WINTERBLOEMEN.

Nu nadert de Kersttijd reeds en nog altijd wil het geen winter worden.

Sint Nicolaas wordt langzamerhand een bloemenfeest waaraan elk idee van

sneeuw en ijs vreemd is, en slechts eens in de tien jaar is op den

vijfden December een paar schaatsen een passend geschenk.

Vroeger was je al erg tevreden, als je ’s winters de kamers mocht

versieren met een reuzenboeket van Judaspenningen (42) met lischdodden,

stroobloemen (91) en wat gedroogd gras. Voor de kleur kwam daar dan nog

een tak van de lampionplant (41) bij met groote roode kelken,

waarbinnen een glanzige oranje bes verscholen was en voor de aardigheid

wat maretakken (38) met hun witte bessen.

Tegenwoordig is dat heel anders. Het begint al met de Chrysanthen (25

en 26). Van deze heerlijke bloemen komen elk jaar weer nieuwe

kweeksoorten op de markt, in allerlei vorm en tot allerlei prijs,

zoodat ieder, die een paar dubbeltjes te verkwisten heeft, weken

achtereen zijn huis kan versieren met de heerlijke geurende

bloemtakken.

Tegenwoordig weet ieder schoolkind, dat de Chrysanthemums kweekvormen

zijn van een plant, die zeer veel lijkt op onze gewone groote madelief

of witte ganzebloem. Sedert eeuwen hebben de Japanners zich op deze

kweekerij toegelegd en zoo hebben ze allengs de prachtigste vormen en

kleuren verkregen.

Ge weet nog wel, dat zulke madeliefachtige bloemen samengestelde

bloemen zijn en dat ze in ’t bijzonder bestaan uit twee soorten van

bloempjes, n.l. buisbloemen en lintbloemen. Nu zult ge bij de

Chrysanthen, die ge koopt, opmerken dat deze soms zijn opgebouwd uit

breede linten, een andermaal uit smalle buisjes en ge begrijpt dat dan

door kweeking nu eens de eene dan weer de andere bloemvorm de overhand

heeft gekregen.

Van de Japansche chrysanthemumfeesten hebt ge ook wel gelezen en

evenmin is het u onbekend, dat het Japansche keizerlijke wapen een

chrysanthemum bloem is met zestien lintbloempjes, die afwisselend

violet en wit gekleurd zijn.

Behalve de Chrysanten krijgen we op de bloementafel ook nog de

Primula’s en de Cyclamens. Ze zijn van éénzelfde familie en afkomstig

uit Perzië, Thibet en China.

Dat ze aan elkander verwant zijn is wel aan de bloemen te zien. De

bloemkroon bestaat uit een buis met vijf slippen, er zijn vijf

meeldraden, die net telkens midden voor een slip zitten en een stamper

met een vruchtbeginsel, waarbinnen vele eitjes zitten op een ronde

verhevenheid in ’t midden.

De Cyclamens vallen altijd bijzonder op door de teruggeslagen

kroonslippen, die de bloemen op vliegende vlindertjes doen gelijken.

Zijn ze uitgebloeid, dan komen er vruchtdoozen aan, die aan lange

stelen neerhangen, bij sommige soorten in den grond wegkruipen. De

vorming van die vruchtdoozen kunt ge bevorderen door stuifmeel uit de

eene bloem over te brengen op de stempel van een andere.

Van de primula’s hebben wij ’s winters in de kamer meestal twee

soorten: de Chineesche Primula en de Kegel-primula, die iedereen

eigenlijk veel beter kent bij zijn wetenschappelijken naam van Primula

obconica (33). Dat woordje obconica beteekent „bijna kegelvormig” en

ziet op den kelk, die bij deze bloem juist op een trechtertje lijkt en

bij de aanhechting aan een bloemsteel het smalst is. De Chineesche

Primula heeft een heel anders gevormde kelk, die is juist bij de

bloemsteel het breedst.

De Primula obconica wordt wel voor vergiftig gehouden en dat is nog al

een vreemd geval. De plant zit vol met klierhaartjes, die ge met de

loupe gemakkelijk kunt vinden als kleine gele knopjes. Nu is ’t

werkelijk waar, dat de huid van sommige menschen geprikkeld wordt door

de afscheiding van die kliertjes en dat kan dan een zeer lastige

huidontsteking tengevolge hebben.

