De eerste jaren, dat Luitenant Lagerlöf op Mårbacka woonde, werd de
17de Augustus alleen maar als een gewone verjaardag gevierd, met
bloemen op de koffietafel en een versiering van groen aan het kopje van
den luitenant. De naaste buren kwamen feliciteeren en zij werden als
gewoonlijk op koffie, limonade, punch en toddy getracteerd en bleven
meê ’t avondeten om negen uur gebruiken. Zij amuseerden zich met een
gezellig praatje en na het avondeten zetten zij gewoonlijk de tafel uit
de zaal en deden een dansje.
Maar ’t gerucht moet zeker door de streek zijn gegaan, dat die
verjaarfeesten op Mårbacka heel gezellig waren, en daar er nooit
uitnoodigingen werden rondgezonden, maar ieder, die komen wilde, welkom
was, kwamen er langzamerhand steeds meer menschen.
De families werden ook grooter en zoodra de kinderen konden spreken en
loopen, moesten ze meê naar Mårbacka om Luitenant Lagerlöf te
feliciteeren. ’t Gebeurde ook vaak, dat de buren, die er altijd bij
waren geweest, gasten hadden en die werden natuurlijk ook meêgenomen.
Eenzame, ongetrouwde jonge heeren, die in dien tijd uren ver konden
rijden om wat te dansen, begonnen zich aan te wennen Luitenant Lagerlöf
den 17den Augustus te gaan feliciteeren en de familieleden, die veraf
woonden en in den zomer op Mårbacka kwamen, richtten het langzamerhand
zóó in, dat ze daar op zijn verjaardag waren.
En omdat het altijd mooi weer was op den 17den Augustus, zoolang
Luitenant Lagerlöf leefde, waren de gasten gewoon als tijdverdrijf rond
te gaan om naar zijn gebouwen en tuinaanleg te kijken. Als er veel
jongelui waren, begonnen ze al te dansen vóór het souper. Prettig en
gezellig hadden ze het wel, maar toch niet beter dan ergens anders.
Maar toen kwam Luitenant Adolf Hedberg en zijn jonge mooie vrouw om de
een of andere reden in Ooster Ämtervik wonen. En den volgenden keer,
dat Luitenant Lagerlöf zijn verjaardag vierde, gebeurde het, dat midden
op het feest een oude boerenvrouw in de keuken kwam met een mand
eieren, die ze wou verkoopen. Ze werd dadelijk afgewezen, omdat niemand
tijd had eieren te koopen in de drukte van ’t feest, maar zij verloor
daarom den moed niet; zij ging met haar mand naar de veranda, waar de
luitenant zat met een grooten kring heeren. Zij werd heelemaal niet
verlegen in dit groote gezelschap, maar sprak zoo vlug en levendig en
hield zóó aan, dat hij haar eieren moest koopen om haar weg te krijgen.
En toen zij ’t geld gekregen had en ’t in haar zak had gestoken, wilde
ze nog niet heengaan. Nu moest ze weten wie die andere heeren waren en
liet zich zeker wat al te ongegeneerd over hun uiterlijk uit. Eindelijk
vond de jonge luitenant Hedberg, die ook in den kring zat, dat de
scherts wat te ver ging, zoodat hij zijn zwijgenden mond opende en zei:
„’t Is nu ’t beste, dat je hiermeê maar ophoudt, Hedda,” waarop de oude
boerin hard wegliep, en hem een flinken duw gaf, terwijl ze uitriep:
„Maar Adolf, hoe kun je nu zoo leelijk doen en zeggen, dat ik het ben!”
En dat was ook zeker jammer, want ze was zoo goed verkleed, en had zoo
prachtig Wermelandsch gesproken, dat niemand op de gedachte was
gekomen, dat dit de aardige Stockholmsche mevrouw was.
Maar dat grapje had de andere talenten in beweging gebracht en tegen
den avond begon Kristofer Wallroth Erik Bögh’s liederen te zingen. Hij
had nu juist geen sterke stem, maar hij deed des te meer zijn best op
de voordracht, en al zijn toehoorders waren slap van lachen. En op ’t
laatst had de auditeur Afzelius een zijden doekje om ’t hoofd geknoopt
en een mantille over de schouders gegooid om „Emilies hartklopping” te
zingen en te declameeren. En dat werd natuurlijk het glansnummer van
den avond, want de auditeur was uitgelaten, als hij de rol van een
jong, hartveroverend meisje speelde.
Terwijl dit alles gebeurde, had zeker de koster Melanoz zich er over
zitten ergeren, dat het alleen maar zulke stadsmenschen waren, die er
slag van hadden aardige dingen voor den luitenant en zijn gasten te
doen. Hij vond, dat dit zijn eer te na was.
’t Volgend jaar was hij het, die groote dingen deed. De luitenant had
een heeleboel kleine geweertjes, die op Mårbacka gemaakt waren, aan de
school van Östanby ten geschenke gegeven, opdat de schoolkinderen
zouden leeren exerceeren. Hij had zelfs een ouden sergeant naar de
school gezonden om hun de eerste handgrepen te leeren. En dat gaf den
koster aanleiding om met al zijn schoolkinderen op den verjaardag van
den luitenant naar Mårbacka te marcheeren.
Ze droegen een vlag vooruit, ze sloegen op een trommel en hadden een
geweer op schouder. Ze leken wel een heel leger, toen ze in optocht de
laan uitkwamen. Er waren zóó veel, dat de stoet van de waranda naar de
knechtenkamer reikte, waar de koster, die de aanvoerder van de schare
was, hen halt liet houden.
