IN IJS EN SNEEUW.

Nu heeft het na een paar neveldagen eerst wat geregend en gesneeuwd met

stormvlagen uit het Noorden, toen is de wind uitgeschoten naar Oost en

voor we goed begrepen, wat er eigenlijk gebeurd was, reden we schaatsen

op de slootjes.

Nog een paar dagen en de ijsbanen werden geopend en eindelijk is de

vaart gestremd en kunnen we ijsvacantie krijgen, om tochtjes te maken.

Het is toch wel heerlijk, dat we gemiddeld per jaar minstens op één

weekje sterk ijs kunnen rekenen, één weekje, waarin de menschen

eindelijk eens behoorlijk wat beweging nemen. Let er eens op, hoe

gezond en vroolijk de meesten nu zijn, alleen van de beweging en de

buitenlucht.

Ik houd vooral van schaatsenrijden, omdat je daardoor komt op allerlei

plekjes, die anders moeilijk of in ’t geheel niet te bereiken zijn:

afgelegen vaarten, stille meren, geheimzinnige moerassen.

En wat is het ijs mooi! Hier wit, ginds zwart met mooie verhoogde

bloemteekeningetjes en aardige plekken en parelsnoeren van

gasbelletjes. Heel dikwijls zijn die bellen vol moerasgas en dan moet

je eens op zoo’n plek een groote spijker door ’t ijs slaan en een

brandende lucifer bij de opening houden. Het gas gaat dan branden met

een lange gele vlam. Op plaatsen waar de gasbellen heel groot zijn,

moet je wat oppassen, want daar breekt het ijs nog al gauw.

Op heel heldere plekken zie je als door een glasruit de planten en de

dieren in het water: groote groene bladeren van de gele plomp, groote

zwarte en geelgerande watertorren, rose bootsmannetjes en allerlei

klein goed, onophoudelijk in beweging en vlak onder de ijslaag

rondzwemmend.

Hak je een bijtje, dan komt alles spoedig daarheen om versche lucht te

halen en kun je vangen, wat je maar wilt. Ge weet wel, dat op deze

manier iederen winter millioenen spierinkjes worden verschalkt. Blijft

het water lang dicht, zooals in den strengen winter van 1890/91 dan

sterven in de vijvers veel visschen door gebrek aan lucht en dan

sterven ook veel vogels van dorst.

Wij zetten dan ook altijd, zoo lang het vriest, een groote rood-aarden

schotel vol water buiten. In enkele uren tijd is dat weer veranderd in

een ijsklomp, maar dan vervangen we het weer door nieuw. Het is een

lust, om te zien, hoe den heelen dag allerlei vogels zich om dien

schotel verdringen om te drinken en te baden. Zes musschen tegelijk

ploeteren er in rond bij een temperatuur van tien graden Celsius onder

nul. Een paar koolmeezen zitten hunkerend toe te kijken, of ze ook een

beurt kunnen krijgen, maar ze durven die brutale musschen niet aan. Een

zwarte lijster is minder angstvallig, hij ploft ineens tusschen de

musschen neer, die nu druipnat zitten te schelden onder de aucuba. Hij

slaat in ’t water met beide vlerken, spreidt zijn staart en draait en

wipt zoolang, totdat hij ook wat nattigheid in zijn nek krijgt. Dan

eerst kunnen de koolmeezen hun beurt krijgen.

Den heelen dag is de tuin vol van vogels. Maar ze hebben het hier dan

ook heerlijk. Behalve de drinkbak met frisch water vinden ze er altijd

een plek van een paar vierkante meter groot, mooi schoongeveegd van

sneeuw en bestrooid met broodkruim, gerst, hennepzaad, maanzaad,

gedroogde vlierbessen, lijsterbessen, kardinaalshoedzaadjes en alles

wat maar eetbaar is. Een bakje met voer hangt aan den stam van een

boom, die aan zijn takken ook nog een paar kokosnoten draagt.

Het ophangen van zoo’n halve kokosnoot in den dop vereischt nog al wat

handigheid en geknutsel met touwtjes. Gemakkelijker is het, een netje

te knoopen en dat te vullen met reepen kokosnoot. Daaraan kunnen veel

vogels tegelijk smullen. Ik verzeker u dat ’t een aardig tooneeltje is:

een stuk of zes koolmeezen en een paar pimpelmeezen tegelijk pluizend

aan zoo’n netje met kokosnoot.

