Het begint altijd te dooien, als je op zijn allerprettigst aan ’t
schaatsenrijden bent. Dat is nu geen plagerij van ’t noodlot, maar
iets, dat van zelf spreekt, want juist dat prettige van die bijzonder
aangename schaatsenrijderij kwam er vandaan, dat er dooi in de lucht
zat.
Dit lijkt u nu misschien niet bijzonder duidelijk, maar dat komt wel
terecht. Ik wensch u nog vele lekkere winters toe en zoo zult ge dan
wel gelegenheid vinden, om te begrijpen, wat ik bedoel en te beseffen,
dat ik gelijk heb.
Niemand vindt ’t prettig, als het heel lang achtereen hard vriest. De
„evergreens” in den tuin gaan er dan ook treurig uitzien. De thujopsis,
de thuja en de cypres worden bleek van kleur, vooral de thuja, en de
aucuba (47) en de laurierkers laten hun bladeren recht omlaag hangen,
stijf tegen de takken aan, zoodat het lijkt, alsof ze er nooit weer
bovenop zullen komen. De varens zijn ineengeschrompeld tot kleine
knoedeltjes groen en van de mossen is haast niets meer te zien.
En als ’t nu gaat dooien, ja zelfs even voordat de thermometer nul
wijst, gaan die aucuba- en laurierbladeren overeind en de struiken zien
er uit, alsof het nooit gevroren had. De varens (94) ontvouwen hun
geschrompelde veeren en ’t moskleed is weer frisch en groen.
Er is een ontspanning gekomen in al die planten en, geloof mij gerust,
ook een ontspanning bij ons. Het is nu wel jammer, dat die groote tocht
van morgen niet doorgaat, maar daar staat tegenover, dat we nu weer in
de bosschen kunnen dwalen en zonder vrees voor bevroren ooren of een
stijven nek eens kunnen stilstaan en uitkijken.
Hoe zacht is nu het mos onder de voeten. Als ’t vriest, dan kraakt en
brokkelt het af en ’s zomers is het ook een broze massa, maar nu merk
je, dat ’t een echte levende plant is en kunnen we het eens goed
bekijken.
Deze grijze takachtige fijne massa’s heeten rendiermos. Bekijk je dat
met een loupe dan zie je, dat ’t bestaat uit een zijdeachtig witte
massa met allemaal grijsgroene eilandjes erin. En nu moest ik weer
eventjes vervelend worden.
Je kent wel de geschiedenis van den lamme en den blinde. Die moesten
beide ergens heen, maar konden hun doel niet bereiken, de een omdat hij
niet zien, de ander omdat hij niet gaan kon. Toen heeft de blinde den
lamme op den rug genomen, deze keek goed uit en commandeerde maar
rechts of links en zoo kwamen beiden zonder ongevallen waar ze moesten
wezen.
Nu gebeurt er met dat rendiermos iets dergelijks. Evenals alles wat
leeft, moeten de planten zich voeden. Zij hebben daarvoor noodig
koolzuur uit de lucht en in water opgeloste stoffen uit den bodem en
dan maken ze daaruit in hun groene cellen alles wat ze noodig hebben.
Een witte schimmeldraad kan dus niet goed voor zijn eigen voeding
zorgen omdat hij niet groen is en een groen wortelloos wierplantje ook
niet, omdat het maar heel moeilijk water uit den bodem kan opnemen.
Maar als ze een verbond met elkander aangaan, dan is alles in orde. De
schimmeldraden zuigen oplossingen zelfs uit den dorsten rotsgrond, de
wierplantjes zorgen voor ’t koolzuur en voor de bewerking en nu kunnen
die twee hulpeloozen niet alleen zich redden, maar zelfs groeien op
plaatsen waar een normale enkele plant nooit zou kunnen gedijen.
