De winter begint, wanneer Manus het dak schoonveegt en dat is na den
eersten Novemberstorm van beteekenis. Gedurende de heele Octobermaand
zijn er ook wel bladeren van de boomen gevallen, doch niet zooveel
opeens, dat de pannen vervuilden of de goten verstopt raakten. Nu
echter komt alles tegelijk los. De boomen, die eerst nog, ondanks de
geleden verliezen, goed in ’t blad zaten, staan daar nu opeens kaal en
doorzichtig en weg en bosch ligt duimdiep onder de bonte afgevallen
bladeren. Alleen het jonge eikenhakhout, dat op beschutte plaatsen
groeit en de dikwerf gesnoeide beukenhagen (100) behouden het
afgestorven blad, dat, bruin en droog, de heelen winter door, bij ieder
windje kouwelijk ritselt.
Het bladerlooze jaargetijde, de winter, is begonnen. De gevallen
bladeren zijn als een voorbode van de sneeuwbuien, die nu gaan volgen.
Wij kinderen dreven indertijd de gelijkenis wel zoover, dat we na zulke
stormen in en met de afgevallen bladeren speelden als met sneeuw. Wij
gooiden er mee, begroeven elkander erin en bovenal leek het een groot
genot om een kwartier ver langs den straatweg te loopen, aldoor met de
klompen, bij wijze van sneeuwploeg, schuivend in de dikke bladerenlaag.
Van herfstweemoed en wintervrees hadden wij geen begrip. Alleen duurde
het ons wat lang eer de eigenlijke winter met sneeuw en ijs kwam. Je
haalt dan in ’t begin van November, als voor ’t eerst de plassen op
straat bevriezen, je schaatsen uit ’t vet, maar dan duurt het nog wel
een week of acht, voordat er ernstig aan rijden gedacht kan worden.
Soms lijkt het, alsof het geen winter worden wil. Wel zijn de bladeren
van de boomen, de bloemperken dichtgedekt, de stamrozen neergebogen of
ingepakt in stroo en sparretakken en heb je iederen dag een gevecht te
leveren met je moeder die wil, dat je nu je winterjas aandoet, maar er
is van echten winter geen spoor te bekennen.
Het roodborstje zit te zingen in ’t zonnetje, verscheiden bloemen
bloeien voor de tweede maal en langs de hagen ziet het groen van
duizenden en duizenden kiemplantjes, die het er op wagen om te
verschijnen, tegelijk met het wintergraan op den akker. Soms is het
zachter dan in Mei, zoodat je nog met het grootste plezier buiten kunt
rondslenteren, om paddestoelen te zoeken en te teekenen. Die zijn er
nog den heelen winter door, er zijn wel jaren geweest, dat ik de meeste
en mooiste vond in de Kerstvacantie.
Veel hangt daarbij van hef weer af. Is de nazomer kil en nat, dan komen
al de paddestoelen reeds in Augustus, zooal in 1903 gebeurd is. Blijft
het echter lang droog, dan komen dezelfde paddestoelen eerst in
November of December. Zoo heb ik de mooie eetbare kluifjeszwam Helvella
(3) gevonden in de Groote vacantie, maar ook in de Kerstvacantie,
tegelijk met de violette Amethistzwam (1), de ranke Hygrophorus (10),
de kleverige Gomphidius (12), de Spitse Morielje (4) en de mooie Wijde
Stekelzwam (9).
Deze laatste is een bijzondere vriend van de beukeboomen en daardoor is
hij niet altijd even gemakkelijk te vinden. De beukeblaren toch vergaan
niet spoedig. Jarenlang blijven zij op den grond liggen, de laag wordt
al dikker en dikker, daardoor hebben de paddestoelen de grootste moeite
zich er boven te verheffen en als ze erin slagen, dan lijken ze toch
nog altijd drenkelingen in de bladerenzee.
Maar staat zoo’n paddestoel op een kaal gewaaide plek, dan is hij
prachtig, om te zien met zijn forschen voet en de mooi gewelfde en
geplooide geel of oranje gekleurde hoed, waarvan de onderzijde geheel
bezet is met mooie, regelmatig geplaatste, dikke stekeltjes, die aan
hun oppervlakte de sporen vormen. Deze paddestoel is zeer lekker,
ofschoon niet zoo sappig als de zoete Melkzwam (11).
Ik heb bij dat paddestoelen zoeken dikwijls het gevoel, alsof ik een
schatgraver ben. Niet, dat er iets mee te verdienen zou zijn, maar je
vindt op onverwachte plaatsen soms de allermooiste dingen; fijne
koraalzwammetjes, heerlijk naar anijs riekende blauwgroene
paddestoeltjes (2) of zoo’n mooie, groote Inoloma (7) met hoog
gewelfden, blauwen hoed, omzoomd met bruinen franjerand, even mooi als
de kleurige Tricholoma (8).