Willen we den vogels een buitengewoon feest bereiden, dan nemen we een

oud kerstboompje, een dood sparretje of een doode doornstruik en

overgieten die met een heete brei van reuzel, broodkruim, gekneusd

hennepzaad, krenten etc. De massa stolt bijna onmiddellijk en dagen

lang kunnen nu de meest verschillende vogels zich aan dezen voorraad te

goed doen.

Deze manier van voederen heeft ’t voordeel, dat de vogels onder ’t eten

zoo goed als veilig zijn voor de belagingen van katten of roofvogels.

Katten komen bij streng winterweer gelukkig niet veel buiten, maar

roofvogels wel en ik heb het me menigmaal moeten aanzien dat een

sperwer, een slechtvalk (24) of een havik (23) als een schicht door den

tuin kwam schieten en een van mijn gasten wegroofde.

De anderen zaten dan verstijfd van schrik in het hout en ’t duurde wel

een half uur voordat weer de honger de vrees overwon.

Welke vogels komen er alzoo bij het voedsel?

In een stad als Amsterdam natuurlijk meest musschen, enkele spreeuwen

en, als je ze wennen kunt, wat bonte kraaien, houtduiven en kokmeeuwen.

Maar buiten is dat heel anders. Daar hebben we ook nog vinken, vooral

mannetjes, verder keepen, roodborstjes en een aardig klein vogeltje,

dat in de verte wel wat op een musch lijkt, n.l. de heggemusch of

bastaardnachtegaal (61).

In stem en maniertjes houdt dit dier het midden tusschen een

winterkoning en een roodborst. Hij scharrelt altijd rond onder de

struiken, tusschen de dorre bladeren en weet daar met zijn fijn, spits,

vrij lang snaveltje allerlei lekkers op te pikken. Aan dat fijne

snaveltje en ’t blauwe kopje onderscheidt ge hem gemakkelijk van de

dikbekkige musschen.

Koolmeezen zijn er soms tien, twintig tegelijk, op den grond en in de

boomen. Ze eten van alles: brood, zaad, kokosnoot, vet, ’t doet er niet

toe en zijn heel wat mans. Roodborst en heggemusch en pimpelmees gaan

voor hen op den loop, met de musschen durven ze het ook wel opnemen en

onder elkaar zijn ze ook altijd bezig om elkander de lekkerste brokjes

en de voordeeligste plaatsen te betwisten.

Het vechten zit hun zoo in ’t bloed, dat ze eigenlijk altijd of

aanvallend of verdedigend in de weer zijn. Is er een neergestreken op

de kokosnoot, dan houdt hij zijn vlerken al gereed om te slaan en zijn

bek om te blazen. En als nommer twee aankomt, dan zal die niet

neerstrijken op een vrij plekje van de noot, maar juist expres precies

bovenop degeen, die al bezig is, wanneer deze niet bijtijds zich

blazend uit de voeten maakt.

Je zoudt verwachten dat gebrek en ellende de vogels vriendelijker

zouden stemmen. Daar is bij de voederbak niet veel van te merken. Allen

vechten zoowel onder elkander als tegen vreemdelingen.

Naarmate de kou toeneemt en de sneeuwlaag dikker wordt groeit ook het

aantal gasten aan. De bonte kraaien houden zich eerst op een afstand,

maar langzamerhand draaien ze al dichter en dichter om het plekje heen,

waar al die kleine vogels zoo ruimschoots te eten vinden.

Grappig stappen ze door de diepe sneeuw. Ze zakken weg tot aan hun buik

en moeten heel groote stappen nemen om vooruit te komen. Eindelijk

wagen ze het en betreden de voederplaats, het klein gedierte stuift weg

naar alle kanten en de grauwe gasten slikken in de gauwigheid al de

groote brokken in.

Het kleine blijft over, daar hebben ze geen tijd voor. Als ze me te

vaak de boel wegeten, dan gooi ik ze even een losse sneeuwbal naar den

kop, dan durven ze in geen week meer te komen. Zij behoeven ook niet

van de bedeeling te genieten, want ze zijn sterk en sluw genoeg, om aan

’t Noordzeestrand hun kostje te vinden.

Ik kan altijd aan de zwarte lijsters hooren, of er wat bijzonders aan

de hand is. Wanneer ze „tjak, tjak, tjak,” of „koek, koek, koek”

zeggen, dan verwacht ik altijd een bijzondere gast. Jawel, daar stapt

een kuifleeuwerik (62), hij krijgt een duw van een vink en een snauw

van een merel, maar pikt vinnig terug en verovert een paar kruimpjes.

In Holland is dit nog al een zeldzame verschijning, maar beoosten de

Vecht is het ’s winters een van de meest gewone straatvogels.