Daar staat echter tegenover, dat nog veel meer menschen (daar hoor ik

gelukkig ook toe) geheel ongevoelig zijn voor dat vergif en hun leven

lang zonder last met die mooie bloempjes kunnen omgaan. Ieder moet het

dus maar voor zichzelf probeeren; je kunt er tegen of je kunt er niet

tegen en als je eenmaal de ontsteking hebt gehad, krijg je haar licht

nog eens.

Wat hebben we nog meer in huis?

Misschien zoo’n mooi orchideetje, het Vrouwenschoentje (29)? Of leggen

we het wat goedkooper aan?

Daar staat op de schoorsteen nog al dicht bij de kachel op een

schoteltje een groote grijze platte knol, waaruit een bleekgroene

groeipiek te voorschijn komt. ’t Is de droogbloeiende Aronskelk,

Sauromatum guttatum (30), wat zooveel beduidt als „gevlekt

hagedissenvel”.

Een van de gemakkelijkste kamerplanten die er bestaan. Je hoeft nooit

naar hem om te zien, geen water te geven, ook komt het er niet op aan,

of hij licht staat of donker. Alleen warmte is een vereischte, want de

plant is afkomstig uit Oost-Indië. Snel schiet de groeipiek omhoog,

soms wel een centimeter of meer per etmaal. Meet het maar eens na.

Eindelijk houdt de lengtegroei op en nu rolt de sigaar open. Binnenin

is de scheede prachtig gevlekt met geel en purper en in ’t midden staat

een geknopte zuil, waaraan bloempjes zitten ongeveer net zoo als bij de

gevlekte Aronskelk.

’t Kan zijn, dat de bloem nu minder aangenaam gaat rieken, hoewel ze

niet gauw lastig wordt. Maar spoedig treedt verwelking in en nu moet ge

de knol onder den grond stoppen. Wanneer ’t buiten nog hard vriest, doe

hem dan in een pot en plant dan later het in den tuin. ’s Zomers komt

dan een stengel voor den dag met prachtig gevormde bladeren en als die

afsterven, dan hebben ze in den grond weer eenige knollen doen

ontstaan, die in den winter weer droogbloeiend de bloemen leveren. Wie

een beetje geluk heeft en zijn tuin behoorlijk mest, krijgt zoodoende

gaandeweg een heele voorraad van die knollen.

Meer moeite kost het om met kersttijd een mooie verzameling bloeiende

bolgewassen in huis te hebben. Romeinsche hyacinthjes (27), Duc-van

Thol-tulpen (28), Scilla’s, Crocusjes en dergelijke. Sommige menschen

kunnen dat maar nooit klaarspelen, en zien tegen de bloemisten, die ’t

wèl kunnen, op als tegen wonderwezens. Ook beweren ze wel, dat de

bloemisten dat allemaal uit Nizza laten komen.

Daar is wel iets van waar. Ik geloof b.v. wel, dat die mooie Freesia’s

(40) voor ’t meerendeel niet van onze eigen kweekers afkomstig zijn.

Maar ’t overige gaat gemakkelijk genoeg, als ge u maar houdt aan de

raadgevingen van uw Catalogus en geen minderwaardige bollen koopt.

Wat hebben de menschen van tegenwoordig het toch een boel gemakkelijker

dan die van vijfentwintig jaar geleden. Wanneer je maar voor een paar

kwartjes bollen koopt bij Krelage, Meerbeek, Groenewegen, Van

Tubbergen, Voet, Bijvoet, of hoe deze weldoeners der menschheid al meer

heeten, dan sturen ze je ieder jaar een mooie geïllustreerde Catalogus

van hun koopwaar en daar staat dan meteen voor iedere bloemensoort

volledig de behandeling bij.

Volg die raadgevingen getrouw en stipt, wijk er niet van af, doe niets

ten halve en ge zult verbaasd staan over uw succes. Als ’t niet lukt,

dan heb je een paar dagen vergeten water te geven, toen ’t juist noodig

was, of je hebt de potten te vroeg in ’t licht of in de warmte gebracht

of ’t heeft ergens gevroren, waar ’t niet vriezen mocht. Gelooft mij

gerust: zonder nalatigheid gelukt elke kweekerij.