Het eenige jammer is, zooals ik vroeger al zei, dat je die mooie dingen
niet kunt bewaren. Menschen, die heel veel ernst met de studie der
paddestoelen maken, leggen er wel een verzameling van aan op spiritus
of op formaline, maar daar kunnen wij niet aan beginnen. Het eenige,
wat wij kunnen doen, is getrouw nateekenen en kleuren. Ik ken wel
jongelui, die zoodoende niet alleen een prachtige verzameling hebben
gevormd, die herinnert aan al ’t moois, dat ze hebben gezien, maar die
ook nog op den koop toe heel wat vaardigheid in het teekenen en gevoel
voor kleur hebben opgedaan. En dat zijn heusch alweer schatten van niet
geringe waarde.
De mooiste van alle wonderlijke paddestoelen, dat zijn de aardsterren
(6), die vooral in de duinen den heelen winter door te vinden zijn, het
meest in dennenbosschen, maar ook tusschen de berken en zelfs wel op
open plekken in ’t gras en op ’t mos. Wellicht is daar dan vroeger
bosch geweest, want die aardster is toch een echte boschzwam.
Het is wel aardig, om die aardsterren te vinden nog heel jong, voordat
ze open gaan. Heel gemakkelijk is dat niet. Je moet dan een plek
opzoeken, waar veel verdroogde aardsterren liggen van het vorig jaar en
daar dan gaan zoeken tusschen en onder het mos naar bruine, ruwe
knolletjes.
Meteen krijg je dan een idee ervan, hoe een vogel moet arbeiden, die
zijn kostje uit den grond moet opzoeken. Je kunt uren werken zonder
iets te vinden, eens heb ik er — het was voor een tentoonstelling, — op
een heelen middag van vlijtig zoeken slechts drie buitgemaakt.
Intusschen heeft een vogel, die naar insectenpoppen zoekt, veel op ons
voor, daar hij ’t zoeken gewoon is en in zijn snavel bijzonder voor
zijn doel geschikte tastorganen bezit.
Nu, wij hebben dus in alle nederigheid een stuk of zes van die bruine
knolletjes gevonden. We nemen ze mee naar huis en leggen ze op een
groot bord op een laagje mos.
Nu splijt het knolletje open in vier of vijf of meer driehoekige
slippen en daarbinnen komt een mooi glad-grijs bolvormig zakje te
voorschijn, op een steeltje of niet op een steeltje, met een kraag of
zonder kraag, al naar gelang de soort, die wij onderhanden hebben.
Dat zakje krijgt bovenaan een opening, omgeven door fijngerimpeld
vlies. En nu komt er bij elken druk uit die opening een bruine stofwolk
te voorschijn, juist als bij een stuifbal (5). Er zijn nog altijd
menschen, die meenen, dat je blind zou worden, wanneer je die sporen in
de oogen kreeg. Daar is natuurlijk niets van aan, die sporen zorgen
alleen ervoor, dat er weer nieuwe aardsterretjes komen.
In den eersten tijd gaan die aardsterren nog telkens dicht, wanneer het
vochtig weer wordt, later evenwel gaat die gevoeligheid verloren en
blijven die mooie zwammen onveranderd open in de hevigste stortbui. Dan
jaagt iedere regendroppel een sporenwolk op.
Meestal groeien ze in groepen, vaak zelfs in kringen bij elkander en
vormen dan een van de prachtigste versieringen van den grijzen
boschbodem.
Ze liggen daar even los als die dingen in ons bord. De eigenlijke
plant, waar zij de sporendragers van zijn, is een dunne dradenmassa in
de bladaarde. Zoodra de sporen rijp zijn of zelfs nog eerder, laat de
aardster zijn zwamlichaam los en leeft dan verder op zichzelf. In Maart
en April kunt ge nog sporenwolkjes uit het zakje kloppen; de mooie ster
is dan heelemaal verweerd en verdroogd. Ook gebeurt het wel, dat de
stormwind die verdroogde sterren opneemt en ze ergens laat vallen, waar
ze in ’t geheel niet thuis hooren, hetgeen de berichten van de
plantkundigen nog wel eens in de war brengt.
Iedere winterstorm veroorzaakt van die verhuizingen, niet alleen van
planten, maar ook wel van dieren, en daarom is ’t wel eens interessant,
om na een storm een wandeling te doen langs de zee, in de hoop dat ’t
iets opleveren zal. Behalve op overblijfselen van klein zeegedierte,
zooals zeesterren, zeeëgels en rogge-eieren hebben we kans op aardige
vogels, levend of dood, meestal ’t laatste.
Het zijn vooral de Noordwesterstormen, die den strandwandelaar rijken
buit brengen. ’t Is aan de Schotsche kust in den winter vol van
allerhande zwemvogels, waaronder er zijn, die zich nogal ver in zee
wagen, om hun voedsel te zoeken.
Worden die nu door een barren Noordwester overvallen, dan kunnen ze
daar niet tegenin en hebben de keus, òf om voor den wind zich uit de
voeten te maken, òf zich zwemmend te redden. Dit laatste lukt nooit,
want zelfs de meest geoliede zeevogel wordt nat door de herhaalde
stortzeeën of stikt bij de voortdurende onderdompelingen.
