) op een
zwart ruig spinseltje of een zijdeachtige gele cocon vol spinneneieren
(124). Altijd en overal vinden die meesjes wat en toch laten ze nog
veel zitten, anders zouden ringelrupsen en witvlakvlinderrupsen in den
zomer niet heele boomen kaal vreten.
Er zijn ook wel insecten, die in den winter buiten nog bedrijvig en
bezig zijn. In de avondschemering vliegen de mooie teergekleurde
wintervlinders rond, de groote (111) en de kleine (112) en aan de
meeste klimopmuren kunt ge u amuseeren met te zoeken naar de grappige
klimoprupsen (125), die precies gelijken op kleine dorre takjes en uren
lang stijf uitgestoken stil kunnen blijven zitten.
Kijk maar goed uit, of de klimopblaren aangevreten zijn. Wanneer er
halfronde stukjes zijn uitgebeten, dan kunt ge er wel op rekenen, dat
er van die rupsen moeten zitten. Maar als ge niet terdege oplet, vindt
ge er geeneen. Pak van tijd tot tijd maar eens een dor bladsteeltje
beet, dan zal dat wel gaan bewegen.
Ze zijn natuurlijk heel gemakkelijk te verzorgen en leveren in Mei en
Juni zeer mooie bleekgele vlinders met hoekige vleugels.
Aan ’t korstmos van de boomen zitten weer rupsen, die precies op dat
mos zelf gelijken, met al zijn vlekjes en al zijn ruigtetjes. Alleen
wanneer je zoekt op de manier van de meesjes kun je die rupsen vinden,
d.w.z. je moet plekje voor plekje afzoeken en telkens probeeren of er
soms door aanraking beweging komt in zoo’n stukje mos.
’t Is in die klimopbladeren en in dat mos altijd nog een beetje minder
koud dan daarbuiten. Ook in de dorre bladeren en er onder leeft altijd
nog een massa klein gedierte, evengoed als in het water zelf, zooals we
konden zien, toen we op het zwarte ijs stonden.
En in de zee, daar is het altijd betrekkelijk warm, zoodat daar de
meeste overwinteraars zijn aan te treffen. De zee is in den winter te
vergelijken met een verwarmde kamer, en als ik eens echt veel dieren
wil ontmoeten, dan ga ik in Februari wandelen langs de dijken van de
Zuiderzee, liefst wanneer sinds een paar dagen de dooi is ingevallen.
Over de groote steenblokken van de buitenberm trippelen tal van aardige
kleine vogeltjes. Sommige zijn al heel uit de verte te herkennen als
kwikstaartjes aan de lange staarten, die ze telkens op en neer wippen,
wanneer ze een eindje zijn voortgevlogen. Als je goed kijkt zie je dat
die staarten betrekkelijk langer zijn dan die van de witte en de gele
kwikstaart, die we in de lente zullen ontmoeten. Deze wintergast heet
de groote gele kwikstaart (72), hij wordt ook ieder jaar langs de
Amsterdamsche grachten gezien.
Er loopen ook muschkleurige vogeltjes over onze steenen met fijne
spitse bekjes. Dat zijn de oeverpiepers (77), familie van den
graspieper en den boompieper. De sneeuwgors toont zijn witte vlerkjes
overal en heel even hebt ge ook kans op de ijsgors (78), die wat meer
roodbruin in zijn vleugels heeft. Toch is deze nogal zeldzaam, maar
ieder jaar minder zeldzaam wordt de Alpenleeuwerik (76), een diertje
met veel geel aan zijn kop, dat langzamerhand uit Oost-Siberië den weg
hierheen heeft geleerd en nu tamelijk dikwijls langs onze stranden kan
worden opgemerkt.
Maar kijk nu eens wat verder, in ’t water. Daar ligt een honderd meter
ver uit den dijk een heele rist vogels. Ze zwemmen wat heen en weer,
duikelen soms eens, vechten een beetje, of liggen roerloos stil.