Het meeste pleizier beleef je van gewone crocusjes, scilla’s, blauwe

druifjes, Romeinsche Hyacinthjes en Duc-van Thol-tulpjes. Hoe die

laatste aan hun naam zijn gekomen, weet niemand precies, er heeft nooit

een hertog van Thol bestaan, maar dit doet er niet toe, de bloempjes

zijn prachtig mooi.

Maar nu heb ik alweer lang genoeg in huis gezeten en van middag gaat om

vier uur de lamp alweer op, daarom moeten we nog gauw even een

wandelingetje doen. Eigenlijk toch moet je ’s winters veel meer

wandelen dan zomers, omdat de avonden zoo lang zijn, begrijp je.

We zijn nog niet eens goed en wel buiten de deur of we zien, dat de

zuidmuur half bedekt is met mooie groote gele bloemen. Ranke,

donkergroene, kantige twijgen slingeren zich langs den muur en dragen

vele paarsgewijs geplaatste knoppen, waaruit in de Mei zich weer nieuwe

takken zullen ontwikkelen.

Maar de bloemen komen al in ’t eind van November, mooi groot en talrijk

en dat maakt deze Winter-Jasmijn (31) tot een van de meest geschikte

muur-bekleedingen. Het is een groot wonder, dat deze mooie, goedkoope,

sterke en snelgroeiende plant niet veel meer wordt gekweekt. De heester

is afkomstig uit Noord-China. Ik zou wel eens willen weten, hoe hij

zijn vruchten vormt, dat wil hij bij mij in den tuin niet doen.

Waarschijnlijk komt dat, doordat de bloem ongevoelig is voor eigen

stuifmeel en in den winter de insecten ontbreken, die voor de

kruisbestuiving konden zorgen.

Het fijne weet ik er niet van. Wel nog dit. Wanneer het hard gaat

vriezen, sterven de bloemen af, maar de bloemknoppen zelve kunnen zeer

lage temperaturen verdragen. Doordat nu lang niet alle knoppen zich

tegelijk ontplooien, blijven er altijd nog zeer veel over, die bij het

invallen van den dooi weer tot ontwikkeling komen. Zoodoende bloeit de

Winter-jasmijn van November tot Maart en zou hij dus nog wel van de

laatste en van de eerste honigbijen kunnen profiteeren. Let er eens op.

Met de kerstroos (39) gaat het net zoo. Die begint in November te

bloeien en houdt het vol tot Maart. Dikwijls heb ik de bloemen omzwermd

gezien door bijen, zoowel in November als op die mooie zonnige dagen in

Februari.

’t Zal voor een bij wel een pleizierige gewaarwording zijn: zoo’n

tiental van die groote witte bloemen, frisch bloeiend op den valen

wintergrond. Hij gonst er op af, zet zich neer in den witten schotel en

bevindt zich dan in een waar bosch van meeldraden, goudgele helmknoppen

op spierwitte helmdraden. Er is stuifmeel in overvloed, maar daar houdt

hij zich niet lang mee bezig. Hij steekt zijn kop omlaag tusschen de

meeldraden en kelk en vindt daar een kring van heel mooie hoorntjes van

overvloed vol van honig. Er is meer dan hij kan opzuigen; er zijn dan

ook wel eens drie of vier bijen tegelijk aan ’t werk in éen bloem.

Gedurende de vorstweken schijnt de groei van deze plant stil te staan.

De knoppen blijven gesloten, de bloemen, die pas sinds eenige dagen

geopend waren, sluiten zich ook nog, maar de oudere bloemen kunnen dat

niet meer en staan stijf bevroren wijd open in het zilveren maanlicht

of onder het bleeke winterzonnetje.

Als de meeldraden en de honigbakjes uitgediend hebben en afgevallen

zijn, dan blijft de groote kelk nog om de rijpende stampers, maar hij

verliest zijn witte kleur en wordt rose of bruinachtig. Die stampers

groeien uit tot mooie kokervruchten met groote zaden, waaruit weer heel

gewillig nieuwe planten opschieten.