Nu vliegt ’t heele gezelschap weg, want een tamelijk groote vogel met

een buitengewoon dikken snavel is van tak tot tak genaderd en eindelijk

op ’t voer gekomen. Hij heeft allerlei aardige kleurplekken: blauw en

bruin en spierwit, maar ’t meest trekt hij toch de aandacht door die

ontzettend dikke snavel. Je ziet al dadelijk, dat deze appelvink (70)

niet de minste moeite er mee zal hebben om dikke zaden of knoppen stuk

te bijten. Wij zien hem met genoegen, maar vruchtenkweekers zijn wel

eens heel slecht over hem te spreken, evenals over de goudvink (71),

die ook een bij uitstek mooie en aardige vogel is, maar een vruchten-

en bloemenbederver van het bovenste plankje.

Meer dan appelvinken en goudvinken krijg ik kramsvogels (75) op mijn

voerplaats. Ik geloof wel, dat ik dit in de eerste plaats te danken heb

aan de vruchtenheesters in mijn tuin. Laat toch iedereen, die graag

vogels van dichtbij wil zien, vruchtenheesters in zijn tuin planten:

Geldersche roos (56), hulst, meidoorn (58), berberis (55), sneeuwbes

(57), eglantier (59), dwergmispel (60), mahonia, aucuba en klimop (99).

Ik noem deze vooral, omdat die hun vruchten houden tot laat in den

winter, als lijsterbes en vlier al lang kaalgevreten zijn.

Blijft de winter zacht, zonder veel sneeuw of rijp, dan houden die

heesters hun mooie vruchten den heelen winter door, maar als er opeens

een vracht sneeuw komt of felle vorst, dan komen ineens massa’s vogels,

die anders in Duitschland gebleven zouden zijn hierheen, om voedsel en

schuilplaatsen te vinden. Het kan dan in December lijken alsof ’t nog

October was, zoo is dag en nacht de lucht vol van zwermen trekvogels.

Dan komen ze dicht bij de huizen, de mooie kramsvogels met hun bruinen

rug en blauwen kop, de groote dubbele lijsters (74), wel tweemaal zoo

groot als een zanglijster en vol kracht en woestheid. Die zijn het, die

de bottels van de eglantieren vreten en die in minder dan geen tijd een

heele hulsthaag van zijn roode bessen ontdoen.

Jongens, wat zie ik dat graag! En daar kan ik ook niet zoo kalmpjes in

mijn makkelijken stoel naar zitten kijken. Neen hoor, dan gaan de

vetleeren schoenen aan, een dikke pet op, de jekker aan, de verrekijker

om en dan stap ik naar buiten, om in bosch en veld, op de hei en in de

duinen te zien, wat er te koop is.

Op de sneeuw staat alles te lezen; geen dier, hoe klein en licht ook,

kan zich er over bewegen, of het laat een spoor achter. Waar veel

dieren huizen, komen formeele wegen tot stand.

In de duinen zijn ontelbare wegen van konijnen (80). Ze leiden van de

holen naar het hout en daar hebben de knagertjes dan al de schors van

stammen en takken afgeknaagd. Later, in den zomer kun je dan nog

precies zien, hoe hoog de sneeuw gelegen heeft. Schuine stammetjes

worden beklauterd, en dan worden ook in de kronen tal van takken

ontschorst.

Hazen (87), reeën (83), herten (79), zelfs ratten (88) helpen mee aan

dit werk en ik behoef u niet te zeggen, dat daardoor menig boompje voor

goed te gronde is gericht. Wanneer rondom het stammetje de schors

geheel is weggevreten tot op het hout, dan kunnen geen voedingssappen

meer van de bladeren naar de wortels worden gevoerd, deze sterven van

honger en dan gaat ten slotte de heele plant dood.

De hazen en herten weten nu ook goed den weg te vinden naar ’t

wintergraan en naar de kool, die nog te velde staat. De ratten graven

naar bloembollen of raapjes of erger nog, ze vestigen zich in de

graanschelven of graanzolders.

Nu begint de boomkweeker en de boer de behoefte te gevoelen aan

vrienden in den nood. En dat die niet ontbreken, kunnen we hier op het

sneeuwveld ook al zien.

Kijk, links en rechts van het konijnenspoor zie je telkens groepjes van

vijf kleine krubbeltjes in de sneeuw: twee naast elkaar, twee achter

elkaar. Soms gaat dit elegante spoor eenige meters achter elkander

langs ’t konijnenpad, ook snijdt het wel eens een hoek af, maar altijd

blijft het er om heen. Laat ons het volgen.

