’t Is ongeveer vier uur op den middag, den 17den Augustus, en de
jongste meisjes op Mårbacka, Selma en Gerda, zijn bezig om zich voor ’t
feest te kleeden, als ’t kamermeisje op de zolderkamer binnen komt,
waar ze zijn,—want hun eigen kamer hebben ze natuurlijk afgestaan aan
de familieleden, die op Mårbacka logeeren.
„Selma en Gerda! Jelui moeten beneden komen om te ontvangen,” roept ze.
„Niemand is nog klaar en de eerste rijtuigen komen al de laan
afrijden.”
Nu krijgen de kleine meisjes ’t druk; maar tegelijk voelen ze een
trilling van geluk. Stel je voor, nu begint het! Stel je voor, nu
begint de 17de Augustus!
Ze knoopen hun jurken dicht, steken de broche op den halsdoek en
haasten zich naar beneden. Geen van de volwassenen is nog te zien. Niet
eens hun oudste zuster kan hen bij ’t ontvangen helpen, omdat ze bezig
is met de laatste repetitie van het tooneelstuk voor den avond.
De gasten zitten al op de waranda. ’t Is mijnheer Nilsson van
Visteberg, met zijn vrouw en drie, vier kinderen. Zij komen altijd te
vroeg op feesten, maar nooit hebben ze zoo’n haast als op den 17den
Augustus. En daar verwonderen de kleine meisjes zich heelemaal niet
over. Alle menschen moesten immers verlangen naar Mårbacka te komen op
zulk een dag.
’t Duurt misschien wat lang voor de gasten en voor hun kleine
gastvrouwen, vóór het volgend rijtuig komt en de huisgenooten zich
vertoonen. Maar vandaag is het de 17de, vandaag let men op zulke
kleinigheden niet.
Zij, die daarna aankomen, wonen ver weg. ’t Zijn dominee Alfred Unger
van Wester Ämtervik en zijn familie. Zij komen in een rijtuig met twee
paarden en hebben meer dan twee mijl gereden. ’t Rijtuig is vol vrouwen
en kinderen; maar dominee Unger zit zelf op den bok, want hij is een
echte paardenliefhebber.
Luitenant Lagerlöf is eindelijk klaar en komt juist naar buiten op de
veranda, als dominee Unger de plaats oprijdt.
„Maar lieve hemel, Alfred,” roept hij hem toe. „Wat heb je met je
paarden uitgevoerd? Zij lijken op elkaar als twee eieren.”
„Houd je stil, en verraad geen geheimen op je verjaardag,” roept
dominee Unger terug.
Zie, de zaak is deze: dat hij twee mooie rijpaarden heeft, die precies
op elkaar zouden lijken, als niet de een een bles op ’t voorhoofd had.
Maar de dominee heeft bedacht een paar stukken wit leer in ’t hoofdtuig
te zetten, waar de riemen elkaar kruisen over ’t voorhoofd van de
paarden, zoodat niemand vermoeden kan, dat de paarden niet precies
gelijk zijn.
Men zou dat heelemaal niet vermoed hebben, maar dominee Unger was zóó
trotsch op zijn bedenksel, dat hij het links en rechts verteld had, en
zoo had de luitenant het gehoord.
Maar trouwens—van de pastorie in Wester Ämtervik komt niet alleen één
rijtuig. Nu verschijnt ook een hooiwagen vol jonge menschen. Dat zijn
familieleden uit Karlstad, die toevallig juist op tijd kwamen om meê te
gaan naar Mårbacka.
Het eene rijtuig na het andere rolt de plaats binnen. Daar komen ze van
Gårdsjö,—dat zijn de liefste gasten. Zij rijden voor met een heele rij
wagens. Ten deele zijn dat de huisgenooten, ten deele Oriel en Georgine
Afzelius en Kristofer Wallroth en zijn jonge zuster Julia, die daar
logeeren.
In een van de wagens van Gårdsjö liggen een paar groote, wonderlijke
witte pakken, die naar het tooneel gebracht moeten worden. Selma en
Gerda worden vreeselijk nieuwsgierig. Zij vragen de meisjes Wallroth
wat dat beteekent; maar die hebben beloofd te zwijgen en mogen niets
zeggen. Maar zooveel kan er uit hen worden gekregen, dat Oom Oriel iets
onbeschrijfelijk prettigs heeft bedacht.
Later komt de oude ingenieur Ivan Warberg uit Angersby in een tandem,
vol mooie meisjes.
Dan stijgt een gejubel op van de waranda. Zoo’n verstokte oude
jongenheer als Ivan Warberg! Wat bezielt hem?