Het rendiermos is dus geen enkele plant, maar een verzameling van een
schimmelmassa met vele kleine wierplantjes. Elk groen eilandje dat ge
met de loupe in de schimmelmassa waarneemt is een kolonie van vele,
kleine, ronde wierbolletjes.
Ditzelfde rendiermos groeit nu tot ver in ’t hooge Noorden en bedekt
daar uitgestrekte vlakten, waar het tot voedsel strekt voor het
rendier. Het is bijna onverdelgbaar, want het doorstaat de felste kou
en de grootste droogte zonder nadeel. ’t Is alsof het dan gedurende den
ongunstigen tijd eenvoudig een poosje ophoudt met te leven om in betere
omstandigheden weer opnieuw te beginnen.
We kunnen nog honderden soorten van die korstmossen vinden. Ze zijn
heel gemakkelijk te drogen, eigenlijk nog gemakkelijker dan gewone
planten. Wel schrompelen ze wat in, maar als je ze weer mooi wilt
hebben, om ze te bekijken of na te teekenen, dan behoef je ze maar even
nat te maken en ze worden weer haast net zoo frisch als toen ze buiten
groeiden. Dat kan je met gewone planten niet eens doen.
Ik wil u er nog wel een paar wijzen. Op den heigrond, maar vooral in de
duinen vindt ge vaak groote groenachtig bruine of bijna zwarte
leerachtige massa’s; aan hun randen met krullen en insnijdingen, die
aan de onderzijde spierwit, maar aan de opstaande inkrullingen
lichtbruin kunnen zijn en dan is dat „leermos” (93) werkelijk een
prachtig geheel van mooie kleuren. De wierbolletjes zijn hier niet tot
groepen vereenigd maar vormen een samenhangende laag, dicht onder de
oppervlakte.
Nog mooier korstmossen zijn de bekermossen (96), aardige grauwe
bekertjes, trechtertjes en trompetjes, die soms bij honderden staan
geschaard op den bodem van bosch en duin of heide. Je vindt ze in
allerlei grootten, al naar hun leeftijd, bij de oudsten raken de randen
van den beker vaak uitgespreid en ingesneden en dan zijn ze weer mooi
op een andere manier.
Maar ’t mooiste zijn ze, wanneer zich op de randen kleine donkergroene
of helder lakroode knobbeltjes vertoonen. Die steken soms op ranke
steeltjes omhoog, het doet mij altijd veel genoegen, als ik ze zie.
Deze knopjes bestaan uit ontelbare kleine buisjes en daaruit komen
kleine korreltjes, sporen, waaruit zich weer nieuwe schimmeldraden
zullen ontwikkelen.
Als je eenmaal op die korstmossen let, dan vind je ze overal. De
stammen van eiken en populieren zijn er soms geheel mee overdekt.
Sommige, zooals het boomkorstmos (92) liggen plat op den boomschors,
eng er mee verbonden, andere, zooals het bijzonder algemeene gewone
schorsmos (101) zitten met een steeltje aan de schors vast en hangen
verder in lappen en linten er bij neer. Het takjesmos (98) kleedt
sierlijk zoowel doode als levende takjes.
Wanneer ge mij eens een persoonlijk plezier wilt doen, kijk dan ook
eens uit naar het baardmos. Dat groeit in fijne draden op boomstammen
en takken. In Zwitserland heb ik wel gezien dat heel hooge sparreboomen
er geheel door werden overdekt als met een groengrijze, zijden
draadsluier.
Bij ons komt het maar weinig voor en slechts zeer zelden maakt het van
die aardige platte plaatjes, zoo groot als een zilveren stuivertje, en
rondom weer met franje bezet. Dit zijn weer de sporendragers. Bij de
meeste korstmossen, dat hebt ge al wel opgemerkt, zijn die
sporendragers kleine schoteltjes, die in ’t midden van de
korstmosschijf bijeen staan.
