HET EINDE VAN DEN WINTER.

Onze winter heeft niet veel te beduiden. Soms wordt het jaren achtereen

niet eens winter en groeien de plantjes, die in October of November

ontkiemen onafgebroken voort, totdat ze in Januari of Februari bloeien

en vrucht dragen.

In den regel echter hebben we in ’t begin van Januari een paar

vorstweken en die kunnen dan wel maken, dat de natuur buiten een ander

uiterlijk krijgt. Het gras, dat eerst nog groen zag, wordt nu geheel

uitgebleekt, de weilanden worden grauw. De rozetten van de tweejarige

planten zooals toorts (104), Sint Teunisbloem (107) en kaarde, die

eerst met hun wijd uitgespreide bladeren den grond bedekten, worden

door de vorst wat ingekort, doordat de buitenste bladeren afsterven.

Wat er van die rozetten overblijft, wordt door de samentrekking van de

wortel diep in den grond gehaald, zoodat het hart, waar de fijne

groeiende deelen zitten, nauwelijks boven de aarde komt en gehuld is in

de nog overgebleven bladeren.

Zoo gaat het ook met de rozetten van reigersbek en ooievaarsbek, van

hondstong, stinkende gouwe, look zonder look. Ze staan alle klaar om te

gaan groeien, schieten in elke dooiweek een klein eindje op, zonder

zich al te veel bloot te geven, want nog in Maart kunnen we dagen

achtereen van vorst hebben.

Ik houd er veel van, om goed op al die dingen te letten en iederen keer

als ’t na een paar dagen van vorst weer gaat dooien op te merken, dat

we langzaam maar zeker weer wat zijn opgeschoten.

En let er eens op, wat de afwisseling van warmte en kou, van duisteren

hemel en stralende zon een invloed heeft op de kleur van de bladeren.

Die veilig en wel staan onder dekking van dicht kreupelhout blijven

groen, maar die op de open vlakte hun strijd om ’t bestaan vechten,

worden bont en blauw en vuurrood van de inspanning. De Sint Teunisbloem

kleurt ’t meest op zijn nerven, maar de ooievaarsbek en de reigersbek

worden heelemaal rood, terwijl de klimop zijn donkergroen met paars

versterkt.

Niet alleen de bladeren, maar ook de takken en knoppen doen aan dat

kleurenspel en dat maakt in Februari en Maart vooral de platanen,

linden (131), berken en beuken (100) dubbel de moeite waard, om ze eens

te bekijken.

De klimop bloeide nog met Kerstmis. Toen kwam de vorst en nu worden bij

iedere temperatuurwisseling de klimopbessen telkens wat grooter en wat

donkerder van tint, totdat ze in Februari en Maart rijp zijn en als

laatste wintervoedsel verschijnen op den disch van lijsters, spreeuwen

en waterhoentjes.

Geen wonder, dat je bij al dat langzame veranderen en vorderen ten

slotte wat ongeduldig wordt en dat je hoe langer hoe meer verlangt naar

’t bloeien van de vroege heesters, het ontluiken van het jonge groen.

Welnu, daar is wel raad op. We snijden, wanneer het al eenigen tijd

goed heeft gevroren, wat takken af van allerlei heesters en boomen:

hazelaar, els, berk (129), sering (130), ribes (132), linde (131),

eschdoorn (128), kastanje (127), kers, pruimen en wat je maar wilt.

Die zetten we thuis in gewoon water. Je kunt er een enkel kruimeltje

zout in doen, maar beslist noodig is dat niet. Wel is het zaak, het

uiteinde van de takken onder water af te snijden, opdat de sapkanalen

niet verschrompelen of verstopt raken met lucht.

Herhaal dat afsnijden telkens om de dag of tien. Zet die takken ook

niet op een al te warme of te droge plaats en ge zult na weinig dagen

een voorsmaakje kunnen hebben van de naderende lente.

Vergeet vooral niet, de dingen terdege aan te kijken en wanneer je niet

al te lui of te kleinmoedig bent, probeer dan die takken op

verschillende tijden na te teekenen; eerst met de knoppen nog geheel

dicht, dan als ze wat uitschuiven en eindelijk wanneer ze geheel

ontloken zijn.

Zeg vooral niet, dat je niet kunt teekenen. Ieder gewoon mensch kan

teekenen, net zoo goed als praten en loopen, al is het dan ook niet

altijd even voortreffelijk. Je behoeft ook niet te teekenen voor

anderen, maar alleen voor jezelf, alleen om het genoegen te hebben van

de mooie dingen goed tot in bijzonderheden te zien.

Let er eens op, hoe zoo’n tak aardig is opgebouwd, telkens van knop tot

knop een bepaald stukje, dat zijn eigen richting heeft. De knoppen

komen maar niet zoo botweg uit den tak, doch zitten op een kussentje en

daaraan is weer het lidteeken te zien, van ’t blad dat in den herfst is

afgevallen.

Van afstand tot afstand zitten er ruwe kringetjes om de takken, dat

zijn de lidteekens van afgevallen knopschubben en bij ons beteekent

zoo’n ring meteen de grens van den jaargroei. Daardoor kun je van de

meeste takken tot jaren geleden hun geschiedenis nagaan en opsporen of

het jaar 1899 of 1902 voordeelig of nadeelig is geweest.

Bij kastanjetakken is dat allemaal heel mooi te zien en daar vind je

ook makkelijk de stippelvormige ademhalingsopeningen in de schors, die

alweer bij iedere verschillende boomschors verschillend zijn.