Ze weten allemaal best, dat die jonge meisjes de dochters van zijn
zuster zijn, die zomers bij hem logeeren, maar ze kunnen niet laten
Ivan verlegen te maken.
De kleine meisjes Lagerlöf zeggen tegen elkaar, dat het vreemd is, dat
Mevrouw Hedda niet komt. Ze woont nu niet meer in Ämtervik, maar ze
hadden toch gehoopt, dat ze zou komen en iets prettigs bedenken. ’t Is
alsof ’t geen echte 17de Augustus is, als zij er niet bij is.
Nu komen ook de naaste buren; dominee Milén en zijn jongens zijn naar
een andere gemeente verhuisd. Vandaag komen de lange mooie dominee
Lindgren met zijn kleine gezellige vrouw van de pastorie aanwandelen.
Van de andere buurhoeve „Där Ner” in Mårbacka komen Vader Olov en
Moeder Kerstin.
Zij zijn zeker niet de eenige boeren, die den luitenant willen
feliciteeren. De oude Jon Larsson in Zuider Ås, die de rijkste van de
gemeente is, komt met zijn dochter. Het lid van den Rijksdag van Bävik
is er met zijn vrouw en de kerkvoogd uit Västmyr met de zijne.
Omdat niemand is uitgenoodigd, is het heel spannend voor de meisjes
naast den luitenant op de veranda te staan en te zien wie er komt. Een,
die ze met groote onrust verwachten, is Jan Asker. Als hij maar niet op
een of andere manier gekwetst is, zoodat hij niet komt.
Ze probeeren te tellen hoeveel er komen, maar dat lukt niet. De
menschen stroomen van alle kanten toe. Zouden er niet al wel honderd
gasten zijn? Dat hopen ze vurig; ze vinden dat het zoo prachtig klinkt,
als men zegt, dat er honderd menschen bijeen waren op Mårbacka den
17den Augustus.
Maar die ontvangst is immers maar de inleiding voor dat wat moet komen.
En zoo is ’t ook met het koffiedrinken op het grasveld. De kinderen
verlangen maar, dat het voorbij is.
Eindelijk zal het dan beginnen. Het kopersextet stelt zich op voor de
trap van de waranda met zijn blinkende instrumenten. De heeren bieden
de dames hun arm, een marsch weerklinkt, en met muziek voorop trekken
alle paren door den tuin naar het kleine park.
Allen verzamelen zich om een tafel, waar een menigte gevulde glazen
staan met bisschop en punch, want wijn komt niet voor op Mårbacka, en
de glazen worden aan de dichtstbijzijnden uitgereikt. En nu is het toch
wel voor iedereen duidelijk, dat het oogenblik gekomen is voor de
verjaarstoespraak en het drinken op de gezondheid van Luitenant
Lagerlöf.
De ingenieur Erik Noreen en ’t lid van den Rijksdag Nils Andersson van
Bävik en de heer Nilsson van Visteberg staan daar alle drie met hun
speech kant en klaar. Ze zien elkaar aan, ze aarzelen en weten niet wat
ze moeten doen. Niemand wil zich naar voren dringen en zijn mededinger
het woord ontnemen.
„Nu, komt er niets?” zegt de luitenant. Zulke plechtige toespraken
vallen niet in zijn smaak, zoodat hij er naar verlangt met dat gedeelte
van het programma klaar te komen.
Daar klinkt een heldere stem in klankvol Stockholmsch dialect vlak
achter hem, en als hij zich omkeert, komt een mooie zigeunersvrouw uit
het kreupelhout en vraagt of ze hem mag waarzeggen. Ze neemt zijn
linkerhand tusschen de hare en begint de lijnen daarvan uit te leggen.
Luitenant Lagerlöf is den vorigen winter ernstig ziek geweest, en om
weer op kracht te komen, heeft hij weer een reis naar Strömstad
gemaakt. En alle avonturen en heldendaden van die laatste reis leest nu
de zigeunersvrouw uit zijn hand, en wat meer zegt, ze vertelt ze in
vloeiende dichtregelen.
Dat is vermakelijk, maar ook een beetje ondeugend en plagerig, zoodat
de menschen lachen, en de luitenant is verrukt.
„Jij ben toch weer eenig, Hedda,” zegt hij. Maar als Mevrouw Hedda op
zijn gezondheid heeft gedronken en zelf het hoera roepen heeft geleid
en het sextet een fanfare heeft ten beste gegeven, zendt ze de drie
sprekers van Ooster Ämtervik een scherpen blik.