Dat is een heele verhandeling geworden over die korstmossen. Alleen
moet ik er nog bijvoegen, dat de korstmossen eigenlijk geen mossen
zijn. Wel is waar heb ik dat al wel verteld, maar een mensch kan in
deze dingen nooit al te precies zijn. Een korstmos is dus geen mos,
maar een samenleving van een schimmelmassa met wiertjes.
De echte mossen zijn volledige planten, die tamelijk wel zonder vreemde
hulp in hun onderhoud kunnen voorzien, doordat ze groene blaadjes
hebben en zichzelf van water kunnen voorzien. Zulke echte mossen zijn:
het slaapmos, dat wijd en zijd den grond bedekt van ’t dennebosch, het
veenmos en ’t haarmos (97), die veel op natte plekken groeien, het
boompjesmos en ’t knikmos (95), die nooit ontbreken in ’t eikenhakhout,
waar ook de dichte kussens groeien van de gaffeltand. Ook bolvormige
grijsgroene kussens, die vooral in beukenbosschen te vinden zijn. Die
kent ge wel de half noemen wij wit-kussenmos. Later zullen wij daarnaar
nog wel eens kijken, maar Januari is daarvoor niet de rechte tijd.
In ’t eikenstruweel, langs den boschrand en in de hagen staan nu
geelgrijs nog honderden en honderden gestorven vruchtstengels van
allerlei planten: mooie vertakte stengels van de koekoeksbloem (108)
met doosjes met getanden rand, die nog enkele dikke, zwarte zaden
bevatten. Als ’t hard waait, worden die ver weggeslingerd. De
lookraketstengels staan wel een meter hoog, de hauwen hebben hun
kleppen verloren, maar aan ’t vliezig tusschenschot kleven nog enkele
zaden. Wie goed zoekt kan tusschen die hauwen, vlak tegen den stengel,
de pop vinden van de oranje-tipvlinder, maar je moet scherp uitkijken,
want ’t droge, kantige ding heeft precies dezelfde kleur als de
lookraketstengel.
Het kleefkruid is hoog opgeschoten tusschen de elzestruiken, heelemaal
dood, bleekgrijs, doch zie eens hoe prachtig mooi de bolletjesparen van
de vruchten de dorre stengelmassa opsieren. Van engelwortel, bereklauw,
pastinaak en doornzaad zijn mooie, paraplu-achtige schermen te zien,
hondstong (103) heeft nog mooie vruchtjes en van gras wuiven nog
allerlei pluimen, maar alles verdord en verdroogd en in den regel
onopgemerkt.
En komt nu de rijp, dan worden al die mooie vormen en lijntjes
aangedikt met spierwit en dan kan het niet anders, of elkeen moet ze
zien en bewonderen. Ja, dat is eigenlijk het mooie van de rijp, dat hij
al het schoon van boomtakken, van knoppen en winterkruid duidelijker
maakt, zoodat ieder het zien moet. Doch ook zonder rijp is al dat moois
aanwezig, denk daar eens om.
We moeten nu weer eens doorstappen; ik wil nog een paar dingen
opzoeken. In den Herfst hebben we gekeken naar de gallen, die liggen nu
bij duizenden met de dorre eikeblaren op den grond. Rapen we er een
paar op, dan merken we, dat ze een klein rond gaatje op zij hebben; de
bewoner is er uit. Zoek nu alle eiketakken en eikeknoppen af, of ge
daar soms een diertje op vindt. Jawel hoor, een klein groenachtig
donkergrijs, bijna zwart galwespje (113) zit onbeweeglijk op een
eikeknop.
Als wij probeeren het te grijpen, dan vliegt het niet eens weg. Dat is
geen wonder, want het is bezig met het leggen van eieren en het heeft
nu zijn legboor heengedrongen tusschen de knopschubben door, om
binnenin de knop het eitje te leggen op de teere blaadjes of de nog
nauwelijks zichtbare katjes. Daarna gaan zij dood.
Het is, alsof er in Januari terstond na den eersten dooi al werking in
de knoppen komt. Aan bijna alle boomen worden ze dan iets grooter en
voller, iets rijker van kleur.