We behoeven dan ook niet lang te zoeken in den rommel van de vloedlijn
of we vinden een mooi meeuwtje, iets grooter dan de zwartkopmeeuw, maar
heelemaal wit en met een mooien gelen snavel. De achterteen, die bij de
meeuwen toch al zoo weinig ontwikkeld is, ontbreekt bij deze geheel en
al en daarom noemen wij hem de drieteenige zeemeeuw (22).
In Engeland en Schotland nestelt deze meeuw in groot aantal op de
rotsen, hij is zelfs zoo verstandig, daar zooveel mogelijk ongenaakbare
rotsen voor te nemen, want evenals zooveel andere vogels wordt ook dit
mooie dier meedoogenloos vervolgd om zijn eieren en bovenal om zijn
witte veeren, die een zeer gezochte versiering vormen voor dameshoeden.
Een eindje verder vinden we een zeekoet (18), dan wat alken (17), een
kleine alk (14) en een papegaaiduiker (21). Al deze vogels zijn
gemakkelijk te herkennen aan hun lichaamsvorm en aan hun snavels. Hun
zwempooten staan ver achterwaarts en op ’t gebied van staarten hebben
ze weinig te vertoonen. Dat komt doordat ze de gewoonte hebben van te
staan en te gaan met opgericht lichaam. Hun veeren zijn dicht en
pelsachtig, zeer vet en vormen een uitmuntende bescherming tegen de
koude.
Maar ’t meest kijken we toch naar de snavels. Die van de zeekoet is
heel gewoon van vorm: een mooie, slanke spitse vogelsnavel. Die van de
alk echter is hoog en smal en heel bijzonder geteekend met een paar
witte streepjes. De voor- en bovenzijde is haast zoo scherp, als een
bot mes, en ’t lijkt ons wel een beetje overdreven, dat de Engelschen
onzen vogel „Razor-bill” (= scheermessnavel) noemen.
De bek van den papegaaiduiker lijkt wel wat op die van de alk, maar is
nog versierd met allerlei bonte kleuren, zoodat deze vogel, ook door
zijn roode pooten en loggen lichaamsvorm al zeer sterk van den gewonen
vogelvorm afwijkt.
Die alken en zeekoeten broeden ook al op ongenaakbare rotsen en wel in
groote menigte bij elkander. Elk wijfje legt slechts één zeer groot ei,
maar er zijn er genoeg, de rotsvlakte is er geheel mee bedekt en men
twijfelt er wel aan, of ieder wijfje wel altijd haar eigen ei weet
terug te vinden, wanneer ze het eens verlaten heeft.
Men lost wel eens een schot, om de heele bevolking van zoo’n vogelrots
de lucht in te zien gaan en dat is dan ook wel een zeer indrukwekkend
schouwspel. De aardigheid heeft echter één bedenkelijke zijde en dat is
deze. Zoodra de alken en zeekoeten verschrikt hun eieren verlaten komen
van alle kanten zilvermeeuwen, mantelmeeuwen en bonte kraaien
aanzetten, die van de gelegenheid gebruik maken, om de eieren te
rooven.
De papegaaiduiker broedt in holen, liefst in konijnenholen, als hij die
vinden kan.
Een enkele maal komen alken en papegaaiduikers ook wel levend bij ons
aan. De zeekoeten zwemmen vaak in groote troepen een half uurtje buiten
de kust, of in de zeegaten en ook de Jan van Gent (20) weet nogal eens
bijtijds onze veilige duinen te bereiken. Dit is een zeer mooie vogel:
spierwit met grauwe pooten, een blauwen snavel en een heel mooie blauwe
kring om het oog. Hij is ongeveer zoo groot als een gans en werd daarom
gent (= groote of mannetjesgans) genoemd. Later schijnt men dat woord
gent niet meer begrepen te hebben, en zoo is men dan om den wille van
de begrijpelijkheid er toe gekomen, om den vogel, die niets te maken
heeft met de stad Gent, of met de zeehelden van dien naam, met den
onbegrijpelijken titel van Jan van Gent te vereeren.
Nu, ’t doet er weinig toe. Deze vogels nestelen rondom Schotland en
Ierland. Vooral is bekend hun broedplaats op de Bass rots voor den
ingang van de Forth, de baai, waar Edinburgh aan ligt. Wijd en zijd
zwerven ze over de zee, heel hoog uit de lucht duiken ze neer, om
haringen te vangen. Hun pooten herinneren aan die der pelikanen,
doordat alle vier de teenen door zwemvliezen met elkander verbonden
zijn.
Het is volstrekt niets ongewoons, om na een storm de meeste dezer
vogels te vinden op een fiksche strandwandeling van anderhalf uur
gaans. Wie wat van vogels wil weten, moet ook van tijd tot tijd een
vogellichaam eens terdege en van dichtbij bekijken. Het zou onzin zijn,
wanneer we daarom vogels gingen vangen en dooden; aan wat zoo langs het
strand en langs de wegen gevonden kan worden, heeft de jonge liefhebber
der vogelkunde al meer dan genoeg.