„Excuseer u mij, dat ik u vóór was en u stoorde. Nu is de beurt aan de
inwoners van de gemeente.”
„De inwoners zijn al heelemaal verslagen, Mevrouw Hedberg,” antwoordt
de ingenieur Noreen.
Op datzelfde oogenblik hoort men de klarinet van den ouden Jan Asker in
den tuin uit de verte. En een glanzen van blinkende helmen en harnassen
schemert door de boomen.
En nu blijkt het, dat Jan Asker en de koster Melanoz onderweg drie van
de onsterfelijke asen zijn tegengekomen: Freja, Odin en Thor, die op
weg waren naar Mårbacka, maar verdwaald zijn. Zij hebben hen terecht
geholpen, en nu ze goed en wel zijn, waar ze wezen moesten, laten zij
de stralende goden zelf spreken.
Neen—niet „spreken”. De drie goden zingen op de bekende melodie van
„Kom, schoone Mei”, een lied van alles, wat er in den tijd van
Luitenant Lagerlöf op Mårbacka gebouwd en ontstaan is. Ieder woord is
waarheid, en men ziet verscheidene van de gasten de tranen in de oogen
krijgen. De luitenant zelf is bewogen door het gedicht van zijn ouden
vriend.
„Melanoz houdt zich kranig vandaag,” zegt hij. „Nu geloof ik zelfs,
Hedda, dat de inwoners het winnen.”
Hiermeê is het feest uitnemend en plechtig ingeleid. De gasten
verspreiden zich in den tuin, bekijken de bessenstruiken en de boomen,
ja, enkelen willen probeeren of de heerlijke appels op Mårbacka al
beginnen te rijpen.
Maar na een poosje klinkt een nieuwe fanfare. Weer bieden de heeren de
dames hun arm en nu worden ze uit den tuin het huis binnen en de
moeilijke zoldertrap opgeleid.
Op den zolder zijn plaatsen voor toeschouwers in orde gebracht vóór een
klein tooneel, van witte draperieën gemaakt. Dat heele tooneel is het
werk van Mevrouw Lagerlöf en zoo mooi als men zich maar voorstellen
kan.
Een oogenblik wachten! En ’t gordijn gaat op voor een allegorische
voorstelling, die Oriel Afzelius op dienzelfden morgen heeft geschreven
en die getiteld is: „De monnik en de danseres.”
De handeling speelt op Luitenant Lagerlöfs eersten geboortedag, den
17den Augustus 1819. Bij de wieg van den pasgeborene staan niet de
gewone feeën, maar twee symbolische personen: een monnik en een
danseres. En de danseres wil van het knaapje een vroolijken,
levenslustigen kavalier maken; de monnik daarentegen verlangt, dat hij
een man van ernst en onthouding zal worden. Na een levendige
woordenwisseling worden ze het er toch over eens, dat ieder de helft
van den levensweg van ’t kleine Mårbackakindje besturen zal. Dat zou
dus een poos leven als een jong officier, en daarna, in de tweede helft
van zijn levensloop tot rust komen en onthouding en goede werken
beoefenen op Mårbacka als zijn klooster.
Dat is heerlijk, heerlijk! Oriel Afzelius als monnik en Kristofer
Wallroth als danseres in sluiers en gaas gekleed, zingen op de wijs van
aria’s en duetten uit de meest bekende opera’s; ze gesticuleeren en
parlementeeren met het plechtigste pathos en eindigen hun twistgesprek
met een uitgelaten dansje.
Als ’t gordijn valt, houdt het applaus maar niet op. De toehoorders
klappen, stampen, roepen en wuiven. Mevrouw Lagerlöf zit in angst, dat
de zoldervloer dien storm niet zal kunnen verdragen; maar de luitenant
roept met luider stem:
„Ach, ach Melanoz, nu winnen de menschen buiten de gemeente het weer!”
De jongeren op Mårbacka hebben een tooneelstukje ingestudeerd, en
daarvoor is het tooneel in orde gemaakt. Maar nu ze zullen beginnen
zijn ze moedeloos. Ze hebben immers niets te vertoonen, dat ook maar te
vergelijken is met de allegorie van oom Oriel.
Anna Lagerlöf is nu veertien jaar en ze zal nu voor ’t eerst optreden
in een echte rol. ’t Stuk heet: „Een sigaar”, en zij moet spelen voor
de jonge Mevrouw.