Van al onze inlandsche boomen heeft de els (102) wel de mooiste
knoppen. Ze zijn heel fijn pruimkleurig, soms bijna lichtblauw en ze
zitten op steeltjes een eindje van het takje af, zoodat ze sterk in ’t
oog vallen. De takken zelf zijn soms ook blauwachtig, een andermaal
warm bruin en ze zitten vol met kleine witte ademhalingsopeningetjes.
Dan zijn er nog de bijna zwarte, houtige vruchtkatjes, de zoogenaamde
elzenproppen en mooie bruine of blauwe katjes, die in de vroege lente
zullen opengaan en dat alles maakt de els in den winter tot een van
onze allermooiste heesters.
Ik zoek ze altijd op, langs den slootkant en in het moeras, niet
alleen, om al dat moois te bewonderen, maar ook in de hoop er van mijn
wintervriendjes te treffen. Er zijn in ’t bosch en in de velden altijd
nog een menigte vogels, die de voederplaats bij ’t huis nooit bezoeken.
Het komt er maar op aan, een poosje stil te staan aan een elzenkant of
in een sparrebosch. Dat kun je, mits gewoon goed aangekleed, altijd
gerust doen, zelfs als ’t vriest en als er twee voet sneeuw ligt, want
’t is tusschen die boomen altijd luw en stil en daar raak je je
natuurlijke warmte niet zoo spoedig kwijt.
Wie in de natuur iets van dieren wil zien, moet dikwijls en lang stil
staan; daar is nu eenmaal niets aan te doen. De meeste dieren vinden
ons gevaarlijke, groote onbegrijpelijke wezens en vooral hebben ze het
niet begrepen op onze armen, die schijnbaar zonder doel of nut langs
ons lijf bungelen en dikwijls opeens dood en verderf kunnen
verspreiden.
Alles gaat dan ook op de vlucht, zoodra een mensch nadert en alleen
wanneer wij erin slagen dat wantrouwen te overwinnen en vertrouwen in
te boezemen, willen ze wel wat dichter bij ons komen en misschien nader
kennismaken.
Ziezoo, nu staan we nog geen drie minuten stil onder onze elzen, of
daar begint het in de toppen al levendig te worden. Kleine grijze
vogeltjes duikelen om de takjes heen en scharrelen met het scherpe
puntje van hun vrij dik snaveltje in de zwarte elzenproppen.
Wat ze daar halen, is gemakkelijk te zien. Soms laten ze bij ongeluk
een korreltje vallen en nu zien we ook, dat de grond vol ligt van
bruinroode kleine elzevruchtjes, het hoofdvoedsel van de sijsjes (69)
in den winter. Want nu ze nader komen, zien we dat we met sijsjes te
doen hebben.
In de verte lijken de meeste vogels grijs, maar als ze dichter bij
komen, dan blijken ze allemaal kleuren te bezitten, die ’t bekijken
dubbel waard zijn. Wat hebben die sijsjes een aardige groene tint, hoe
mooi gestreept is de onderzijde en vooral, wat hebben de mannetjes een
prachtig zwart kapje op.
Je zoudt ze voor meesjes kunnen houden, zoo vlug en handig bewegen ze
zich in de takken. Maar onthoud dit: de meesjes hebben altijd witte
wangen, een sijsje nooit.
Sta nog even stil, ik hoor wat: een slierend trillend geluid,
vogeltjes, die elkaar toeroepen, ze zullen ook wel in de elzen komen.
Daar zijn ze al, die hebben witte wangen, hun lichaam is wit en zwart
met wat rose en ’t meest valt in ’t oog de lange staart, die wel langer
is dan de rest van ’t lichaam. Dit zijn de staartmeesjes (66). Als
pijltjes schieten ze door de lucht en als ze om de takken draaien, dan
beschrijft hun lange staart een kring van belang.