Sommige boomen en heesters hebben geen knopschubben. Kijk maar eens

naar de windende kamperfoelie, de wollige sneeuwbal en de Caucasische

vleugelnoot. Hoe die er in slagen den winter door te komen, zonder dat

de jonge spruit door de droogte van den koude Oostenwind verschrompelt,

lijkt een raadsel, vooral bij de kamperfoelie. De sneeuwbal en de

vleugelnoot hebben tenminste nog bruine schubhaartjes op de bladeren

zitten, die ze eenigszins beschutten.

Maar als je nagaat, dat er kleine sappige plantjes zijn, die weken lang

stijf bevroren kunnen staan bij een temperatuur van twintig graden

onder nul en bij ’t invallen van den dooi weer gaan bloeien, alsof er

niets gebeurd was, dan begin je te begrijpen dat koude en droogte voor

vele planten iets heel anders zijn dan voor ons.

Einde Januari is de kamperfoelie al heelemaal groen en de stekelbrem

(122) zit vol goud, nog voordat de sneeuwklokjes en de hazelaars

bloeien. Als we een beetje te rade gaan met den boomkweeker en den

bloemist, dan kunnen we omstreeks dien tijd al heel wat kleur en geur

in den tuin hebben.

Begin maar met te planten een paar peperboompjes (37). Die bloeien op

’t hout met prachtige roode en witte bloempjes, zoo overvloedig in

aantal dat de takken geheel in de bloemen verscholen gaan. Ze

verspreiden een heerlijke geur en behoorde in alle tuinen en

plantsoenen te worden gekweekt.

Ongelukkig is er een „maar”, die bij de voorzichtige Hollanders veel

verschrikking met zich brengt: het plantje is vergiftig! Het krijgt in

Juni en Juli prachtige roode bessen, zacht van kleur, haast net ’t

mooie rood van Taxusbessen, je zoudt er zoo in bijten. Ik ken ook wel

een jongen, die dat gedaan heeft en die heeft toen verder den heelen

dag zich bezig gehouden met zijn mond te spoelen om de ellendig

stekende smaak weg te krijgen.

Ge ziet dus, dat ook hier de kwaal het middel met zich brengt. Het

heestertje is vergiftig, maar niemand kan er een hoeveelheid van eten,

die schadelijk werkt, doordat de smaak onmiddelijk afschrikt. Ik zou er

daarom nooit tegen opzien, om dat pracht-heestertje te planten.

Dan moet ik u er nog een paar aanraden: de vleeschkleurige heideplant

(36) en de Japansche hazelaar.

De vleeschkleurige heideplant is afkomstig uit Zuid-Europa en uit de

Alpen, waar hij in de zomer bloeit dicht bij de sneeuw. Als deze plant

eenmaal goed wortel heeft geslagen, dan verblijdt hij u iederen

nawinter met rijke trossen van mooie ericabloesems.

De Japansche hazelaar is eigenlijk geen hazelaar, want hij bloeit niet

met katjes, maar met bijzonder mooie bloemen, bloemen, zooals je ze nog

nooit gezien hebt, met heel lange en smalle goudgele kroonblaadjes en

heel bijzonder gevormde paarse meeldraden, waarvan de helmknoppen op

een ongewone manier openspringen.

De wetenschappelijke naam van deze heester is Hamamelis Japonica (32).

Er is ook een Amerikaansche soort, die heet Hamamelis virginica. Deze

bloeit met minder mooie bloemen in den herfst maar krijgt dan ook weer

vruchten, die met een knal uit elkaar springen en daardoor weer

merkwaardig is. Wanneer dus uw boomkweeker in plaats van de bestelde

Hamamelis Japonica een Hamamelis virginica in uw tuin zet (zulke

vergissingen komen voor) dan is dat niet zoo heel erg, want je krijgt

toch waar voor je geld.

Er zijn nog wel andere winterbloeiers onder de tuinheesters, maar ik

ben met deze voorloopig al tevreden. Ook moeten we vooral niet

vergeten, dat we Hollanders zijn en dat we het heengaan van den winter

vooral moeten bestudeeren aan onze eigen planten: aan ’t madeliefje,

dat weer gaat bloeien, het voorjaarsvroegelingetje, dat witte plekjes

maakt op ’t zand, de sneeuwklokjes, die bungelen op zonnige hellingen,

onder de stuivende hazelaars, de crocusjes, die iederen dag hun neusje

verder boven den grond steken, het kleine, eenjarige beemdgras, dat

bloeit tusschen de straatsteenen, het klein-hoefblad dat proppen van

bruine bloemknoppen uit den grond boort en straks zijn zonnetje zal

doen stralen, als de lucht onbewolkt is.

Men spreekt wel van wintervlagen, maar in Januari en Februari kunnen we

ook lentevlagen bespeuren. Als de zuidwestenwind goed doorzet, dan

waait hij stootsgewijs, nu bulderend, dan suizend en telkens als hij

een paar dagen den baas heeft gespeeld is de winter een stuk

teruggedrongen.

Dan komen in de graslanden langs de zee de eerste vluchten leeuweriken.

Groote troepen wilde ganzen trekken her en der in lange lijnen of in

den vorm van een V. Als je te veel naar de plantjes kijkt, dan zie je

ze niet of ze moeten elkander druk aanroepen, wat wel eens gebeurt, als

ze het niet eens kunnen worden over de richting.

Ik zoek het altijd maar in de hoogte en zorg er voor, dat ik in

Februari bij zonsondergang zoo dikwijls mogelijk op een hoogen duintop

sta, niet te ver van de zee. En als ik dan het geluk heb, een bende

groote wilde zwanen (144) roepend en trompetterend naar ’t Noorden te

zien trekken, dan is ’t mij, alsof daar een deel van de witte

wintervracht heentrekt en de Lente nu wel haar intocht kan doen.

Winter(#76866) · 第 8 / 10 题