De kerstroos heet ook wel zwart nieskruid en behoort tot de familie van

de boterbloemen. De plant is vergiftig, maar dat hindert niet, want

geen mensch zal er van eten. De fijngemalen gedroogde wortelstok

prikkelt de slijmvliezen en maakt aan ’t niezen, zoodat je die bij

wijze van snuif zoudt kunnen gebruiken. Maar wie denkt er in de

twintigste eeuw nu nog aan snuif?

Het heet, dat deze plant in ons land een enkele maal in het wild

gevonden is, maar dat geloof ik niet. Wel komt in de echte bosschen in

’t Oosten van ons land het groene nieskruid (35) voor, dat ook al heel

vroeg in ’t jaar, dus ook nog in den kalenderwinter zijn groote bloemen

vertoont.

In tuintjes wordt het ook aangeplant en het is heel aardig, dat de

slimme honigbijen de groene hangende bloemen van deze plant even goed

weten te vinden als de groote witte kelken van de echte kerstroos.

Let je wat op al die bloemen, dan vind je in tuinen nog wel meer

soorten: een met groene, roodgerande bloemen en een andere met groote

bloemen, die rooskleurig zijn of in ’t paarse loopen tot donkerpurper

toe. Deze laatste bloeien nog wel na Paschen.

Doch we willen onze wandeling voortzetten. Bloemen heb ik in mijn tuin

niet meer, maar groen in overvloed en ook nog wel aardige kleurtjes.

Daar sta je al met het mes in je verstijfde vingeren gereed om wat

mooie takken van mijn hulst (34) af te snijden voor de

Kerstfeestviering. Nu, vooruit maar, doch haven de struik niet en laat

er ook nog wat bessen aan voor de vogels, dat is de hoofdzaak.

Heb je je geprikt? Ook goed. Ik houd van hulsten met bijzonder

stekelige bladeren. Er zijn er ook wel met gave bladeren, maar zulke

botten-zonder-gal wil ik in mijn tuin niet hebben.

Wel vind ik het aardig, wanneer ik buiten in het wild hulsten aantref

met stekelige bladeren aan de onderste takken en gave in den top. Daar

is weer een heel verhaal aan vast. Men beweert namelijk, dat in het

wild de hulst de gewoonte heeft, alleen stekelige bladeren voort te

brengen zoo hoog als een grazende koe of een grazend hert kan reiken.

Hoogerop is het niet noodig.

Ik behoef u niet te zeggen, dat deze bewering al heel dikwijls in

twijfel getrokken is. Toch is het wel de moeite waard, er eens op te

letten. In onze Oostelijke provinciën komen de hulsten nog al eens in

’t wild voor, zoodat we daar er eens naar kunnen uitkijken.

Ik weet er een te staan in ’t Gooi aan den Laarder Straatweg, links van

den weg als je van Naarden komt en eventjes voor Jan Tabak. Die is

volkomen in overeenstemming met wat er wordt verhaald. De struik is wel

zes meter hoog, het onderste gedeelte, tot zoowat twee- en een halven

meter van den grond af, zit vol zeer stekelige bladeren, met slechts

hier en daar een enkel gaafrandig blad er tusschen, en in ’t bovenste

gedeelte is bijna geen enkel stekelig blad te vinden.

Ik houd vooral van de hulst, omdat hij het heele jaar door een goede

vriend van de vogels is. ’s Winters geeft hij hun voedsel en

schuilplaats, ’s zomers nestgelegenheid, vrij van katten.

Een hulsthaag is ondoordringbaar voor dat roofgespuis, als ge maar niet

onder de struiken harkt. De bladeren vallen in Mei en Juni, nadat het

nieuwe lot zich ontwikkeld heeft. Ge begrijpt, dat uit zoo’n laag

harde, verdroogde hulstblaren duizende stekelpunten omhoog pieken en

dan kan poes met al haar behendigheid daar niet doorheen. Ik heb zelf

wel eens op handen en knieën door zoo’n haag moeten sluipen en weet er

dus van mee te praten.

Dan staan er nog een menigte heesters, die in den regel zonder

onderscheid conifeertjes genoemd worden en dat is wel juist ook, als je

je maar eerst er van vergewist of er ook soms een palmboompje (45) bij

staat, want dat is er geen. Veiliger is het dan ook, om den aardigen

Engelschen naam van evergreens te gebruiken, dat beduidt altijd-groene

planten en is dus altijd in orde.