En nu is het opeens rondom ons vol leven. Die staartmeesjes vormden de
voorhoede van een heele troep, die ons aan alle zijden omgeeft. Je ziet
ze niet aankomen als een regiment soldaten, maar ze zijn opeens overal.
Rondom ons buitelen de staartmeezen. Op den grond ritselt het in de
dorre bladeren, daar zit het vol van koolmeezen met hun zwarte koppen
en zwarte middenstreep over de gele borst. Pimpelmeesjes blinken blauw
in de witte berkjes.
„Pèh, pèh, pèh” een komiek scherp roepje. Dat is afkomstig van de
zwartkopmees (65); zwarte kop, witte wangen, groengrijs lichaampje,
groote druktemaker en aardige zanger.
Nu zit daar een oogenblikje op een tak vlak bij ons alweer een andere
witwang, niet met bijzonder schitterende kleuren, maar met een prachtig
spits kuifje op den kop, de pientere kuifmees (63). Dadelijk is hij
weer weg, maar een oogenblikje later zitten er weer twee op een ander
takje. Overal in ’t rond is gekletter van klauwtjes tegen de takken,
geruisch van vleugeltjes en gepiep, gemiesper, geroep, getjingel,
geluid van allerlei soort.
Tusschen de koolmeezen op den grond zijn er een paar wat kleiner en die
hebben een heel groote witte vlak in den nek. Ze zoeken vruchtjes van
den grond en gaan die op een takje stuk hameren. Dit zijn de zwarte
meesjes (64).
Je zult zeggen: wat een meesjes! Daar heb je nu: koolmeezen,
pimpelmeezen, staartmeezen, zwartkopmeezen, zwarte meezen en
kuifmeezen. Dat is niet bij te houden!
Nu, ik vind, dat ’t gemakkelijk bij te houden is, als je maar veel
wandelt en goed uit je doppen kijkt. Je krijgt dan zelfs schik in al
die verscheidenheid en je zoudt wel willen, dat er nog meer was.
Er is ook nog meer. Want nu zie ik alweer een paar boomkruipers al
miesperend omhoog kruipen tegen de esschenstammen, winterkoninkjes
huppelen, fladderen en springen tusschen de stronken en daar zit ook op
een dikke tak een boomklever te hameren.
Denk nu niet, dat ik dit nu maar zoo allemaal uit mijn mouw schud, om
eens in ’t kort vele wintervogeltjes op te noemen. Iederen winter zie
ik dergelijke troepen en een enkele maal zijn er ook wel groote bonte
spechten bij, al gedragen zich die dan ook nooit als aanvoerders.
In veel boeken staat, dat die troepen aangevoerd worden door een
specht, maar dat is toch eigenlijk niet waar. Die vogels zijn bij
elkander, doordat ze alle op dezelfde plaatsen hun voedsel zoeken. ’t
Is ook heel voordeelig voor hen, om zoo gezamenlijk erop uit te gaan,
want als er een een boom of struik ontdekt vol voorraad, dan merken de
anderen aan zijn uitbundigheid al gauw, dat daar wat te halen valt en
ineens zit de boom dan vol van allerlei gasten.
Kijk, nu wordt het al langzamerhand stiller om ons heen, weldra is er
geen enkel vogeltje meer te zien en ’t getjingel en geritsel verdwijnt
langzamerhand in de verte. Nu is hier voorloopig niets meer aan de
hand, daarom gaan we nu nog maar wat hoogerop, de sparren in.
Heel graag zou ik u nu wel een zeldzame wintergast willen laten zien:
een notekraker (115) of een pestvogel (73), maar dat is altijd een
geweldig buitenkansje.
Om die te zien, zou je altijd buiten moeten zijn, of vrienden moeten
hebben, die den heelen dag werken in de bosschen en die je dan
onmiddellijk waarschuwen, als er wat bijzonders aan de hand is.