Eerst zei hij er een paar woorden van, dat deze kinderen waren gekomen
om Luitenant Lagerlöf te bedanken, omdat hij er aan had gedacht, dat
hun lichaam even goed ontwikkeling noodig had als hun ziel. Toen liet
hij hen toonen hoe zij konden marcheeren: links om, en rechts om, en de
gelederen sluiten en ’t geweer schouderen.
’t Was een prachtige verrassing, die de koster had bedacht. De
luitenant was verrukt en de gasten vonden ’t aardig.
Wat de oude huishoudster, en Juffrouw Lovisa en Mevrouw Lagerlöf er van
dachten, toen ze midden onder een groot feest moesten zorgen voor
koffie en koekjes voor zestig kinderen, kan men zich ook voorstellen.
Iederen volgenden 17den Augustus herinnerden ze zich met schrik dien
grooten kinderoptocht, en hoopten maar, dat de koster niet weer met
zoo’n groote bende aan zou komen.
Dienzelfden dag, dat de koster met de schoolkinderen aankwam, waren de
ingenieur Noreen en zijn vrouw ook op de gedachte gekomen, dat het
ongeschikt was, dat alleen menschen buiten de gemeente iets aardigs
voor den luitenant zouden bedenken op 17 Augustus. Tegen den avond werd
het mooie maneschijn en toen trok de ingenieur een kort zwart fluweel
manteltje aan en zette een baret met veer op, en Mevrouw Emilie deed
een ouderwetsche japon met hooge pofmouwen aan. En toen speelden ze op
het pad voor de waranda een paar tooneelen uit Börjessons Erik XIV. Die
voorstelling in den maneschijn was mooier dan men zich kan voorstellen,
want Erik Noreen had zich zoo heelemaal in de rol van koning Erik
ingeleefd, dat men vond, dat ieder woord uit zijn hart kwam, en zijn
vrouw was lief en verlegen en een beetje bang, zooals Karin Månsdochter
wezen moest.
’t Volgend jaar waren er den 17den Augustus meer menschen dan ooit op
Mårbacka. De eene wagen, tandem en kariool, na de andere reed voor. Een
zeventig, ja misschien tachtig menschen kwamen binnenkort bijeen. ’t
Bleek duidelijk, dat het overal bekend was geworden, dat men op dien
dag op Mårbacka allerlei aardige dingen kon zien, die nergens anders te
vinden waren.
Maar dien keer was de luitenant erg verlegen, omdat er niets
merkwaardigs was om de gasten aan te bieden. Dien dag ging het op
Mårbacka toe als op een gewoon feest. De jongeren begonnen vroeg op den
middag te dansen, de heeren zaten bij hun toddy, de oudere dames waren
in de voorkamer gaan zitten en smulden van bessen en suikergoed.
Niemand verveelde zich, want de auditeur Afzelius en proost Hammargren
aan den eenen kant en Mevrouw Hedda Hedberg en Mevrouw Nanna Hammargren
aan den anderen kant verstonden de kunst een gezelschap te onderhouden.
Maar niemand scheen zich op een of ander voorstelling te hebben
voorbereid. Niet eens een gewone verjaardagtoast liep van stapel.
De luitenant keek om zich heen naar alle kanten. Nergens merkte hij
geheimzinnige gezichten of drukke voorbereidselen.
Toen het begon te schemeren kwamen er massa’s menschen uit den heelen
omtrek naar Mårbacka stroomen. Ze stonden in donkere groepen op de
breede paden voor het woonhuis te wachten. De luitenant had medelijden
met allen, die de moeite hadden genomen, daarheen te gaan. Er was
immers niets te zien.
Toen de avondmaaltijd voorbij was, merkte hij toch, dat er een kleine
beweging van spanning en verwachting door ’t gezelschap ging.
Men kwam naar hem toe met een leunstoel, versierd met bloemen en
verzocht hem daarin plaats te nemen. En nauwelijks zat hij daar of hij
werd omhoog getild door sterke armen. Jan Asker hief een marsch aan, de
heeren boden de dames den arm, en in een langen stoet gingen zij uit in
den nacht. Maar men liep niet lang in het donker. De weg leidde naar
den tuin en zoodra men om den hoek van ’t huis kwam, zag men den heelen
omtrek vóór zich, door een massa gekleurde lampions verlicht.
De luitenant werd door de verlichte paden tot het kleine park gedragen.
’t Was voor ’t eerst, dat men op Mårbacka zulk een illuminatie had
geprobeerd en hij was er heelemaal verbaasd over, zoo mooi als de tuin
er uitzag. Was dat hetzelfde veld, waar hij en de oude tuinman nog maar
een paar jaar geleden waren rondgegaan en hadden gemeten en bloemperken
afgezet?
Van alle kanten hoorde men uitroepen van verrukking. Wat stonden de
struiken daar donker en geheimzinnig, wat waren de lanen oneindig lang
en hoog onder ’t bladgewelf. Wat glansden de bloemen mooi in dat
wisselend licht en hoe hingen niet de bladeren boven in de boomen als
kostbare bontgekleurde draperieën!
De optocht hield stil op een van de open plekken in ’t park. De stoel
van den luitenant werd neergezet, en zijn verblinde oogen zagen in een
grot van bloemen en groen, waar Flora op een voetstuk stond, met een
groote groep kleine nimfen om zich heen, en met een prachtige stem een
danklied zong voor den schepper van den tuin.
„Ach, ik had wel kunnen weten, Hedda,” riep de luitenant de schoone
bloemengodin toe, „ik had wel kunnen weten, dat je me niet vergeten
zou!”