Maar nog beter is het, je oogen een klein beetje wijder open te zetten

dan gewoonlijk en te probeeren de meest bekende soorten behoorlijk van

elkander te onderscheiden. ’t Lijkt allemaal eenzelfde schubbig groen

goedje, maar er zit toch meer verschil in dan ge wel denken zoudt.

Eerst ’t palmboompje apart. Dat is dadelijk te kennen aan ’t feit dat

’t geen schubbige takjes heeft, maar behoorlijke duidelijk gevormde,

gesteelde bladeren, al zijn ze dan ook wat klein. Je hebt al geleerd,

dat dit struikje eigenlijk geen palm is, in de verste verte niets met

palmen heeft uit te staan en thuis hoort in de buurt van de

brandnetels. Ook moest het niet palmboompje, maar buksboompje heeten.

De Engelsche noemen hem dan ook trouw box.

Wij echter hebben in onze jonge jaren op Palmzondag altijd geloopen met

een „palmpaaschje”, gemaakt van de takken van dit heestertje, ik

herinner me nog heel goed de waterachtige smaak van de koekjes, die er

aan zaten. Ook had ik in dien tijd een palmhouten kegelspel en een

palmhouten priktol (wat een Croesus!) en later ben ik aan de weet

gekomen dat het palmhout, waarop houtsneegravuren worden uitgevoerd,

ook alweer meestal van ’t buksboompje afkomstig is.

Daarom geloof ik niet, dat die naam van buksboompje spoedig algemeen in

gebruik zal raken. Doordat de blaadjes zoo dicht op elkaar staan en er

zich in elk bladhoekje nieuwe knoppen vormen groeit dat boompje op als

een dichte min of meer bolvormige massa. Daardoor leent het zich

bijzonder makkelijk er toe, om door snoeiing in allerlei vorm gekweekt

te worden. Ge hebt zeker die boompjes-kippen, honden, kasteelen,

pilaren, schepen enz. wel eens kunnen bewonderen. Er zijn wel

liefhebbers, die tuinen vol hebben met dergelijk palmboombeeldhouwwerk.

Intusschen groeien de altijd groene struiken ook zonder hulp van de

snoeischaar al mooi genoeg op, vooral de eigenlijke coniferen, waarvan

wij er nu een paar zullen bekijken.

Sommige menschen noemen die zonder onderscheid Thuja’s, andere weer

Cypressen, maar ge zult zien, dat we gemakkelijk drie soorten kunnen

onderscheiden.

Een is er bij, die wat breeder twijgen heeft dan de andere. Beziet ge

de takken goed dan blijken ze bezet te zijn met vier rijen groene

schubben, dat zijn eigenlijk de bladeren. Elke tak vormt met al zijn

zijtakken een platte massa en als we nu die heesters goed willen

onderscheiden, moeten we beide kanten van die platte massa bezien,

vooral den onderkant.

Nu zult ge zien, dat die conifeer met de breede twijgen de onderzijde

prachtig mooi regelmatig wit gevlekt heeft. Die vlekken staan daar zoo

mooi, dat ge niet moogt nalaten ze eens na te teekenen. Je kunt ze er

af wrijven, maar na eenigen tijd zitten ze er weer even frisch op als

te voren, want ze bestaan uit een wasmassa, die op die plekken door het

blad wordt uitgezweet.

Stopt ge zoo’n takje in ’t water, dan merkt ge dat die wasplekken met

geen mogelijkheid nat kunnen worden, en dat is van groot belang voor de

plant.

Daar liggen toch de openingen waardoor het blad lucht moet opnemen en

als die nu door nattigheid van dauw of dooi of regen verstopt raakten,

zou de heele voeding en ademhaling in de war komen.

Nu ’t winter is, kunnen we meteen eens uitzien naar de vruchten,

aardige bruine houtige schubjes, dikwijls ook weer met een heel mooi

blauw waslaagje overtogen.

Nu staan we al een heele poos bij de plant te redeneeren en ik heb u

nog niet eens den naam gezegd. De heester is afkomstig uit Japan, heet

daar Hiba en wordt er in de bosschen wel dertig meter hoog. Wij noemen

hem altijd Thujopsis (43); hij ontbreekt in geen enkel park, ik ken er

wel, die al zes meter hoog zijn.