Aan de blinkend witte voorhoofdsplaten herkennen we zonder moeite
verscheidene onder hen als onze oude vrienden, de meerkoeten, maar er
is ook heel veel vreemd volk bij. Daar zwemt er een, die heeft een
prachtige oranje vlek op zijn bovensnavel, je zoudt zeggen, dat er een
soort van familiewapen op geschilderd is. Dat zou dan het wapen zijn
van de zwarte zeeëenden (19). Ze zijn ongelooflijk vlug, duiken,
zwemmen, vliegen en loopen uitstekend en komen soms al in Juli of
Augustus in troepen op ons strand.
Maar behalve zwart zien we nog andere kleuren, vooral wanneer we kunnen
beschikken over een behoorlijken verrekijker, of als we op een
buitenlandje achter dor riet wat ver in zee vooruit kunnen komen.
Daar liggen zwart met wit en grijs, de mooie toppereendjes (136), of
grijs met vosbruinen kop, de tafeleenden (138). Verwar deze laatste
niet met de smientjes (137), die ook een bruinen kop hebben, maar boven
op hun schedel een oranje kuif dragen.
Deze smientjes zijn wel de aardigste eenden, die ik ken. Mooi van
kleur, vlug van vorm, gracieus in hun bewegingen en in ’t voorjaar vol
leven en dartelheid. Ze draaien om hun wijfjes heen, die wat stiller
van kleur zijn en laten daarbij een alleraardigst gefluit hooren. Je
kunt al zien, wanneer ze gaan fluiten, want dan houden zij ineens hun
hals stil en steken de kop een beetje vooruit. „Wjieuw, wjieuw” klinkt
het dan over de zee en wijd en zijd wordt dat geluid herhaald, door de
vele smientjes, die overal geposteerd zijn.
Nog drukker zijn de brilduikers (135). Die zijn ook al heel in de verte
te herkennen, doordat de mannetjes in den donker gekleurden kop, die nu
eens groen, dan weer violet schittert, een groote vlek hebben tusschen
oog en snavel.
Wanneer deze brilduikers opgetogen raken, dan gaan ze vlug in ’t rond
zwemmen, gooien ineens hun kop ver achterwaarts en buigen die om,
totdat de snavel loodrecht naar boven wijst. Het is de moeite waard,
een gezelschap van een twintigtal brilduikers op deze manier bezig te
zien. De wijfjes liggen doodstil op ’t water en de mannetjes zwemmen in
kringetjes om haar heen en iedere keer dat de een den ander ontmoet,
gaat het wipsnaveltje de hoogte in.
Maar het ergst maken het de zaagbekken. Daarvan komen er in den winter
drie soorten op onze zeeën voor en wel de groote zager, de middelste
zager (134) en de kleine zager, die ook wel nonnetje (133) heet.
Van deze drie wordt de middelste zager het meest bij ons gezien. Hij
heeft een langen, rooden snavel, vol kleine insnijdingen en op zijn kop
een heel wilde kuif.
Die kop is bij de wijfjes bruin, bij de mannetjes blinkend donkergroen,
bij zwart af. Hun rug en vleugelveeren zijn ook mooi zwart-en-wit en de
wijfjes zijn meer grijsachtig.
Deze zaagbekken nu krijgen ook al in Januari de lente in het hoofd en
maken dan de zonderlingste grimassen. Op ’t eerst zou je meenen, dat de
dieren doodelijk benauwd zijn. Ze buigen krampachtig door, het
achterdeel de lucht in, de hals en snavel omhoog en de borst diep in ’t
water, een stand, die ze heel potsierlijk en stijf in drie tempo’s
innemen.
Het zijn alleen de mannetjes, die zich zoo aanstellen, de wijfjes, die
aan haar bruine kuiven te herkennen zijn, zwemmen maar een beetje heen
en weer en bijten van tijd tot tijd naar elkander of naar een mannetje,
dat te dicht in de buurt komt.
De kleine zaagbekken, de nonnetjes, gedragen zich weer veel sierlijker.