Het duurt niet lang, of een eindje voor ons vliegen loom vier bonte

kraaien op. Ze gaan niet ver, maar blijven rondom ons op de hoogten

zitten, wachtend tot we weer weg zijn. Waar ze opvlogen is een groote

roode plek in de sneeuw en daar ligt een klein konijntje, dood,

bebloed, de oogen al uitgepikt en een gapende wond in de hals.

Die oogen zijn door de kraaien verorberd, maar de gapende wond is

veroorzaakt door ’t beest met het elegante voetspoor, door het

bloeddorstig hermelijn (86).

Er leven nog hermelijnen genoeg in ons land: ’s winters zijn ze geheel

wit met een zwart puntje aan den staart, ’s zomers zijn kop en rug

bruin. Ze worden bij ons niet geheel en al zuiver wit en daardoor heeft

hun huid als bont geen groote waarde.

Ratten en konijnen hebben geen feller vijanden dan deze hermelijnen.

Ook kunnen ze niet hopen, hun te ontsnappen. Want als een hermelijn

eenmaal een konijn achterna zit, dan kan dit loopen, zoo hard als ’t

wil, ’t roofdier blijft hem volgen, al is ’t ook uren lang, eindelijk

slaagt hij er in den knager te bespringen.

Dan is het spoedig met hem gedaan. Het konijn rent nog gillend voort,

maar allengs worden zijn kreten zwakker, want het hermelijn heeft hem

de halsslagader doorgebeten en zuigt ’t warme bloed op. Wanneer hij

verzadigd is, dan laat hij ’t doode dier liggen, waar het viel en dat

wordt dan gauw opgemerkt door de bonte kraaien, die overal zijn en

alles zien.

Het wezeltje (82) houdt voornamelijk huis onder muizen en ratten, de

bunsing (90) ook; en een graanschelf, waar een van deze roofdieren zich

gevestigd heeft, is beveiligd tegen elke rooverij van knagers.

Tegenwoordig begint het wezeltje dan ook erg in de pas te komen en geen

mensch denkt er meer aan, om het een schadelijk dier te noemen, zooals

vijftig jaar geleden wel gebeurde, toen er zelfs premies voor het

dooden van wezels werden uitgeloofd.

Maar de bunsing, de marter (85), de vos (81) en de das (89) hebben het

voorgoed verkorven, al verdelgen ook zij een groote hoeveelheid van

schadelijk gedierte. Je kunt een boer, die wel eens op een mooien

morgen al zijn kippen met afgebeten koppen in ’t kippenhok heeft

gevonden, nooit wijs maken, dat een bunsing een nuttig dier is, omdat

hij zooveel ratten en muizen eet.

Ik ben er eens bij geweest, dat een vos geschoten werd, die haar bek

vol had met doode veldmuizen, om die aan haar jongen te brengen. Dat

dier was dus op ’t oogenblik heel nuttig. Maar ik weet er ook van, dat

de vos in den nacht de hoenders kwam rooven, brutaal en ongestraft.

De vossen bewonen ons land nog bij honderden en ’t is in den nawinter

op maanverlichte nachten volstrekt niets ongewoons, als je ’t kort

gekef van deze dieren hoort klinken uit ’t bosch en over de hei.

En de vischotter (84), dat is ook een dier, om ’s winters iets van

gewaar te worden. In den zomer weet hij zich tusschen de waterplanten,

in ’t oeverriet en in ’t struweel der elzen, wilgen en esschenboschjes

goed te verbergen. ’s Winters echter moet hij om te ademen op ’t land

en om te eten in ’t water.

Hij is dan wel verplicht, om zich op te houden in de nabijheid van

wakken en bijten en als je daar nu maar vlijtig op loert, dan kan het

niet missen, of je krijgt ten minste nu en dan zijn breed

vinvoetenspoor op de sneeuw te zien.

Ik vind ’t wel aardig, om zoo iets te zien, al kan ik ook niet zeggen,

waarvoor dat eigenlijk goed is en of ik er ook beter van word. ’t Is

heel aardig en goed, om van die dieren te lezen, er min of meer goed

geteekende prentjes van te zien, of foto’s en tooverlantaarnplaatjes.

Maar dat is allemaal toch niet echt. En je krijgt dan ook een heel

ander gevoel, als je daar buiten in de vrije natuur zoo’n levend beest

eens aan zijn bezigheden kan zien. ’t Is maar jammer, dat al die dieren

zoo doodelijk en doodelijk bang voor ons zijn.

Winter(#76866) · 第 5 / 10 题