Op deze manier heb ik eens een pestvogel gekregen en een poosje in een
kooi gehouden. Over ’t algemeen houd ik niet van vogels in kooien of
volières, ik geef er de voorkeur aan, om ze in de vrije natuur te gaan
bekijken. Maar ’s winters is een volière nog zoo kwaad niet, vooral
wanneer het erop aankomt, om zeldzame vogels van nabij te bestudeeren.
Die pestvogel heeft zijn akeligen naam te danken aan een oud bijgeloof.
Men meende inderdaad in zijn verschijning een voorbode te zien van de
gevreesde ziekte: de pest heerschte ongeregeld en hevig, de vogel
verscheen ongeregeld en dan soms in groote getale en dat was voor onze
over-overgrootmoeders al een reden om verband tusschen die dingen te
zien.
De pestvogel is inderdaad een allerliefst, buitengewoon mooi dier. Zijn
prachtige kuif, de teere kleuren van zijn romp en vooral de vreemde
lakroode aanhangsels aan zijn pennen maken hem tot een van de meest
ongewone verschijningen in de vogelwereld. Zijn leefwijze lijkt ’t
meest op die van de lijsters, ik heb heel wat te doen gehad om mijn
beest den heelen winter door behoorlijk te voorzien van lijsterbessen,
meidoornbessen, vruchten van geldersche roos en lijstervoer. Hij was
bijzonder mak en liet van tijd tot tijd een prachtig glashelder geluid
hooren.
In sommige jaren komt ook de notekraker bij groote troepen:
kraaiachtige vogels, zoo groot als een kerkkauwtje, maar ze hebben aan
elke zwarte veer een groote witte eindvlek, wat ze wel een beetje een
in-de-rouw-achtig uiterlijk geeft. Ze hooren thuis in Siberië en in de
berglanden van Midden-Europa, waar ze voornamelijk leven van de dikke
zaden van de arve-den. Maar we moeten aan zulke zeldzaamheden niet al
te veel denken. Ik ben nu al blij, dat ik u boven in de sparren een
troepje kruisbekken (67 en 68) kan wijzen, die daar bezig zijn, de
schubben van de appels uit elkander te wringen teneinde zoodoende de
zaden te bemachtigen.
Sommige leden van de troep zijn groen, andere rood en alle hebben ze
hooge platte kromme snavels, zoo geplaatst, dat de punt van de
ondersnavel rechts of links langs de punt van de bovensnavel
heenglijdt, net als de messen van een schaar.
Rare vogels, soms komen ze in den winter, soms in den zomer, een enkele
maal broeden ze hier en ’t is nooit met zekerheid te zeggen, in welke
maand ze dat doen. Altijd zitten ze in de sparren, zoodat ze zelf
heelemaal harsig worden en ’t verhaal gaat, dat ze, als ze dood zijn,
daardoor niet spoedig tot bederf overgaan. Ik weet niet, of dat wel
waar is.
Behalve kruisbekken zitten er ook een menigte goudhaantjes in deze
sparren. Je hoort ze onophoudelijk en van tijd tot tijd komt er eens
een te voorschijn en laat op den top van den donkeren sparretak zijn
gouden kuifje blinken.
En als ’t nu zoetjes aan avond wordt, dan komen van alle zijden
vogeltjes aan in groepjes van drie of vier, alleen of bij paren. Dat
duurt zoo wel een half uur achtereen en alles verdwijnt in ’t donkere
sparreloof. Dat gaat weer met veel geroep en geschetter, de meesjes
schateren, de winterkoning schettert, het roodborstje tjinkt, de
kneutjes knutteren, de vinken pinken en de zwarte lijsters roepen ’t
luidst en driftigst. Als die eindelijk stil zijn, dan kunt ge ervan
opaan, dat op de sparretakken heele rijen vogels zitten te slapen, het
kopje in de rugveeren en allen knusjes tegen elkaar, om zich te warmen
in den kouden winternacht.