De mannetjes zijn spierwit, hier en daar afgezet met smalle, mooi
gebogen lijnen van pikzwart. De schedelveeren zijn lang en kunnen
opgezet worden tot een allersierlijkst kuifje. Daarmee manoevreeren ze
dan ook uit den treure.
Soms ook klinkt een dof en hol „oehoe” over de stille binnenzee. Dat is
afkomstig van de allermerkwaardigste van alle zeeëenden, n.l. van de
beroemde Eidereend (143), die iedereen heeft hooren roemen om zijn
dons. De wijfjes zijn bruin met donkere vlekken, maar de mannetjes zijn
spierwit, pikzwart en rose met een paar olieachtige groene plekken aan
weerszijden van den kop. In sommige jaren komen er nogal veel op de
Zuiderzee en op de Wadden.
In 1906 hebben deze eidereenden geprobeerd, om bij ons op Vlieland te
gaan broeden. Het zou natuurlijk een groot buitenkansje zijn, als er
gaandeweg eens een broedkolonie van een honderd of zoo eidereendparen
op onze Wadden-eilanden ontstonden. Dat zou niet alleen merkwaardig
zijn als gebeurtenis uit het dierenleven en een mooie gelegenheid, om
die prachtige dieren ook eens in hun zomerleven van nabij te bezien,
maar er zou—en zonder schade voor die dieren—nog een aardigen duit te
verdienen zijn met het eiderdons.
Een paar domme Vlielanders echter hebben de eerste nesten verstoord en
zoo zal er vooreerst van al die heerlijkheden wel niets gebeuren.
Op de groote strandvlakten van de Wadden kan het ’s winters ook wemelen
van bergeenden en van ganzen. De bergeenden (141) zijn niet bijzonder
schuw, maar wie de slimme ganzen wil benaderen, moet heel vroeg
opstaan.
Zeer geloofwaardige onderzoekers vertellen, dat die ganzen naar alle
kanten schildwachten uitzetten en dat die schildwachten op bepaalde
tijden en volgens een bepaald cerimonieel worden afgelost. Ik geloof
zulke dingen nooit, voor ik ze zelf gezien heb en ik zal dan ook nog
wel eens het witte hemd moeten aantrekken om ganzenstudiën te gaan
doen.
Zoo worden ze gejaagd ook. De jager kleedt zich geheel in ’t wit en
sluipt zoo over de witte vlakte voort tegen den wind in naar de
ganzentroep. Dan is het nog drie tegen een of hij ze wel onder schot
zal kunnen krijgen.
De wilde gans (139) en de akkergans (140) gaan nogal eens landwaarts in
en kunnen dan enorme schade aanrichten in het winterkoren. De rotganzen
(142) blijven meer aan den zeekant.
Van die rotganzen ging vroeger het sprookje, dat ze aan de boomen
groeiden. Men kende hun nesten en eieren niet en men had ook wel eens
een dier gezien, dat men niet goed begreep, n.l. de eendenmossel: een
schaaldier, dat met vele mooi gekrulde pootjes verborgen zit tusschen
eenige platte schelpen.
Nu leken die pootjes wel wat op veeren en al dadelijk had men ’t
verhaal gereed. De eendenmossels zouden dan groeien aan de takken van
de boomen (ze zitten met steeltjes altijd vast aan rotsen, palen,
schepen e.d.), eindelijk afvallen en in de zee terecht komen, als
wanneer de schelp zich zou openen en het jonge rotgansje frank en vrij
de Oceaan zou inzwemmen.
Het is nogal pleizierig voor ons, dat dit sprookje de wereld uit
geholpen is door de ontdekkingen van onze Hollandsche
Noordpoolvaarders, die ’t geluk hadden honderden rotganzen nestelend
aan te treffen op een eiland in de poolzee. Na een gevaarlijke
klauterpartij bemachtigden ze een aantal eieren, die een heele
versnapering vormden voor de zieken en zoo raakten die dan tegelijk hun
scheurbuik en hun bijgeloof kwijt.