Als we nu deze Thujopsis eenmaal kennen, dan hebben we met de overige

al veel minder moeite. Let nu vooral op de vruchtjes. Die zie je nu wel

niet dadelijk, maar je zult er heusch niet van bederven, als je vlak

bij zoo’n struikje gaat staan en een paar takjes op zij buigt om ze

eens te bekijken.

Hoogstwaarschijnlijk vindt ge nu aan de achterzijde van een takkenmassa

een stuk of wat kubusvormige, houtige vruchtjes. Tusschen de schubben

er van zitten nog wel een paar gevleugelde zaden. Noem deze heester nu

voortaan Cypres (46).

’t Is niet de beroemde Cypres van de Grieken en de Romeinen, maar een

boomsoort, die er veel op lijkt en die uit Californië afkomstig is. De

wetenschappelijke naam Chamaecyparis beteekent dwergcypres, maar ’t

gaat toch niet aan, om een boom, die in zijn vaderland wel vijftig

meter hoog wordt, voor een dwerg uit te maken.

Ik zeg daarom altijd maar liever Californische Cypres, al bestaat er

ook eenige kans, dat we met de Japansche Cypres te doen hebben, die er

zeer veel op lijkt en misschien ook hier of daar wel aangeplant is. We

onthouden dus, dat die coniferen met kubusvormige houtige vruchten

Cypressen zijn.

En nu vinden we ook nog wel een conifeertje met kogelvormige staande

vruchtjes met leerachtige schubben en ook alweer gevleugelde zaadjes.

Deze nu is de echte Thuja (48) of Westersche Levensboom. In de

Noord-Atlantische Staten van Amerika vormt deze boom groote wouden, hij

wordt daar tot twintig meter hoog.

Bij ons is de Thuja, als plaatsvervanger van de echte Cypres langen

tijd aangeplant op kerkhoven en ook veel in parken en tuinen.

Tegenwoordig wordt hij gaandeweg verdrongen door de Californische

Cypres. Ik wed, dat, als ge er eens op gaat letten, het u blijken zal

dat de oude „evergreen’s” in parken en tuinen meestal Thuja’s, de

jongere meestal Cypressen zijn.

Thuja, zoowel als Cypres en Thujopsis hebben op hun schubbige blaadjes

kleine kliertjes zitten die een harsachtige, zeer welriekende olie

afscheiden. Wrijf maar even een stukje tak fijn, dan zult ge van die

heerlijke boschgeur kunnen genieten.

Uit Japan is afkomstig een aardig conifeertje met kromme naalden: de

Cryptomeria (44).

Ik behoef u niet te zeggen, dat het aanplanten van deze heesters een

groot voordeel is voor onze vogels, die er schuilplaatsen en

nestgelegenheid vinden.

Nu zou het een groote schande en dwaasheid zijn, wanneer we in den tuin

al die kleine conifeertjes konden onderscheiden, terwijl we buiten in

bosch en duin nog geen raad weten met wat daar groeit en daarom stappen

we nog eens even, voor dat ’t donker wordt, heel vlug een paar

kilometertjes naaldbosch af.

De wind is omgeloopen naar het Oosten. Het kon wel eens gaan vriezen,

maar hier in ’t sparrebosch is ’t lekker beschut, ’t lijkt zelfs warm,

wanneer je van buiten komt. Hoe heerlijk ook, dat deze sparren nog tot

de grond toe met takken bezet zijn. Dat komt, doordat men ze tijdig

heeft gedund. Doet men dat niet, dan sterven de onderste takken af en

kan de wind langs de kale stammen doordringen.

Mooie lange bruine kegels (53) hangen in risten aan de bovenste

twijgen. Er liggen er ook op den grond, zoek een paar van de mooiste op

en neem die mee naar huis. We zullen eens een heele verzameling van

dergelijke dingen aanleggen.

Onder de grove dennen (52) vinden we ook een massa kegeltjes, maar die

zijn veel kleiner en heel anders gevormd. Elke schub eindigt hier in

een aardig geteekend plat plaatje.

Ho, hier vinden we weer een heel groote kegel, langer dan een decimeter

en toch is het geen sparappel. De schubben zijn niet plat, maar

eindigen in een breede pyramide met een punt er op. Het heele ding is

mooi glimmend bruin, alsof het gepolijst was. Van welken boom is die

nu?