Maar ’t wordt heelemaal geen nederlaag, en daarvan komt de eer toe aan
kleine Anna. Waar in de wereld haalt dat kleine meisje haar moed en
talent vandaan! Ze speelt zoo allerliefst en zoo zeker, dat de
toeschouwers zich onophoudelijk er over verbazen. „Dat meisje wordt
hartveroverend,” zeggen ze. „Neen maar! dat wichtje is immers heel
mooi!” hoort men van een anderen kant. „En wat speelt ze goed!”
Ze wordt geapplaudisseerd en teruggeroepen zonder eind.
„Ziet u wel, luitenant,” roept de koster Melanoz tusschen al ’t lawaai
door, „dat de inwoners het tòch winnen!”
Eindelijk komen allen toch goed en wel van de zoldertrap af en nu
begint het dansen en praten, het toddy drinken en vertellen, waar men
tot nu toe geen tijd voor heeft gehad.
’t Souper wordt tegen middernacht rondgediend en daarna komt het
aansteken van de gekleurde lampions. Dat mag niet ontbreken, dat komt
ieder jaar terug.
Dien nacht heeft men voor de variatie de illuminatie naar ’t veld vóór
’t huis verlegd.
Ach, wat is het mooi, nu Juffrouw Lovisa’s bloemengroepen in ’t
bontgekleurde licht staan, nu de treuresch als een lantaren straalt van
licht, nu ’t is, alsof de donkere struiken vol vuurbloemen hangen.
Nu komen alle menschen naar buiten om de illuminatie te zien. Ze
blijven staan als verblind. Waar is al die schoonheid vandaan gekomen?
’t Is immers als een tooverland.
’t Kwartet begint dadelijk te zingen. De toonen komen de stemming
verhoogen.
Dan gebeurt er iets merkwaardigs. ’t Is alsof een zachte, zoele wind
komt aansuizen. Ja eigenlijk weet niemand wat het is, maar al die
menschen, die nu bijna tien uur bij elkaar zijn geweest, samen hebben
gepraat, gedanst en gespeeld, tooneelstukken hebben gezien, zang en
toespraken hebben gehoord—nu zijn ze als ’t ware voldoende voorbereid.
Als ze de schoonheid van den nacht en den zang ondergaan, worden ze
door een zachte verrukking en liefelijke bekoring meêgesleept. Wat is
het leven mooi, wat zijn de oogenblikken kostbaar, wat is iedere
ademhaling een genot!
Alles wat de zangers zingen, ieder woord, iedere toon vindt weêrklank.
En meer dan dat, die gevoelens zijn gemeenschappelijk: allen voelen
zich vereenigd in één groot geluk.
Mevrouw Hedda krijgt een inval. Zij gaat op de bovenste trede van de
verandatrap staan en begint het Wermelandslied te zingen.
Allen zingen meê. Op die manier vinden ze een uiting voor hun gevoel.
Ach Wermeland, schoon, heerlijk land!
’t Is alsof de struiken en ’t kreupelhout meezingen, alsof de kabouters
bij deze melodie een contra-dans uitvoeren onder de groote ahornen.
De menschen drukken elkaar de hand met tranen in de oogen. Niemand
verwondert zich daarover. ’t Is zoo’n onuitsprekelijk geluk te leven,
dat men zijn tranen niet bedwingen kan.
Als de zang ophoudt, treedt de ingenieur Noreen naar voren naar de
plaats, waar Mevrouw Hedda zooeven stond. Ook hij wil de stemming van
dit oogenblik vertolken.
„Dít is de 17de Augustus,” zegt hij. „Niet het lied, niet het
tooneelspel, niet de dans, niet de menschenmassa, maar dit, wat we nu
voelen, dat stille, plechtige geluk, dat nu in ieder hart is gedrongen,
die liefde en wederliefde, die door den nacht over ons stroomt, dit is
’t waarnaar we verlangden, toen we hierheen kwamen.
„Dit is het, waarvoor we ’t volgend jaar terug zullen komen. Beste Erik
Gustaaf, hoe komt het, dat we naar jou toe moeten komen om ons met ons
lot verzoend, trotsch op ons land, blij met ons zelf en met allen om
ons heen te voelen? Je bent geen groot mensch. Je hebt geen
merkwaardige dingen gedaan. Maar je hebt die groote welwillendheid, die
met open armen staat. Wij weten, dat je, als je kon, ons allen en de
heele wereld zou willen omvatten in één omhelzing.
„Daarom is ’t, dat het je ieder jaar is gelukt ons een paar uur
zaligheid, een paar uur paradijsgevoel te geven, iets van wat we in
onze taal hier in Ooster Ämtervik „den 17den Augustus” noemen.”