Langs het Noordzeestrand is het ’s winters veel stiller dan op de
Zuiderzee, de Wadden en de Zeeuwsche stroomen.
Behalve meeuwen en scholeksters zwerven er hoofdzakelijk troepen rond
van strandloopertjes, klein vlug goedje, dat met ongeloofelijke
snelheid voor je uit blijft trippelen, mijlen ver. Eindelijk wordt het
hun te bar en dan vliegt de heele bende tegelijk op en vlak langs de
toppen van de golven scheeren ze dan in een groote bocht terug naar hun
punt van uitgang.
Ze hebben alle spitse vleugeltjes met een of meer witte streepen en ook
hun rug en staart worden meestal zichtbaar als groote witte vlekken.
Kunt ge ze dicht genoeg naderen, dan slaagt ge er misschien in de soort
zelf te onderscheiden. De kanoet-strandlooper (13) is nog wel de
grootste van het gezelschap. Zijn naam herinnert aan den grooten
Deenschen koning, van wien verteld wordt, dat hij eens aan zee zijn
hovelingen zoo aardig hun vleierij heeft trachten af te leeren door hun
te laten zien, hoe de mensch machteloos staat tegenover het geweld van
de zee.
Je vindt ’t verhaal in vele leesboekjes en themaboeken. De koning ging
aan ’t strand zitten, terwijl de vloed opkwam en gebood de golven terug
te gaan. Maar hij moest zelf wel stukje voor stukje terugwijken.
Zoo gaat het met die vogeltjes ook. Ze loopen altijd vlak langs de
waterlijn en als er dan eens een golf wat plotseling komt opzetten, dan
moeten ze razend snel uitwijken om niet te worden meegesleept. Om een
paar natte beenen geven ze anders niet zoo heel erg.
De andere strandloopertjes zijn meestal bonte strandloopers (15) en
drieteenige strandloopers (16).
De zilvermeeuwen en de bonte kraaien zijn onophoudelijk bezig met het
opzoeken van de grootste schelpdieren. Ze dragen die landwaarts in op
de duinen, breken daar de schelp open, halen het weekdier er uit en
laten dan de schalen liggen. Wel een half uur ver van de zee vindt je
nog wel van die schelpen.
Soms zie je tusschen de meeuwen een donker gekleurde vogel rondvliegen,
kleiner dan de bruine, jonge zilvermeeuwen of mantelmeeuwen en met een
tamelijk lange, puntige staart. Als bij het begin van de eb de
zilvermeeuwen een meter of vijftig buiten de kust aan het visschen
zijn, dan voegt hij zich graag bij hen en de stumpers of domkoppen
denken er niet aan, om hem met vereende krachten te verjagen.
Zoodra een zilvermeeuw een vischje uit de zee heeft opgepikt komt de
donkere vogel op hem af, en jaagt hem na, hoog en laag, links en
rechts, totdat de arme geplaagde visscher van angst en zenuwachtigheid
niet meer weet, wat hij doet en het blinkende vischje laat glippen.
Bliksemsnel schiet nu de jager—zoo heet die donkere vogel—het vallend
vischje na en voor het ’t water kan bereiken, heeft hij het te pakken
en gulzig slikt hij het in om dadelijk weer naar nieuwe slachtoffers
uit te zien.
Hij maakt zich zoodoende meester van de voortbrengselen van den arbeid
der meeuwen. Maar ge moet ze niet al te veel beklagen want onderling
belagen en bestelen zij elkander ook den heelen dag. Als je even
nadenkt, zul je ook inzien dat stelen bij de dieren toch nog altijd
heel iets anders is dan bij de menschen, lang zoo erg niet.
In de duinen zelf komen in den loop van den winter allerlei
merkwaardige roofvogels: slechtvalken, buizerden (119), zeearenden
(118) en soms een enkele vischarend (117) of een sneeuwuil (120). Ook
wel de groote klapekster (116) die zooveel op een roover lijkt en toch
eigenlijk een zangvogel is.