Kijk maar even omhoog. Daar hangen er nog meer in een kroon van een

boom, die veel gelijkt op een groven den, maar je ziet dadelijk dat de

naalden veel langer zijn, wel tweemaal zoo lang. Dat is nu de zeepijn

(49), een heel mooie boom, die dertig jaar geleden nog al veel werd

aangeplant. Het is echter gebleken, dat hij zeer strenge winterkou niet

goed kan verdragen en daarom plant men hem tegenwoordig niet veel meer

aan.

Misschien hebt ge wel eens gelezen dat op last van Napoleon I de

stuifduinen langs de golf van Biscaye tusschen den mond van de Gironde

en van de Adour met dennen zijn beplant en dat daar thans een mooi

groot dennebosch is. Dat bestaat bijna uitsluitend uit zeepijnen en nu

had men zich indertijd voorgesteld, dat ook wij voordeelig zoo’n groen

randje langs de Noordzee zouden kunnen krijgen.

Gelukkig heeft men een beteren plaatsvervanger gekregen, dat is de

Zwarte of Oostenrijksche den (51). Zijn naalden zijn even lang als die

van de zeepijn, maar veel donkerder van kleur, terwijl zijn appels

ongeveer zoo groot zijn als die van de gewone grove den.

Deze Oostenrijker maakt het in onze duinen zeer goed. Bij Bergen en op

Texel zijn heele stukken duin er mee beplant en ieder, die wel eens

Hoog Duin en Daal heeft rondgewandeld, weet, dat bij Het Kopje een

prachtige rij van deze donkere pijnboomen op het hooge duin groeit. Ook

op de heidevelden groeit deze boom uitstekend, zoodat de mogelijkheid

niet is uitgesloten, dat over een jaar of vijf-en-twintig die

Oostenrijksche den de meest gewone van onze dennensoorten zal zijn.

Onophoudelijk probeert men het aanplanten van nieuwe soorten. Soms lukt

dat en soms lukt het niet en overal in ons land kunt ge verrast worden

met boschpartijtjes van vreemde boomsoorten.

Zoo weet ik een heel lange laan op de Veluwe die aan beide zijden

beplant is met een bijzonder mooie vreemde spar, ook alweer afkomstig

uit Amerika. Het is de Douglas-spar (54), te kennen aan de

omstandigheid, dat zijn naalden in twee rijen staan en aan de

onderzijde geen zilverwitte strepen vertoonen. Bovendien heeft hij

bijzonder mooie appels, bestaande uit platte schubben, afgewisseld met

drietandige schutblaadjes: wel de mooiste pijnappels, die in ons land

te vinden zijn.

Op de meeste groote buitenplaatsen is deze mooie boom te vinden. Vraag

maar eens vriendelijk, of ge eventjes rond moogt zien en dan kun je

zoo’n appel wel van den grond meenemen.

Ook vonden we eens een massa miniatuur sparappeltjes, langwerpig en

platschubbig net als die aan de fijne spar, maar niet langer dan vijf

of zes centimeter. Die zijn afkomstig van de witte spar (50), een boom,

die in hetzelfde geval verkeert als de zeepijn. Dertig jaar geleden

meende men, dat die aan den zeekant met voordeel gekweekt zou kunnen

worden, maar dat is tegengevallen. Intusschen vindt men hem nog al veel

op buitenplaatsen, waar hij met zijn blauwachtige, wit berijpte naalden

ook volkomen op zijn plaats is.

Kijk, nu zijn we weer op onze buitenplaats teruggekomen en ’t wordt

donker ook. Ik moet u echter nog even vertellen, dat die naaldboomen

wel „altijd” groen zijn, maar dat ze toch wel hun bladeren verliezen.

Ze houden elk blad minstens twee jaar lang en daardoor zijn ze altijd

groen. Er zijn er wel, die hun bladeren twaalf jaar lang weten te

bewaren. Wie goed op die boomen en hun jaarlijksche vertakkingen let,

kan voor zichzelf gemakkelijk nagaan, hoe lang een naald al aan den

boom heeft gezeten.

Winter(#76866) · 第 4 / 10 题