’t Was de 17de Augustus 1919.
Ik had een krans laten maken, zóó mooi als die maar op Mårbacka kon
worden, en met dien vóór me in ’t rijtuig reed ik naar de kerk. Ik was
zelf in feestkleeren, ’t rijtuig was pas geschilderd en vernist en de
paarden hadden hun beste tuig op.
’t Was de mooiste dag, dien een mensch zich voorstellen kan.
Zonneschijn lag over de aarde, warmte was in de lucht, en enkele mooie,
witte wolken dreven langs den hemel. ’t Was Zondag en ik zag menschen
in feestkleeren zich voorbereiden voor den kerkgang. Geen koeien, of
schapen, of kippen, liepen het rijtuig in den weg, toen we door Åsby
reden, zooals ze in de week plachten te doen.
Er stond een oogst op ’t veld, alsof de goede, oude tijd weer
teruggekomen was. Alle hooischuren, die ik voorbij reed, waren zóó vol,
dat deuren en vensters niet gesloten konden worden. Alle rogge-akkers
waren met dichte rijen schooven bedekt, alle appelboomen, die voor de
huizen in Ås groeiden, hingen vol roode halfrijpe appels en alle pas
bezaaide velden waren vol pas opgekomen gewas, dat juist groen begon te
worden.
Ik zat er over te denken, dat Luitenant Lagerlöf, die vandaag zijn
honderdjarigen verjaardag had, dit alles graag zou hebben gezien. Dit
was welstand, dit was niet als in 1918 en 1917, en 1915, 1914 en
1911—die vreeselijke jaren, toen alles verdroogde. Hierover zou hij
zich hebben verheugd, hij zou in zich zelf hebben geknikt en verzekerd,
dat er ten minste in Wermeland nergens alles zóó groeien kon als in
zijn gemeente.
Heel dien rit naar de kerk waren mijn gedachten bij hem. Dezen weg door
Ås had hij zoo ontelbare malen afgelegd, en ik kon me voorstellen met
hoeveel belangstelling hij alle veranderingen zou hebben opgemerkt. Elk
huis, dat geschilderd, elk venster, dat er bij gekomen, elk dak dat van
pannen voorzien was, zou hij hebben aangewezen en besproken. Over de
hut: „Där Fram” in Ås zou hij zich hebben verheugd, omdat die volkomen
was gebleven als ze was. Maar als hij had gezien, dat het oude woonhuis
van Jan Larsson, in zijn tijd het voornaamste, was afgebroken, zou hij
dat hebben gevoeld als een groot gemis.
Hij was nooit een tegenstander geweest van veranderingen en
verbeteringen, zelfs al was er veel van ’t oude, dat hij niet had
willen aantasten. Zeker zou hij hebben gezegd, dat we stumpers waren,
die nog heden ten dage even scheeve en overhangende hekken hadden als
in zijn tijd. En dat de greppels aan den weg nog altijd waren
dichtgegroeid en de huisjes oud en vol gevaarlijke gaten, en dat de
mesthoopen nog altijd aan den kant van den weg lagen, zou hem niet
hebben verblijd.
Toen ik aan den kruisweg kwam, waar de straat ophield, en de groote
landweg begon, zou het prettig zijn geweest hem het badhotel te laten
zien, dat daar tusschen de heuvels lag, en hem te vertellen, dat Åsbron
elken zomer door honderden gasten werd bezocht. Het zou hem hebben
verblijd, dat de gedachte, die hij had gehad, dat het een groote
badinrichting kon worden, niet zoo verkeerd was geweest.
Ik zou hem graag bij mij in den wagen hebben gehad toen ik over de brug
in Ämt reed? ’t Zou aardig zijn geweest hem te laten zien hoe de rivier
eindelijk was uitgediept en recht tusschen haar oevers lag. Nu kon zij
niet meer buiten haar oevers treden bij iedere regenbui en den bodem
van het dal tot een meer maken, heel van Mårbacka tot aan de brug toe.
Toen ik voorbij de school in Östanby reed, was het me, alsof ik hem bij
’t hek van de schoolplaats zag staan, gelukkig en opgewekt, zooals
altijd, wanneer hij veel kinderen om zich heen had, en handenvol
kopermunten onder de kleintjes uitstrooide.
Ontelbare malen had ik hem hooren zeggen, dat het volksonderwijs een
ongeluk was en ons ten val zou brengen; maar toch reisde hij naar de
school van Östanby op iederen examendag en bleef daar uren lang,
terwijl zijn goede vriend Melanoz de kinderen de catechismus en
geschiedenis overhoorde, en liet zien hoe goed ze konden rekenen en
schrijven. En ik geloof niet, dat er iemand in de schoolkamer was, die
zoo blij was met alle goede antwoorden en alle mooie getuigschriften en
prijzen.—Ik herinner me hoe dikwijls ik me daar vroeger over heb
verwonderd. Nu begrijp ik wel, dat—zoodra het kinderen gold, hij zijn
principes over boord gooide.
Ik herinnerde me zoo goed hoe het was als we vroeger het plein voor de
kerk opreden, als de menschen voor het rijtuig opzij sprongen met
vroolijke groeten en Luitenant Lagerlöf daar glimlachend zat en
onophoudelijk de hand aan den rand van den hoed bracht. Terwijl ik nu
over datzelfde plein reed, vond ik het er heel leeg en eenzaam. Ik zat
alleen in den wagen en onder allen, die naar de kerk kwamen, was ik
alleen met mijn herinnering, dat het de honderdste verjaardag van mijn
vader was.
Ik stapte uit het rijtuig en ging naar het graf achter op het kerkhof
met den krans om dien daar neer te leggen. En mijn treurend hart
schreide er om, dat zij daar allen lagen, die allen, die ik liefhad:
Vader en Moeder, Grootmoeder en Tante en de oude huishoudster—die
allen, die ik meê ter ruste had gebracht.
Ik verlangde naar hen, ik wou, dat ze weerkwamen op Mårbacka en het
bevolkten, zij, die het met hun arbeid hadden opgebouwd.
Maar stil, zwijgend en onbereikbaar sliepen zij daar beneden. Zij
schenen mij niet te hooren.
Misschien deden ze dat toch wel. Misschien werden die herinneringen,
die mij de laatste jaren omzweefden, wel door hen gezonden. Ik weet het
niet, maar ik geloof het zoo heel graag.