De jagers loeren altijd op die vogels, ten eerste omdat zij ze voor
schadelijk houden en ten tweede om de aardigheid van een zeldzaam dier
te schieten.
Ik voor mij vind, dat ze daar ongelijk aan hebben. Het is nog zeer de
vraag, of die roofvogels wel zoo schadelijk zijn, en al waren ze het,
dan zijn er altijd toch nog zoo weinig, dat de schade, die ze zouden
aanrichten niet van veel beteekenis kan wezen.
En een dier schieten, omdat het zeldzaam is, dat lijkt me ook heel
vreemd toe. We moeten toch die zeldzame gasten wat vriendelijker
ontvangen, blij zijn, dat ze hier komen. Ze natuurlijk zoo goed
mogelijk waarnemen en hopen dat ze een volgend jaar zich nog weer eens
en dan in grooter aantal zullen vertoonen. Meestal loopt die schieterij
er op uit, dat de arme vogel na zijn dood nog heel leelijk en gebrekkig
wordt opgezet en als dat opgezette monster dan na een paar jaar door
mot en schimmel is bedorven, dan gaat het ’t vullesvat in.
Treft ge het eens, dat in uw omgeving een werkelijk zeldzame vogel
wordt geschoten, tracht dan ten minste te bewerken, dat hij wordt
opgestuurd naar Artis te Amsterdam of naar het Museum voor Natuurlijke
Historie te Leiden, dan heeft de wetenschap er nog iets aan.
Als ik weet, dat er arenden in ’t duin zijn, ga ik er ook alle dagen op
uit, om ze te zien te krijgen. Al heel gauw vind ik de sporen van hun
werkzaamheid door op de bonte kraaien te letten. Waar die in troepjes
opvliegen, midden in ’t duin, ligt vast en zeker het een of ander
cadaver: een half afgekloven fazant, konijn of haas, door de trotsche
roovers achtergelaten, wanneer het grijs-met-zwarte gespuis het hun al
te lastig maakt met hun opdringerigheid.
Dan zie ik ook gauw de vogels zelf en ’t is wel de moeite waard, er in
de barre winterkou een paar uren voor te loopen, duin op en duin af.
Daar gaan ze: groote donkere gestalten, met een vlucht anderhalf of
tweemaal zoo groot als die van den reiger.
Waar komen zij vandaan? Hun nest, hun horst heeft gelegen op de rotsen
van Scandinavië of IJsland. Over zee zijn ze hierheen gekomen. Ze
houden zich hier een paar dagen op en gaan dan weer verder.
Zie, hoe ze tegen den Oostenwind invliegen. Nu slaan ze niet meer uit,
ze houden de vleugels strak uitgespreid, zoodat de slagpennen van de
hand als vingers uiteenstaan en nu zweven ze rond in wijde kringen, al
hooger en hooger, totdat ze heel Nederland kunnen overzien van de Eems
tot de Schelde. De beweging schijnt hun geen inspanning te kosten, en
langzaam dalen ze ook weer neer in de stille duinvallei.
De jager heeft ze van verre gezien, toen ze daar zweefden in de hoogte.
Haastig heeft hij het zware geweer gegrepen, dat voor dergelijke
gelegenheden kant en klaar boven de deur hangt: een echt zwaar roer,
dat naar zijn zeggen met reeposten raak schiet op honderd meter.
Hij stapt het duin in en ik wandel een eindje mee, hem vertellend van
de prachtige dieren en zeggend, hoe zonde het is om ze te dooden. Maar
hij houdt vol, dat ’t zijn plicht is en dat zijn heer zoo graag een
paar opgezette arenden wil hebben. Ook verlangt hij zelf naar het mooie
schot en ten slotte keer ik bedrukt huiswaarts.
Maar als ik een paar dagen later in ’t duin weer een versch afgekloven
fazantje vind en de jager mij vraagt, of ik de arenden soms ook gezien
heb, dan ben ik weer gelukkig en tevreden. Hij heeft ze niet kunnen
raken.